HOOFDSTUK 13
Nieuwe experimenten
Natuurlijk werd over ons werk veel geschreven, niet alleen door auteurs die een diepgaande studie van de verschijnselen hadden gemaakt en trachtten dit alles wetenschappelijk te verklaren, maar ook door felle tegenstanders uit allerlei stromingen en niet te vergeten door de pers.
Men kon in vrijwel iedere krant spottende of afbrekende artikelen vinden.
Wij geven onmiddellijk toe dat er zoveel bedrog op dit gebied mogelijk is, dat men zich af gaat vragen hoe de mensen er toe komen een helderziende te raadplegen.
Men moet alvorens dit te gaan veroordelen, toch wel enig begrip hebben voor een in nood verkerende mens, die zich werkelijk geen raad meer weet.
De onzekerheid en het verdriet kunnen zij niet meer aan; wie ter wereld heeft levende onder dergelijke omstandigheden niet eens de verzuchting geslaakt: „wist ik maar iemand die mij kon helpen” of „kon iemand dat nu maar eens voor mij zien.”
In zo'n geval zoekt men een helderziende op, in de hoop hulp te verkrijgen.
Aan de hand van een foto of een voorwerp (psychoscopie) kan een medium dan vrij veel waarnemen.
Dat een medium beperkt is en volstrekt niet almachtig, behoeft geen betoog en er kunnen zelfs fouten in de hand worden gewerkt doordat men het medium niet rustig haar (zijn) gang laat gaan, maar door allerlei opmerkingen een zekere invloed op deze waarnemingen probeert uit te oefenen.
Geen wonder, dat een charlatan op dit terrein hier gretig voedsel vindt en handig gebruik maakt van datgene wat hem (haar) als het ware wordt „voorgeschoteld”.
Het is dan ook altijd een vaste stelregel van mij geweest om op een bijeenkomst waar voorwerpen en foto's in behandeling werden gegeven, te vragen om vooral slechts „ja” of „neen” te antwoorden, want, zo zei ik steeds opnieuw: „wanneer u mij van alles gaat vertellen, heeft het geen enkele zin dat ik hier sta, ik ben nl. gekomen om u iets te zeggen.”
Het gevolg was natuurlijk dat wij ervoor bekend waren, hoe onze bijeenkomsten geleid werden met als gevolg, dat wij steeds plaats'' tekort kwamen en een lezing op dit terrein net zo goed als een, experimentenavond, druk bezocht werd.
In wetenschappelijke kringen had men echter voor alles weer een andere uitleg, men sprak over putten uit het onderbewustzijn, over kosmische telepathie, over telepatisch overbrengen van de levensgewoonte van een overledene en mij ging dat bovenmatig vervelen. Natuurlijk ben ik beslist vóór een onderzoek en wanneer het mogelijk is ook voor wetenschappelijke beredenering, maar men moet eerlijk blijven tijdens het testen en niet een vage, onbegrijpelijke redenering ten beste geven.
Zo waren wij eens op een lezing van prof. Tenhaeff aanwezig in de muziekschool in Amsterdam.
Er werd een lezing gehouden over para-normale verschijnselen, o.m. over psychoscopie.
Prof. Tenhaeff vertelde daar het volgende:
„Er werd een psychoscopiste bezocht, wier man politieagent was. De dame welke haar bezocht, was gehuwd met een advocaat.
De helderziende beweerde dat zij deze mr. in de rechten in de, gevangenis zag zitten schaken met een man die bij de politie zou zijn.
Natuurlijk begreep de bezoekster niet veel van het verhaal, omdat haar man wel in de gevangenis zou komen om een cliënt te bezoeken, maar daar beslist geen partij schaak mee zou gaan spelen. De oorlog brak uit en na verloop van enige tijd verbleven reeds vele, „goede” gevangenen, veroordeeld wegens politieke misdrijven, in „het Oranjehotel”.
Ook de mr. in de rechten verbleef daar onvrijwillig en had een celgenoot; zij schaakten samen om de tijd te verdrijven en de celgenoot bleek bij de politie te zijn.”
Ons zou dit wel voldoende zijn, maar prof. Tenhaeff zegt dat indien de man van die psychoscopiste niet bij de politie was geweest, zij nooit tot een dergelijke waarneming zou zijn gekomen.
Wij mochten op die avond ook in debat gaan en er waren natuurlijk mensen in de zaal, die mij opgemerkt hadden en niet anders verwachtten dan dat ik over het gesprokene zou debatteren, maar ik heb niet dikwijls zin om in zo'n geval op de voorgrond te treden, ik heb dan altijd het gevoel of ik zou willen zeggen: „hier ben ik ook, en zal wel eens van leer trekken.”
Ik wil liever geen reclame voor mijn eigen werk! Maar ik wilde het ook niet zonder meer langs mij heen laten gaan.
De pauze was bijna ten einde waarna de debatten zouden aanvangen. Opeens wist ik welk geval ik prof. Tenhaeff zou kunnen voorleggen zonder hierbij mijn eigen werk te noemen.
Ik behoefde niet voor hem te verbergen wie ik was, want dat wist hij toch wel.
Zodra ik aan de beurt was om een vraag te stellen of met prof. Tenhaeff in debat te gaan, legde ik hem het volgende voor:
,,Een mij bekend psychoscopiste, kreeg een dame bij zich uit Uddel. Deze dame werd na het overlijden van haar echtgenoot beschuldigd door de kinderen uit het eerste huwelijk van haar man, geldelijk bezit te hebben verduisterd.
De vrouw was in grote wanhoop, want zij wist werkelijk niets van het geld af en kon ook de beschuldiging niet afdoende weerleggen. Zij had met haar stiefkinderen het gehele huis ondersteboven gehaald, maar het geld dat er zijn moest, was en bleef zoek.
Ten einde raad besloot zij dus een helderziende in de arm te nemen. Zij gaf een fotootje van haar overleden man.
Na enkele zeer persoonlijke zaken, die echter allemaal bekend wat en, zei het medium: Mevrouw, ik moet naar uw huis, daar wordt alles omgedraaid om een geldsom te vinden, maar die bevindt zich niet in het huis. In de tuin achter het huis, ik moet langs de zijkant en om een put heen lopen, bevindt zich een oude schuur. Wanneer u daarin gaat, ziet u langs de wanden „schapjes” getimmerd en op die schapjes staan oude potjes en kopjes, want uw man bewaarde alles. Draait u die maar om, er komt allemaal groen uitgeslagen zilvergeld uit.
Dan staat er midden in de schuur een geval wat ik niet kan thuis brengen, een rond ding; maar ik zie het al, het is een broedmachine, want men laat mij zien dat er kuikentjes uit komen.
In die broedmachine zult u een kistje vinden met het kapitaal, ik moet het met drie nullen schrijven, maar ik kan niet zeggen hoeveel het is.
Mag ik prof. Tenhaeff vragen: hoe kon deze helderziende dat waarnemen wanneer het in het onderbewustzijn van die dame aanwezig had moeten zijn, zij wist niets van het geld en de enige die het kon weten is overleden.”
Het antwoord van prof. Tenhaeff luidde: „Ja, dat is beïnvloeding van uit een andere wereld, maar daar hebben wij het vanavond niet over,” en ik kreeg geen verdere gelegenheid om nog meer te zeggen.
Opgemerkt zij dat de dame uit Uddel mij persoonlijk bezocht. Het woord „schapjes” dat de Intelligentie gebruikt heeft, komt in Amsterdam niet voor, wij spreken van „planken” of richels, wanneer we zo iets willen aanduiden. Ik heb dat in de loop van de jaren steeds opnieuw gevraagd bij bezoeken in Noord Holland b.v., maar nooit werd het woord „schapjes” gebezigd.
Voor mij zou het geval nog een gevolg hebben: na verloop van enige maanden kwam de dame uit Uddel weer bij mij en vertelde hoe zij inderdaad alles gevonden had zoals ik had mogen waarnemen.
„Het geld is nu onder de kinderen verdeeld mevrouw, zodat ik. helemaal van hen af ben; maar zou er niet ergens nog een beetje liggen, dat zou dan voor mij persoonlijk zijn nietwaar?”
Ik kreeg weer de foto van de Intelligentie en moest wel even wachten voor ik hem hoorde zeggen: „Laat Jo muziek studeren.” ik vroeg haar terstond: „mevrouw, wie is Jo?”
Zij antwoordde mij: „Dat is de jongste dochter van mijn man en ik heb haar gezegd toen het geld verdwenen was, dat als het gevonden werd, zij haar studie zou mogen voortzetten.”
Ik hoorde opnieuw: „Laat Jo muziek studeren, ik ben gelukkig dat het nu kan en meer heb ik niet te zeggen.”
Daar moest mevrouw het maar mee doen, kennelijk wilde de Intelligentie haar wijzen op haar belofte.
In een andere lezing hoorden wij de bewering dat wanneer een foto of voorwerp was ingepakt, liefst niet door degene welke de inductor (voorwerp of foto) bij de psychoscopiste inleverde, dat de waarde van deze waarnemingen dan op een heel ander terrein kwamen te liggen, want dat dit de helderziendheid kon bewijzen. Ik vroeg en kreeg verlof van Emed dat experiment uit te voeren. Maar, zei Emed: „niet éérst in uw eigen onderzoekingskring, maar meteen in het openbaar.”
Ik maakte dus op de volgende bijeenkomst bekend, dat de eerstkomende avond op psychoscopisch gebied experimenteel zou zijn en dat men alleen voorwerpen of foto's kon inleveren die van te voren, door een ander waren ingepakt.
Dat ik vroeg dit door anderen te laten doen, was om het beruchte onderbewustzijn uit te schakelen, zodat men niet kon weten van wie de foto of het voorwerp zou zijn.
De avond kwam en ik moet u zeggen het leek wel op een Sinterklaasavond, al die pakjes groot en klein op de daarvoor bestemde tafel! Ik moet u eerlijk bekennen dat ik nerveus was, zou dit slagen dan was mijn helderziendheid bewezen, daar waar anderen er geen
bewijs in konden vinden.
Het werd acht uur en heel rustig en volkomen meester van mijn zenuwen liep ik naar de tafel.
Het eerste pak dat ik in handen kreeg, gaf mij een indruk van leder. Ik moest in de lucht kijken en hoorde het geronk van een vliegtuig. Ik zag hoe dit vliegtuig naar beneden werd geschoten en hoe het zich met de neus in een dijk, in Zeeland of Brabant boorde. De piloot was gedood.
Toen het voorwerp werd uitgepakt, bleek het de kap van deze piloot te zijn. De heer die dit pakje had ingeleverd, verklaarde niet te weten wat men had ingepakt, maar dat hij zelf de staartschutter in dat toestel was geweest en dat de waarneming volkomen klopte.
Wij hielden er direct rekening mee, dat hij iets van mijn waarneming zou kunnen hebben overgebracht, omdat hij het geval kende en dit wel weer aanvechtbaar gevonden zou worden.
Het volgende pakket dat ik nog wil beschrijven, was van geheel andere aard.
Ik kwam met een persoon in aanraking, die tijdens zijn gesprekken de gewoonte had op één voet te hangen en op zijn elleboog te steunen. Voorts kreeg ik de indruk van een houtje in het pakje en een woordenwisseling bij het maken hiervan, zo van „de ene wil dit erin doen en de andere dat”.
De heer, zelf aanwezig, erkende de omschreven gewoonten maar kon beslist niet zeggen wat zich in het pakje bevond omdat hij er niet bij aanwezig was, toen het gemaakt werd.
We maakten het pakje open en vonden een doodgewoon potloodje. Het stukje hout dat ik had waargenomen.
Bleef de vraag over of er inderdaad een kleine woordentwist was geweest en dat konden wij op die avond natuurlijk niet gewaar worden. Bij onderzoek of liever bij navraag, bleek dit volkomen waar te zijn; de ene had er een mesje in willen pakken en de tweede het potlood.
We zijn nog de gehele avond verder gegaan en al was het ene sterker dan het andere, het werd allemaal beschreven zoals ik het kon zien én, dat was de hoofdzaak, bevestigd.
Er werden nog heel veel van die avonden gehouden, merendeel gericht naar de bewijzen van een leven na den dood.
Zo vroeg Emed mij ook om boetseerklei mee te nemen, aangezien men nu van hun kant eens wilde experimenteren.
Ik voldeed hieraan graag, er werd wel meer een avond gesproken over boetseren en tekenen en dikwijls werden dan een tekening of een boetseerwerk vervaardigd zodat men het zelf kon aanschouwen.
Emed vertelde bij de aanvang van de avond, dat het een experiment betrof, zodat het al of niet gelukken nog zou moeten blijken voor mij; waar het hemzelf betrof, was hij er geen minuut bang voor. Ik wist gelukkig niet waar het om ging en stelde mij voor dat men zeker iets zou laten zien wat ons op aarde nog onbekend zou zijn.
Op de gewone wijze werd echter de klei gekneed en gevormd. Het werd een mannenkop; slordig uitpiekend haar, waarop een kalotje, een openhangend hemd piepte nog juist onder een lang, puntig en onverzorgd baardje uit.
In de ogen lag een afgrijselijke uitdrukking van angst en hebzucht. Een sterk gebogen neus gaf het geheel het aanzien van een roofvogel.
„Klaar,” zei Emed, „en brengt u nu dat werkstukje naar die dame die daar zit, ik zal haar aanwijzen.”
Ik volgde Emed en zag hoe hij zijn prachtig gevormde hand op de schouder van een dame legde.
„Mevrouw,” begon ik, „dit moet ik bij u brengen en dat mag u houden, want het is voor u bestemd.”
Zij keek van mij naar het beeldje en riep uit: „Louis, het is Louis! Bouwmeester als Shylock! Oh, wat ben ik u daar dankbaar voor.” De dame was Aaf Bouber. Ik kende haar niet, had haar misschien eenmaal gezien toen ik een jaar of zestien was, maar daar lag zo'n kleine twintig jaren tussen en ik had haar alleen maar op het toneel gezien in „de Jantjes”.
Het experiment was gelukt.
Emed was blij dat ik zo vol vertrouwen zijn aanwijzingen had opgevolgd, maar wat zou ik zijn zonder dat vertrouwen in Emed? Ook dit experiment werd nog dikwijls herhaald en het volgende is wel aardig om te verhalen:
Er werd een beeldje geboetseerd van een oud moedertje.
Op haar hoofd droeg zij een ouderwets kapertje met allemaal kleine balletjes rondom.
Het was een scherp, lijdend gezicht; „maar de Intelligentie is zeer gelukkig dat dit gebeurt,” vertelde Emed mij.
Ik moest het brengen bij een zeer eenvoudige vrouw in de zaal; zij kwam wel meer op onze bijeenkomsten en ik kende haar wel, zoals zij daar altijd zeer bescheiden op een van de achterste stoelen had plaatsgenomen. Ik had haar al eens gezegd dat zij ook gerust voor in de zaal kon gaan zitten, maar ze bedankte vriendelijk en zei:
„ik zit niet graag vooraan mevrouw, in de kerk ook niet.” Nu kon ik daar natuurlijk niets tegenin brengen en liet ik haar dus maar met rust. Toen ik nu dat beeldje bij haar bracht, riep ze verrukt uit: „Dat is mijn moeder mevrouw en u moet nou toch bedenken dat ik niet eens een fotootje van haar bezit. Het krijgt een ereplaats. Tjonge het is d'r precies, alsof ze zo voor me zit.”
Ik moest er om lachen en was blij met haar, maar na een paar dagen werd bij ons gebeld; er kwamen een jonge man en een meisje bij mij om beleefd te vragen: „of ze alstublieft ook zo'n beeldje van opoe mochten” en ze begrepen maar niet dat ik daar zelf geen enkele macht over had en dat nooit tweemaal hetzelfde beeldje werd gemaakt.
Ik weet natuurlijk niet hoe de „wetenschappelijke” verklaring van dit alles zou luiden, maar wij waren er toch blij mee en voor de rest kon het mij nu ook weer niet zo heel veel schelen.
We zouden een grote propaganda-avond houden in „Krasnapolsky” en aangezien de pers zoveel over deze materie wist te vertellen, in afbrekende en honende zin dan altijd, besloten wij aan alle dagbladen een uitnodiging te zenden om die avond nu eens te komen bijwonen; we verzonden deze per aangetekende zending.
Emed was volkomen bereid om in debat te gaan, beloofde hij ons. De avond kwam, het was heel druk bezet, zo druk zelfs dat wij met moeite een rij stoelen gereserveerd hielden voor de heren van de pers.
Toen het acht uur was, ging ik de inleiding van de avond houden en ik begon de heren van de pers te verwelkomen; dit wekte grote hilariteit, want er was... 1 persman verschenen die een beetje zielig alleen op een lange rij van lege stoelen zat te kijken.
Voor de pauze werd het een buitengewoon goede avond met het behandelen van voorwerpen, handschriften, foto's en sieraden. Wij waren wel gespannen want na de pauze zou ik in debat treden met de „pers” en al was het er dan maar eentje, hij was er en zou dus vrij zijn vragen mogen stellen.
Toen wij na de pauze uit de wintertuin kwamen waar we een kopje koffie hadden gedronken, was de man van de pers... verdwenen. Jammer, ik had graag zijn vragen willen horen, maar ik kan mij ook wel voorstellen dat hij er in zijn eentje ook niets van hebben moest, misschien ook hadden de bewijzen die ik reeds had mogen brengen die avond, hem de moed ontnomen nog aan een debat te beginnen.
Wel ontving ik van het „Vrije Volk” een brief, waarin men mij schreef, dat ik, naar aanleiding van een informatie bij prof. Tenhaeff omtrent mijn werk, eventuele advertenties bij hen kon geplaatst krijgen.
Het „Vrije Volk” had tot dusver steeds iedere aangeboden annonce van een bijeenkomst op dit gebied geweigerd.
Ik wil de vriendelijke en geduldige lezer niet onthouden een enkele ervaring te beschrijven van een bovenomschreven bijeenkomst: Ik kreeg een sieraad van een dame in handen en beschreef haar heel duidelijk. Ik voegde er aan toe: „zij is overgegaan, maar ik. heb de indruk dat zij toch nog heel dicht bij het stoflichaam vertoeft, net alsof zij nog geen afscheid kan nemen en tóch, ik zie haar absoluut overleden, wat wil zij toch bij dat stoflichaam? Ze heeft heel erg geleden en zij is eigenlijk blij dat zij van dit leven afscheid moest nemen, maar waarom is zij er dan steeds nog aan verbonden, ik begrijp dat niet goed.”
„Ik wel mevrouw,” zei een heer die deze inductor bleek ingeleverd te hebben; „ze is wel heengegaan maar zij staat nog boven aarde.” Wetenschappelijk te verklaren? Ik weet het niet! Gelooft u het? Een ander geval: „Er spreekt een dame met mij en na afloop van ons onderhoud vraag ik haar: „mevrouw is er iemand ziek in de familie?” Verwonderd antwoordde zij: „voor zover ik weet niet.” Ik moest haar zeggen: „schrikt u dan niet, maar wanneer u thuis komt ligt er een rouwcirculaire in uw brievenbus. Het is van een familielid.”
Na een uur belde zij mij op om te vertellen dat een tante van haar plotseling overleden was en de rouwcirculaire inderdaad bij thuiskomst, in de bus gevonden werd.
Verklaring? Het gesprek werd gevoerd terwijl de dame op het punt stond heen te gaan. De waarneming was volkomen spontaan, zonder enkele aanleiding.
Het gebeurde dat een dame mij bezocht, terwijl haar man, die in Indonesië verbleef, alle toebereidselen maakte om naar Holland te repatriëren.
Ik moest haar zeggen dat er geen mogelijkheid bestond voor haar echtgenoot zijn plannen te realiseren maar dat zij zelf naar Indonesië zou vertrekken om zich bij hem te voegen.
Het was in haar ogen zulk een absurde verklaring, dat zij haar man over haar bezoek aan mij schreef.
Wie schetst haar verbazing toen zij, terwijl haar brief aan hem nog onderweg moest zijn, een schrijven van haar echtgenoot ontving, dat zij alles in gereedheid moest brengen om naar hem te komen, daar hij verplicht was nog gedurende geruime tijd zijn werk te blijven verrichten en dat zij haar absolute weigering om ooit naar Indonesië te gaan, nu maar moest herzien.
Zij is inderdaad naar Indonesië gegaan en veel later maakte ik kennis met haar man, die waarschijnlijk zeer nieuwsgierig was naar mijn werk en persoontje.
Bij die gelegenheid vertelde ik hem dat hij later naar Saoedi-Arabië zou vertrekken, iets waar niets van bekend was en waar toen geen enkel plan voor bestond.
Later heb ik dikwijls brieven ontvangen uit Djedda (S.A.).
Een zeer aardige geste van deze heer was dat hij mijn boek „De Doden Spreken” in braille heeft laten overzetten.
Wanneer voor het bovenomschrevene werkelijk een wetenschappelijke verklaring te vinden zou zijn, dan kan deze alleen maar zeer gunstig uitvallen t.a.v. de bewijzen van een bewust voortbestaan van de menselijke geest.
Wat te zeggen van het volgende voorval?
Er is een vijftienjarig meisje zoek; de moeder komt ten einde raad met een foto van het kind bij mij en ik weet op dat moment niet anders te doen dan even rustig met haar te praten, omdat ik eenvoudig uit de beelden die ik te zien kreeg, geen wijs kon worden, zo absurd geleken zij, om in verband te brengen met het vermiste meisje. Ik vertelde haar dat ik het kind accordeon zag spelen en dat zij allerlei leugens rond dit instrument had geweven, waardoor de ouders de indruk kregen dat zij heel netjes bij een vriendinnetje ging studeren maar dat zij in werkelijkheid (nu komt het) in gezelschap was van een man die „goudvisjes at”; „wanneer u de politie die haar zoekt vertelt dat zij gevonden kan worden in de omgeving van Kerkrade, zeg dan dat zij vlug moeten zijn, anders gaat ze de grens over.”
± 1 week later kreeg ik het volgende bericht:
„Mevrouw, die vent heeft een enorme invloed op haar, het is een z.g. fakir, hij slikt levende goudvisjes in en zij speelt tijdens de voorstelling op haar accordeon.”
Het meisje werd in Kerkrade aangehouden en aan de ouders teruggegeven.
Laat men voor de ene helft van dit geval kunnen zeggen dat er een soort telepathie bestond tussen de moeder en mij, dan gaat dit in het tweede gedeelte verloren, want men zocht het kind, men wist niet waar het zich kon bevinden.
Een geval met veel tragischer afloop volgt nu:
Enkele jaren geleden werd ik in de vroege morgen opgebeld door een mevrouw v. L. H. die het gesprek als volgt opende:
„Mevrouw Mulder heeft u de krant al gelezen?”
Nu hadden wij in Amsterdam een hotelbedrijf en ieder begrijpt dat men in de vroege morgen druk bezig is met het verzorgen van de ontbijten voor de gasten, vooral in de drukke zomermaanden en dat was het geval toen mevr. v. L. H. mij opbelde.
Ik antwoordde een beetje geprikkeld dat ik wel iets anders te doen had dan een krant te lezen.
Zij vroeg daarop: „mag ik straks even bij u komen met een foto?” Het was niet erg vriendelijk van mij, maar ik antwoordde: „ik denk er niet over, wij hebben een huis vol gasten, ik heb er geen tijd voor, ik wil het ook niet doen, ik voel mij niet gedisponeerd voor dat werk.”
Ze was erg teleurgesteld en zei: „jammer, het gaat hier om een kind ziet u, anders had ik u niet opgebeld, ik weet immers hoe druk u het heeft.”
Zonder het zelf te willen antwoordde ik haar: „laat het fotootje dan maar brengen, ik zal zien wat ik kan doen, ik schrijf het dan voor u op en u kunt het vanavond wel laten halen, ik moet hiervoor de tijd vinden.” Alvorens de verbinding te verbreken vroeg ik: „wat heeft het kind te maken met Austerlitz, wat doet het daar?”
Mevr. v. L. H. antwoordde verbaasd: „dat weet ik niet, het kind is verdwenen, ik weet niets van Austerlitz.”
Ik verbrak de verbinding, bang dat zij meer zou gaan vertellen waardoor mijn objectieve kijk op de zaak verloren zou gaan. Natuurlijk werd de foto in de middag prompt bezorgd en ik vond tijd om het geval uit te werken.
Geestelijk liep ik door de bossen van Austerlitz en ik zag het jongetje in een soort greppel liggen, dood en aangerand.
Ik zag dat het op een fiets was meegevoerd, zittend op de bagagedrager en ik zag, dat het kind heel gewoon meeging alsof het de man die hem ontvoerde wel kende.
De vader van het kind was in Indonesië aan het Gerechtshof verbonden geweest en vreesde répresaille maatregelen, waarom wist ik natuurlijk niet, maar ik moest mededelen dat deze verdwijning daar niets mee te maken had.
Men moest de bossen bij Austerlitz uitkammen en men zou het kind, ofschoon niet meer in leven, terug vinden.
Ik liet de brief op het bestemde adres bezorgen, want iedere minuut was kostbaar omdat de vreselijke onzekerheid waarin de ouders verkeerden dan zou worden opgeheven.
Men vond het jongetje niet ofschoon alle waarnemingen omtrent het kind juist bleken en mevr. v. L. H. direct de politie van mijn schrijven verwittigd had. Er was een inspecteur gekomen, die de brief had meegenomen.
Ongeveer een jaar later waren vakantiegangers of wandelaars in de bossen van Austerlitz aan het paddenstoelen zoeken en deze vonden het kind in de door mij beschreven greppel.
Ik kreeg een telefoontje van mevr. v. L. H. en zij vertelde mij dat er een kind gevonden was, in de door mij beschreven omgeving, maar dat het kind niet meer te herkennen was of dit toch wel W. d. 1. P. kon zijn. Volkomen concreet antwoordde ik door de telefoon:
„De moeder zal hem herkennen, wanneer ik het zo beschreven heb, is er geen twijfel mogelijk en men moet aannemen dat dit het gezochte kind is. Zijn moeder zal hem herkennen aan geplombeerde kiesjes en er ligt een voorwerp bij hem dat niet in Europa gemaakt werd.”
Later hoorde ik van haar dat er een knoop van Chinese makelij bij het kind gevonden was en dat deze knoop erop wees dat het vermiste jongetje gevonden was.
Bij die gelegenheid zag ik dat het jongetje nog een broertje had, jonger dan hij was geweest en dat dit kind in gevaar verkeerde, omdat het meegenomen kon worden door dezelfde man die W. vermoord had. Zij vertelde mij later dat het kind inderdaad reeds op de fiets zat en de moordenaar er mee weg zou rijden, toen hij gegrepen werd.
In de kranten stond dat helderzienden welke geraadpleegd werden, in dit geval geen enkele uitkomst hadden gebracht.
Ik moest er om lachen, mijn man was verontwaardigd en mevr. v. L. H. zei: „Daar moet u over schrijven mevrouw Mulder, ik heb het toch allemaal van dichtbij meegemaakt, u moet u verdedigen.”
Ik keek haar aan en antwoordde: „ik, mevrouw? Wanneer ik verdedigd zou moeten worden, dan is dat uw plicht en niet de mijne, ik denk er niet aan om ook maar een enkele letter op papier te schrijven om deze zaak voor mij persoonlijk te verdedigen. Ik heb mijn werk en mijn plicht gedaan, verder heb ik geen interesse.” Ik heb nooit meer iets over deze zaak vernomen, maar weet er nog aan toe te voegen door mededelingen van anderen, dat de man geestelijk gestoord was en de kinderen gemakkelijk mee kon nemen, omdat hij de trappenhuizen in het huis waar de kinderen woonden, schoon hield. Voor mij was de zaak afgedaan.
Ik laat het aan iedere lezer over, hoe men ook tegenover dit alles staat, dit te verklaren.
Wat mij betreft mag men het „verklaren” zo men wil, k ben Emed dankbaar voor alle steun die door hem, via mij, aan allerlei slag mensen werd gebracht en de tijd zou leren dat mijn werk wel degelijk veel dankbaarheid in de mensen had doen ontwaken.
Het was ook immers zo, dat ik nooit op dankbaarheid rekende, omdat ik het werk niet deed, maar slechts een middel was voor Emed om zijn enorme werk te helpen uitvoeren.
Ik kreeg veel bloemen, er werden aardige herinneringen gebracht, mooie voorwerpen die ik gebruiken kon, maar ik zag nooit in hoe ik dat verdiend kon hebben, ik was er blij mee voor Emed, omdat hij zich in dienst gesteld had van de op aarde levende mens en alle geschenkjes hoe eenvoudig ook, vond ik altijd mooi en zij zijn alle nog in mijn bezit.