HOOFDSTUK 14
Beproevingen
Hoewel Emed ons reeds meerdere malen had gewezen op de beproevingen waar wij mee te maken zouden krijgen, dachten wij na het heengaan van Marcus in de eerste dagen van de tweede wereldoorlog en na alle ellende die daarop nog volgde, dat deze beproevingen voor ons wel een einde hadden gevonden. Niets was echter minder waar.
Het was in het voorjaar van 1949, toen het mij opviel dat mijn man lusteloos werd en moe.
Gedurende de zomer, die wij gedeeltelijk aan zee doorbrachten, verdween dit weer, maar in het najaar deed zich een hardnekkige hoest gelden, waardoor ik hem verzocht naar onze dokter te gaan. De arts onderzocht mijn man en vertelde dat hij nerveus was en door een lichte bronchitis werd geplaagd.
Er kwam natuurlijk een drank maar die gaf niet veel en de scheurende hoest maakte mij ongerust.
Wanneer ik probeerde om een contact te leggen tussen hem en prof. Bolk of Emed, vroeg hij mij: „Waarom zit je mij toch zo aan te staren, ik mankeer niets hoor!”
Zo verbrak hij dan de draad en ik kon niets doen dan afwachten. Nog twee maal ging hij op mijn verzoek naar de dokter en kwam dan met dezelfde boodschap weer terug.
Zo brak de 2e november 1949 aan en de daaraan verbonden Allerzielenherdenking. Deze zou weer in „de Vrije Gemeente” worden gehouden. Mijn man zag er zo slecht uit dat het verschillende mensen opviel, maar hij stelde ieder gerust door te zeggen dat hij alleen wat moe was van het reizen en trekken dat wij deden en dat was een aannemelijke verklaring.
De Allerzielendienst zou een aanvang nemen en reeds speelde het prachtige orgel de préluden.
Ik werd binnen geleid en beklom de preekstoel.
Zo kon ik de gehele kerk overzien maar stond toch buiten alle invloeden; op dat moment zag ik mijn man beneden mij zitten en het viel mij op hoe ziek hij eruit zag.
„Emed, alstublieft Emed, zegt u mij wat hem scheelt, ik geloof niets van de uitspraak van de dokter...”
Nooit vergeet ik hoe zacht en liefdevol en medelijdend Emed's stem klonk toen ik de woorden opving:
„Wees voorzichtig, dit is t.b.c....”
Ik schrok op dat ogenblik zo geweldig, dat de rest verloren ging en in een soort paniek riep ik uit: „Wat ga ik een zware tijd tegemoet, u moet mij allemaal helpen!”
De mensen beneden keken verwonderd naar boven en op dat moment herstelde Emed mijn zelfbeheersing door te zeggen: „Hij zal er doorheen komen, wees niet angstig!”
De Allerzielendienst werd gehouden in volmaakte rust, mijn angst was naar de achtergrond geschoven en beladen met prachtige bloemen voor Emed, kwam ik thuis.
(Het was een steeds terugkerende geste tegenover Emed, dat men mij bloemen gaf, om hem dankbaarheid te brengen voor de grote troost die men had mogen ontvangen.)
Thuis vloog natuurlijk de angst om mijn man weer op mij af, maar ik kon niet anders doen dan te wachten tot de volgende dag.
Toen belde ik dan ook direct naar onze arts.
„Dokter, ik wilde vanmiddag met mijn man bij u komen, hij is reeds een paar keer bij u geweest, maar het wordt niet beter met hem en hij is ernstig ziek.”
Dr. G. vroeg: „wat denkt u dan mevrouw, waar bent u zo bang voor,” en ik zei hem: „mijn man heeft t.b.c. dokter, ik heb dat bericht ontvangen.”
(Nu wist onze dokter alles van mijn werk en hij stond er in het geheel niet afwijzend tegenover omdat ik in de loop van de tijd reeds vaker mensen naar hem toegezonden had, met de juiste omschrijving van de door mij waargenomen ziekte; hij had al eens lachend opgemerkt: „daar heb ik nou verd... zeven jaar voor moeten studeren en ik zoek maar en raad maar en u vertelt het alsof er geen studie voor nodig is.”) Nu zei hij: „mevrouw Mulder, ik heb alle respect voor uw werk, maar u staat er nu toch helemaal naast, maar kom gerust als u dat prettig vind, dan zal ik hem weer onderzoeken.”
We gingen, ik, diep in mijn hart hopende dat dokter G. gelijk zou krijgen en Emed ongelijk.
Mijn man met de gedachte: wat geeft een onderzoek nu weer,
want ik had hem niets verteld van Emed's conclusie en zijn mededeling aan mij, ik wilde geen angst brengen aan mijn man, en zo kwamen we dan weer bij de dokter, die mijn man grondig onderzocht en zei: „dit is 90 % nervositeit en 10 % bronchitis!”
Mijn hart sprong al omhoog van blijdschap, maar Emed nam er geen genoegen mee.
„Kijk eens hoe broodmager hij is, hij heeft een longspecialist nodig.”
Ik beheerste mij met moeite, maar zei toch tegen dr. G.: „kijkt u eens hoe broodmager hij is, ik wil met hem naar een longspecialist.” Dr. G. zei lachend: „wat maakt u zich toch zorg, hij is inderdaad wat mager, maar dat is beter dan te vet, hij is echt niet ziek!” Maar ik was niet van mijn stuk te brengen en eiste een advies voor een longonderzoek.
Ik kreeg het van onze dokter en daar het dezelfde middag nog mogelijk was, gingen wij naar dr. Gr., een longarts.
Hij onderzocht mijn man, maakte foto's en verzocht ons om de volgende middag terug te komen.
Natuurlijk ging ik weer met mijn man mee, ik had een vreemde rust over mij gekregen en hield nu hardnekkig vast aan Emed's woorden dat hij er van zou genezen en dat ik geen angst moest hebben.
Bij de longarts, verzocht deze mijn man tegenover hem plaats te nemen en mij zette hij achteraf.
„Mijnheer Mulder,” begon dr. Gr., „ik moet u helaas mededelen dat u zeer ernstig ziek bent, uw linkerlong is heel ziek, u heeft t.b.c.” Ik zag hoe mijn man letterlijk in elkaar klapte, sprong op en legde mijn hand op zijn schouder en zei: „wees maar niet bang, hier wordt je weer helemaal van genezen, maar je moet doen wat de dokter wil, het moet gedaan worden!”
De longspecialist keek mij heel verbaasd aan maar zei toch niets, tegen mijn bewering in, over de genezing.
Hij vroeg hoe het kwam, dat mijn man niet eerder was gekomen en deze vertelde van het tot viermaal toe herhaald onderzoek van onze huisarts.
Dr. Gr. zei: „mijnheer Mulder, u komt bij mij in het W.G., ik zal u behandelen alsof u mijn broer bent, want deze gemaakte fout is betreurenswaardig. U moet rekenen op 1 of 11 jaar.
U moet nu direct naar bed, voorzichtig zijn met ieder contact en in enkele dagen laat ik u halen voor opname.”
We stonden op straat, terneergeslagen, verslagen en het was helemaal uitzichtloos.
Ik vroeg mij af hoe ik ter wereld de avonden moest gaan houden, ik had enorm veel afspraken lopen en die moesten nagekomen worden, maar ik had er bijna geen moed voor.
Mijn man lag rustig in bed en het enige wat er dus opzat, was de gemaakte afspraken na te komen. Wat ben ik blij dat ik mij niet heb laten meeslepen door het verdriet over de ziekte van mijn man!
Ik moest in Den Haag een morgendienst leiden en dus ging ik de zondag vóór mijn man naar het ziekenhuis zou worden gebracht, naar de daarvoor bestemde zaal.
Ik hield de dienst, ofschoon het mij zelf voorkwam alsof er niets van terecht kwam. Na afloop kwam een bevriende relatie naar mij toe en zei: „ik moet je zeggen dat met je man alles wel weer goed komt,” en ik was natuurlijk dankbaar voor deze mededeling; ik had niets over de ziekte gezegd.
Later op de dag echter, zo tegen een uur of vijf, ging de telefoon, en werd ik uit Den Haag opgebeld:
„Mevrouw Mulder, is uw voornaam Wilhelmina,” hoorde ik een mij totaal onbekende stem vragen.
Ik bevestigde dit en toen vertelde men aan de andere kant van de lijn:
„Wij hebben zo juist onze wekelijkse zitting gehad en er was hier een Intelligentie die ons verzocht, ons met u in verbinding te stellen. Wij wisten niet wie deze Intelligentie bedoelde, maar hij vertelde ons dat u de Morgendienst had geleid en dat uw naam Wilhelmina is, we moesten ons met het „draaiding” (telefoon) maar met u in verbinding stellen en de volgende woorden uitspreken: „Heb geen angst, uw man zal weer beter worden, het is een langdurige kwestie, maar het komt in orde.”
Wij hebben nu gedaan wat ons werd opgedragen, mevrouw Mulder en wij hopen dat u er steun aan heeft.”
Ik bedankte de spreekster natuurlijk heel vriendelijk en vroeg haar naam, om haar persoonlijk op de hoogte te kunnen houden.
De dag daarna werd mijn man weggebracht en keerde ik alleen huiswaarts.
Toen heb ik leren begrijpen hoe zwaar de gang van een echtgenoot of echtgenote, vader of moeder moet zijn, wanneer zij man, vrouw of kind achter moeten laten, hopeloos ziek en eenzaam.
De week daarna kwam er een helderziende bij mij. Hij kwam mij alleen maar bezoeken en natuurlijk hadden we het over mijn man, van wiens ziekte hij onderweg vernomen had.
„Maakt u zich niet teveel zorgen, mevrouw,” zei hij, „u zult zien, over drie maanden precies is hij weer thuis.”
Ik keek hem bevreemd aan en merkte op: „dat is niet mogelijk, ik weet dat hij beter wordt, maar de longarts zei een jaar of anderhalf jaar heb ik nodig voor de genezing, het is een caverne, een grote schaduw heeft dat uitgewezen op de longfoto.”
„Het kan mij niet schelen wat die foto heeft laten zien,” hernam hij, „ik zie hem over drie maanden precies, weer hier liggen.”
Ik begon te lachen en zei: „dat zou dan zijn op 22 februari om elf uur in de morgen?”
„Ja,” zei de heer Zweck, „ik zie dat.”
„Goed, ik neem het aan, wanneer het zo is, heb ik er een kist fijne sigaren voor over.” Dat nam hij natuurlijk aan, en met de woorden: „Als ik het fout heb, komt hier een grote doos bonbons!”
December kwam en met deze maand natuurlijk de Kerstmis.
In het W.G. was het koud en akelig, ofschoon ik wel wil aannemen dat de mensen hun best deden.
De sfeer in die zaal, met de deuren wijd open, waardoor regen en wind, sneeuw en hagel vrij spel hadden, het was zo deprimerend dat ik het niet beschrijven kan.
Op een dag kwam ik op bezoek bij mijn man en vond de hele zaal in een mineurstemming, de radio was kapot en daarmee was aan de weinige afleiding weer een eind gekomen. Ik zorgde voor een nieuw toestel, maar mijn man werd er niet vrolijker door, al was hij natuurlijk mét de andere patiënten blij met het cadeau.
Weer een andere dag vroeg ik hem spontaan wat hij aan zijn handen had, ik zag ze in een diep-blauwe schaduw, opgezet en stijf, of het knakworsten waren in plaats van vingers.
Wijselijk vertelde ik dat niet aan hem, maar toen hij verbaasd zijn handen ophief, was alles normaal!
Ik had echter geen rust en na het bezoek, vroeg ik de hoofdzuster te spreken.
„Zuster, mijn man krijgt hier rheumatiek, mag ik jaeger ondergoed voor hem brengen?”
De hoofdzuster keek mij vanuit haar onneembare hoogte aan en zei: „Hoe komt u erbij dat uw man rheuma zou krijgen, klaagt hij daarover?”
Neen, dat had hij helemaal niet gedaan antwoordde ik, maar ik zag het.
De zuster snoof een beetje verachtelijk en vroeg: „Hoe kunt u nu zien of een mens rheuma gaat krijgen...”
Hoe kon ik dat nu ineens met die zuster gaan bespreken die bovendien in een soort citadel verbleef.
Maar toch liet ik niet los en zei: „ik zal u morgen wanneer ik weer op bezoek kom een boek brengen, dan kunt u het zelf uitmaken hoe ik dat zie.”
Ik bracht haar „De Doden spreken” en zij nam het gelukkig aan. Na een paar dagen hield zij mij staande en vertelde dat zij het boek had gelezen en dat het heel merkwaardig was, „maar voor uw man behoeft u zich geen zorg te maken, zodra hij rheuma zou krijgen doen wij alles.”
„Waarom niet voorkomen?” Emeds stem klonk heel verontwaardigd, maar wat moest ik beginnen? Ik kon mijn man niet uit het ziekenhuis halen, hij moest de injecties hebben die waren voorgeschreven, ik kon alleen maar hopen en wachten.
Met Kerstmis stond de zaal waar mijn man lag vol met bloemen en fruitmanden en op mijn vraag aan wie al die prachtige kerstgeschenken waren gezonden zei mijn man: „het is allemaal voor mij gebracht, steeds gaat de deur open en komt er een nieuw bloemstuk of een fruitmand.” Ik ging de kaartjes bekijken; het waren stuk voor stuk mensen die door mij geholpen waren en die nu aan mijn man hun dankbaarheid betuigden en ondanks alle ellende was ik gelukkig.
Begin januari zat mijn man, toen ik hem bezocht, met een dikke wollen doek om zijn schouders en op mijn vraag waarom men deze aan hem gegeven had, zei hij: „ik heb een aanval van rheumatiek, de dokter zei dat het wel weer over zal gaan, maar het is heel pijnlijk.”
Zijn handen waren dik, blauwachtig gezwollen!
Ik vroeg hem naar de medicijnen. Aspirine en twee poeders, ik geloof ongeveer veertien per dag, zei mijn man.
Verontwaardigd heb ik hem opgedragen om dat niet allemaal in te nemen en een gedeelte althans weg te doen.
Het werd niet beter, maar steeds erger, hij had geen kracht meer in armen en handen en ik moest het aanzien, want de kuur tegen de tuberculose was nog niet ten einde.
Februari: ik werd verzocht om bij zijn longspecialist te komen „Gaat u eens rustig zitten, mevrouw,” zei deze heel vriendelijke man, „ik moet over uw man spreken, hij gaat nl. hard achteruit.” „Betreft het zijn longen dokter,” vroeg ik, want in dat geval zou ik de uitspraak van Emed en de andere Intelligenties welke mij precies dezelfde boodschap hadden gegeven, wel als waardeloos opzij kunnen leggen.
„Neen mevrouw,” hernam dr. Gr., „zijn long is keurig in orde, daar
behoeft u geen angst voor te hebben, maar hij heeft heimwee en daar kunnen wij niets aan doen.
U heeft een groot huis. Kunt u een ziekenkamer voor uw man inrichten, dan mag hij de volgende week naar huis.”
„Natuurlijk kan ik dat dokter, maar hoe gaat het met die rheuma?” „Mevrouw Mulder, daar kunnen wij helaas niets meer aan doen, u moet er vrede mee hebben dat zijn long goed is en wanneer hij uit zijn bed komt, want hij moet er nog een jaar in blijven om na te kuren, dan zal uw man wel in een invalidewagentje moeten rijden.” Ik was verbijsterd, maar vroeg toch nog: „is er werkelijk niets aan te doen, het geeft niet wat het gaat kosten.”
Dr. Gr. keek mij vriendelijk aan en zei: „het zou weggegooid geld zijn, er is niets aan te doen.”
„Goed,” zei ik ineens zeer gedecideerd, „dan doe ik het zelf!”
Dr. Gr. vroeg natuurlijk verbaasd: „u gaat hem zelf behandelen, en wat gaat u dan wel doen als ik vragen mag?”
„Dat weet ik helemaal niet, maar in een invalidewagen komt hij niet,” riep ik uit.
Dr. Gr. wist hierop natuurlijk ook geen commentaar te geven en zei: „gaat u nu maar zelf aan uw man vertellen dat hij volgende week naar huis mag.”
„Wanneer hij toch naar huis mag dokter, waarom kan hij dan a.s. maandag niet meteen naar huis komen, iedere dag is eindeloos voor hem onder de gegeven omstandigheden.”
„Goed,” zei dr. Gr. „Ga dan nu maar heen en vertel hem dat hij a.s. maandag naar huis mag.”
Ik kan de blijdschap van mijn man niet beschrijven, het was vrijdag toen het boven omschreven gesprek met de arts plaats vond en het moet hem een oneindigheid hebben toegeschenen alvorens de maandag aanbrak. 's Morgens ging ik naar het ziekenhuis om hem te halen, ik kreeg een kromme invalide man mee naar huis, die nog niet zijn arm op kon lichten om zijn hoed af te nemen. Mijn hart schreide, ik moest blij en vrolijk zijn om zijn thuiskomst, maar het was bijna onaannemelijk dat dit wrak nog ooit een onafhankelijk mens zou worden.
Met ons drieën moesten wij hem de trappen ophelpen toen wij thuis kwamen en mijn oude vader stond als een kind te huilen en zei: „waarom moet hij dat nu meemaken, waarom heeft men mij daarvoor niet genomen?”
We hadden echter geen tijd om lang bij dit vraagstuk stil te staan, want Emed gaf opdrachten en deze moesten worden nagekomen. Een uur na zijn thuiskomst lag mijn man rustig en tevreden in zijn bed. Het was 22 februari, om 11 uur in de morgen; ik had de kist sigaren verloren!
De heer Zweck is nu zelf aan Gene Zijde, maar mijn gedachten gaan nog wel eens uit naar deze frappante waarneming die menselijkerwijze alleen maar absurd kon aandoen.
Op bevel van Emed rolde ik mijn man in een zuiver wollen deken, méér dan 1 aspirine per dag mocht hij niet gebruiken, zijn bed stond tegen de radiator van de verwarming, maar de ramen stonden wijd opengeschoven. Ik moest hem voeren, scheren en baden, maar dat hinderde niets, ergens had ik de overtuiging dat Emed gelijk zou krijgen en dat hij mijn man zou helpen met alles wat maar nodig bleek.
Na veertien dagen vroeg Emed mij om in een apotheek Thiodérasine te halen. Men had het in onze apotheek niet en kende het ook niet en daarom dacht ik dat men het in de Leidsestraat bij de apotheek Kerkhoff wel zou kunnen verzorgen. Dat bleek ook zo te zijn, men had het echter niet voorradig vertelde men mij daar, maar men zou het uit de Pasteur klinieken uit Parijs laten komen. Inderdaad ontvingen wij het geneesmiddel enkele dagen later en de kuur kon worden aangevangen.
Zienderogen ging mijn man vooruit en de rheuma week en na enige weken kon hij zijn armen vrij bewegen en zelf voedsel tot zich nemen.
Hij had echter een kniegewricht dat niet reageerde op de Thiodérasine, het was blauw en opgezet en er werd geen enkele verbetering waargenomen. Ik vreesde hiervoor het ergste maar Emed zei: „dit komt ook in orde, doe maar precies wat ik u zeggen zal al klinkt het misschien erg vreemd, doe het, wij helpen.
Neem eerst een grote selderijknol en maak deze schoon, snij hem in stukken en kook alles op een halve liter water, tot de massa gaar is. Zeef dan alle bestanddelen goed uit en geef hem het vocht te drinken.”
Natuurlijk volgde ik deze raad op en er volgde een enorme vochtafvoer na het gebruik van het akelig smakende selderijwater.
Maar de knie slonk niet!
Op een zondag werd er gebeld en kwam dr. Gr., de longspecialist, op bezoek. Hij praatte wat met mijn man, die hem zonder erg, want hij wist niets van de fatale uitspraak van deze arts, wees op het prachtige uitzicht dat hij vanuit de kamer had en daarbij vrij en gemakkelijk zijn armen bewoog of over elkander sloeg en beslist niet meer de indruk gaf van een afhankelijke zieke.
Dr. Gr. bleef niet lang. Bij het vertrek vroeg hij mij of hij zijn handen zou kunnen wassen waarover ik mij verbaasde, want hij had mijn man met geen vinger aangeraakt; maar het bleek alleen maar een onderhoud met mij te betekenen, want zijn woorden waren: „u heeft niet slechts geboerd met uw man, mevrouw.”
Ik vroeg: „zou ik nu maar naar het Rheuma Centrum van dr. Van Breemen gaan?”
Tot mijn verbazing antwoordde de arts: „mevrouw, ik weet niet wat u met uw man doet en ik wil het ook niet weten, maar blijft u nu rustig uw gang gaan, in het Rheuma Centrum kan men hem niet beter helpen!”
Hij vertrok en wij hebben hem nadien nooit meer gezien!
De knie van mijn man bleef intussen zorg baren en werd niet erger, maar ook niet beter.
Emed vroeg mij: „kunt u vuile schapenwol krijgen?”
Ik wist ter wereld niet waar ik het vandaan moest halen, maar zei tegen Emed dat ik het zou proberen.
In die tijd kende ik een paar heren die wel op Texel kwamen en een van beiden had daar familie wonen.
Hem vroeg ik of hij misschien aan vuile schapenwol zou kunnen komen en hij beloofde mij om direct te schrijven.
Binnen een paar dagen lag het spul voor mij.
Emed zei: „neem een schotel warme sla-olie en een schotel petroleum, ook goed verwarmen. U wrijft eerst de warme slaolie op de knie en onmiddellijk daarna de hete petroleum.
Niet bang zijn dat uw man brandvlekken krijgt, want daar zorgt de slaolie voor, dat dit niet kan voorkomen.
Wanneer u dit alles heeft ingewreven, dan bindt u de vuile schapenwol om zijn knie en leg dit vast met cambric zwachtel.”
Ik gehoorzaamde.
Binnen acht dagen was de knie volkomen normaal!
Nu werden alle aangetaste gewrichten behandeld en ik verzeker dat het een bijna bovenmenselijke opgave was, ik geloof wanneer onze dochter en onze schoonzoon ons in die tijd niet zo'n enorme steun waren geweest, dat ik het misschien niet had kunnen volhouden, maar voor hen was geen moeite te veel.
Wanneer onze schoonzoon mij vergezelde naar de avonden die toch moesten worden gehouden, zat onze dochter rustig bij haar pappa en zorgde voor alles.
Wij waren ondanks alle narigheid gelukkig met elkander.
Ik zal u niet vermoeien met het gehele proces van genezing. Mijn man moest ten slotte weer leren lopen en ik nam hem mee naar een bijeenkomst in de Vrije Gemeente, waar Harry Edwards, het Engels medium en een zeer bekend genezer, hem vrij en alleen liet lopen, iets wat mijn man nog niet had kunnen doen.
De behandeling kon door Edwards niet meer herhaald worden,, maar voor mij was het een teken dat mijn man weer zou kunnen lopen. Emed had dit reeds meerdere malen verzekerd, maar ik ben ten slotte ook maar een mens en het ging zo langzaam!!
Genoeg over dit alles, alleen wil ik opmerken dat mijn man nooit in een wagentje heeft gereden, zelf zijn tuin verzorgt en op de fiets door Bussum rijdt.
De wet van 1865 heb ik er maar niet op nageslagen!
Natuurlijk zijn er nog wel eens moeilijke dagen, de rheuma is een zorg, maar de meeste gewrichten zijn gezond; een orthopaedisch chirurg, die wij hier raadpleegden voor steunzolen (op advies van Emed zei: „nou mijnheer Mulder, wanneer u zo ziek geweest bent, door rheuma, dan neem ik mijn petje af voor degene die dit behandeld heeft!”
Ik gnuifde, want degene voor wie „het petje” afgenomen moest worden, stond vlak naast mij, maar dat wist en kón de arts ook niet weten!
Zullen wij dan de wetenschappelijke verklaringen voor het ogenblik maar vergeten en overdenken dat er een God is Wiens erbarmende Liefde naar ons uit gaat?
Ik heb zo dikwijls gevraagd: „Vader, indien het mag, help ons in Naam van Jezus Christus, Die ons beloofde: Wat gij de Vader in Mijn Naam zult vragen, zal u gegeven worden.”
Ziet u, daaraan heb ik nooit willen twijfelen!