HOOFDSTUK 29
Broeder Bernardus spreekt over de „Dood”
Een trouwe vriend van ons, deze Broeder Bernardus!
Het moet velen uwer voorkomen alsof wij hem steeds opnieuw als een goede bekende in ons huis ontvangen en in wezen is dat ook zo. Hoewel begrijpelijk dat wij nooit enige invloed kunnen uitoefenen op datgene wat de Intelligenties komen zeggen of wat zij willen doen, hebben wij toch in de loop van de jaren leren begrijpen dat hun vriendschappelijke gevoelens ten opzichte van ons allen, zeer groot zijn.
Broeder Bernardus, een zeer eenvoudige Geest, bezoekt ,ons van tijd tot tijd en altijd weer opnieuw betuigt hij zijn geluk, dat het mogelijk is om na zijn dood op aarde vrienden te bezitten, waarmede hij kan spreken en omgaan als met zijn broers en zusters zoals zij in zijn gedachten die plaats innemen.
In mijn boek „De Doden spreken” heb ik het contact met Broeder Bernardus reeds volledig besproken. Omdat ik echter nog steeds contact met hem mag hebben, ook vanwege het feit dat hij Emed wel eens vervangt wanneer ik een Morgenwijding of een Allerzielendienst moet leiden, geeft dat Broeder Bernardus het recht ook een bescheiden plaatsje in dit werk te mogen innemen.
De opbouw van zijn zinnen, het onderwerp van een lezing, de stembuigingen en de bewegingen zijn zo afwijkend van datgene wat Emed te bieden heeft, dat ik het de lezer niet onthouden wil zelf een vergelijking te maken tussen hen beiden.
Daarom schreef ik over Emed's rede „De verloren zoon” en zal ik over Broeder Bernardus' rede „De Dood” schrijven.
Ook in het persoonlijk optreden van Broeder Bernardus ligt een groot verschil met het optreden van Emed.
Krijgt men van Emed de indruk dat hij zijn gehele stoffelijk leven niet anders gedaan heeft dan met heel veel mensen spreken en landen en volkeren bestuderen, Broeder Bernardus geeft de indruk een zeer bescheiden mens te zijn geweest.
Het enige dat zij gemeen hebben, is dat beiden op ± 31-jarige leeftijd reeds zijn heengegaan.
Verder is geen enkele vergelijking mogelijk, buiten het feit, dat beiden gelijkluidend. zijn in hun bewering zeer grote vrienden van elkander te zijn. Waar Broeder Bernardus Emed prijst over zijn liefdevolle goedheid en opvattingen, prijst Emed op zijn beurt, Broeder Bernardus om zijn goedhartig geduld en eenvoudige wijze van ongelukkige geesten te benaderen.
Dikwijls zijn zij ook gezamenlijk tot ons gekomen, maar het kwam wel voor dat Broeder Bernardus de leiding van Emed overnam omdat Emed zelf belangrijke werkzaamheden elders te verrichten had.
Wij hebben ons nooit aangematigd te vragen waaruit die werkzaamheden bestonden, want wij begrepen dat, wanneer wij dit zouden moeten weten of wanneer dit te maken zou hebben met ons onderzoek, Emed ons zelf wel zou hebben medegedeeld waaruit dat belangrijke werk bestond.
De avond waarop de rede van Broeder Bernardus werd uitgesproken was een Allerzielendienst, die evenals de rede „De verloren zoon” op de bandrecorder is vastgelegd.
Wanneer het helemaal zou zijn als ik het graag zou willen, dan zou men achter elkander beide redes moeten beluisteren, maar dat is nu eenmaal onmogelijk. Graag laat ik u nu kennis maken met de rede van Broeder Bernardus.
Dood waar is uw overwinning
(Allerzielen-rede van Broeder Bernardus)
„Vrienden, het is nu eenmaal zo, dat wij op aarde levende, de dood vrezen, want geen mens op aarde vindt het „graf” een aanlokkelijke gedachte, vooral wanneer men op jonge leeftijd heen moet gaan, want het leven lacht en lokt en is zo wonderlijk mooi.
Het is bitter in de bloei van het leven afscheid te moeten nemen. In de kracht van ons leven ligt nog heel het avontuur voor ons en al is dat leven moeilijk, dan nog zien wij het leven en die moeilijkheden niet zo zwaar dat wij ze zouden willen ruilen voor het graf.
De dood brengt die gedachte altijd met zich mee, dat kille graf, die plaats in de aarde waar wij worden ingelegd, de afschuwelijke gedachte lichamelijk te worden opgesloten en geen kans te hebben er nog uit te komen, het einde, de vernietiging, diep in het zand.
Men realiseert zich niet voldoende dat men van dat alles niets weet, men ziet alleen het graf, men denkt aan het afscheid van hen waar men nauw mee verbonden is en dat alles is pijnlijk, vooral wanneer men denkt elkander nooit weer te zien is het voorbij, een geliefd wezen is voor altijd ver weg.
Wanneer men een kind dat men natuurlijk hartelijk lief heeft ziet weg trekken naar de vreemde, ver van huis, naar een ander onbereikbaar land misschien, dan zijn daar nog de moderne communicatiemiddelen, men kan elkander schrijven, zelfs spreken indien dat nodig blijkt, het kind is er dus nog.
Wanneer men het echter moet afstaan aan de dood dan heeft men het gevoel alsof er iets onherroepelijks gebeurde.
Wie van ons heeft de angsten voor die dood niet innerlijk meegemaakt? Wie voelde zich nog nooit wanhopig omdat men een geliefd mens naar zijn laatste rustplaats droeg?
Het mogen de ouders zijn of een kind, een geliefde vriend of een trouwe collega, de dood was er in alle verschrikking.
Ik geloof dat ouders die hun kind moeten weg brengen naar het kille graf, een beproeving doorstaan die niet onder woorden kan gebracht worden, dit is erger dan het afscheid nemen van een kind, wanneer het zijn ouders weg ziet dragen.
Het leven herneemt zijn rechten en dat proces zal zich bij jonge mensen veel eerder voltrekken dan bij de ouderen, maar toch, de gedachte aan de dood is verbonden aan de gedachte van afscheid. Wanneer wij u nu gaan zeggen dat wij voortbestaan, zij het ook in een andere vorm, waardoor u ons niet kunt zien, maar dat wij er toch zijn en u daarvan de bewijzen brengen, dan moet u tevens aanvaarden dat de dood overwonnen is en dat wij daarvan juist getuigenis willen afleggen. Uw geest die toch het voornaamste deel van het leven uitmaakt, heeft niets meer gemeen met de stoffelijke resten, die werden begraven. Deze waren een oude versleten jas geworden waarin de geest geen behoorlijke plaats meer kon vinden, waar de evolutie door ziekten of pijnen werd tegengehouden, want het lijden beïnvloedde de geest.
U heeft kunnen leren dat geest en stof gescheiden van elkander kunnen worden en dat het zichtbare gedeelte, de stof dus, aan de vernietiging wordt prijsgegeven, maar dat de geest, zich losmakende van het versleten stoflichaam, dat op de een of andere wijze ondeugdelijk werd, bevrijdde.
Het stofkleed, datgene wat afgelegd wordt, is het deel waarvan u afscheid neemt, de geest die voortbestaat, is om u heen, vol liefde bereidt te helpen dáár waar geholpen moet worden, bereidt ook de schuldenlast op zich te nemen waar dat nodig is, bereidt ook om op bepaalde ogenblikken zijn aanwezigheid kenbaar te maken. Wij weten wel dat heel veel mensen twijfelen aan datgene wat wij de overwinning van de dood noemen. Wanneer u het hier op aarde niet onderzoeken wilt, of wanneer het onderzoek niet kan worden volbracht, eens komt de tijd, dat u het onderzoeken moet omdat u opgeroepen werd.
Er zijn mensen op aarde die dit alles wat in volle wijding beleefd wordt, proberen opzij te schuiven, ja, zelfs belachelijk proberen te maken, maar trekt u zich daar niets van aan vrienden, deze mensen geven alleen maar blijk van hun eigen domheid, zij moeten nog leren, zij zitten nog in de kleuterklas en u bent reeds bevorderd tot de eerste klas.
Tracht u dit altijd voor ogen te houden, wanneer u over uw werk en uw overtuiging sprekende, vertelt geen angst te hebben voor de dood, omdat u weet dat er een voortbestaan is en daardoor de dood overwonnen weet, maak u dan niet boos, wanneer een ander dit belachelijk tracht te maken in ongeloof of domheid.
Grotere geesten dan de hier aanwezigen, hebben zich met het vraagstuk van leven en dood bezig gehouden, houden zich elke dag hiermede nog bezig en er zijn grotere geesten die overtuigt zijn tijdens hun stoffelijk leven dat de dood zoals de mens deze ziet en beleven moet, slechts een overgangsvorm is naar een ander bestaan.
Uw wereld, vol van nieuwe uitvindingen, zoals dat op het ogenblik is, weet nog maar betrekkelijk weinig van datgene wat zij, die in de eeuwigheid leven, zich reeds lang eigen maakten.
Maar ook wij weten niet alles, ook wij kunnen fouten maken omdat wij niet volgroeid zijn, wij zijn niet volmaakt, wij hebben nog niet die vorm bereikt die wij bereiken moeten alvorens het licht te kunnen betreden waartoe wij behoren.
Zo mogen wij in datgene wat wij voor de mensen mogen doen, nooit uit het oog verliezen dat wij feilbaar zijn, maar dat hindert helemaal niet, vrienden, want juist door het maken van die foutjes, leggen wij getuigenis af dat wij op aarde in de stof hebben geleefd en dat wij geen wezens zijn die boven alle menselijke begrippen verheven moeten worden geacht.
Terwijl wij iedere dag, ja zelfs ieder uur hoger klimmen in ons weten en onze overpeinzingen, toch is het een geest die in het lichaam van een mens eenmaal haar plaats vond.
Wij moeten dikwijls komen en wij hebben dikwijls te gaan, alvorens onze leerschool voltooid is, maar de dood in de bekende vorm, heeft op ons geen vat meer, want wanneer wij van het ene leven in het andere overgaan, dan kennen wij de dood reeds met de verschrikking die wij hadden van het heengaan uit ons aardse bestaan tot een ander leven.
Wij weten daardoor echter ook, dat in het zand slechts het waardeloze stofkleed verging.
Toch moet er zo ontzaglijk veel strijd worden uitgevochten alvorens de mens de gedachte aan de dood vertrouwd is geworden, de gedachte dat het gehele graf eigenlijk niets is, dat het niets te betekenen heeft omdat het stoflichaam gevoelloos geworden is.
Het is uitgeschakeld, volkomen afgestorven, niets werkt er meer, geen smaak, geen gevoel, geen gezicht, geen gehoor, want datgene wat met de geest te maken heeft zal uit het lichaam onttrokken zijn. De geest zal zich verwijderen, die verwijdert zich zover als maar mogelijk is van dat stoflichaam dat geen enkele functie meer kan opleveren en dus voor de geest waardeloos is geworden..
De geest verwijdert zich opdat hij zijn eigen weg van wedergeboorte aan Gene Zijde gaan kan, want de dood is een wedergeboorte en omdat wij dit weten hebben wij de dood overwonnen.. De wedergeboorte aan Gene Zijde gaat met pijn en moeilijkheden gepaard, juist zoals een geboorte op de aarde zou plaats vinden want het is nu niet de pijn, die het moederlichaam teistert in de uren voor de geboorte, maar de pijn van het weten van datgene wat wij op aarde misdreven, moeilijkheden omdat wij tastend onze weg moeten zoeken aan Gene Zijde en het feit, dat wij ons bewust zijn dat wij een nieuw leven hebben moeten aanvaarden.
Alle sluiers die in het stofleven de werkelijkheid voor ons verborgen hielden, worden stuk voor stuk weg gescheurd, zodat wij kunnen zien, wat en wie wij waren; zodat wij kunnen zien in de eigen ziel, in de verborgenheden van het eigen wezen.
Zo kunnen wij de fouten en gebreken in ons optellen, wij leren het levensboek van de eerste tot de laatste bladzijde naslaan en wij leren door het nalezen van dit boek, wat wij beter hadden moeten doen of wat wij hadden moeten voorkomen en dat is de pijn van de geestelijke wedergeboorte.
Wij moeten beginnen met een zuivere geest om tot het stralend Licht te kunnen dóórdringen en omdat te kunnen bereiken moeten wij na het onderzoek in het eigen zieleleven, steunen en helpen hen, die zwak zijn en kracht geven waar deze ontbreekt.
De op aarde levende mens ziet voor het merendeel de dood als een onherroepelijk afscheid, want wanneer u in uw gedachten terugkeert naar een geliefde dode, die ge hebt moeten wegbrengen, die ge nog een laatste groet mocht geven, wanneer ge denkt aan uw tranen die nog op het koude gezicht gevallen zijn, uw handen die de koude handen nog eenmaal omvat hebben gehouden, dan heeft men het gevoel van een zinloze wreedheid; dan is het alsof het gehele leven met alle strijd en moeilijkheden tot niets leidt.
Vergeet echter niet vrienden, dat het heengaan een verlossing betekent opdat de menselijke geest, vrij uit haar kerker kan gaan. Het stoflichaam is niets anders dan een kerker voor de geest, maar de geest verrijkt zich ermee, de geest leert en evolueert en tracht zoveel mogelijk op een hoger niveau te geraken, maar toch was het stoflichaam een kerker die pijnen en ziekten kent en moeilijkheden kan veroorzaken, waardoor de evolutie tegen wordt gehouden en zelfs kan veranderen in een degeneratie.
Wanneer de dood komt, dan komt met het verdriet van hen die achterbleven, ook leed voor hen die heengingen, want zij zien het leed dat berokkend werd door hun overgang.
Reeds daarom is het goed wanneer u in uw gehele geest, reeds op aarde de gedachte aan de dood hebt overwonnen, de overgang hebt leren zien als een noodzakelijke gebeurtenis om verder te kunnen gaan, want dan staat ge kalm aan de baar, waarop de geliefde dode rust.
Waar ge eerst in wanhoop stond, omdat de dood een offer eiste, staat ge nu in kalme zekerheid dat dit alles slechts een korte periode omvat en dat uw kind, uw vader of moeder, straks tot ontwaken zal komen.
Een ontwaken in de eeuwigheid, voor zover wij dit alles Eeuwig mogen noemen, want na ieder sterven is een geboorte en na iedere geboorte is weer een heengaan.
Niet in de zin zoals u misschien denkt, niet vol pijn en ellende, maar vol vreugde, in de wetenschap dat wij weer dichter naderen tot het einddoel.
Daarom is het zo goed, wanneer u dit alles wetende, uw rust verzekerd weet, aan de baar, ofschoon uw hart pijn zal doen om het afscheid, er is nu de wetenschap, dat de dood is overwonnen en dat de geest haar weg verder zal vervolgen.
Het is een grote troost, dit te weten en de zekerheid die u hebt mogen ontvangen.
Wanneer u dit alles niet aanvaarden kunt, dan is het ook niet onoverkomelijk, want wanneer u het niet kunt aanvaarden, dan komt het ogenblik dat u alles zult moeten aanvaarden omdat de dood ook u roept en met de werkelijkheid van het voortbestaan in aanraking brengt.
Iedere mens komt op een bepaald uur, op een bepaald ogenblik in aanraking met datgene wat hem de dood toeschijnt, maar de overwinning van de dood is tevens een zege over het stoflichaam. Het stoflichaam is een materialisatie, een tastbare vorm voor u en dat is hetgene wat ge ook liefhebt. Natuurlijk hebt ge de geest ook lief, maar deze is onzichtbaar, niet tastbaar en wanneer ge dan van het stoflichaam afscheid moet nemen, wanneer dat uit uw gezichtsveld verdwijnt, voelt ge alleen maar het leed van dat stoffelijk afscheid.
Of dat stoffelijk deel, jong of oud is, men moet het leed van het afscheid dragen, maar wanneer u er tegenover staat met de gedachte dat het stoflichaam wel van u wordt weggenomen, maar dat de Geest voortbestaat, dat zij wederom in uw gezichtskring zal komen, dan is er reeds veel dat als een verzachtende balsem op uw wonde wordt aangebracht.
Wanneer ge dan een geliefde ten grave hebt gedragen, dan komt de martelende gedachte, hen achter te moeten laten in regen en wind niet meer in u op, ge weet dat het stoffelijk deel van dit wezen als waardeloos kan worden gezien.
Door uw weten zijn bepaalde dagen waarin alles goed was en die nu eenzame dagen geworden zijn, minder zwaar te dragen, want ge weet dat het geen blijvend afscheid is maar een periode waarin men tijdelijk van elkander verwijderd komt te staan.
Men weet dat de geest eeuwig is en het werk van God's handen. Men weet, dat het op de geest aankomt, want dat is het belangrijkste dat de mens in zich draagt.
Natuurlijk blijven er nog verschillende vraagstukken en er zijn nog verschillende geheimen. Er zullen zeker nog vragen in u opwellen die niet direct te beantwoorden zijn, maar u bent op de goede weg om tot het weten te komen, dat de dood slechts een vorm is om tot verder leven te komen.
De vraag: „waaróm dit alles,” zal in u opkomen; maar vraag niet waarom alle dingen geschieden moeten.
Het is alsof men vraagt waarom een jonge, gave boom door de storm gebroken wordt en waarom een rotte boom in volle bloei kan staan. De jonge gave mens gaat zijn weg tot het Licht langs geheel andere paden dan de oude rotte boom, die eerst door de poel van zijn eigen ellende moet waden om tot de weg naar het Licht te kunnen komen. U begrijpt natuurlijk dat ik beide bomen als een symbool van menselijk leven wil bezigen.
Wanneer men de natuur beschouwt, dan ziet men dikwijls een oude vermolmde boom in volle bladertooi en een jonge gave boom, afgeknot en dan vraagt men onwillekeurig naar het „waarom”. Vergeet dan niet dat jonge gave bomen (mensen) de weg naar het Licht direct kunnen inslaan, omdat hun leven zuiver was, zoals zij zelf gaaf waren.
Oude „bomen” moeten dikwijls de sporen van hun leven met zich mee dragen, zodat het betreden van de weg naar het Licht, voor hen zoveel meer mee brengt dan voor hen, die jong en gaaf voorgingen.
Vergeet dus niet, wanneer ge misschien een kind hebt moeten afstaan, waarover ge natuurlijk heel veel leed hebt gedragen, dat het opgroeit tot een jonge man of vrouw in de volle schoonheid en kracht van het leven en dat dit kind een hulp mag zijn in het leven van uw andere kinderen. Zo ge deze niet bezit, zodat de dood u met die ene ook alles ontnam, wel dan is uw kind toch dikwijls in uw nabijheid en tracht u duidelijk te maken dat de dood overwonnen werd en dat deze haar prikkel volkomen verloor.
Uw kind leeft, uw ouders leven, een goede vriend leeft, want alles wat ge hebt moeten afstaan aan de dood en hebt moeten wegbrengen naar het sombere graf, leeft verder in de sferen waar wij de dood niet kennen, maar de volgende phase van leven met vreugde tegemoet zien.
Wij weten dat ieder stoffelijk mens, in wanhoop tegenover de dood staat, maar ook weten wij dat zij eenmaal vol verbazing hun nieuwe wereld zullen aanschouwen en verrukt zullen worden van de schoonheid die deze hen te bieden heeft.
Zij zullen zien dat licht en bewustwording in de plaats zijn gekomen van de dood en men ziet, waartoe het leven op aarde diende ook als was dit naar menselijke berekening slechts kort.
Zij zullen zien dat het aardse leven een doel had, Anders dan het verzamelen van materiële waarden, want dat het hen dichter bracht naar het einddoel.
Wij brengen u onze boodschap van bewust voortleven en het is goed dat u tot de wetenschap daarvan werd gebracht, want in dit weten staat als een helder flonkerend licht de overtuiging van God's Liefde, en de overtuiging, dat diep in het graf, alléén het waardeloze stofkleed vergaat.
Ik wens u een gezegende avond.”
Wanneer men de redevoeringen van Emed en broeder Bernardus afzonderlijk beluistert, maar wel opeenvolgend, zoals wij ze beide op een band hebben opgenomen, dan blijkt dat Emed in geheel andere bewoordingen en in een volkomen afwijkende zinsbouw spreekt.
Zij hebben echter wel gelijke waarden, omdat beide spreken van troost, weten en voortbestaan.
Beide Intelligenties zijn krachtig in hun optreden en overtuigend in hun spreken maar toch geheel verschillend van elkander.
Broeder Bernardus is een kalme rustige Intelligentie, schijnbaar zonder grote emoties, terwijl Emed kennelijk zeer emotioneel is geweest, daarvan getuige zijn hartstochtelijke betogingen.
Broeder Bernardus gaat schijnbaar een kalme rustige weg, na een kalm en rustig leven en Emed gaat zijn weg op een geheel andere, zij het veel meer ingrijpende wijze; maar zijn leven op aarde was als een schip in de storm. Het leven beukte op hem als een orkaan en zijn vroege heengaan, is niet het beëindigen geweest van een rustig jong leven, zonder enige ervaring, want het leven heeft hij leren kennen in alle facetten en de stempels daarvan zijn onuitwisbaar op zijn geest gedrukt.
Emed, hoewel van gelijke leeftijd als Broeder Bernardus is de oudere, de wijzere, de leermeester, omdat zijn stoffelijk leven hem voerde langs wegen waarvan Broeder Bernardus slechts heeft kunnen dromen.
Ons onderzoek omtrent het leven van Emed heeft ons de ontdekking gebracht dat dit leven zó intens werd geleefd, aan zijn geest zoveel ontwikkeling brengende als slechts weinigen gegeven schijnt te worden.
Niet alleen zijn leven, maar ook zijn dood is van een geheel apart gehalte, want wie heeft op een leeftijd van 31 jaren de kans gekregen, vrijwel geheel de wereld te zien, negen talen te spreken en daardoor tolk te zijn aan een Turks hof. Wie mocht in Spanje leven als een Spanjaard, wie het Montenegro van die tijd met eigen ogen aanschouwen, wie zag de pracht van Indische vorsten, maar wie zal met builenpest geslagen, op zo'n wijze de tol hebben moeten betalen voor zo'n intens leven?
Het stempel op zijn geest gedrukt door zijn ervaringen verloochent zich niet, steeds opnieuw geeft hij liefde en goede raad, waar geen mens meer liefde of goede raad te geven heeft.
Zijn eerbied voor alles wat leeft, is ontzagwekkend, zijn begrip voor de moeilijkheden van dat leven, is niet te beschrijven.
Waar de mens in zijn beknopte vermogens een oordeel uitspreekt over goed of kwaad, zal hij nimmer een oordeel uitspreken met heel de wijsheid van de, boven elk conflict uitstaande, geest. Wanneer Emed spreekt over zijn ervaringen op aarde, dan begrijpen wij dat wij daarbij in vergelijking, onwetende kleine mensen zijn, met geringe moeilijkheden, die altijd nog wel een oplossing met zich mee brengen. Wij leren ook dat zijn symbolische weergaven niet alleen gebaseerd zijn op zijn ver-ziendheid van het ogenblik, maar omdat zijn kennis, in de wereld opgedaan, een logische beredenering van bepaalde toestanden niet uitsluit.
In Japan kende Emed het rijk van God/Keizer; hij beschreef ons hoe het volk, wanneer de keizer voorbij kwam, zich diep ter aarde boog, omdat zij de keizer niet mochten aanzien, men kon God niet in het gelaat schouwen.
In zijn tekening van de Japanse Kersentuin, gaf hij ons de mededeling dat dit geen stand zou houden, dat er een nieuw Japan in de plaats zou komen, dat traditie en traditionele klederdrachten zouden verdwijnen, en dat het Japan zoals hij dat had gekend, hemelsbreed zou verschillen van het Japan dat wij nu kennen.
Broeder Bernardus kon ons zulke gesprekken nooit brengen, omdat hij dit op aarde nooit had mogen beleven; tegenover de ervaringen van Emed kon hij alleen stellen de ervaringen van zijn eenvoudig leven, zijn vrouw en dochtertje, iets waarover Emed weer niet kon spreken omdat zijn gehele leven „zwerven” is geweest.
Wij kunnen niet beoordelen welk leven wij zouden prefereren, de grote verschillen tussen hen beiden zijn te ingrijpend, misschien zouden meerderen van ons het leven van Emed verkiezen boven dat van Broeder Bernardus, maar dat is niet bepalend voor het geluk, beiden kunnen immers gelukkig zijn geweest met hun stoffelijk leven. Wij weten van Emed hoe hem het martelend gevoel van heimwee kon overvallen en Broeder Bernardus zal misschien in zijn stoffelijk leven verlangd of gedroomd hebben van verre reizen... Wij weten het niet, maar hierin leren wij toch wel zien, dat noch de ene, noch de andere vorm bepalend is voor het geluk.
Wij geloven stellig, dat de vorm van het leven bepaald is.
Wij hebben een vrije wil tot een bepaalde hoogtegrens. De lijnen van ons leven liggen vast en onze vrije wil zit, aan een lang touw gebonden, vast aan de uitgestippelde weg.
Daardoor zijn wij tot de conclusie gekomen dat geen mens de beschikking heeft over de tijd van leven en dat reeds van tevoren de lengte van de levensweg werd bepaald.
Hier is dan weer een nieuw probleem om te overdenken. „Wie bepaalt deze weg en haar lengte?”
Emed's antwoord hierop: „Hij die de geest van de mens, met Zijn Handen vormde, heeft de tijd bepaald waarop Hij dit eigendom, Zijn schepping, wederom zal opeisen.”
Dit schijnt een eenvoudige oplossing, maar dat is het niet, want zoals de mens in een gevecht gewikkeld is met het gehele Leven in een aardse periode, zo is de mens ook daarna doorlopend gewikkeld in de strijd met die Kracht, die men wetenschappelijk zou willen verklaren, en die men zonder die verklaring niet aanvaarden wil of kan.
Als men dus niet kan aanvaarden dat er een God bestaat, dan zal men ook niet willen aanvaarden dat het leven reeds van te voren werd uitgestippeld en kan men het niet anders zien dan een avontuur, waar moeder aarde de hoofdrol in speelt.
Het onderzoek naar een bewust voortbestaan na de stoffelijke dood, heeft ons doen inzien, dat de aarde, hoewel miljoenen en miljoenen jaren oud, onderhevig is aan een Kracht, waaruit alles voort komt en waardoor alles leeft en groeit en evolutie ondergaat.
Wanneer God als het Middelpunt van dit alles, gezegd heeft, „zo is het goed” toen Hij de aarde schiep, dan moeten wij ook leren inzien dat dit „goed” als het aanvangspunt van dierlijk leven, bedoeld was en dat dit alles aan de grote evolutie ten deel zou moeten vallen alvorens God zou uitspreken: „zo is het af”.
Wanneer men dergelijke dingen hoort verklaren door Emed, dan kan het niet anders, dan dat er aan Gene Zijde een zeer intelligent leven is en dat de omstandigheden waarin wij op aarde leven, hieraan nog volkomen inférieur zijn.
Deze gesprekken met Emed werden steeds in de meest eenvoudige vorm gegoten, zodat het bijna voor ieder begrijpelijk werd, maar toch weten wij, dat ondanks zijn verklarende uiteenzettingen, bij lange na niet alles door ons kon worden benaderd en dat er nog vele dingen zijn, die Emed ons niet mocht of wilde verklaren.
Het is zoals hij ons vertelde een tipje oplichten van een ondoordringbare sluier, waardoor juist het weten van voortbestaan tot ons doordrong, maar de sluier geheel weg nemen, is niet mogelijk, niet toegestaan ook.
De weg van onderzoek staat een contact toe met hen die heengingen, maar het is niet toegestaan, door dat contact, het recht te nemen om vragen te stellen, die zij niet of slechts ten dele aan ons kunnen beantwoorden.
Op onze vraag: „Wat is God, is Hij een Geest,” kregen wij ten antwoord: „God is de Alkracht, de Algeest of het Universum, waardoor alles leeft zolang Hij het toestaat.”
Hij is bereikbaar voor ons, wanneer wij zover gevorderd zijn, dat ons deel van Hem, zoals reeds te voren is bepaald, kan terugkeren tot het Geheel. Wanneer wij kleine mensen dan om ons heen zien, wat er op die planeet van ons allemaal gebeurt en verandert, dan kan het haast niet anders of wij zien tevens een oneindig lijkende weg voor ons, die wij hebben af te leggen, alvorens te kunnen bereiken wat het eigenlijke doel van het leven is, de evolutie, waardoor ons weer ander Leven en andere geheimen zullen worden geopenbaard.
Wanneer men de diepere zin die het Spiritualisme in zich draagt op deze wijze leert zien, dan houden de bijkomstigheden van het onderzoek op waarde te bezitten, maar dan blijft een uitkomst over, die de waarde van het onderzoek volkomen onderschrijft.
De religie in het leven van de Spiritualist is niet weg te denken, want die religie werd ons op wel geheel aparte wijze onderwezen en wij kwamen tot een overtuiging van het Godsbestaan, zoals door geen enkele instelling kan worden gebracht.
Met de grootste eerbied voor iedere Kerkelijke instelling, heeft onze vrije wil het recht van onderzoek gebruikt en de uitkomst van dat onderzoek gaf ons een diep religieus denken, zonder vooroordeel, zonder dwang, zonder het toeval van de geboorte waardoor wij buiten die wil in een of ander kerkgenootschap werden opgenomen. Onze hedendaagse tijd met haar grote kenteringen, zal tegenover dat vrije onderzoek zeker een andere houding gaan aannemen en dan zullen wij er trots op kunnen zijn, dat wij ondanks leed en belediging, ondanks teleurstelling en verachting, de weg van de vrijheid van de geest, hebben durven inslaan.
De zo zeer gehoonde middelen, gebruikt om tot het weten te komen, zullen zich dan ook in andere vormen tonen; want men zal niet meer spreken over een werking van moleculen, maar ontdekken dat de krachten die deze bewegingen veroorzaken, veel groter zijn dan men heeft kunnen verwachten.
Naarmate het menselijk intellect zich vervolmaakt, zo zal ook de aan Gene Zijde levende Intelligentie zich vervolmaken, omdat deze een deel is van de op aarde vertoefd hebbende mens.
Wanneer de mens bereid is om de aarde te zien als een woonoord voor ieder levend schepsel, dan zal men daaraan van Gene Zijde uit, alle medewerking verlenen om die aarde ook in die zin te vernieuwen. Wanneer de mens op aarde zich volkomen bewust zal zijn geworden dat iedere oorlog zinloos is met haar gewelddadige vernietiging, wanneer de mens wil aanvaarden dat iedere mens ook mens is ondanks het verschil in huidskleur, dan komt men reeds tot een evolutie van zo'n grote omvang, dat dit niet eens ten volle door ons begrepen kan worden. Emed zegt: „De mens is op weg en zal dit alles bereiken, maar men moet eerst lijden om het te kunnen inzien, om alle leven te eerbiedigen, om de mensen te zien en te aanvaarden zoals zij zijn; blank, rood, bruin, zwart of geel, het behoort alles bij de schepping.
Het oordeel van de mens over een andere huidskleur zou bijna de indruk geven dat God een fout maakte tijdens Zijn Schepping, maar God heeft dit onderscheid gewild zonder de mens enig recht toe te kennen daar een oordeel over uit te spreken of zich vanwege zijn huidskleur superieur te gevoelen.
Wat weten wij eigenlijk af van de bedoeling omtrent het verschil in de huid; is het onlogisch te veronderstellen dat een geheel ander klimaat andere kleuren kan voortbrengen?
Wanneer u met een blanke huid, onbarmhartig door de Afrikaanse zon zou worden geroosterd, dan gaat uw huid ook haar blankheid verliezen. Heeft de kleur van de huid misschien iets te maken met een lijn die de Schepper heeft willen trekken, waaruit wij dan te leren hebben dat allen schepselen van God zijn; moeten de op aarde levende mensen dit nu reeds leren omdat aan Gene Zijde geen enkel onderscheid bestaat? Wij kennen één kudde en één Herder. Het zijn vragen die nog geen afdoende antwoord verkregen, maar de moeite waard om ons er mee bezig te houden. Men zal begrijpen dat het stellen van deze vraagstukken veel meer nut heeft om aan onze geestelijke vrienden ter beantwoording aan te bieden, dan de vraag of men aan Gene Zijde wel gelukkig is, al begrijpen wij dergelijke vragen bij de eerste contacten volkomen.
De fout van de meeste Spiritualisten is dan ook dat zij op één punt blijven staan, zonder de drang te voelen door verder vragen, meer aan de weet te komen en daar komt op den duur een onbevredigd zijn uit voort.
Alles moet in beweging blijven, ook het onderzoek naar het voortbestaan en de omstandigheden waaronder de Intelligenties leven, hoe zij zich kleden, waardoor zij van kleding kunnen verwisselen, wat de betekenis is van de verandering waardoor zij de ene keer veel eenvoudiger gekleed zijn dan een andere maal. Het was niet voldoende zijn te weten dat vader en moeder om ons heen kunnen zijn, het is belangrijker te weten hoe zij zich geestelijk ontwikkelen en hoe het met hen gesteld is alvorens zij de weg naar het Licht konden inslaan.
Hoeveel Spiritualisten zich vermoeien met oneindig vragen over het voorbije leven op aarde, is niet te vertellen, maar daardoor bewijzen zij stil te staan.
Wanneer men een bewijs van voortbestaan heeft ontvangen, groot genoeg om het fundament voor de tempel van overtuiging te kunnen leggen, dan is het onnodig steeds opnieuw om bewijzen te vragen van dat voortbestaan, de Spiritualist moet leren inzien, dat een gegeven bewijs, ergens anders toe dient dan om nog meer bewijzen af te dwingen.
Ik geloof, uit ervaring te mogen opmaken, dat de stroom van bewijzen nooit mag ophouden, want dat een enkel bewijs even spoedig verloren dreigt te gaan, als bijvoorbeeld een opgevoerde, nietszeggende comedie! Veel, door mij persoonlijk het bewijs gebrachte, Spiritualisten realiseren zich niet, deels uit onwetendheid, hoeveel inspanning het kost om het kleinste bewijs van voortleven te brengen en hoe fijn en breekbaar de verbindingsdraden met de aarde zijn.
Men moet urenlange gesprekken hebben gevoerd over andere en veel waardevolle dingen om tot de conclusie te komen dat dit door sommigen gehate Spiritualisme veel groter inhoud heeft dan men bevroeden kan.
Toegegeven, de middelen tot communicatie schijnen primitief, vooral wanneer men voor de eerste keer met een kruishout en letterbord in aanraking komt en onwillekeurig vraagt men zich af, of Intelligenties geen andere weg kennen dan zo'n paar latjes om in contact te komen met hen die op aarde leven.
Men vergeet echter reeds op datzelfde ogenblik dat het een proberen is om met een mens die als middel dienst kan doen in aanraking te komen en dat men een eenvoudige wijze van werken voorop moet stellen. Wanneer men nooit een hamer in handen heeft gehad, kan men moeilijk beginnen een kast te timmeren, maar probeert men eerst te leren om op de juiste manier een spijker in te slaan.
De primitieve manier van contact opnemen, is de eerste aanloop tot de moeizame arbeid een beter middel te vinden en te behouden.
Dit laatste geld vooral, wanneer een medium afgeschrikt wordt door een verkeerd oordeel, door uitspraken die kant noch wal raken maar die hun uitwerking desniettemin doen gelden, omdat een medium nog primitief tegenover de gedachte staat, een middel te kunnen zijn om dat voortbestaan te bewijzen.
Er zijn heel veel Spiritualisten die een bewijs hebben ontvangen van het leven na de dood en die daarmee rustig insukkelen tot een latente houding en nooit verder vragen; zij zijn tevreden met de boodschap die zij mochten ontvangen en hen interesseert het verder niet wat de Intelligentie voor doel heeft, waartoe en waarom hij ons zijn boodschap komt brengen.
Zij hebben een bewijs ontvangen van het leven na de dood en daarmee is alles voor hen opgelost.
Dit is natuurlijk niet te veroordelen, maar goed beschouwd wil men bij een onderzoek in welke richting dan ook, niet stil staan bij de eerste de beste uitkomst, want wanneer iedere mens zich daarmee tevreden zou hebben gesteld, zouden heel veel dingen van onze tijd onontdekt gebleven zijn.
Ook in onze onderzoekingen werden wij gedreven om tot het oplossen van steeds meer vragen te komen en al kunnen wij niet verklaren dat alles voor ons klaar en duidelijk ter tafel ligt, wij zijn heel wat verder gekomen dan de primitieve vorm van het eerste contact.
Wij zijn ons gaan afvragen welke geest bezit had genomen van ons lichaam en kwamen door vragen en onderzoeken tot de conclusie dat geen mens vermag te doorgronden op welke wijze die geest geschapen werd en tot welk doel.
De meeste Spiritualisten zien in de bevestiging van het voortleven het absolute Spiritualisme, maar er is nog een geheel ander doel aan verbonden dan een boodschap van vader of moeder of van iemand die ons op andere wijze na stond.
De bevestiging van de beweging van onze geest, haar evolutie en bewustwording is een van de grootste ontdekkingen die wij hadden en daardoor kon een gedicht ontstaan over een klein meisje, beginnende :
Klein meisje, met je glanzend gouden haren,
Je ogen lief en teer en o, zo blauw,
Ik zit soms peinzend naar jouw beeld te staren.
En vraag mij af : wiens geest woont er in jou?
En tot slot:
God's geest, mijn lieveling, woont ook in jou!
Dit te mogen ontdekken, wanneer men over de wieg van zijn eigen kind staat of wanneer een lief kleinkind geboren wordt en zover te komen dat men zich deze dingen gaat afvragen; er moge veel zijn wat nog verklaard moet worden, maar het wijst erop dat de eerste stappen gezet zijn.
De grote troost die het contact met hen aan Gene Zijde vermocht te brengen in de vorm van het Spiritualisme, doet weldadig aan na alle verstarring van de voorbije eeuwen.
Het weten en de ontwikkeling van de kennis ving aan toen de gewone mens leerde lezen en schrijven. Zodra deze kennis ophield een voorrecht voor sommige mensen te zijn ging de mens leren denken, want hij moest het gelezene verwerken.
Zoals met alle dingen bracht evolutie een revolutie te weeg, men kon de mens niet meer op gezag laten aannemen wat men wenste, want de mens was het soms niet meer met het gezag eens. Steeds verder voltrok zich de evolutie en wat eerst een gebrekkig stamelen en omschrijven was, werd een sterke wetenschap, bestuurd door mensen die de materie die zij behandelden, volkomen kenden.
Zo moeten wij ook het Spiritualisme zien.
Eerst een primitief stamelen eer men tot een vaste gespreksvorm kan komen.
Eerst een naïef, moeizaam tekenen van lettertjes alvorens men een geschreven boodschap met forse en vaste hand vermag neer te schrijven. Men verwacht echter maar al te vaak dat het van Gene Zijde uit, meteen in een volmaakte vorm gebracht wordt, omdat zij niet meer van deze, dus van een Hogere wereld zijn.
Men vraagt zich daarbij allerminst af, hoe de geest reageert op een totaal veranderde omgeving.
Ik herinner mij een avond waar zich een Intelligentie meldde en ons mededeelde dat hij in een „straat gelegen tegenover het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam” had gewoond.
Die straat was gauw genoeg gevonden, want hoewel er drie straten rond het gasthuis lopen, is er maar één straat die er tegenover ligt en dat is de Eerste Helmersstraat.
De naam die deze Intelligentie noemde, was een Joodse naam en hij vertelde arts te zijn geweest.
Ik kon hem op die avond precies beschrijven.
Hij was klein en donker van uiterlijk met een kransje haar rond een kale schedel, hij droeg tevens een puntbaardje.
Hij noemde de naam: Loterijman.
Een van de aanwezigen beaamde deze arts te hebben gekend en vroeg hem: „weet u nog wat voor naambord u op uw deur had staan, ik bedoel het materiaal, emaille of marmer of koper?”
De Intelligentie verklaarde dat niet meer te weten en de vragensteller bewees dat hij niets van het Spiritualisme begreep door te zeggen: „ik kan niet helemaal aanvaarden dat u het werkelijk is, wanneer u dat niet meer weet.”
Dat de Intelligentie, misschien met veel moeite zich wist te herinneren dat zijn naam Loterijman was geweest op aarde, bewees dus zijns inziens minder dan het koperen of marmeren naamplaatje. Toen mijn man later op de avond aan de vrager vroeg of hij eens wilde vertellen of hij veertien dagen tevoren op zondag carbonade of rollade had gegeten, moest hij erkennen het niet meer te weten. Wij legden hem toen uit, dat een mens die de weg van de geestelijke overgang had meegemaakt, heel veel dingen kon hebben vergeten of als waardeloos achter gelaten en al begreep de vrager ten slotte heel goed dat men in een geheel andere vorm van leven terecht komt, de teleurstelling omtrent het naambord konden wij niet weg nemen want dat had hij nu eenmaal graag willen horen. Zo zijn de inzichten van wat werkelijk belangrijk is alweer geheel verschillend gebleken.
Dat de gehele Spiritualistische wereld verantwoordelijk wordt gesteld voor domheden zoals boven omschreven, dringt niet tot dergelijke mensen door en niemand kan het Emed kwalijk nemen, wanneer hij in scherpe bewoordingen dergelijke vragen hekelde.
Hij vertelde ons dat de meer wetenschappelijk ingestelde onderzoeker dergelijke vragen van geen enkel nut acht en dat tegenstanders van het onderzoek van voortbestaan na den dood, dergelijke vragen en meningen graag uitbuiten om de waarde van het Spiritualisme te verkleinen of geheel uit te vegen.
Met deze vragen die aan Intelligenties gesteld werden, zou ik een geheel boek kunnen vullen en steeds opnieuw dwong hun onverzettelijke geduld, waarmee zij ook dergelijke vragen tot oplossing wisten te brengen, eerbied en bewondering af.
Soms had men het gevoel of men er op uit was een Intelligentie belachelijk te maken, zó dom waren de vragen die men te stellen wist, maar geen enkele Intelligentie liet zich belachelijk maken, integendeel, de vrager droop meestal met beschaamde kaken af.
Het geduld waarmee zij uiteen trachtten te zetten dat de dood zoals wij deze zien slechts een overgangstoestand is, getuige de rede van Broeder Bernardus, hebben ons meermalen de indruk gebracht, niet met mensen te maken te hebben maar met boodschappers van een Liefde die wij ternauwernood vermogen te begrijpen, laat staan in Zijn Volheid te benaderen.
De boodschap van Intelligenties zoals Emed, Broeder Martinus, Broeder Bernardus en professor Bolk hebben ons veel meer gebracht dan het weten van bewust voortbestaan, zij brachten ons de bewustwording van mede te mogen werken aan de evolutie van geheel de mensheid.