Meppel

Iedereen maakt fouten, maar niet iedereen is burgemeester van Meppel. Jan Westmaas wel, sinds 1 september 2005. ‘Ik voel me een Meppelaar!’ riep hij euforisch bij zijn installatie, een jongensdroom ging kennelijk in vervulling. Eindelijk burgemeester, en geen wethouder van Dronten meer.

Omdat Meppel geen ambtswoning heeft, ging de nieuwe burgemeester op zoek naar een passend huis—en zijn oog viel op een pand aan de Stationsweg, nummer 1, een statige villa, op de hoek tegenover de schouwburg.

Jugendstil, 1902.

Geheel gerenoveerd.

1 punt 1 miljoen.

De burgemeester wilde het wel hebben, maar verzuimde tijdig een bod uit te brengen, zodat het pand aan een ander werd verkocht. Daar reageerde Westmaas woedend op: hij vond dat de verkopende makelaar hem had belazerd.

Hij diende een klacht in bij de NVM en toen die ongegrond werd verklaard, liet hij via de voorzieningenrechter beslag leggen op de rekeningen van de makelaar—Bart Fehse uit Havelte. Hij eiste bovendien een schadevergoeding van 20.000 euro, of 5000 euro als het binnen 24 uur werd overgemaakt.

Heetgebakerd burgemeestertje.

Het duurde niet lang of de kwestie haalde de regionale pers, en de burgemeester begon terug te krabbelen. Hij had zo wonderlijk gehandeld uit teleurstelling, het beslag had maar een paar dagen geduurd (in plaats van tweeënhalve week) en was eigenlijk het gevolg van een communicatiefout met zijn advocaat, en het was al helemaal niet zijn bedoeling geweest makelaar Fehse als malafide af te schilderen. Over de geëiste schadevergoeding had hij het gemakshalve niet meer. De gemeenteraad van Meppel beschouwde intussen de zaak als een ongelukkige privékwestie, een slechte start voor de eerste burger, maar ja, zand erover.

Op een dag ging de burgemeester in Havelte op bezoek bij de makelaar om de zaak de wereld uit te praten. De zon scheen, maar de burgemeester zag er pips uit: een wat tengere man in een donkerblauw pak met bruine schoenen, een snorretje en een bril op een prominente neus waaraan een druppel niet had misstaan, want de wind was schraal. Na een paar woorden te hebben gewisseld met de verzamelde verslaggevers (drie), haastte hij zich het makelaarskantoor in.

Een uur later kwamen de burgemeester en makelaar Fehse samen naar buiten. Ze hadden een verklaring op schrift bij zich waarin Westmaas uitgebreid spijt betuigde voor zijn domme gedrag. ‘Wat er is gebeurd, is uiterst vervelend,’ zei de burgemeester nog maar eens, ‘maar het is gegaan zoals het is gegaan. Ik had beter na moeten denken.’ Hij keek onverminderd pips.

Makelaar Fehse, een grote man op gezond buitenschoeisel en in bruine jeans met een zwarte coltrui, stond er met de armen over elkaar geslagen naast. Het leek erop dat hij wel een beetje te doen had met de burgemeester die zijn eigen stad niet meer door kon zonder dat overal de mensen ‘Een eigen huis’ achter zijn rug begonnen te zingen. Hij vond dat de zaak nu was opgelost; meer dan excuses wilde hij niet en die had hij nu, zand erover.

En Meppel?

‘Geen imagoschade,’ zei de burgemeester ferm, ‘absoluut niet.’ Hij lachte moeizaam. ‘We gaan ons uiterste best doen voor Meppel,’ voegde hij eraan toe, denkend aan de vaart der volkeren, en daarna liep hij weg, naar zijn grijze Opel Vectra. Geknakt was hij niet, zo te zien, maar wel beschadigd, door zichzelf. Tragisch als het niet ook komisch was.