Jubbega
Bij Donkerbroek, een dorp tussen Oosterwolde en Drachten, trof ik een mooi kruispunt, helaas mét stoplichten en flitspaal. De wegen die zich hier kruisen zijn de N381, die Emmen met Leeuwarden verbindt, en een plaatselijke, ongenummerde weg. Vlak bij het kruispunt ligt een wegrestaurant en voor wie uit de richting van Emmen komt is er een groot bord met de tekst: Donkerbroek, klaar voor uw toekomst!
Dat zullen we nog wel eens zien, denk je dan, en op het kruispunt sloeg ik rechts af Donkerbroek in, ineens een ongewisse toekomst tegemoet.
Mooi.
Niets te beleven in Donkerbroek, behalve een oude brug over een stil kanaaltje, de Oosterlandsche Compagnievaart. Stilstaand water en veel gele lissen in de wallenkant.
Terug dan maar.
Bij het kruispunt (de rotonde hoort bij het poldermodel, lekker overleggen, een kruispunt is conflictueus, stug) valt de blik op de naam Jubbega, rechtdoor.
Jubbega, Jubbega, wat is er met Jubbega?
Ooit had ik kennis aan een meisje uit Jubbega, jawel. Zij was enkele jaren ouder dan ik en ik was twaalf, een gevoelige leeftijd. Kennis had ik ook niet aan haar, zij zat drie klassen hoger en ik bewonderde haar.
Groot en blond, van alle gemakken voorzien.
Rookte Drum en reed al bijna brommer.
Kwam dus uit Jubbega, Jubbega, Jubbega—waar ik nooit was geweest, maar nu slechts zes kilometer van was verwijderd. Dichterbij zou ik nooit komen.
Het licht sprong op groen en ik stak het kruispunt over en reed naar Jubbega. Onderweg kwam ik borden tegen die naar Hemrik, Vosseburen en Sparjebird wezen. Dat zijn nog eens plaatsnamen.
Jubbega naderde.
Het ligt aan een oude trekvaart, bomen links en rechts, kleine boerderijen en gedrongen landarbeiderswoningen. De dorpskern bestaat uit een C1000, slagerij Bouwma, een Rabo-fïliaal, een kledingmagazijn en een winkel in huishoudelijke artikelen met een ouderwetse lichtbak van Philips boven de deur.
Jubbega.
Er hing een opmerkelijke stilte in dit dorp dat zich heeft weggestoken, voor zover dorpen kunnen wat sommige wielrenners kunnen, zich wegsteken; er zijn, maar er ook niet zijn, een kunst sinds Shakespeare er een beroemd gezegde aan wijdde.
Ik dacht aan het blonde meisje van mijn middelbare school. Haar naam schoot me maar niet te binnen. Grote kans dat zij bij slager Bouwma werkte, of zou zij Jubbega de rug hebben toegekeerd?
Ik dacht aan haar rug.
Aan haar boezem die ze droeg als een triomf.
Daarna reed ik over de smalle Sluislaan naar Gorredijk, Beetsterzwaag en de snelweg. Langs de laan stonden kastanjebomen. Het lover overkapte de weg, en het was alsof ik door een tunnel reed. Ik kwam almaar niemand tegen. De naam van het meisje uit Jubbega was vlakbij, maar net buiten bereik, alsof zij het erom deed.