HOOFDSTUK 28
De Bijbel en het Spiritualisme
Wanneer wij willekeurig de Bijbel open slaan, dan geeft het te denken, dat zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, verschijnselen beschreven worden, welke wij in ons onderzoek volkomen bevestigd hebben gezien.
Men behoeft beslist niet thuis te zijn in de Bijbel, noch er dagelijks gebruik van te maken om de waarheden die in dit Boek behandeld worden te ontdekken.
In de aanvang van ons onderzoek naar de psychische verschijnselen, verwees Emed ons meerdere malen naar de Bijbel en met zeer grote eerbied werden door hem deze overleveringen besproken. Door mijn Rooms Katholieke opvoeding, was ik volkomen onbekend met de inhoud van de Statenbijbel en toen Emed mij verzocht om een Bijbel mee te nemen naar een avond van „vragen en antwoorden” wierp ik tegen, dat ik niets wist van de Bijbel en verward zou raken in het opslaan van de gevraagde verzen.
Volgens mij, kon ik niet iets bespreken waarvan ik geen syllabe afwist, maar Emed zei lachende dat ik dat wel gerust aan hem kon overlaten en zo toog ik op een avond met het Boek der Boeken onder mijn arm, naar een bijeenkomst waar vragen over de Bijbel zouden worden beantwoord.
Ter completering diene, dat Emed reeds over de inhoud van de Bijbel gesproken had, en dat hij zijn toehoorders had verzocht, alle vragen die zij daaromtrent maar in zich voelden opkomen, op te schrijven, opdat hij hen zou kunnen antwoorden.
Ik voldeed dus aan Emed's verzoek, de Bijbel mee te nemen, met loden schoenen betrad ik die avond de zaal, maar gehoorzaam legde ik de Bijbel naast mij neer.
Het wonder geschiedde; Emed verklaarde, beantwoordde en beschreef, van uit de gesloten Bijbel, waar alleen op zijn verzoek, mijn hand op rustte.
Het werd een wondervolle, onbeschrijfelijke avond. De vragen, die voor mij lagen, werden allen zonder enige inspanning beantwoord. Ik voelde mij staande op de grens van twee werelden, de ene wereld die stoffelijk onder mij lag, de hogere wereld als een stralend
licht boven en ik, die slechts als middel diende tussen beide, in het midden.
Het was een avond van zo hoog geestelijk gehalte, dat de aanwezige mensen, geroerd en dankbaar, op het einde hiervan, zich verdrongen om mij te bedanken en mijn handen te drukken. Anderen brachten mij bloemen en weer anderen verzekerden dat zij nu eerst waarde konden hechten aan de Bijbel.
Het ging als in een droom langs mij heen, begrijpelijk overigens, want ook voor mij was het een demonstratie van hun onvoorstelbare vermogens geworden.
Op mijn vraag aan Emed of hij de Bijbel soms van buiten had geleerd, zei hij, „zoals een gesloten deur geen beletsel voor ons vormt, zo vormt een gesloten boek dat evenmin, wij kunnen er doorheen zien.”
Daartegen konden wij niets inbrengen al blijft het onbegrijpelijk, want ik zelf had nooit anders geleerd dan de Kerkelijk goedgekeurde Bijbelse geschiedenis. Op mijn kennis was het bepaald niet gebaseerd geweest en er zullen wel altijd onbegrijpelijke dingen voorkomen, omdat wij al reeds lang hebben begrepen, dat de sluier niet geheel mag worden weggescheurd.
Ik weet dit werk niet compleet, wanneer ik de verschijnselen in de Bijbel, die in zo nauw verband staan, niet, zij het slechts ten dele, zou beschrijven.
Daar ik dit werk zie als een pogen om door een openhartig gesprek een ander inzicht te geven omtrent het Spiritualisme zoals wij dat heden ten dage kennen, is het ook onmogelijk aan de Bijbel voorbij te gaan.
De moeilijkheden en de mogelijkheden die op dit terrein door ons onder de ogen moesten worden gezien, brachten ons tevens de overtuiging dat het onze plicht was, dit alles niet „onder de koremaat te houden” maar „als een brandende kaars op een kandelaar” te zetten en de mens de blijde boodschap van een werkelijk bewust voortbestaan te brengen.
In het Oude Testament beschrijft de profeet Zacharia, verscheidene symbolische voorstellingen die met de toekomst te maken hebben; evenals deze Zacharia, geeft Emed in de gegeven pastellen een overzicht van de komende gebeurtenissen.
Men behoeve zich slechts te herinneren hoe ik de tweede wereldoorlog via deze pastellen heb beschreven en het is alleen maar aan onze eigen domheid te weten dat wij er niets van begrepen.
In hoofdstuk 4 : 6 van de profeet Zacharia staat:
„niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heirscharen.”
Emed geeft meerdere malen onomwonden blijk van zijn afkeer voor geweld. De dood van Marcus door oorlogsgeweld voorzag hij en het maakte hem diep bedroefd.
De neerslachtige toon in zijn profetie: „spoedig zullen twee handen van deze tafel en uit uw kring verdwijnen”, hield ons dagen lang bezig, want Emed is gewoonlijk zeer vrolijk en geestig, maar het heengaan van Marcus had te maken met het door hem verafschuwde, gewelddadige monster oorlog.
Benaderen wij het Nieuwe Testament dan zien wij reeds op de eerste bladzijde van Matthéüs, hoofdstuk 1 : 19-20: „Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden. Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in den droom en zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen...”
De voorspellende droom, waarin aanwijzingen worden gegeven is een tot op heden steeds terugkerend verschijnsel en moet absoluut gezien worden als een sensitieve eigenschap.
Ook de drie Wijzen uit het Oosten ontvingen in de droom de raad om niet tot Herodes terug te keren maar langs een andere weg huiswaarts te gaan.
Emed gebood mij op een reisje naar het zuiden de plannen te wijzigen, waardoor wij in plaats van in Maastricht, in Arnhem terecht kwamen. Hij vertelde dat de reis naar Maastricht onoverkomelijke gevaren met zich zou brengen en spontaan stapten wij in Utrecht uit de trein om elders een paar dagen met vakantie te vertoeven.
Doordat wij gehoorzaamden, konden wij nog juist vóór de definitieve afsluiting van het Westen, Amsterdam bereiken, maar wanneer wij naar Maastricht waren doorgereisd, zou dit tot een onmogelijkheid geworden zijn.
Het gebeurde tijdens „Dolle Dinsdag” dat wij te voet naar Amsterdam vertrokken omdat volgens Emed dat de enige manier was om veilig te reizen en wij zagen voor onze ogen de trein bombarderen, waar wij anders in hadden gezeten.
In Matthéüs 3 : 16 wordt de helderziendheid reeds beschreven.
„... hij (Johannes de Doper) zag den Geest Gods nederdalen als een duif...”
Spontane helderziendheid dus, die ook nu nog herhaaldelijk voorkomt. Ik herinner mij een avond in Bussum, waar een jong meisje met haar moeder aanwezig was en zeer aandachtig het verloop van de avond volgde.
Zij kreeg een helderziende waarneming van een stralend licht, waarin Emed haar verscheen.
Haar moeder, die dit niet geloven kon, kwam na afloop van de avond vragen, of dat nu wel mogelijk was en op mijn vraag aan het meisje of zij de gestalte beschrijven kon, gaf zij een zuivere weergave van Emed, die zij steeds naast en achter mij, maar soms ook dwars door mij heen had gezien.
In hoofdstuk 6 van het Evangelie van Matthéüs vinden wij in vers 6: „wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader...”
Dit is een leerstelling van Jezus, welke door Emed wordt nagevolgd; hij leerde ons dat wij God overal vinden en dat een gebed voortkomende uit het diepst van de ziel in een binnenkamer meer effect sorteert dan een gebed van vele niets zeggende woorden, in een prachtvolle met goud en zilver behangen omgeving.
Hierna volgt dan in de Bijbel het prachtige „Onze Vader” vers 9-13, waarin alles ligt verankerd, wat wij maar te vragen hebben en waarvan de schoonheid zo dikwijls ten onder gaat in de afraffeling van het gewoontegebed.
Hoofdstuk 7 : 1-2. „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt...”
Emed leerde mij op de allereerste plaats geduld en liefde aan te kweken (en van het eerste bezat ik al heel weinig) waardoor de noden van anderen aan mij voorgelegd niet tot een veroordeling zouden leiden maar tot een steun.
Ik moest trachten met liefdevolle woorden de ander van een dwaalweg af te leiden want wie ben ik dat ik zou mogen oordelen? Door mijn helderziende gaven, werd ik met feiten geconfronteerd, die niet walging vervulden maar in plaats van mij af te keren, kon ik met de liefde en het geduld zoals Emed mij leerde, steunen en raad geven en een andere weg laten inslaan...
„Opdat gij niet geoordeeld wordt...”
Hoofdstuk 7 : 7 uit het Evangelie van Matthéüs zegt nadrukkelijk: „Bidt en u zal gegeven worden...”
Toen mijn man zo ernstig ziek was, zei Emed mij : „wij zullen samen bidden. Heb vertrouwen, de ziekte zal geen voortgang meer hebben.” Het gebed toen uitgesproken, was wellicht niet meer dan een ontroerd stamelen, maar het kwam uit het diepst van mijn hart en mij werd gegeven...
,Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden...”
Niet klakkeloos aanvaarden dus, zelf zoeken, zelf denken, zelf ondervinden opdat de waarheid in onze ziel staat geschreven als in een gulden boek, want wij hebben zelf gezocht en de weg gevonden die krachtens onze geaardheid het beste overeenkwam met datgene wat wij wilden onderzoeken en weten.
„zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden...” Wij hebben geklopt op de deur van het huis dat voor ons de weg moest openstellen voor diep, onbegrensd geloof in God en Zijn Almacht.
Er is dus geen afgebakende weg, men moet bidden, zoeken, kloppen om te ontvangen en te vinden.
Dit alleen reeds, dat recht dat ons gegeven is en in de Bijbel staat opgetekend als zijnde door Jezus Zelf uitgesproken, verlost ons van iedere dogmatische dwang, die wij niet kunnen aanvaarden, ontbindt de banden die onze gedachten omknellen en geeft ons het recht, die God te zoeken die wij kunnen aanvaarden en liefhebben. Wij hebben vanuit diezelfde Bijbel geleerd dat God onze Vader ons geen stenen voor brood zal geven indien wij geloven en zoeken en leren bidden.
Hoofdstuk 7 van Matthéüs vers 15, schrijft over valse profeten welke in schapevacht komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven...
Moedwillig heb ik dit vers gekozen, omdat wij altijd te horen krijgen „ja, maar de duivel komt in schaapskleren”.
Verre van dit vers van Matthéüs te omzeilen, wil ik er juist melding van maken, omdat ik niet bevreesd ben.
Maar al te veel Spiritualisten laten zich intimideren wanneer zij deze tegenkanting te horen krijgen, maar ik wil er liever helemaal induiken.
Ten eerste omdat Emed, noch een van onze andere geestelijke vrienden ons tot een daad aangezet hebben, die niet goed zou zijn. Zij hebben ons nadrukkelijk gewezen op begane fouten, zij aarzelden nooit „het mes” in een etterbuil te plaatsen en het uit te snijden. Wanneer men overdenkt dat een mens beladen met zonde en misdaden met liefde wordt aangehoord en ten slotte weggezonden wordt na een ernstige waarschuwing niet in herhalingen te vervallen, dan begrijpt men dat de woorden: „ga heen en zondig niet meer,” eenmaal door Jezus uitgesproken, geen woorden van een in schaapswollen kleding getooide duivel kan zijn, want die zou waarschijnlijk beweren, dat het allemaal niet zo ernstig is omdat wanneer de neiging tot zondigen niet onderdrukt kan worden de reden daarvan is dat God de mens nu eenmaal zo geschapen heeft. Emed nam nooit genoegen met zulke uitspraken, integendeel, hij
trok van leer, tegen iedere vorm van leugen, hebzucht, overspel en oneerlijkheid.
Hij hekelde met overduidelijke woorden iedere poging om zich ten koste van anderen op oneerbare wijze te verrijken en het is meermalen voorgekomen, ook heden ten dage nog, dat men schreiende van berouw of zelfverwijt de spreekkamer verliet.
Onveranderlijk moet ik zeggen: „het spijt mij dat u verdriet heeft, maar ik mag geen franje knopen aan datgene wat mij gezegd wordt, ik zou u alleen maar dieper in de ellende storten, het is beter de volledige waarheid onder de ogen te zien.”
Natuurlijk zijn er mensen die wij onder „valse profeten” kunnen rangschikken, ze zijn er immers de „haaien”, levende van de ellende van de anderen, nietszeggende vage uitspraken doende, steeds erop uit de ander zo aangenaam mogelijk te zijn, steeds te vleien omdat zij heel goed weten dat iedere mens van nature een tikje ijdel is. Zo zijn er de charlatans, de z.g. paranormaal begaafden en hun voorspellingen worden als as, zonder enige waarde.
„Aan de boom zult ge de vruchten kennen”, Matthéüs schrijft in zijn hoofdstuk 7 17: „Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort.”
Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen.
Vers 21: „Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet den wil mijns Vaders...”
Zo het de Wil van de Vader niet ware, zouden onze paranormale gaven zeker niet in de Bijbel beschreven zijn; zo men deze gaven ontkent, ontkent men de Bijbel.
De eerbied welke Emed ons heeft bijgebracht voor ieder geloof, in welke vorm ook tot uiting gebracht, heeft ons inzicht in de grote waarde van het zelf denken en zelf zoeken genoegzaam bewezen en wij zijn dankbaar ons ongebonden te weten in ons pogen die Hogere Wereld te begrijpen en te onderscheiden.
Hoofdstuk 9 van Matthéüs vertelt ons van de genezingen door Jezus verricht en onwillekeurig komen de paranormale genezers dan in onze gedachten.
Het Woord van God is onschendbaar. Jezus leerde: „Wat gij de Vader in Mijn Naam zult vragen het zal u gegeven worden...” Vanzelfsprekend ligt het voor de hand dat het normaal moet worden geacht wanneer de paranormale genezer, in zichzelf of hardop biddende vraagt om geholpen te mogen worden bij zijn zo uitermate belangrijk werk.
Natuurlijk moet het niet een soort afdwingen worden.
Zo dikwijls hoor ik: „mevrouw, ik heb er al zo lang om gebeden, maar het wordt mij toch niet gegeven,” en ik ga dan de oorzaak voor het gebed opzoeken en ik kom dan maar al te vaak met dingen in aanraking die met enige moeite best op te lossen zijn.
Emed zei eens: „stap maar in uw bootje en begin te roeien, wanneer u begint, zal men u heus verder helpen.”
Hiermede bedoelde hij kennelijk dat de mensen zo dikwijls gaan bidden om hulp in zaken die door hen zelf gemakkelijk kunnen worden opgelost of indien niet geheel, zij toch op de eerste plaats moeten proberen zelf te „roeien” en dat God nog nimmer iemand, die zich tot Hem heeft gewend in de uiterste nood, verlaten heeft.
Dit zelf roeien heeft Emed mij waarachtig wel bijgebracht. Wanneer wij echter onze handen uitsteken om iemand van ziekten of kwalen te genezen, dan is het onze plicht hulp te vragen aan Hem die ons beloofde: „wat gij in Mijnen Naam zult doen, het zal u gegeven worden.”
Ook hier helaas echter de paranormale genezer, die dat helemaal terzijde heeft geschoven en misschien onder een wetenschappelijk geschoold inzicht, rustig verklaart met natuurlijke krachten begaafd te zijn. Ik wil dit echter graag van deze plaats tegenspreken, omdat ik de paranormale genezing nooit anders kan zien dan een Gebedsverhoring, die mede door onze handen tot stand is gekomen, het ene dus niet te scheiden van het andere, want tijdens het gebed zullen mijn handen gezegend worden.
Waarom moet toch de moderne mens zo twijfelen aan alles wat ons door de Bijbel omtrent Jezus is geleerd, waarom zegt men steeds weer opnieuw, „dat gebeurt heden ten dage niet meer, dat gebeurde alleen maar toen Jezus op aarde wandelde.”
Onze ondervindingen zijn tegenovergesteld. Meerdere malen werden zieken, die geen enkel middel meer tot genezing konden vinden bij de paranormaal begaafde genezer gebracht, waar de genezing, dikwijls ondersteund door bijna vergeten geneeskrachtige kruiden, wel tot stand kwam. De paranormaal begaafde genezer zal misschien niet bidden voor hij zijn werk aanvangt, al weet ik dat zeer velen, evenals ik zelf, dat wel doen, maar in het wezen van iedere genezer ligt het Geloof aan de ontvangen gaven verankerd.
Hoe zij dat zelf willen zien of verklaren, daarover kan ik geen oordeel vellen, voor hen is het misschien ook nog wel een zoeken en tasten en ten slotte een bepaalde weg inslaan met de stellige overtuiging dat die weg voor hen de beste is. Zo is het ook goed, want ieder zal de weg nemen die hem als goed voorkomt.
In ieder geval is het Geloof in God bij de paranormale genezer niet weg te denken, al scheiden sommige van hen hun gaven en hun geloven, zij beseffen dat zij putten uit een nooit opdrogende Bron.
Wij zijn op de weg geplaatst van de discipelen van Jezus, aan hen werd het erfgoed overgedragen met de woorden: „Wat gij zult doen in Mijn Naam, het zal u gegeven worden.”
Er werd bepaald niet door Jezus aan toegevoegd: „zolang gij leeft zal dit aan u gegeven zijn”... punt... uit.
Jezus wist immers, dat na de discipelen anderen zouden komen om Zijn Licht verder te dragen en de Leer van Jezus, als nieuwe wijn in een nieuwe wijnzak zouden behouden.
Door aan Zijn volgelingen de gave over te dragen, opdat zij Zijn Werk zouden kunnen voortzetten, verkregen de leerlingen van Jezus de helderziende gaven en de mogelijkheid tot het genezen van zieken en gebrekkigen, hun werk werd daardoor ondersteund en bracht de grootste twijfelaar tot geloven.
Op hun beurt gaven zij het werk door aan anderen, die hen moesten vervangen, niet zoals men elkander een mandje appelen doorgeeft, maar door het bewust maken van de gaven die het erfgoed van Jezus uitmaakte.
De mens is zo ver afgedwaald in de 20 eeuwen die daar tussen liggen, dat hij zich nog nauwelijks een voorstelling kan maken van de kracht die de Mens Jezus heeft bezeten.
Dragers van Zijn erfgoed, werden trawanten van de duivel en men zou goed doen om de Bijbel eens heel zorgvuldig te lezen, niet om deze wetenschappelijk te verklaren, maar in de eenvoud van het hart en men zal tot allerlei ontdekkingen komen die leiden tot de overtuiging dat Jezus Zijn Leven en Overwinning heeft gegrondvest op Zijn Krachten en Woorden die de toenmalige mens slechts ten dele begreep. In dat opzicht zijn wij niet veel gevorderd. Ook Jezus werd eenmaal beschuldigd een verbond met de duivel te hebben. Matth. 11 : 18-19.
De schoonste inhoud van de Bijbel is echter de beschrijving van de Opstanding. Alles kunnen wij indien wij dat wensen, terzijde schuiven, maar de Opstanding kunnen wij onmogelijk uit ons religieuze gevoel weg te denken. Zij bevestigt onze hoop en verwachtingen. Wij weten aan de hand van ons onderzoek juist dit van zo grote waarde, dat het in mijn werk thuis behoort, want wij kwamen met hen in aanraking die „dood” waren en verrezen, want wij mochten hen aanhoren en met hen spreken, zij kwamen tot ons om steun te brengen en hulp, wanneer verstarring en misdaden de wereld overspoelden en het Licht versperden. Wij weten dat de opstanding niet is vastgesteld op de jongste dag, maar reeds na enige dagen. Christus heeft het ons willen leren met Zijn Opstanding op de derde dag. Hij was het die de woorden sprak : „heden zult gij met Mij zijn in het Paradijs,” heden, dus niet morgen of over jaren of eeuwen.
Direct na de dood zult ge opstaan, want uw geest zal zich bevrijden van de waardeloos geworden stof, uw geest wordt niet begraven, dat zijn slechts de stoffelijke resten.
Natuurlijk kunnen wij aannemen dat Jezus op dat moment niet heeft bedoeld de jongste dag der wereld, maar het heden waarin Hij en de medegekruisigden leefden.
Hier werd ons duidelijk gesteld dat de geest het lichaam zou verlaten om op te stijgen tot het Licht of neer te dalen in de voorlopige duisternis, totdat de geest de klaarheid van de waarheid zal zien en erkennen.
Het komt zo duidelijk naar voren in de woorden van Jezus over het „afbreken en het opbouwen van de tempel in drie dagen”. Ieder die deze woorden hoorde dacht natuurlijk aan de tempel die in Jeruzalem het middelpunt van alle leven vormde, maar Jezus bedoelde het stoffelijk lichaam dat afgebroken zou worden maar in drie dagen wederom zou worden opgebouwd in alle geestelijke schoonheid.
Wanneer ons al deze dingen op de vrij eenvoudige wijze zoals Emed die te baat neemt, zouden worden verklaard, dan meen ik te mogen aannemen dat velen met mij de Bijbel in een geheel ander licht zouden zien en zich niet met verveling zouden afwenden wanneer er over de Bijbel wordt gesproken, of erger nog zich spottend daarover uit laten.
Besluiten wij dit hoofdstuk met het verwijzen naar de verschijningen van Jezus na Zijn Opstanding, dan komen wij op zulk een bekend terrein dat het toeschijnt alsof juist deze hoofdstukken het aan ons nagelaten erfgoed van Jezus onderschrijven.
Evangelie van Johannes hoofdstuk 20 : 19.
„Toen het dan avond was op dien eersten dag der week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen: Vrede zij u!”
Hoofdstuk 20 : 26.
„En na acht dagen waren zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren...”
Wij kennen de geschiedenis van Thomas, die weigerde aan te nemen dat Jezus inderdaad was opgestaan en verschenen.
Ach, misschien kon Thomas het in zijn grote smart om het heengaan van zijn geliefde Meester ook wel niet begrijpen.
Hij heeft misschien al direct niet begrepen, waarom Jezus, die toch zovele wonderen tot stand bracht, Zichzelf niet van het kruis hielp, of anders, indien Hij dat niet kon of wilde, Zijn beulen met de dood of verminking sloeg.
Thomas heeft beslist in die dagen wel iets te verwerken gekregen en nu kwamen ze hem ook nog vertellen dat de Meester verschenen was en met hen allen gesproken had; Thomas kon er niet aan geloven en hij was er niet bij geweest; hij had dus geen enkel bewijs dat zijn vrienden de waarheid spraken, niet dat hij hen wilde beschuldigen van leugens, maar zij waren allen zo terneergeslagen en bedroefd dat het best waar kon zijn, dat zij het in hun verbeelding hadden gezien.
Maar Jezus liet Thomas niet in de steek, ook hij zou de overtuiging moeten verbreiden die de Opstanding tot een zo glorierijk gebeuren had gemaakt.
Schrijft niet de zo begaafde, ernstige geneesheer Lucas over de Geest die werd uitgestort over de discipelen dat dit verschijnsel gepaard ging met hevige windstoten?
„Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.” (Handelingen 2 : 17) .
De verschijnselen welke wij mochten ervaren bevestigen stuk voor stuk de uitspraken in de Bijbel en leze wie lezen wil, opdat het Licht allen mogen omvatten.