Genemuiden

Er zijn van die hoeken in het land waar je nooit komt als je er niets hebt te zoeken. De streek rond de Wieden, Beulakerwijde en Belterwijde, is zo’n hoek.

Wanneperveen.

Doosje.

Blauwe Hand.

Heetveld, Barsbeek en Barsbeker-Binnenpolder.

Het land is hier groen, de wegen voeren slingerend over dijken waar knotwilgen langs staan. Overal is water, en aan de horizon liggen de oude, strenge kerktorens van Kampen.

Belt-Schutsloot.

Roebolligehoek.

Genemuiden.

Om vanaf de N331 tussen Vollenhove en Hasselt in Genemuiden te komen, dient men de veerpont over het Zwarte Water te nemen.

Het is een kleine pont, eentje die een beetje scheef aan zijn kabel ligt, vanwege de stuurhut die aan de bakboordkant ietwat buitenboord lijkt te hangen. Bij wijze van ballast staat aan stuurboordzijde een rek met bakstenen. De man die de pont vaart, doet dat al 26 jaar; een verweerde man met een ruige snor en kort, borstelig grijs haar. Hij draagt een grote bril met goudkleurig montuur—type Lee Towers.

De oversteek duurt anderhalve minuut.

De pont is, blijkens een bord onder de stuurhut, gebouwd in Sliedrecht, door machinefabriek De Klop, in het jaar 1954. Een ander bord meldt dat het vaartuig is ontworpen door P. Intveld te Delft.

Hollands glorie.

Het dek van de pont is glad, en van donker metaal dat van het vele gebruik een doffe glans heeft gekregen. Er zijn nog meer borden, overal opgehangen—verboden te roken, motoren uitzetten, remmen vast, links eerst afrijden. Aan de stuurhut wappert een grote driekleur.

Twee keer heen en weer.

Wat een pont!

Op de kade bij het Veerhuis in Genemuiden stonden drie jongens van eenjaar of tien met ieder een emmer water, een spons en een ruitenwissertje. Ze droegen nog net geen korte broeken, al was het daar wel het weer voor. Gezonde, blonde jongens waren het. Ze wilden wat bijverdienen door autoramen te poetsen.

‘Waar komt u vandaan, meneer?’ vroeg de dapperste van de drie. Hij had een klein brilletje op.

‘Amsterdam,’ zei de meneer die de ramen van zijn auto wel even wilde laten poetsen.

De twee andere jongens waren al begonnen met hun werk en keken nu op. ‘Daar wonen veel mensen,’ zei de ene dromerig. ‘En veel vliegen,’ voegde de ander eraan toe.

De meneer liep verwonderd om zijn auto heen, en zag dat de voorkant vol dode insecten zat—die kleine bloederige vlekken die zo bij grote vakanties in het buitenland horen. ‘Die vliegen komen uit de polder,’ zei hij en hij wees naar de overkant van het Zwarte Water.

‘Wij wonen hier in Genemuiden,’ zei een van de jongens. Alsof het een heel andere wereld was, daar aan de overkant van het water.

De jongens poetsten de auto.

De meneer gaf ze alle drie een euro en vervolgde zijn weg. De jongens stortten zich op een dame in een terreinwagen. Ondanks haar vuile ramen wilde ze niet dat de jongens er iets aan deden. Dat was dus iemand uit de andere wereld.