Parkeerterrein

Mooi weer is natuurlijk ideaal, maar een leeg parkeerterrein aan zee mag er ook zijn. Een gekke zin, ik geef het toe, maar toevallig kwam ik zo’n parkeerterrein tegen bij Wassenaar, aan het einde van zo’n slingerende weg door de duinen. En het hart brak.

Het was een parkeerterrein zoals er honderden zijn langs de Nederlandse kust. Asfalt met butsen en scheuren waar onkruid en helmgras doorheen zijn geschoten. Soms niet eens asfalt, maar slordige betonplaten en zand.

Altijd kuilen en plassen.

Verkeersborden die scheef staan.

Lege blikjes, ijswikkels.

Eén Volvo V70 van een oudere heer die op het strand zijn labradors uitlaat. Op de dichtstbijzijnde duintop een snack-kar met een verschoten vlag. Gesloten, want het is geen weer.

Twee dingen.

Aan de ene kant: de verpletterende eenzaamheid van het parkeerterrein. Het ligt erbij alsof het decennia geleden is dat het vol stond, de herinnering is al bijna vervaagd. Volkomen bizar, want vorige week was het hier nog bomvol. Kennelijk heeft zo’n uitgestorven parkeerterrein een slecht geheugen. Of een heel sterk imago, dat kan ook.

Aan de andere kant is zo’n leeg parkeerterrein het toppunt van verwachtingsvolle anticipatie. Het ligt als het ware hijgend van ongeduld te wachten tot de verkeersstromen haar kant op komen. Honderden auto’s wil het in haar armen sluiten, ja, ik weet ook niet waarom ik aan een vrouw denk.

Nu ja.

Een leeg parkeerterrein laat ik me niet snel door de neus boren, dus ik ging er even fijn een rondje rijden. Daarbij schoot me niets te binnen, behalve dat de lucht er toch wel heel erg dreigend uitzag, moddergeel en donkerbruin, als het palet van de Duitse schilder Polke, en dat zo’n leeg parkeerterrein ook iets kwetsbaars heeft—geen schijn van kans tegen natuurgeweld.

Als het niet met enige regelmaat vol auto’s stond, hun daken blikkerend in de zon, zou het in een mum van tijd deel uitmaken van het landschap, een zanderige vlakte met een hek van prikkeldraad eromheen, verboden te betreden, vogelrustgebied, een keurig wandelpad erlangs met prullenbakken.

Tijd om te gaan.

Maar net toen ik het parkeerterrein afwilde draaien, brak boven me het noodweer los en plotseling zag ik geen hand meer voor ogen, zo hard kwam de regen naar beneden. De herrie die het maakte was oorverdovend. Het water stroomde als een beek over de voorruit.

Het duurde maar even, toen was het weer droog. Langzaam reed ik de smalle, slingerende strandweg af, langs Duinoord, richting Rijksdorp en Wassenaar. Het was duidelijk zo’n weg waar je eigenlijk verliefd op een brommer overheen moest knetteren, het meisje van je dromen achterop, haar armen stevig om je middel, een hand af en toe plagend in je kruis, de warme wind in je gezicht, de ondergaande zon in de spiegels aan het stuur.

Maar zo’n dag was het dus niet, nog los van het feit dat ik niet op de brommer was, en moederziel alleen, net als dat parkeerterrein dat achter me lag.