Polder
In een polder zijn de wegen recht, kaarsrecht. Dat is makkelijk, en snel, maar ik lees in Nacht- en dagwerk van Martin Reints dat er ook ideeën over symmetrie en schoonheid aan ten grondslag liggen, althans voor zover het de Beemster betreft, de beroemdste polder van alle 3891 die Nederland telt.
‘Mogelijk,’ schrijft Reints, ‘bevredigde de strenge toepassing van de landmeetkunde (…) niet alleen een nuttigheids-en een schoonheidsideaal, maar ook de behoefte aan een les. Het valt moeilijk na te voelen, maar misschien waren rechte wegen in de droogmakerijen voor de toenmalige beschouwer wel even zovele symbolen van ‘de rechte weg’, dus van ‘het goede’.’
Dit lezende, schiet me de zanger Steve Earle te binnen, die een liedje heeft met de volgende regels: ‘There’s a road in Oklahoma, it’s straighter than a preacher, longer than a memory. And it goes forever onward, it’s been a good teacher, for a lot of country boys like me.’ Oklahoma is geen polder, maar de weg die Earle bezingt, is beslist net zo recht als onze polderwegen, en ongetwijfeld heel wat langer. De preacher is uiteraard de man die het goede moet bewaken, want al het goede komt van God.
Rechte wegen in de polder hebben altijd een wonderlijke uitwerking op mij gehad—ik kan niet goed verklaren waarom. Als ik ‘de’ polder zeg, bedoel ik trouwens de Noordoostpolder, want dat is de polder waarmee ik ben opgegroeid. Wonend op de Veluwe gingen wij regelmatig bij familie in Friesland op visite en een kwartiertje op stap vroeg mijn vader dan altijd aan mijn moeder: ‘Zullen we door de polder?’
‘Jaah!’ riep ik achterin.
Bij Kampen staken we dan de brug over naar IJsselmuiden—dat alleen al was een avontuur, want op die brug werd ieder jaar met oud en nieuw uitgebreid gevochten, nieuws dat mij als jongetje kennelijk diep raakte—en na een minuut of tien Kampereiland kwamen we bij de brug naar de polder: links het Ketelmeer, altijd zwart en dreigend, rechts de Ramsgeul en het Zwarte Meer, veel kalmer water dan de naam deed vermoeden.
De weg die ons de polder in bracht, was de NSO—of hij toen hetzelfde nummer had, weet ik eigenlijk niet. Het was een lange, lange, rechte weg, geflankeerd door bomen in onberispelijke opstelling en af en toe boerderijen die in de polder allemaal hetzelfde waren (en zijn): het voorhuis een bescheiden blokkendoos van bakstenen, op en top jaren vijftig, de schuren opgetrokken uit betonnen platen, rode pannen-daken erop. Op de velden stonden aardappelen en de velden duurden tot de horizon.
Soms een kruispunt.
Borden naar Nagele, Kraggenburg, Tollebeek, en Emmeloord natuurlijk, de stompe kerktoren van verre zichtbaar, een stad van niets waar we een enkele keer bij Hotel ‘t Voorhuys op De Deel wel eens een ijsje aten, of op de terugweg Chinees bij De Lange Muur. Ook had ik in Emmeloord een lieve tante wonen, aan de Sportlaan, maar niet altijd gingen we daarlangs.
Na drie kwartier rechttoe rechtaan was de polder weer voorbij en waren we in Friesland, waar het landschap in vergelijking frivool en doorleefd was, maar toch ijlde de leegte van de rechte, lange wegen nog een tijdje bij ons in de auto na, zo herinner ik het mij, alsof we even in het Beloofde Land waren geweest. Heel gek, inderdaad—zoals de God der Gereformeerden op zo’n polder drukt.