HOOFDSTUK 8
De wet van 1865
In een vorig hoofdstuk heb ik reeds gewag gemaakt van de bijzondere wetten die waren ingesteld om de burgerij tegen ons werk dat grote opgang maakte en veler aandacht trok te „beschermen”. Hoewel ik naar aanleiding van de zwendel die mede welig in dit werk tiert slechts kon juichen over deze wetten, moest ik ondervinden dat deze ook in toepassing zouden worden gebracht op mij en mijn werk.
Ik vertelde u reeds dat ik aan een commissaris van politie een recept voor zijn dochtertje had overhandigd. Het gebeurde dikwijls dat ik een ziektegeval beschrijvende, verzocht werd na afloop van de avond nog even te wachten. Men vroeg mij dan meestal een recept. In zo'n geval schreef ik dan een kruidenrecept uit voor de patiënt, recepten die mij getrouw door Emed werden opgegeven. Ons onderzoek wees uit, dat nooit een enkel vergiftigd of gevaarlijk kruid daarin verwerkt was en dat de werkzame bestanddelen van deze kruiden de genezing van de ziekte teweeg brachten.
We onderzochten dit juist zeer ernstig, omdat er met het geven van geneeskrachtige kruiden een verantwoording op mij was gelegd en daar wilden mijn man en ik beslist niet te licht over denken. Hoeveel mensen op deze wijze geholpen werden, is niet te beschrijven. Het was als een sneeuwbal, want van heinde en verre kwamen de mensen die bij geen enkel medicijn meer baat vonden, als grepen zij zich aan een laatste strohalm vast.
Soms gebeurde het dat Emed zei: „Hier kunnen ook wij niet meer helpen.” Ook kwam het voor dat Emed mij vertelde de patiënt onverwijld naar de chirurg te zenden opdat deze mens nog gered zou worden en ik luisterde nauwgezet, bang in dit werk ook maar de geringste fout te maken.
Ik vertrouwde volkomen op Emed, maar ik als mens kon falen in het opnemen van zijn adviezen of de voorgeschreven therapie. Waar gewerkt wordt kunnen immers fouten gemaakt worden, maar dat moest onder alle omstandigheden vermeden worden, het ging om levend materiaal en nauwkeurig controleerde ik in Zwitserse, Duitse en Nederlandse kruidenboeken het voorgeschrevene.
Nooit werd door mij bij dit onderzoek ook maar de kleinste fout ontdekt en Emed heeft het nooit gezien als een gebrek aan vertrouwen, maar wel als de aanwezigheid van een behoorlijke dosis gezond verstand mijnerzijds, of zoals hij zei: „men kan tenminste niet zeggen dat u een willoos werktuig bent zonder enige verstandelijke vermogens.”
Maar de Wet van 1865 was er ook nog en ik zou dat wel degelijk ondervinden.
Wij moesten een avond houden in Haarlem. De zaal was zoals gewoonlijk geheel gevuld en alles had het normale verloop.
Overal werden bewijzen gebracht van het voortbestaan na de dood en werden raadgevingen verstrekt over het opvoeden van moeilijke kinderen, werden religieuze problemen opgelost en moed en troost gebracht. Na de pauze, die ik altijd nodig heb om even op adem te komen en de enorme spanningen in de zaal te breken, ging ik weer verder. Tot goed begrip diene dat de zaal waarin ik werkte op een bovenverdieping lag en welhaast alle aanwezigen naar beneden gingen om in het café een kopje koffie te gebruiken.
Zo konden wij, wanneer het einde van de pauze werd aangekondigd, niet controleren wie er wel en wie niet de zaal verlaten hadden.
Op die avond, toen ik na de pauze weer aan het werk was, kwam ik in aanraking met een ziektegeval, dat met enkele eenvoudige kruiden zoals romeinse kamillen, citroen-melisse en klein hoefblad volkomen genezen kon, zoals Emed zei.
Ik vroeg de vrouw, die de gehele beschrijving van het ziektebeeld nauwkeurig had gevolgd en volkomen bevestigde om bij mij te komen na afloop van de avond en zij kwam.
Ik schreef vlug, want wij moesten met de trein mee, de ingrediënten op met de mededeling hoe zij dit alles klaar moest maken en wilde toen zij mij, dankbaar voor alles verliet, mijn tas gaan pakken toen een tumult aan de ingang mij trof.
Ik wilde mij daarheen begeven want ik zag dat mijn man in moeilijkheden was en zich driftig verzette tegen twee heren, maar voor ik hem kon bereiken kwam een van de twee naar mij toe en vroeg: „Mevrouw, heeft u dit recept uitgeschreven?” Hij toonde mij het zo juist verstrekte recept en ik zag de vrouw aan wie ik het had gegeven, verschrikt bij mijn man staan.
Ik bevestigde natuurlijk dat het recept door mij was uitgeschreven en ik kreeg ten antwoord: „Wij moeten proces verbaal tegen u opmaken, indien u dat ondertekend heeft, kunt u vertrekken.”
Hij begon te schrijven, maar mijn man die het verboden was zich nog met mij in verbinding te stellen, rukte zich los en kwam naast mij staan.
Er stond zonder meer, dat ik op de avond (datum enz.) een recept had uitgeschreven met het doel een zieke in behandeling te nemen. Ik zou dit meteen ondertekend hebben, maar mijn man eiste dat in het proces verbaal zou worden vermeld dat de beschrijving van het ziektebeeld volkomen juist was geweest, anders verbood hij mij om mijn naam onder dat rapport te zetten.
Ik vond het allemaal een beetje belachelijk, stel je voor, ik had immers bij de politie wel dergelijke recepten verstrekt, misschien was dit een beetje willekeur waar ik niets meer van zou vernemen. Maar ik hoorde er wél iets van, want bijna een jaar later, ontving ik bericht dat ik bij de Kantonrechter in Haarlem moest komen, teneinde mij te verantwoorden over de overtreding van de Wet van 1865 zijnde het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde.
Wanneer ik niet zou verschijnen, zou ik bij verstek veroordeeld worden. Maar daar dacht ik eenvoudig niet over, ik ging. Natuurlijk gingen we samen, zoals wij altijd alles samen deden en op de voorgeschreven tijd waren wij aanwezig, maar niet alleen... Op een rijtje zaten nog meer „zondaars” die zich te verantwoorden hadden en terugkomende van de rechter vertelden van ƒ 350.— tot ƒ 500.— boete of hechtenis. Ik wachtte maar rustig mijn beurt af. Tijdens het voorlezen van het proces verbaal, vroeg ik mij af of er geen onderscheid zou kunnen gemaakt worden, zodat zij die over deze gaven tot heil van de mensheid de beschikking hebben, beschermd konden worden; het verbaal zelf interesseerde mij totaal niet.
De eis was ƒ 350.— boete of 30 dagen hechtenis.
„Heeft u nu iets te zeggen?” vroeg de President.
Ik antwoordde: „Och neen, het feit is gepleegd, wat moet ik zeggen?” maar Emed had wél iets te zeggen.
Ik weet nog dat ik zei: „Ik zal het wel betalen, al weet ik dat ik gestraft wordt voor de zwendelaars op dit gebied,” en toen hield Emed een rede, waarnaar de President, de Officier van Justitie en alle verdere aanwezigen met open mond zaten te luisteren. De President had zijn hand onder zijn kin gelegd en steunde met zijn elleboog op de tafel en geen letter ontging hem.
Toen Emed uitgesproken was, en wat hij allemaal zei weet ik echt niet meer, behalve dat het een pleidooi was, zoals de beste advocaat hem niet had kunnen verbeteren, hernam de President het woord en zei: Mevrouw, ik spreek u vrij en ik hoop dat de Officier ook
zijn eis zal laten vallen en het met deze uitspraak eens is. Wees voorzichtig, u kunt wel een redster zijn in vele hopeloze gevallen, maar wij moeten helaas rekening houden met de Wet van 1865, wij willen u niet veroordelen tot een boete, want wij hebben begrepen dat men onderscheid dient te maken, maar doe het niet weer.
Gaat u nu naar het Hoofdbureau van Politie, men verwacht u daar.”
Vermeld zij dat ik na die fatale avond een verbod had om in Haarlem te werken, maar wat ik nu weer op dat Hoofdbureau van Politie moest gaan uitvoeren, was mij een raadsel.
We besloten echter maar meteen te gaan.
Toen wij op het Hoofdbureau kwamen werden wij vrijwel onmiddellijk bij een inspecteur gebracht. Zijn naam doet er niet toe, al ken ik deze naam natuurlijk.
„Mevrouw,” begon hij zonder meer, „schildert u nog wel eens en is Emed nog steeds uw geleider?”
Ik had hem niet verbaasder aan kunnen kijken dan ik reeds deed en, bevestigde zijn vraag omtrent Emed.
„Nu mevrouw,” vervolgde hij, „dan willen wij graag dat u een avond in onze stad geeft en dat u mij uitnodigingen zendt voor de politie, wij willen de avond graag bijwonen.
Denkt u er echter aan,” vervolgde hij, „dat u ons niet als uw vijanden moet zien, maar wel de z.g. geestverwanten van u, zij hebben u dit alles bezorgd maar u bent nu gewaarschuwd.”
Ik maakte mij over die geestverwanten niet koud of warm, tegoed wist ik hoe men iemand af kon breken en vervolgen, maar de politie kreeg de beloofde uitnodigingen en de eerste dame die ik bij mij riep was de echtgenote van de inspecteur, iets wat ik niet weten kon en zij kreeg een beschrijving van haar ziektebeeld dat klonk als een klok, maar een recept werd door Emed niet gegeven; ook hij wilde schijnbaar de Wet van 1865 eerbiedigen.
Het zal de aandachtige lezer opgevallen zijn, dat ik zo juist heb neergeschreven „de eerste dame die ik bij mij riep”, dat betekent dus, dat ik geen foto van haar in behandeling nam.
De beschrijving die van haar ziektebeeld werd gegeven, werd mij verstrekt door Broeder Martinus, die haar gehele Aura beschreef en aan de hand daarvan de door hem gedane ontdekkingen omtrent haar gezondheid.
Daarom wil ik u eerst in contact brengen met het werk van deze Intelligentie, een van onze grootste vrienden van Gene Zijde, maar waar wij nooit een definitief onderzoek naar hebben kunnen instellen.
De grote liefde die hij tegenover de voor hem aanwezige mensen te zien gaf en het feit dat zijn werk feilloos werd gebracht zonder ooit een fout te maken, geven hem het recht dat wij ons vertrouwen ook zonder nader onderzoek aan hem geven.
Broeder Martinus beschrijft de menselijke uitstralingen.
Wanneer u zich voorstelt dat uw stoflichaam omgeven is door een ring van lichtgevende kleuren, die als een prisma weergegeven worden, dan weet ik dat ik iets vraag van uw fantasie en dat vele dingen u misschien onbegrijpelijk voorkomen en daarom moet ik u een volkomen en zo begrijpelijk mogelijke uiteenzetting geven van die Aura.
Rond de afbeeldingen van R.K. heiligverklaarden ziet men meestentijds een licht-gevende ring om het hoofd.
Ik neem dit voorbeeld om u deze moeilijke beschrijving enigszins te vergemakkelijken en hoop hierdoor dat doel te bereiken. Iedere mens heeft nl. niet alleen zo'n stralenkrans om het hoofd, maar rond het gehele lichaam als de vorm van een omgekeerd ei, welker punt dus aan de voeten rust.
Deze uitstraling wordt de „Aura” genoemd en wisselt van kleur naarmate de stemmingen, de gezondheid en het geestelijke leven van de mens veranderen.
Broeder Martinus vertelde ons:
„Gedurende mijn stofleven ben ik blind geweest, nooit heb ik enige kleur kunnen aanschouwen, niet van een huis, niet van een bloem. Toen ik vrij jong opgeroepen werd tot een hogere wereld, was de grote wens, kleuren te mogen zien natuurlijk de hoogste vorm van geestelijke bewustwording in mij en nadat men mijn geestelijke ogen „genezen” had, heb ik een studie kunnen maken van alle kleurenrijkdommen die er maar te vinden zijn.”
(Broeder Martinus spreekt over het genezen van zijn ogen. Emed legde ons uit dat het een veel voorkomend gedachtenbeeld is, dat wat men op aarde moest missen, ook aan Gene Zijde gemist wordt, maar dat men deze gedachtenbeelden direct tracht uit te wissen na de Overgang. Wij komen hierop later terug.)
„De meest interessante kleurenpracht vertoonde echter voor mij de op aarde levende mens.
Bijna geen enkele Aura is te vergelijken. De ene vertoont geheel andere kleuren dan de andere en de immense pracht van dit alles is niet te beschrijven.
Ik maakte hiervan een diepgaande studie en verzocht daarna mij in dienst te mogen stellen van de mens, haar kleurenrijkdom en de oorzaken van de veranderingen daarin.
Geruime tijd trachtte ik om het juiste medium daarvoor te vinden en menige poging liep op een teleurstelling uit, totdat Emed mij vertelde dat hij misschien een instrument voor mij ter beschikking had.”
(Emed noemt een medium dikwijls een instrument, dat men van Gene Zijde moet leren „bespelen” en hoe fijner het afgestemd is, des te beter zal het bespeelbaar zijn.)
„Zo ben ik in uw midden gebracht en ofschoon de eerste pogingen zeer gebrekkig waren, mag ik nu slechts reden hebben tot dankbaarheid. Ik wil u nu graag iets vertellen over de steeds wisselende kleuren van uw uitstralingen en indien u iets niet begrijpt, kunt u mij daarover vragen stellen.
Wanneer een mens in volkomen geestelijke rust leeft, heeft de eerste ring een zacht blauwe glans, de uiteinden van deze ring vertonen een straling.
Deze geestelijke vrede kan echter verstoord worden, waardoor er een directe kleurverandering plaats vindt en de lichte straling rondom de blauwe ring verandert in diep rood.
Deze kleur is gebaseerd op drift, schrik of ergernis.
Wanneer de mens in woede geraakt, zullen in die dieprode kleur trillingen ontstaan, die de gehele Aura verstoren.
Het lichte blauw, dat een uitstraling kan hebben van ongeveer 20 cm, wordt teruggetrokken tot op enkele millimeters na en de rode ring zal zich uitbreiden, tot het geheel erdoor wordt overheerst. Pas wanneer de mens, zijn woede meester, weer tot innerlijke rust gekomen is, zal de Aura zich herstellen en zal het blauw hiervan zich weer tot haar normale proporties uitbreiden.
Wanneer de mens ziek is wordt de gehele Aura omtrokken door een vuil-witte ring, waarin op de zieke plaatsen scheuren ontstaan zijn en dus weergeven: hier heb ik met nierziekte te doen, of daar met een hartkwaal.
Is de mens zeer bedroefd dan zal zijn Aura met een grijze ring omgeven zijn, waardoor ik kan waarnemen dat het leed hier alles overheerst.
De kleuren van de Aura kunnen veelvuldig zijn, soms wel zeven kleuren op elkander en er is verschil in de volgorde van de bepaalde kleuren, waardoor een Aura die b.v. geel, groen en lila is, een geheel andere betekenis voor mij heeft dan een Aura die groen, lila en geel is. (let op de gewijzigde volgorde.) Er bestaat een boek over de Aura van de mens getiteld: „De Chacras”, maar dit omvat slechts enkele kleuren en men heeft hierin geen rekening gehouden met het individu, dat aan allerlei stemmingen en emoties onderhevig is, waardoor de kleuren wisselen omdat zij de invloed van die emoties ondergaat.
Voor een leek is het een „zware kluif” en men wordt vaak angstig bij het zien van de afgebeelde kleuren, die men zonder meer in toepassing brengt op zichzelf en men weet niet dat het eenzijdige voorstellingen zijn, omdat men in dit boek toch voorbeelden moest brengen.”
Broeder Martinus beschreef reeds honderden malen de Aura, in onze particuliere kring, maar ook in het openbaar of door de tegenover hem staande mens te waarschuwen voor ziekten en ge- varen, door de kleuren te noemen die door hem werden waargenomen. Nooit werd een fout gemaakt, karakterbeschrijvingen altijd als juist bevestigd en men moet vooral niet denken dat Broeder Martinus de karakterfouten en gebreken van de aanwezigen oversloeg, hij stelde zich beslist op het standpunt dat men niet beter kon dienen dan op fouten en gebreken te wijzen, waardoor de mens zichzelf immers alleen maar beter leert kennen?
Ik herinner mij een avond in Hilversum, toen ik nog niet zo heel lang in contact was met Broeder Martinus en hij veelal papier en pastel vroeg om de Aura, die ik toen nog niet had leren waarnemen, in kleuren uit te beelden.
Op zo'n avond tekende hij dan op het papier wat hij in die Aura zag, ook de ziektebeelden.
De bijeenkomst door mij bedoeld, werd bezocht door een dame en haar ongeveer zestienjarige zoon. Broeder Martinus beschreef zijn uitstraling en wees op een pijngevoel in de maag.
„Dit is beslist geen maagzweer,” werd de jongeman medegedeeld, „en ik zou u afraden u te laten opereren.”
Aan de verbazing van de moeder begreep ik dat Broeder Martinus hier wel midden in de roos had geschoten óf er volkomen naast moest zijn, maar dat moest ik afwachten, want ik kon niet onderbreken.
Na afloop van de avond vertelde zijn vader, die in de pauze ook naar de bijeenkomst was gekomen mij dat zijn zoon ongelofelijke pijnen aan de maag had, waardoor men had besloten om de jongen te laten opereren.
Deze heer is tandarts en heeft dus een universitaire opleiding; mij bleef hij echter trouw bezoeken en met een streng doorgevoerd dieet en magnetische behandelingen, was zijn jongen in enkele maanden geheel genezen.
Hij heeft nadien nooit meer enige hinder ondervonden (ik sprak hem kort geleden) zo vertelde hij mij.
Ook zijn ouders heb ik nog dikwijls bezocht en gesproken.
Ofschoon ik Broeder Martinus nu even aan het woord heb gelaten om zijn werk te beschrijven, moet ik terugkeren tot de Wet van 1865.
Men moge het een verouderde wet vinden, die in onze tijd alleen maar van toepassing zou kunnen worden gebracht op kwakzalverij, men mag daarbij niet uit het oog verliezen, dat in die vreemde wereld van helderziendheid, heel veel rondwaart wat er niet in thuis behoort.
Nu weet ik maar al te goed dat zonder onderscheid de meeste paranormaal begaafden met scheve ogen worden aangekeken, maar daartoe is ook wel reden.
De bonafide media zullen zich er weinig van aantrekken en rustig hun gang gaan en zij die op dit terrein „grasduinen” zullen door de Wet van 1865 in ieder geval niet zonder meer op het publiek worden toegelaten.
Dat de genezingbrengende kracht die wij kennen als magnetisme bestaat, is een uitgemaakte zaak en vele artsen die met een patiënt werkelijk geen raad meer weten, raden deze zelf aan om het eens langs andere wegen te proberen.
Ook in de artsenwereld is men wel bekend met de bonafide genezers. Onze huisarts die mijn werk zeer goed kent en er beslist niet afwijzend tegenover staat vertelde: wanneer ik echt geen raad weet met een patiënt, dan leg ik mijn handen op de zieke plaats en wanneer dat niet helpt, stuur ik deze patiënt naar een andere magnetiseur, men kan dit beter doen dan zich daardoor in zijn beroepseer aangetast te voelen, het gaat immers om de patiënt. Waren alle mensen wijs!!!
Hoewel wij dus rustig onze werkzaamheden verrichtten, was het toch wel benauwend hoeveel jacht er werd gemaakt in verschillende steden op de genezers en ook wanneer deze lid waren van de Ned. Vereniging van Spiritualisten, werden er aan de lopende band boetes opgelegd die beslist niet leuk meer waren.
Vooral in Rotterdam ging het niet zuinig toe en vele van onze vrienden en geestverwanten kregen de schrik van hun leven, omdat voor hen een veroordeling mede het verlies van hun betrekking kon betekenen. Destijds hadden wij veel contact met Gerard Croiset, een zeer bekend medium en proefpersoon van prof. Tenhaeff. Gerard Croiset was bezig om een soort vereniging te stichten, waar alle paranormaal begaafden, hetzij mannelijk of vrouwelijk, in zouden kunnen worden opgenomen en het ideaal was om zo tot „erkenning” te komen en de Wet van 1865 zo mogelijk in gunstige zin voor ons, te veranderen.
Ik was bij de allereerste besprekingen en zo ontstond de Nederlandsche Werkgroep van Paranormaal begaafden, kortweg N.W.P., waar ik mede in het bestuur zat (afd. Amsterdam).
Natuurlijk ging het niet op slag en stoot, we kregen berichten over processen en bekeuringen bij de vleet, maar de N.W.P. vocht voor haar leden en wij moesten een rechtskundige zien te vinden die bereid zou zijn om voor onze leden op te treden.
Het dient gezegd te worden dat ook hier kaf onder het koren kwam. Hoewel Croiset aan de Aura (met mij de enige in Nederland die de Aura kan beschrijven, voor zover mij bekend) kon vaststellen of men over magnetische krachten de beschikking had, kon het niet voorkomen worden dat men als lid toetrad om er financieel beter van te worden op de eerste plaats en ten tweede in de hoop dat de N.W.P. straks het gestelde doel zou bereiken en tenminste enige bescherming kon bieden.
In het kader van deze maatregelen en om niet geheel onbekend met het menselijk lichaam onze werkzaamheden te verrichten, gingen velen onzer weer naar „school”. We kregen een lokaal van een H.B.S. toegewezen en een doctor in de biologie ging ons les geven; ik was onder de leerlingen tot grote pret van Emed, die het natuurlijk helemaal niet nodig had, maar die toch toejuichte dat wij op deze manier een actie wilden voeren.
Die avonden op de H.B.S. vergeet ik natuurlijk nooit; wat hebben we gelachen en ons dikwijls als ondeugende schooljongens gedragen, maar we staken er toch wel iets van op en dat was dan maar weer geleerd.
Onze leraar had echter een goed begrip voor de psychologische uitwerking die wij, volwassenen, ondergingen door weer in een schoolbank te zitten en hij lachte hartelijk mee om de dwaasheden die we uithaalden.
Bij het afscheid van de cursus die een half jaar duurde, hebben wij hem een aardige herinnering gegeven aan deze vreemde „klas”. Hoe nodig het bleek om tot een verbond te komen en daardoor
niet alleen de patiënten maar ook ons zelf enigerwijze te beschermen, moge blijken uit het nu volgend verhaal, door mij zelf meegemaakt.
Er kwam een vrouw bij mij, teneinde genezing te vinden voor haar rheumatische aandoeningen.
Toen zij enige tijd met mij zat te praten, zag ik dat zij iets tegen die ellendige kwaal gebruikte en ik vroeg haar welke medicijnen zij kreeg.
Zij bleek onder behandeling te zijn van een magnetiseur die haar tevens een smeersel had voorgeschreven.
„Heeft u dat smeersel bij u?” vroeg ik en zij overhandigde mij een keurig lichtbruin flesje zoals ook in de apotheek wel gebruikt wordt.
Ik opende het. „Goed ruiken,” zei Emed, „ik zal u de inhoud van het flesje wel vertellen.”
Het was gewone terpentijn en een weinig kajapoetolie.
„Het is wel duur mevrouw,” zei intussen mijn bezoekster, „en ik hoop maar dat het helpt, het kost ƒ 25.—.”
Ik moest mij met inspanning beheersen om niet op te vliegen van verontwaardiging.
„Maar het spul is geen dubbeltje waard,” zei ik, „wie schreef u dat voor?”
Zij noemde de naam en het adres; ik vroeg haar of ik het flesje mocht behouden voor een onderzoek, want dat wij juist in die dagen een vergadering van onze werkgroep hadden.
Zij stemde hierin toe en ik nam het flesje mee naar die bijeenkomst. De „genezer” had ik spoedig te pakken.
Ook hij was lid van de N.W.P. geworden, maar na een fiks dreigement mijnerzijds beloofde hij dat hij zich niet meer zou inlaten met de praktijken die hem eigenlijk werden opgedrongen door zijn moeder en waar hij zelf geen vrede mee had gehad.
Zo waren er meer in de N.W.P.
Ik weet nog dat een van hen die bijna geen schoenen aan zijn voeten had zei: „Gerard rijdt in een auto, ik zal er volgend jaar ook wel een kopen,” en ik werd onpasselijk als ik zijn sluiperig en lijmerig gedoe zag tegenover Croiset die hij beschouwde als zijn „gangmaker”.
De N.W.P. bestaat nog, zij heeft de bescherming die zij ambieerde verkregen; om lid te worden heeft men niet veel nodig, maar om de erkenning te verkrijgen als „genezer” moet men een bepaald aantal genezingen ondertekend door de patiënt overleggen, waardoor een succes kan worden bepaald en wanneer men genezer is, erkent door de N.W.P., kan men welhaast zeker zijn, beschermd te zijn tegen de wet van 1865.
Ik ben echter reeds lang geen lid meer. Andere zorgen eisen mij op en Gerard Croiset is bezig een andere vereniging te stichten, misschien op een nieuwe basis, ik weet het niet.
Veel van mijn oude vrienden bevinden zich als erkend genezer in de N.W.P.; daaronder zijn verschillende waar ik de magnetische gaven (door Emed) mocht bewust maken.
Wanneer men echter erkend genezer wordt, mag men zich niet meer bemoeien met alles wat mijn werk aangaat.
Verleden jaar kreeg ik nog een vriend van ons op bezoek.
Ook hij werd door mij attent gemaakt op het feit dat hij over genezende krachten beschikt.
Ik vertelde hem, dat zijn zaak hem nog geheel in beslag nam, maar dat de tijd zou komen dat hij die gave in dienst van de mens kon stellen. Het was precies zoals ik gezegd had; och, er waren zovele dingen waarin ik hem raad gaf.
Bij zijn laatste bezoek vertelde hij ons van het toetreden en zijn erkenning bij de N.W.P.
Hier laat ik hem aan het woord:
„Ze vragen natuurlijk van alles, ook wie de gave bij je ontdekt heeft. Ik zei natuurlijk: dat was mevrouw Mulder-Schalekamp uit Amsterdam. Toen vroegen ze mij: bezoekt u nog wel eens bijeenkomsten van haar en omdat ik weet dat het door de N.W.P. verboden is om Psychometrische avonden te bezoeken zei ik maar gauw: „nee, ik zie haar nooit meer, want dat was toch niets voor mij.”
Dit, om een bewijs van erkenning!
Maar niemand zal mij kwalijk nemen dat ik bedankt heb voor verdere vriendschap.
Och, lieve lezer, ook in 1965 leeft Judas nog en zijn de zilverstukken, ook in de vorm van een plaatje van de N.W.P. op de deur, nog begeerd bezit.
Men zal misschien verontwaardiging hierover in zich voelen opkomen, ik heb dat ook gehad, maar Emed vroeg mij geen wrok te gevoelen. Hij zei: „u moet dit meemaken, met iedere nieuwe ervaring komt de mens dichter te staan bij het bewustzijn dat op aarde stervelingen wonen die nog heel veel te leren hebben, die bij het uitoefenen van de verkregen gave denken dat zij een bevoorrechting genieten die zich tot aan Gene Zijde zal uitstrekken, maar ik zeg u, dat iedere bewuste fout die zij maken onuitwisbaar te boek gesteld zal worden en dat niemand het recht heeft om welke reden dan ook verraad te plegen aan zijn innerlijke overtuiging. Zo ge u gekrenkt voelt dan hebben wij daar alle begrip voor. Zie het verloochenen als een laffe daad van een mens die geen enkel vertrouwen heeft in zijn geestelijke leiders.
Stel u erboven, dat is voor u veel beter”; en dat heb ik dan maar gedaan.
Onze Paranormale vriend behandelde 60 à. 70 patiënten per dag en hij heeft dit met een fikse hartaanval moeten bekopen. Mogelijk dat wanneer hij dit onder ogen zou krijgen, hij zich een vriend als Emed zal herinneren.
Zo ziet men dat niet alle ervaringen op dit gebied even prettig of mooi zijn, maar dat de N.W.P. bestaat, is iets waar ik te allen tijde dankbaar voor zal blijven. Zij telt onder haar leden een R.K. geestelijke en dat is voor mij een grote stap in de goede richting. Men moet niet vergeten, dat de éérste stappen van de N.W.P. door mij in nauw verband zijn meegemaakt en dan kan men toch wel blij zijn met het succes, ook al maakt men er zelf geen deel van uit. Wanneer men logisch over dit alles nadenkt, dan zal men begrijpen dat helderziendheid niet te scheiden is van het magnetisme en dat een genezer, die niet kan waarnemen wat een patiënt voor ziekte heeft, zich op glad ijs waagt.
Mijn ondervinding is, dat wanneer een patiënt b.v. over hoofdpijn klaagt, door een genezer in behandeling wordt genomen tegen die klachten, maar het is een dikwijls voorkomend verschijnsel, dat hoofdpijnen in verband moeten worden gebracht met andere ziekten die op heel wat gevaarlijker niveau kunnen liggen.
Een dame in Hilversum woonachtig, die dit zelfs graag zal willen bevestigen, indien ik daar motieven voor zou hebben, bezocht één van mijn Psychometrische avonden in Bussum. Aan de hand van haar voorwerp, kreeg ik te zien dat zij onder magnetische behandeling was tegen hoofdpijnen.
„Wilt u na afloop van de avond even bij mij komen mevrouw,” vroeg ik, want wat ik werkelijk te zien kreeg, was van zo'n intieme aard dat het totaal ongeschikt moest worden geacht om in het openbaar te bespreken.
Ook nu acht ik dit indiscreet, maar ik moet toch vertellen dat zij nog geen week later in het ziekenhuis lag en een ernstige operatie moest ondergaan. Ze was maar op het nippertje gekomen en toen ze mij begin van dit jaar opzocht om mij te bedanken, vertelde zij: „Ik heb nooit meer hoofdpijn, dat is op zichzelf al een geluk.” Maar ja, in die hoofdpijn zat het niet, dat was alleen maar een reactie. Gelukkig maar dat er ook Psychometrische bijeenkomsten bestaan,
al worden deze dikwijls behangen met het predicaat „onbelangrijk”, ik heb er althans het onbelangrijke nog niet van ontdekt.
Dat men zich zou kunnen afvragen of ik het nu alleen maar zo goed doe, begrijp ik en daar wil ik op antwoorden:
Er zijn heel veel paranormaal begaafden op de wereld en ook in ons land. De grote moeilijkheden komen door dat men denkt het zélf wel aan te kunnen, de Geestelijke Leider niet meer nodig te hebben; doordat men zich van de wijs laat brengen door zoveel wetenschappelijke verklaringen, die dikwijls met heel veel woorden geen verklaring kunnen geven.
Omdat men elkander niet verdraagt en jaloers is op de gaven die anderen hebben ontvangen en nog steeds niet begrijpt, dat men door samenwerking tot een enorme kracht kan komen, ieder op zijn of haar terrein en dat men door het verbod uit te vaardigen tegen het ene, een aanfluiting maakt van het eigen, wel geoorloofde, terrein. Ziet men, dat zijn zo van die verkeerde handelingen, ik ben helemaal niets, maar Emed is zo goed.
Ik heb daarin niets te zeggen en ik ben alleen maar blij, dat ik zijn gehoorzame en trouwe instrument ben gebleven al prijkt op mijn deur geen plaatje met twee uitgestrekte handen; Emed's geestelijke handen strekken zich over mijn werk uit en Emed maakt geen fouten.