Verliefd
Niets gaat boven verliefdheid, maar hoe vaak denk je daar nou aan als je het zelf niet bent?
Te weinig.
Laatst zag ik een verliefd stelletje op het fietspad langs de Barneveldseweg tussen Amersfoort en Achterveld. Die weg gaat langs gehuchten als Stoutenburg en Musschendorp en verandert dan van naam: het wordt de Hessenweg.
Het was een koude, maar zonnige dag. Er lag rijp op de velden, en een dunne laag ijs op de sloten. In de weilanden troepten de schapen samen, op de hekken zaten kraaien. Uit de schoorstenen van de boerderijen langs de weg kringelde rook. Hier en daar stond een dampend paard, of bukte een boerin in haar moestuin om een stronk boerenkool uit de harde grond te trekken.
Winter.
Het verliefde stel was nog jong, vijftien, zestien jaar, een jongen en een meisje. Ze fietsten hand in hand—ze droegen allebei wollen handschoenen; hij donkerblauwe, zij roze.
Onder de snelbinders hadden ze hun schooltas, hij het ouderwetse, leren type met handvat en voorvakken—zo’n tas waar je je als middelbare scholier twintig jaar geleden al voor schaamde, zij een donkere rugzak die zo vol zat dat hij niet helemaal dichtgeritst kon worden—je zag de boeken.
Het zat hem in die handen.
Verliefdheid kent diverse stadia. Je hebt de opwinding en de spanning van het begin: de onzekerheid en de verwarring; krijg je elkaar, krijg je elkaar niet—dat.
Daarna heb je elkaar en kan af en toe een broze tevredenheid zijn intrede doen, met de nadruk op broos, want overal loert natuurlijk gevaar en daarbij is tevredenheid natuurlijk niet iets dat past in een wereld van lust en passie.
Maar toch.
Af en toe.
In dit geval zat het hem dus in die gehandschoende handen die elkaar vasthielden; als een warm, wollen hart hingen ze in elkaar geklonken tussen de jongen en het meisje, recht boven een denkbeeldige streep midden op het fietspad, keurig tussen de twee fietsen in, zacht heen en weer wiebelend op de maat van het pedaleren, een lichaamsdeel dat beide geliefden toebehoorde, maar dat toch zelfstandig was.
Geluk is het verkeerde woord.
Wie verliefd is, streeft niet naar geluk. Geluk is saai en huiselijk, geluk is een baan, een huis, een middenklasser met een kinderzitje op de achterbank en op zaterdag boodschappen doen voor de hele week. Geluk is een verlicht rendier in de voortuin en bellen met Nuon over hoeveel dat nou eigenlijk kost, aan stroom. Geluk is het leven van je ouders dat je zelf niet wilt leiden.
Wat zat er dan in die twee wollen handen die samen heen en weer gingen tussen die twee stille fietsers met de pluimen van hun adem dansend boven hun sturen en hun koude voeten op de trappers? Waarom spraken ze niet opgewonden met elkaar, waarom riskeerden ze geen valpartij door elkaar even te kussen; klakkerdeklak de tanden tegen elkaar, de koude neuzen tegen elkaar, de ogen zo dicht bij elkaar dat ze niets scherp meer zien?
Ze waren elkaar genoeg—en in dat warme, nieuwe gevoel ging ook het afscheid al schuil. Nog een paar kilometer en zij moest linksaf en hij rechtdoor. Met hun gehandschoende handen hielden ze elkaar vast, en het was goed zo.