HOOFDSTUK 17
Spookhistories
Wat moet men eigenlijk denken over de verhalen die hieromtrent de ronde doen. Mogen wij daar met een schouderophalen aan voorbijgaan of is het belangrijk genoeg om er aandacht aan te besteden.
Ik geloof dat het wel te benaderen is en dat wij het uit een bepaalde hoek moeten leren zien, om te begrijpen dat spookgeschiedenissen op waarheid kunnen berusten.
Verschijnselen, zoals het gooien met deuren, het stuk slaan van vaak kostbare voorwerpen of huisraad, zo dikwijls beschreven in zekere literatuur, mag men nimmer toeschrijven aan de Intelligente wezens uit een hogere wereld. Maar zoals ik reeds opmerkte, zijn er aan Gene Zijde ook andere wezens die bepaald vereenzelvigd kunnen worden met de hier genoemde verschijnselen. Ik weet dat er paranormaal begaafden zijn die beslist hieronder te lijden hebben en men kan deze wezens niet ontkennen, want dan zou men de gehele wereld aan Gene Zijde moeten verwerpen.
Waar Licht is, heerst als tegenstelling ook duisternis.
Men moet begrip hebben voor het feit, dat er mensen worden opgeroepen, die in een volgend leven nog krampachtig vasthouden aan hun geld en goed en dikwijls komt doodsangst hier mede uit voort, men kan het bezit op aarde niet prijsgeven.
Het blijkt dat bezit een onoverkomenlijke hinderpaal kan zijn en dan krijgen wij begrip voor de juiste betekenis van Jezus' woorden: „eer kan een kemel door het oog van een naald gaan, dan de rijke het Koninkrijk God's beërven.”
Hier wordt stellig bedoeld dat zij die zich krampachtig vasthouden aan stoffelijk bezit, heel veel moeite zullen hebben zich daarvan te distantiëren.
Aan Gene Zijde is ook een gebied van hebzuchtigen en gierigaards. Emed vertelde hierover: „steeds opnieuw sluipen zij naar de aarde om te trachten opnieuw bezit te nemen van hun verloren schatten; deze zijn echter dikwijls reeds verdeeld of onvindbaar en in hun woede daarover gooien zij in boosaardige kracht alles wat zij maar bereiken kunnen tegen de grond.
Steeds keren zij terug in de door hen verlaten omgeving om telkens weer opnieuw in woede te ontsteken en zo ontstaan „spookhuizen”. Zij worden op die manier rusteloos ronddwalende geesten en een mens die gevoelig is voor hun aanwezigheid, kan er dikwijls door lijden. Geen rust vinden in het graf, moet men zien als een volksgezegde, want het dode lichaam vindt niets anders dan rust, maar dit geldt bepaald niet voor de levende geest.”
Ik herinner mij eens te zijn geroepen in de Govert Flinckstraat in Amsterdam. Telkenmale wanneer de vrouw des huizes over een drempel liep, (steeds dezelfde drempel) werden de kopjes uit haar handen geslagen en heftige ruzies waren het gevolg, omdat zij maar niet kon verklaren hoe het kwam, dat zij juist over die drempel gaande, dat krachteloze gevoel kreeg, alsof iets haar verlamde.
Door de opmerking van een bezoekster dat er een spook in huis moest zijn, kwamen zij op het idee, een onderzoek in te stellen naar dat spook en de enige die kon helpen, was volgens hen een medium. Wij hebben daar met onze voltallige eigen kring een séance gehouden en toen bleek mij, door een helderziende waarneming, dat zij niet met één spook, maar met twee kinderachtige wezens te doen hadden. Deze twee hadden samen de grootste pret, wanneer er blad met kopjes of glazen tegen de grond sloeg.
Ik vroeg haar in mijn aanwezigheid over de drempel te gaan en in plaats van kopjes, onbreekbare waren te nemen en toen zag ik hoe zij haar a.h.w. tegelijk een duw tegen haar arm gaven, waardoor alles wat op het blad gelegd was met een boog de kamer in vloog.
Een van hen noemde zich blijkbaar „Janus” want de ander sprak hem met die naam aan.
Wij hebben met hen kunnen spreken, hen gewezen op het kinderachtige van hun handelwijze, hen verteld hoe zij de oorzaak waren van veel ruzie in dat huis, omdat niemand hen zien kon, wij vertelden dat er heel ander en veel beter werk op hen lag te wachten, wanneer zij maar om hulp vroegen.
Beiden wisten dat zij niet meer op aarde leefden, maar hadden de dood niet kunnen aanvaarden en daardoor de oude omgeving opgezocht, waar zij iemand aantroffen die gevoelig was voor hun plaagzucht.
Zij beloofden ons plechtig niet meer van die soort spelletjes te beoefenen en ik vroeg hen om te vragen om hulp aan Emed, die hen zeker naar een, voor hen beter en vriendelijker oord, zou laten brengen. Van „spoken” hebben de bewoners van het huis nimmer meer last gehad.
Zulke aardgebonden, rusteloze geesten, dwalen meestentijds rond in de omgeving waar zij hun stoffelijk leven hebben geleid en daardoor ontstaat ook enig begrip waarom een Engelsman zich in Engeland en een Nederlander zich in Nederland zou ophouden, ofschoon ons persoonlijk heel veel gevallen bekend zijn, dat een vreemdeling zich aanmeldde en zo het mogelijk was in zijn eigen taal, bepaalde verlangens kenbaar maakte of een opdracht gaf. Emed vertelde ons echter dat ieder taalverschil aan Gene Zijde is weggevallen, dat zij de moedertaal niet vergeten, maar daarnaast de taal van „de krachten van de gedachten” moeten aanvaarden. Het is de taal die wij aan Gene Zijde gebruiken. Door onze gedachten over te brengen, verstaan wij elkander. Er is dus tussen hen een telepatisch contact en dit doet de vraag, hoe zij zich verstaanbaar kunnen maken omdat zij geen stoffelijke tong meer hebben, beantwoord zien.
Wij moeten bedenken, dat alles wat ons nu niet geheel duidelijk zou zijn, overdacht moet worden en door logisch denken tot een oplossing dient te komen.
Wat men een „spook” belieft te noemen, is een ongelukkig wezen, dat geen rust kent en door zijn daden aan de aarde gebonden is. Weet men dat eenmaal, dan kan men zich ook een voorstelling maken van een der facetten van ons werk, want de helderziende kan hen waarnemen en toespreken en hen waarschijnlijk wel uit de impasse vandaan halen. Het behoeven nog niet altijd ontwikkelde media te zijn om deze hulp te kunnen verlenen, want spontane helderziendheid heeft dikwijls uitgemaakt dat het in de omgeving spookte.
Door deze, vaak beschreven, spontane helderziendheid, werd het spook een besproken verschijnsel.
Er bestaat echter ook nog een geheel ander beeld omtrent spookhistories. Een mens kan in gewetensconflicten geraken en daardoor een beeld projecteren, dat echter niets met Gene Zijde te maken heeft.
De zielsconflicten nemen vormen aan en jagen de waarnemer de schrik op het lijf.
Ik geloof hier te mogen spreken van een toestand die wij als delirium kennen en ik weet dat menig mens die meer op zijn geweten heeft geladen dan hij kon verantwoorden hieraan ten prooi kan vallen. In het stervensuur kunnen deze geprojecteerde zielebeelden een enorme afmeting aannemen en of men dat nu wroeging noemt of een conflict, het is om het even, men kan er beter maar niet mee geconfronteerd worden.
Een moordenaar die een kind verkracht heeft, kan dit geheel zijn leven als een geheim ronddragen, ongestraft soms omdat hij zich goed te verbergen wist, maar in zijn stervensuur kan het beeld van het kind dat hij toch in zich ronddraagt, zich dermate projecteren dat hij, de moordenaar, zich aan alle kanten ingesloten gevoelt en het uitschreeuwt van angst.
Nerveuze of angstige mensen zien dikwijls gestalten waar absoluut geen gestalte is waar te nemen en boom of struik kunnen de waarneming van het „spook” direct ontzenuwen. Maar niet ieder mens is zo gemakkelijk te beïnvloeden.
Intelligenties zoals Emed en vele, vele anderen, leven in een Hogere wereld en zijn onderworpen aan de daar heersende wetten, zij zullen ook niet in een spookhistorie verwikkeld raken, tenzij hun opdracht zou luiden te moeten helpen.
Over de gehele wereld komen „spookhuizen” voor en deze zijn dikwijls kenbaar aan ongewone geluiden, voetstappen die men „hoort”, de telekinese van het verplaatsen van voorwerpen en men zegt dan al gauw dat het in dat huis spookt.
Wij hebben een ervaring opgedaan in zo'n spookhuis.
In een zeer bekende drogisterij in H. waren onverklaarbare geluiden, in de zaak zelf werden potten en flessen verschoven zonder dat iemand daar met de handen aan kwam.
Het was een gewaarwording alsof men iets zocht dat opgeborgen was en men niet meer wist te vinden.
Dit duurde geruime tijd totdat het opviel dat een bepaalde traptrede een geluid maakte dat niet met een gewoon kraken kon worden vergeleken. Intussen bleven de potten en flessen maar zelden op de plaats waar zij gerangschikt werden.
Er werd een medium bijgehaald omdat de zoon des huizen in aanraking was gekomen met een paranormaal begaafde, en deze kreeg aanwijzingen de traptrede open te laten breken.
Onder de trede van de massief eiken trap, het is een zeer oud huis, vond men verschillende recepten die alle samengesteld moesten worden van vergiftigde bestanddelen en met deze had men gehele families kunnen uitroeien.
Nadat men deze recepten verbrand had, hielden alle spookgeluiden op en bleven flessen en potten rustig op hun plaats staan.
Een verklaring zou kunnen zijn, dat de voormalige eigenaar van, de drogisterij met deze recepten een misdaad op zich heeft geladen en door de erkenning van deze schuld, nog maar één wenk kende, de recepten, die voor velen de dood zouden kunnen betekenen, te vernietigen. Sindsdien spookt het niet meer in het huis te H. Misschien bevat de bewering wel waarheid dat er omstreeks de tijd dat die drogist moet hebben geleefd, zeer veel vergiftigingsgevallen voorkwamen in H. en omgeving, maar bewijzen daarvoor, hebben wij niet kunnen verkrijgen.
Intussen zal niemand mij ten kwade duiden dat ik noch de plaatsnaam noch de naam of het adres van de bloeiende drogisterij vermeld, het doet immers niets ter zake, het behoort alleen thuis in onze serie spookverhalen.
Toch weten wij dat in een huis waar dergelijke verschijnselen voorkomen, de bewoners heel wat te verduren hebben en het komt niet weinig voor, dat men in angst om al het onverklaarbare, een andere woning zoekt.
Hierdoor ontstaan dan weer huizen, die ondanks alles wat men er aan ten koste legt, door niemand betrokken warden en men zal ten leste een bouwval aantreffen op de plaats waar eens een mooi huis stond.
Er kan, zonder dat men echter ook maar iets waar kan nemen, in een bepaald huis een sfeer aanwezig zijn die het koud over de rug doet lopen, een eigen ervaring hiervan is de volgende.
Wij waren voor enige vakantiedagen in Den Haag.
Wij bezochten allerlei, voor ons, interessante gebouwen, o.a. de Gevangenpoort. Beneden in de vroegere folterkamers kreeg ik het koud, maar schreef dit beslist niet toe aan een paranormale gewaarwording, we waren uit en dan is men gewoonlijk niet met deze zaken doende.
De kou trok weer weg toen wij de folterkamer verlieten en nogmaals, ik besteedde er niet de minste aandacht aan, maar boven in de kamer die aan Cornelis of Johan de Witt heeft toebehoord, tijdens hun gevangenschap, kreeg ik, die argeloos de ruimte binnentrad, een duw tegen mijn borst, die mij meteen midden in een paranormale gewaarwording plaatste, want ik was alleen in die kamer, mijn man en onze gastvrouw waren in een ander vertrek.
Nogmaals werd ik als door onzichtbare handen geduwd en gestompt en ik vloog uit die kamer zo hard ik maar lopen kon en ik ben met geen stok te bewegen geweest haar weer te betreden.
Ik heb niets gezien, niets gehoord, alleen maar het gevoel dat boven omschreven is gehad en wel zo duidelijk, dat ik kan begrijpen dat in die ruimte een „spook” zijn misdrijf tegen de De Witten uitboet, of er althans niet van los kan komen. Wie weet hoeveel eeuwen nog, dat is niet te zeggen, daar is immers het moment waarop het opgelichte gordijn weer omlaag valt!
Overbekend is het verschijnsel dat zich voordeed ten huize van de familie Fox, omstreeks 1848 wonende in Hydesville, in Amerika. In het door hen bewoonde huis werden regelmatig klopgeluiden vernomen en een van de dochtertjes, Kate, maakte er een spel van. Zij ging verschillende vragen stellen die werden beantwoord en er werd tussen haar en degene die deze geluiden „veroorzaakte” een afspraak gemaakt. 1 x kloppen gold voor „ja”, 2 x voor „neen” en haar vragen werden op deze wijze ontkennend of bevestigend beantwoord.
Later zou in de kelder van het huis een lichaam worden gevonden dat men toeschreef aan een vermoorde marskramer, die spoorloos verdwenen was.
Men begrijpt dat men de zusjes Fox, want Kate had een zuster die dezelfde waarnemingen had, getest heeft en men moest eindigen met de verschijnselen die beide fenomenen teweeg brachten te erkennen. Hoevelen er aanleiding in vonden om op grond van deze verschijnselen de mogelijkheden te onderzoeken naar een contact met de geestenwereld, is mij niet bekend, maar vast staat dat het een omkeer teweeg bracht in het menselijk denken en dat de gebeurtenis te Hydesville een nieuw tijdperk op het gebied van onderzoek en weten heeft ingeluid.
Natuurlijk zullen er onderzoekers zijn die beweren dat de meisjes Fox nog kinderen waren die allerminst bewust waren van hetgeen zij deden, maar indien de meisjes Fox daar niet verstandig genoeg voor worden geacht, waarom werd er dan wel geloof gehecht aan datgene wat de kinderen van La Salette zagen en hoorden?
Toen Jeanne d'Arc haar verschijningen te zien kreeg, sprak men in haar eigen omgeving van dromerijen, betrekking hebbende op het naderen van de volwassen leeftijd van Jeanne, maar zij hield vol een opdracht te hebben ontvangen, evenals Bernadette Soubirous (14 jaar oud) . Wij mogen dus niet het éne erkennen en het andere loochenen.
Hoe wij het ook willen uitleggen of overdenken, een feit blijft het dat er spookhuizen bestaan, waarin allerlei verschijnselen en geluiden worden gehoord en gezien en het is niet mogelijk deze met een schouderophalen voorbij te gaan.
Dat bijgeloof een rol kan spelen weten wij natuurlijk maar al te goed, wanneer dat niet het geval zou zijn geweest, dan zou er in Oudewater geen Heksenwaag bestaan, dan zou er nooit een brandstapel zijn opgericht om heksen te verbranden.
Zelfs in onze eeuw komt het voor dat men iemand verdacht maakt van hekserij en zelfs de waarschuwingen van de parochiegeestelijken kunnen niets uitrichten tegen dit volksbijgeloof.
Sterft b.v. een jong kind, dan wil men nog wel eens het hoofdkussentje open maken en liggen de veertjes in een krans, dan, ja dan moet het sterfgeval het werk zijn van buurvrouw Mietje of Pietje, die men al reeds lang verdacht zich met hekserijen bezig te houden.
Had de boer niet geweigerd haar een van zijn kippen te schenken waar zij om vroeg? Daar had je het dan, ze had wraak genomen! Ook in andere streken heeft een dergelijk bijgeloof nog vaste voet en menige vrouw is er de dupe van geworden.
Dat dit alles echter niets te maken heeft met de onderzoekingen van een voortleven na de dood en het daaraan verbonden contact met de geestenwereld, zal iedere gezonde lezer moeten inzien.
Dat het dikwijls jonge kinderen zijn die geluiden etc. horen, moet worden toegeschreven aan de gevoeligheid van het kind. Emed zei immers: „de kinderen leven nog zo dicht bij God, door Wien hun geest gevormd werd en zij horen en zien veel meer dan de volwassenen, maar het kind aanvaardt deze verschijnselen als iets wat in zijn omgeving thuis hoort, zoals het zonder protest warmte of koude zal aanvaarden.”
Wanneer wij meer op het spel van onze kleuters zouden gaan letten, zou blijken dat het kind véél meer om zich heen ziet en hoort, dan wij kunnen benaderen.
Spreekt het kind erover, dan wordt dit alles maar heel rustig op een enorme fantasie geschoven en later zelfs op leugenachtigheid. Ik zelf had op zevenjarige leeftijd mijn eerste bewuste helderziende waarneming en al zou ik nadien nimmer meer iets hebben mogen waarnemen, dan zou deze mij toch zijn bijgebleven gedurende geheel mijn stoffelijk leven.
De verschijning was zo reëel, zo oneindig mooi en lieflijk, dat ik haar nooit zou willen verloochenen.
Emed spreekt over „het kleine meisje dat hem soms kon zien”. Kennelijk heeft Emed zich reeds vanaf mijn prille jeugd aan mij vertoont, maar zeker kan ik dat niet zeggen, omdat een mensenleven nu eenmaal allerlei facetten te zien geeft en door het ene kan men het andere vergeten.
Bewust echter was ik, zeven jaar oud, toen ik de waarneming had dat een gestalte naar mij stond te kijken.
Dat ik een enorme duik onder de dekens nam, zal geen mens mij ten kwade duiden, maar de gestalte, mijn angst ziende, was verdwenen. Deze kwam echter bij korte tussenpozen terug en daar ik mijn eerste H. Communie moest gaan doen, dacht ik dat het O.L. Heer zelf wel zijn kon, hij was immers in schitterend witte kledij en strekte soms de handen naar mij uit, maar toen ik erover ging spreken, vertelde mij de biechtvader, dat dit een duivel moest zijn en vermeerderde daar mijn angst mee tot een paniek.
Toch kón ik die „duivel” maar niet aanvaarden en achteraf bezien, geloof ik dat dit alles mij later ertoe bracht een werkelijk onderzoek te willen instellen.
God gaf mij de gave om diep en lang na te kunnen denken en een logisch geheel op te kunnen bouwen en dit alles bracht mij op de gedachte dat er geen „dood” kon zijn, tenminste niet in die vorm zoals het werd voorgesteld.
Ik was een verklaarde vijand van de gedachtte „dood is dood” en zelfs de leer van hemel, hel en vagevuur, kon mij niet verzoenen met die „dood” die ik als een verschrikking zag.
Ik geloof vast, op grond van mijn eigen ervaringen, dat men de gave die een kind openbaart en wil vertellen, niet achteloos of verachtelijk opzij moet schuiven.
Het schrikbeeld van de dood zou voor heel veel mensen verdwijnen, wanneer zij zich op grond van hun eigen kinderlijke waarnemingen, weer zouden herinneren dat zij in contact waren met de geestenwereld, toen een klein meisje of jongetje onzichtbaar voor anderen, deelnam aan hun spelletjes of dat zij geconfronteerd werden met een verschijning, die door de volwassenen naar het rijk der fantasie werd verwezen. Men moet deze gevoelige kinderen behoeden voor de angsten die zij door een dergelijk ruw ingrijpen in hun kinderzieltje te verduren krijgen en ik hoop dat dit werk moge bijdragen tot een beter begrip van datgene wat in een tere kindergeest kan plaats vinden.
Niet alleen de lichamelijke maar ook de geestelijke verzorgers van het kind zou ik de raad willen geven, wat meer zorg te besteden aan de problemen die het kind met zich kan dragen, voortvloeiende uit door hem geziene dingen, die anderen vreemd zijn.
Het is gemakkelijker om alles op een teugelloze fantasie of een verregaande leugenachtigheid te schuiven, maar het geluk van het kind is daar beslist niet mee verzekerd; men zou althans de moeite kunnen nemen het kind, zonder verachtelijke kritiek, aan te horen en eerst daarna zijn zienswijze over dit alles te vestigen.
Het schijnt mij toe dat wij een groot en goed werk hebben verricht, wanneer wij tegen een kind zeggen: „dat wat jij waarneemt is een meisje of een jongetje, dat reeds op aarde heeft geleefd en dat jij later ook weer terug zult zien, wanneer dat volgend leven voor jou gaat komen.” Heel veel vrouwen en mannen zouden dan in de wereld rondgaan zonder angst voor de dood, een angst die nu dikwijls zo vastgeroest is in het denken, dat het een blijvende metgezel is geworden.
Wanneer wij bedenken dat Emed zegt: „Angst is een slechte geleidegeest” dan zouden wij kunnen begrijpen hoeveel mensen er in paniek geraken wanneer zij alleen maar aan het sterven denken, omdat zij de angst als metgezel hebben.
Wij allen kunnen helpen door rustig te verklaren dat de dood een overgang is naar een volgend bewust leven en dat wij in dat leven de kansen hebben om ons geestelijk te ontwikkelen, tot heil van de op aarde achtergebleven mensen.
Ten slotte zei Jezus zelf : ,.Het is aan de kinderen geopenbaard” en „Laat de kinderen tot Mij komen”. Wie zou het beter hebben geweten dan Hij?
Zou Hij de kinderen veroordeeld hebben om hun „fantasie” en hun „leugenachtigheid” of zou Hij met vriendelijke stem hebben verzekerd dat alles de Wil van de Vader zou zijn?
Misschien ook dat de kinderen gebruikt worden om ons te wijzen op een voortbestaan, daarmede een instrument zijnde, om de beruchte spookhistories een geheel ander begrip te doen geven, nl. die van arme dwalende geesten, die trachten in contact te komen met mensen, die hen misschien kunnen helpen om verlost te worden van de hen omringende duisternis, waardoor zij eindelijk een straaltje van Licht zullen ontvangen.