N334
De N334 loopt tussen Giethoorn en Zwartsluis. Het deel van de weg dat de Belterwijde doorsnijdt, heet de Blauwehandseweg. Links en rechts van de weg strekt het water zich uit. Aan de ene kant, de oostelijke, is in de verte de industrie van Meppel te zien. Aan de andere, westelijke, horizon tekent zich het silhouet van Vollenhove af.
Op woensdagen wordt er gevist langs de Blauwehandseweg. Aan beide kanten staan de bermen dan vol auto’s, en overal zitten mannen langs het water. Ze doen mee aan een wedstrijd, een zogenaamde kilowedstrijd, waarbij het draait om het totale gewicht van de vangst. De vis waarop wordt gehengeld, is brasem—zware, logge vissen die vrij makkelijk te vangen zijn, deurmatten worden ze ook wel genoemd.
De woensdag dat ik passeerde, was een lastige dag om te vissen. De wind kwam hard uit het noordwesten. Aan de ene kant van de weg was de Belterwijde een klotsende, schuimende zee, aan de andere kant lag het water er bijna rimpelloos bij. Aan beide kanten van de weg werd gevist; de hengelaars mogen niet zelf hun plaats kiezen, de wedstrijdleiding wijst die aan.
Vissers maken graag een praatje, maar ze maken er ook een punt van niet zoveel te zeggen. Aan de onstuimige kant van de weg zat een man op een soort plateau dat hij gedeeltelijk in het water had opgesteld. Hij droeg een donkergroen regenpak en hoge laarzen. Hij zat op een krukje, op het plateau, en werd omringd door emmers en bakjes met diverse soorten maden, wormen, lokvoer en maïskorrels. Een groot schepnet lag klaar, het leefnet hing in de golven. Op de klassieke vraag of hij al iets had gevangen, schudde hij het hoofd.
‘Ze zijn er niet, of ze moeten nog komen,’ zei hij, en hij keek naar de top van zijn hengel—brasemvissen doe je niet met een dobber, maar via de rode of gele top van de hengel: als die beweegt, meldt zich een vis. ‘Vorige week had ik er vier,’ vervolgde hij, ‘8600 gram. Niks gewonnen. D’r waren erbij met zes, of zeven.’ De man had een grote Volkswagenbus bij zich die helemaal volgeladen was met hengelsport-attributen.
‘Zaterdag heb ik met 8400 in Hardenberg gewonnen,’ vertelde hij. ‘Nummer twee had 3500. Had ik wel mooi een half varken.’ Hij grijnsde en zweeg. ‘Het water is groot,’ hervatte hij na een tijdje, ‘de vissen moeten me nog vinden.’
Aan de andere kant van de weg, waar het water minder groot is, hadden de vissen de hengelaars ook nog niet gevonden. Een al wat oudere man zat rustig onder een boom, te midden van al zijn spullen, en luisterde naar Karla Peijs die vanuit een klein radiootje optimistische geluiden over de verkeersveiligheid produceerde. Haar uitroep ‘Alle hens aan dek!’ veroorzaakte een forse glimlach op het blozende gezicht van de hengelaar. Maar liever had hij natuurlijk een deurmat van vier kilo aan de lijn gehad.
Aan het lokaas kon het niet liggen. ‘Er zit koekdeeg in,’ vertelde hij langzaam, ‘en hennep, duivenmest, vanille en maïs.’ Hij keek behoedzaam. ‘Venkel, droge beschuit, koriander. Ik meng het zelf.’ Hoe precies, en in welke verhoudingen, ging hij duidelijk niet zeggen. Iedere visser heeft zijn geheimen. Een fuut dreef voorbij, gevolgd door een plezierjacht. ‘Ze bijten vandaag niet,’ zei de man, ‘ze zijn er niet, of ze moeten nog komen.’ Het klonk verwachtingsvol en berustend tegelijk, en uit het radiootje klonken The Cats en ‘One Way Wind’.