N414
‘U kunt uw pasje erdoorheen halen.’
Ik haal mijn pasje erdoorheen. Magneetstrip aan de goede kant, altijd even opletten. Wat een dom gebaar is het eigenlijk.
Er gebeurt niets.
‘Iets langzamer,’ zegt de jongen van het benzinestation langs de N414 tussen Baarn, Spakenburg en Bunschoten.
Ik doe het iets langzamer.
Weer niets.
‘Sneller.’
Ik doe het sneller—nog niets.
De jongen grist het pasje uit mijn hand, wrijft de kant met de magneetstrip woest langs zijn trui en ritst het dan door de betaalautomaat.
Weer niets.
Hij doet het nog een keer, nog sneller. Ik begin te vrezen voor mijn pasje. En ik heb zin om de jongen over de toonbank heen te trekken en van heel nabij heel indringend toe te spreken. Of een stuk van zijn oor te bijten.
‘Heeft u een ander pasje?’
‘Dit pasje doet het altijd.’
‘Nu dus niet,’ knauwt de jongen. Hoe oud zou hij zijn? 18?
19?
‘Het ligt aan die automaat,’ zeg ik.
‘Hij doet het altijd,’ verweert de jongen zich, ‘alleen bij uw pasje niet.’ Hij kijkt me aan alsof ik hem iedere dag kom lastigvallen met een pasje dat het niet doet, maar ik ben hier vandaag voor het eerst, en voor het laatst, hoewel—benzinestations hebben niet de neiging zich in het geheugen vast te zetten.
‘Wat nu?’ vraag ik.
‘Wat nu?’ herhaalt de jongen—er sluipt iets dreigends in zijn stem—‘U heeft geen ander pasje?’
‘Jawel hoor,’ zeg ik, en langzaam haal ik een creditcard tevoorschijn. ‘Maar ik heb eigenlijk geen zin hem erdoorheen te halen.’ Ik kijk naar buiten en hoor op de radio dat Joop Doderer is overleden.
Naast het benzinestation staat de maïs hoog op het veld. Er loopt een fietspad langs. Een lange colonne scholieren passeert. Ze weten niet dat Swiebertje dood is, ze weten niet eens wie Swiebertje was.
Zo gaat het.
Over de weg rijden drie gele bussen met enorme aanhangers van bakkerij Het Stoepje uit Spakenburg. Ze komen terug van een markt, ergens in het land. De kerktoren van hun thuisbasis steekt in de verte schril aftegen de lucht, die heiig is.
‘Geen zin?’ herhaalt de jongen. Zo gek heeft hij het nog nooit gehoord.
‘Geen zin,’ herhaal ik.
De jongen buigt zich over de betaalautomaat, drukt op een paar knoppen en trekt nog een keer mijn aanvankelijke pasje door de gleuf. Hij doet het zo snel—rats, rats, rats, heen en weer gaat de kaart—dat ik me afvraag of er zo meteen rook zal verschijnen.
Er gebeurt niets.
‘U ziet het,’ sist de jongen, ‘uw pasje doet het niet. Ik raad u aan een andere kaart te gebruiken. U kunt ook uw rijbewijs inleveren en ergens geld gaan pinnen.’ Hij overhandigt me het pasje dat warm aanvoelt, heet, eigenlijk.
Ik haal langzaam en bedaard de creditcard door de automaat en meteen gaat het goed. Ik moet op OK drukken, en daarna nog iets tekenen. De transactie is geslaagd.
‘Spaart u Freebies?’ vraagt de jongen. Al het voorgaande is hij vergeten, maar ik niet. Ik trek hem over de toonbank en verlies dan de moed, sukkel die ik ben.