Zomer
De zomer loopt ten einde. Je kunt ook zeggen: hij ontglipt ons langzaam.
‘Old soldiers never die, they just fade away ‘—daar doet het me aan denken. Een rustig, waardig sterfbed. Als het straks voorbij is, kan iedereen er een goed gevoel over koesteren. En daar gaat het toch maar om.
Over de pier langs het strand bij Wijk aan Zee rolschaatst een jongen met in zijn ene hand een werphengel en in zijn andere hand een leefnet met twaalf grote zeebaarzen. In de slome branding niet ver van de pier liggen drie surfers op hun planken. Ze speuren de redelijk kalme zee af, geduldig wachtend tot zich een golf vormt.
Kijk, daar.
Langzaam komt het water omhoog, loom, met tegenzin, lijkt het wel. Ja, het gaat een golf worden, maar geen hoge. De surfers peddelen erheen en draaien zich op hun planken om als de golf zich verder verheft en schuimend om begint te slaan.
In de mêlee stuiven de jongens vooruit en onmiddellijk krabbelen ze overeind om de rest van de rit staand op hun plank langs en over de kam van de golfte glijden, tot het water de macht niet meer heeft om hen te dragen en ze geen snelheid meer hebben, dan vallen ze.
En begint het spel opnieuw.
Op de achtergrond: de havenmond van IJmuiden; sleepboten, zeilschepen, vissersboten. Achter de duinen: de stomende pijpen van de Hoogovens. Vanuit zee drijft een laaghangende, grijze nevel naar het land. Op sommige plaatsen brandt de zon erdoorheen—daar schittert het blauw van de lucht, nog voorzichtig, maar toch.
De hengelaar op zijn rolschaatsen is aan het einde van de pier. Hij heeft onderweg aan diverse collega’s zijn vangst laten zien. Nu laadt hij de vissen in de kofferbak van een oude Opel. De surfers hebben een nieuwe golfte pakken en komen op het strand af. Het water schittert op hun donkere pakken. Ze staan als balletdansers op hun planken.
Het strand is hier breed.
En lang, en uitgestorven.
Een jongen in een gele korte broek loopt langzaam door het zand. Hij is gebruind door de zon, zijn haar is blond en verwaaid. Uit de richting van de branding komt een stip zijn kant op—een vrouw in een verschoten zomerjurk, het haar nat.
‘Ik heb gezwommen, het water is heerlijk!’ roept ze van verre. Ze heeft haar ondergoed in haar hand.
De jongen begint iets harder te lopen. Als het stel eindelijk bij elkaar is, omhelzen ze elkaar en na enige tijd tuimelen ze langzaam om en zoenen ze in het zand verder—niemand die het ziet, zo leeg is het hier.
Tussen de betonblokken langs de pier zit een man, gekleed in een grijze broek met plooi en een wit overhemd met korte mouwen. Hij zit op een groene handdoek die vaak in de wasmachine is geweest. De man heeft zijn schoenen uitgetrokken, bruine veterschoenen. Zijn voeten zijn onwerkelijk wit. Hij kijkt naar de surfers, de verveelde golven, het vrijende stel in de verte, de zon die doorbreekt tussen de rookpluimen van de Hoogovens.
Moeilijk te zeggen waaraan het te zien is, maar dit is een man aan wie de zomer voorbij was gegaan als hij niet vanochtend vroeg ineens had besloten hiernaartoe te rijden. Nu denkt hij zijn gedachten. Straks is alles voorbij.