Weerribben

Natuur is voor tevredenen of legen’, zo opent J.C. Bloem zijn beroemde gedicht over de Dapperstraat.

En dan: ‘Wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.’

Bloem, die in 1966 overleed en in 1947 zijn belangrijkste werk al had geschreven, ligt begraven in Paasloo, aan de rand van de Weerribben waar hij de laatste jaren van zijn leven ook woonde—in Kalenberg, om precies te zijn.

Ik denk wel eens aan Bloem, en aan die openingszin van de Dapperstraat. Zou het werkelijk zo zijn dat de natuur er is voor mensen die tevreden zijn, en leeghoofdig?

Het zou kunnen.

Zelfwas Bloem het grootste deel van zijn leven diep ongelukkig. Hij kon niet met geld omgaan, niet met vrouwen, en niet met de drank. Met pijn en moeite dichtte hij een klein oeuvre bij elkaar. Uit veel van zijn gedichten spreekt een enorme gelatenheid, een gedwongen berusting in de onontkoombaarheid van de naderende dood, om het maar eens plechtig te zeggen: Ik heb van het leven vrijwel niets verwacht, ‘t geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. Wat geeft het?—In de koude voorjaarsnacht zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Bloem ten voeten uit.

Maar in de Weerribben vond hij dan toch, tot zijn eigen verbazing, wat hij elders, in Amsterdam, en Den Haag, in Warnsveld en Zutphen, niet kon vinden: ‘Voor het eerst van mijn leven een soort van tevredenheid (ik zou haast zeggen geluk, maar dat is zo’n groot woord.)’

Veel nieuwe gedichten leverde het niet op.

Kalenberg is een langgerekt dorp met een smalle waterweg in het midden: de Kalenbergergracht. Aan de beide kanten van het water, de belangrijkste verkeersader in de Weerribben, strekt het dorp zich een kilometer uit. Je hebt er drie horecagelegenheden, de Rietlanden, de Vrijstate en het Doevenhuis, talloze kano- en fluisterbootverhuurbedrijven en een heleboel rietdekkersbedrijven. In de zomer komen er elke dag meer dan twaalfhonderd plezierjachten door de gracht, de meeste zo groot dat ze machtig boven de kleine boerderijen uitsteken, om van het aantal fietsers op het fietspad langs het water nog maar te zwijgen—vele duizenden, in kleurige poncho’s en sportieve jekkers van vsdo en Perry.

De woning van Bloem staat er nog steeds. Het is een eenvoudige, kleine, witte boerderij met een rieten dak. Hij staat aan het einde van een weg die Kalenberg-Noord heet, en doodloopt. Naast het huis staat een grote loods van een aannemersbedrijf. In de tuin bloeit een rododendron. De dichter woonde er niet alleen; de schrijfster Clara Eggink, met wie hij een blauwe maandag getrouwd was geweest, woonde er ook, in een kleine woonaak voor de deur. Die boot ligt er niet meer.

Bloem en Clara Eggink liggen naast elkaar begraven in Paasloo, iets verderop, op de begraafplaats bij de hervormde kerk, een exemplaar uit 1331. Beiden hebben witte, eenvoudige zerken, in vak D, op rij 1. Bloems steen draagt behalve zijn naam en data de tekst Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij. Op de steen van Clara staat niets extra’s. Het paar wordt omringd door de stenen van Johan Tegelaar, Geesje de Wagt, Jan Huismans, Garrigje Vaartjes, Frank Posthumus, Kornelia Los, Pieter Petersen. Al die namen, en al die oude zerken, roepen Clara Egginks beroemdste regel in herinnering: De mensen zijn oud en hun huizen zijn oud, hun levens zijn reeds oud geboren.

Verder een mooi landschap, die Weerribben.