Starlight
In Nijkerk bezocht ik een groot congres over veiligheid, waar honderden mensen van allerlei instanties aan deelnamen: politie, verslavingszorg, reclassering, justitieambtenaren, jeugdzorg, preventieteams, veiligheidshuizen, helpdesken, et cetera.
Er waren toespraken van de ministers Remkes en Donner, een keur aan workshops en debatingbijeenkomsten, een informatiemarkt met tientallen standjes, een internetcafé en een datingbord waar congresgangers die het even niet meer zagen zitten geestverwanten konden vinden. Tot slot was er een afsluitende borrel en een pendelbus naar het station in Amersfoort. De naam van het congrescentrum: Hart van Holland. What’s in a name?
Veiligheid dus.
Een paar kilometer van Hart van Holland ligt een ander centrum; het uitgaanscentrum Starlight—de populairste discotheek van de Veluwe. Ooit zal de Starlight een boerderij zijn geweest, zoals er wel meer liggen langs de oude straatweg die Nijkerk verbindt met Amersfoort, nu is het een wit-gepleisterd zootje loodsen met wapperende, paarse vlaggen en hoge coniferen om een enorm parkeerterrein. Verderop ligt Nijkerkerveen, aan de overkant van de weg het industrieterrein Holkerveen.
Op dit parkeerterrein werd Frank Hermsen, een negentienjarige jongen, doodgeschopt door vier jongens uit Barneveld. Een vriend van Frank kreeg mot met de vier, het slachtoffer mengde zich erin—er werd getrapt, geslagen en getrapt en vervolgens stapten de vier in een gereedstaande taxi om zich naar huis te laten rijden. Halverwege hun aftocht, kreeg de taxichauffeur, een dame, van haar meldkamer het dringende verzoek terug te keren naar de Starlight—en daar werd het viertal ingerekend.
De plek waar het slachtoffer viel, is in korte tijd een klein monument geworden. We kennen dat soort spontane gedenktekens inmiddels: bloemen, waxinelichtjes, verregende brieven, geplastificeerde gedichten. In Franks geval: ook nog vaantjes van voetbalvereniging Hoogland, een bal gesigneerd door het elftal waarin hij speelde en afscheidsbrieven van zijn ploeggenoten. ‘Dribbelen langs de lijn zal zonder jou nooit meer hetzelfde zijn.’
En zo is het.
Aan de rand van het parkeerterrein van de Starlight—veel natte bladeren en diepe plassen in het grint—ligt een snackbar, gevestigd in een kabouterhuis; een grote, rood met wit gestippelde paddestoel. Daar ging ik een tijdje zitten om naar buiten te kijken. Bij een huis aan de overkant van de weg hing de was uit; twee dozijn witte onderbroeken in volgorde van grote. Dat zie je veel op de Veluwe, maar niet altijd is het beeld even troostrijk.
Er stopte een oude, rode vw Golf op het parkeerterrein. Een jong stel stapte uit; een beer van een man, de veters van zijn gymschoenen niet gestrikt, een behoorlijk breed meisje met een roze bodywarmer. Ze liepen voorzichtig naar de bloemen van Frank toe, bevreesd. Halverwege sloeg de man een arm om het meisje heen, en beiden bogen het hoofd—zo kwamen ze aan bij de plek. Een vrachtwagen reed toeterend voorbij, maar ze keken niet op.
Even later kwamen ze de snackbar binnen. Het meisje had gehuild, ook de man had het moeilijk. ‘Dan ga je uit stappen, en dan kom je niet meer thuis,’ mompelde hij een paar keer. ‘Dit heeft veel impact, dit was zo’n gezellige plek.’
Hij bestelde twee keer warme chocolademelk en veegde met de punt van zijn mouw de tranen uit de ogen van het meisje. Dat ontlokte een vertederde glimlach. ‘Je kan nergens meer heen straks,’ zei de man, ‘we gaan naar de verdommenis.’ Hij haalde luidruchtig zijn neus op en keek naar buiten waar opnieuw een auto stopte bij de bloemen van Frank.