24
Op de Eerste Hulp van het vervallen ziekenhuis in het centrum van Florence, Santa Maria Nuova, was het één grote chaos. Sinds het was gaan sneeuwen waren er al twaalf verkeersongelukken gebeurd — de meeste niet ernstig, bij twee waren doden gevallen — en hoewel de kritieke patiënten naar het grote moderne traumacentrum aan de noordkant van de stad waren gestuurd, zat de wachtkamer vol mensen met minder dringende verwondingen. De plastic stoelen waren allemaal bezet met ambulante gewonden die op behandeling zaten te wachten voor een lichte hersenschudding en snijwonden, doordat ze van hun motorino waren gevallen; een stuk of vijf verwarde bejaarden hadden gekneusde ribben of een gebroken pols nadat ze op de ijzige stoep onderuit waren gegaan. Wisten ze maar dat een gebroken pols of ontwrichte heup op hun leeftijd het einde kon betekenen, met alle bijkomende doorligwonden, de uitdroging en de depressie, dacht de hoofdverpleegkundige. Dat weet je niet als je jong bent, dacht ze vaak, dat het zo snel met je gedaan kan zijn.
Er zat echter één iemand, aan het eind van de observatieafdeling achter het gordijn, wachtend op de specialist, wier verwondingen volgens de verpleegkundige niet aan het uitglijden op een gladde stoep toe te schrijven konden zijn. Het gebroken jukbeen, de gebroken neus en de twee opkomende blauwe ogen waren desnoods nog wel bij een val van een motorino op te lopen geweest, maar de rest niet. De diepe rijtwonden op beide wangen, onregelmatig, maar wel symmetrisch, waren daar door een mensenhand aangebracht; het waren tekens, het was een straf. En het werd nog erger;
deze vrouw was al jaren niet in orde. Toen ze over de afdeling naar het dichte gordijn liep, hoorde ze een beverig stemmetje 'zuster, zuster' roepen. Een oude man hield met zijn magere witte arm een fles op die geleegd moest worden: dat is mijn werk niet, dacht ze, maar ze kreeg medelijden en liep terug.
Ze leegde de fles, zette hem weg om gesteriliseerd te worden en boende haar polsen en onderarmen. Ondanks al haar ervaring verbaasde het haar hoeveel straf het menselijk lichaam — sommige lichamen - konden hebben voordat ze er de brui aan gaven. Ze kleedden de vrouw uit - een lichaam dat geel en ingevallen was van de hepatitis en ondervoeding. Je vroeg je onwillekeurig toch af waarvoor ze het nog volhield. Als het leven je lief was deed je je lichaam dat niet allemaal aan. Het was moeilijk te zeggen hoe oud ze was, ergens tussen de veertig en de zeventig, maar misschien was ze wel jonger dan ze eruitzag. Sinds de puberteit al een anorexiepatiënt, misschien zelfs nog langer, schatte de verpleegkundige in; je zag ze tegenwoordig zo vaak dat je dat wel kon bepalen. Het was een moderne plaag: de helft van de bevolking was zwaarlijvig en anderen waren juist doodsbang voor voedsel. Vroeger waren het alleen meisjes, maar tegenwoordig zag je ook volwassen vrouwen die het hadden. En nog drugsgebruiker op de koop toe, vermoedelijk; haar armen, niet meer dan botten waar aderen overheen liepen, zaten onder de blauwe plekken en littekens, maar dat zou automutilatie kunnen zijn. Wie wist hoe die dingen begonnen? Een woord, een aanraking. Misbruik. De psychologische beoordeling die haar te wachten stond zou beslist niet alles blootleggen, niet na al die tijd, hoewel de politie dat misschien wel zou kunnen.
Ze was door een buitenlander binnengebracht, hoewel het zo iemand was die van Florence zijn thuis had gemaakt en die bijna vlekkeloos Italiaans sprak. De verpleegkundige was trots op haar beoordelingsvermogen; je moest het na vijfendertig jaar aan het front in één oogopslag kunnen zien, en deze man leek haar wel een nette vent. Hij had haar in elkaar gezakt op straat aangetroffen, zei hij — hij had voor het Palazzo Ferrigno op iemand staan wachten en zij had hem om hulp gevraagd.
Toen had hij zijn wenkbrauwen gefronst en besloten dat hij haar het hele verhaal maar moest vertellen. 'Ik dacht dat het een verslaafde was,' zei hij. 'Maar toen ze opstond, zag ik dat ze bijna niet kon lopen. En...' Hij had zijn blik afgewend. 'Toen ik haar eens goed bekeek, realiseerde ik me dat ik haar al eens eerder gezien had. Lang geleden. Ze heet Sarto, Giulietta Sarto.' Toen had de verpleegkundige geknikt, uit medeleven; hij was vast flink geschrokken — als je iemand in die toestand ziet nadat je diegene uit het oog verloren bent, dan was dat een hele schok. Ze bedacht dat het niet haar taak was om een oordeel te vellen, om zich af te vragen of ze eikaars geliefde waren geweest, niets van dien aard. De meeste mensen zouden het meisje geen blik waardig hebben gekeurd, en hij was wat haar betrof de Barmhartige Samaritaan. Kun je ergens naartoe, had hij haar op vriendelijke toon gevraagd. Heb je een huis?
Ze had hen maar even alleen gelaten en gehoord dat de vrouw tussen haar kapotte tanden door tegen hem gefluisterd had, voortdurend, op dringende toon. Ze had het hier allemaal al eens gehoord, wanneer degenen die een overdosis hadden genomen binnengebracht werden en bijkwamen, en de verhalen die ze dan vertelden: de man die haar in haar slaap met een vleesmes had aangevallen, die haar gedwongen had abortus te plegen, die haar dochter van dertien had verkracht. Ze had al eerder mensen laten opsluiten. Dus toen ze Sarto hoorde zeggen: 'Hij is in het gebouw, hij heeft het helemaal uitgedokterd. Hij gaat iemand vermoorden,' hield ze niet eens haar pas in. Dat moest de politie maar afhandelen.
Hij was overdreven nauwgezet te werk gegaan, had zijn naam, adres en twee telefoonnummers waarop hij te bereiken was achtergelaten; maar nu moest hij wel weg. Om te beginnen liep hij voortdurend weg om iemand op zijn telefonino te bellen, de enige in het ziekenhuis die tegen het verbod op mobiele telefoons in het gebouw in ging, die steeds ongeduldiger en onrustiger werd, en toen had hij gezegd: 'Neem me niet kwalijk. Ik moet weg... Ik moet iets doen, geef mijn naam maar door aan de politie.' Hij had ijverig zijn naam opgeschreven, zodat zij zich niet aan de buitenlandse lettergrepen hoefde te wagen. Daniël Strickland, met een adres in San Frediano.
Ze liep met langzame, zware tred verder, pakte het gordijn en trok het open, maar nog voor het bed te zien was, had ze al een voorgevoel. Ze is weg, dacht ze, en het gordijn schoof rammelend open, met stalen ringen over de aluminium roe. Het bed was leeg.
De wedstrijd was afgelopen, maar de conciërge van het Palazzo
Ferrigno zat, terwijl hij tot in zijn tenen geeuwde, met zijn rug
naar het beeldscherm toe en zag de gestalte, grijs en onstoffelijk
als een schaduw, niet, die uit een verduisterde staatsiezaal glipte
en over de statige overloop naar de besloten eetzaal liep. De
figuur drukte zich dicht tegen de muur aan en zijn silhouet was
niet goed te zien, maar het was in elk geval een man; hij was lang
en hij liep snel. De conciërge was door een of andere late bezoeker
naar zijn raampje gewenkt en hij nam alle tijd om op deze
onbeleefde ontbieding te reageren. Het was ongetwijfeld een toerist
die er ten onrechte van uitging dat aan zijn behoeften moest worden
voldaan, ook al was het bijna acht uur en was het paleis geen
openbaar museum maar privébezit. De man tikte nog een keer op de
ruit.
Engels, dacht de conciërge, terwijl hij hem oordeelkundig opnam. De dikke jas van de man was vormeloos en misschien wel dertig jaar oud, en hij was niet erg zorgvuldig met zijn scheermes te werk gegaan. Hij was misschien veertig, vijfenveertig jaar. Hij zag er echter niet uit als een toerist.
'Ik moet een van uw gasten spreken,' zei de man. 'Dringend.' Hij zweeg even. 'Celia Donnelly. Of... of de heer Lucas Marsh. Ik heet' — en hierbij liet hij een kaartje met een ezelsoor zien — 'Daniël Strickland.'
De conciërge keek met gefronst voorhoofd naar het kaartje. De heer Strickland had zo te zien een officiële functie bij de British Council, maar toch had de man iets, een nauwelijks verhulde wanhoop waardoor hij in combinatie met de armoedige jas en de stoppelbaard een labiele indruk maakte. Misschien was hij wel een zwerver, of schizofreen zelfs, een psychopathische dakloze. De conciërge kwam overeind; hij moest aan zijn verantwoordelijkheden denken, hij kon niet voorzichtig genoeg zijn. De man was in elk geval niet gekleed voor een feestelijk samenzijn in een pand als dit, en zelfs niet voor een terloops bezoekje.
'Dat lijkt me niet mogelijk,' zei hij, en hij gaf het kaartje terug. 'Dit is een besloten aangelegenheid. Heel besloten. Een diner.' Hij keek even opzij naar het afsprakenboek; de gasten waren inderdaad geboekt onder de naam Marsh. Achter hem flakkerde het enige functionerende scherm van het gesloten cameracircuit op, maar de conciërge keek niet om.
Strickland deed zo te zien gefrustreerd een stap bij het ruitje vandaan, maar ging er toen toch weer vlak voor staan. 'Misschien kunt u het even gaan vragen,' zei hij overdreven beleefd, met zijn gezicht dicht tegen het glas. 'Ik wacht wel.'
De conciërge keek hem uitdrukkingsloos aan, maar de man bleef hem aankijken en het begon ongemakkelijk te worden. Hij leunde achterover en trok met veel vertoon de laden open, bladerde door het bezoekersboek en pakte uiteindelijk de intercom die in verbinding stond met de overloop. Peinzend draaide hij een nummer, waarbij hij Daniël Strickland in de gaten bleef houden.
Terwijl Strickland toekeek, haalde hij een telefonino uit zijn zak en keek er met gefronste wenkbrauwen naar, half afgewend en nijdig op het toetsenpaneeltje drukkend. De conciërge legde een hand over de hoorn van de intercom; niemand nam op, maar hij bleef hangen.
'Mobieltjes doen het hier niet,' mimede hij Strickland door het glas heen toe, hetgeen hem enige voldoening schonk. Hij gebaarde naar de reusachtige stenen boog van de doorgang. Hij schudde zijn hoofd en zwaaide als in een pantomimegebaar met zijn vinger. Hij schrok van de woedende blik die hij als antwoord kreeg. Oké, dacht hij verontwaardigd. Je kunt het wel vergeten dat jij hier binnenkomt. Hij legde de hoorn terug. Ze hadden het vast druk daarbinnen, dacht hij. Of ze waren op het terras.
'Als u per se wilt,' zei hij, waarbij hij heel duidelijk articuleerde, alsof hij zich tot een gestoorde persoon richtte, 'zal ik iemand moeten vragen om naar boven te gaan en signorina Donnelly te zoeken. Maar we hebben het heel druk. Het kan zijn dat het even duurt.'
Daniël Strickland zei niets; hij boog zijn hoofd en ging toen roerloos en met zijn armen over elkaar voor het ruitje staan. De conciërge pakte de intercom weer en koos het nummer van de keuken. Hij ging deze hufter natuurlijk niet vertellen dat er maar een paar man personeel was - drie man om eerlijk te zijn - en dat allebei de serveersters vast bij de leveranciersingang stonden om tot het allerlaatste moment van een sigaretje voor het werk te kunnen genieten. Met een gedienstige nepglimlach op zijn gezicht gebakken verloor hij Strickland geen moment uit het oog.
'Ah, signorina Chiara,' zei hij toen hij eindelijk de stem van de serveerster hoorde, die kregelig was vanwege deze onderbreking. 'U moet iets voor me doen.'
In het bedompte ijzige duister stond Luisa bij de ingang van de
Olympia Club, onder een stuk betonnen overkapping, met aan
weerskanten van haar een zuil. Gedachteloos herhaalde ze wat ze van
de details van haar omgeving kon zien, alsof ze zichzelf ervan
moest overtuigen dat ze hier niet in haar eentje in het donker
stond, alsof ze wist wat zich daar buiten bevond. Maar in
werkelijkheid kon ze bijna niks zien. Ze stond daar maar te wachten
tot haar ogen aan het donker gewend waren; links van haar zag ze
een stuk rottend multiplex dat de ingegooide ruit van de deur van
de lobby moest verhullen. Toen ze liep, kaatste er geel licht
vanaf, hetzelfde reepje licht dat in een waaier van scherven werd
herhaald, maar ze zag niet wat zich daarachter bevond. Ze deed
onwillekeurig een stap achteruit. Ze wilde niet naar binnen.
Er stond een muur. Luisa volgde de muur op de tast langs de zijkant van het gebouw. Voor haar gaapte een soort tunnel met aan weerskanten een lege deuropening, en in de muur links van de ingang van de tunnel zat een rechthoekig gat. Luisa bleef staan en probeerde te begrijpen wat het was. Het was net archeologie: je betrad iets wat al eeuwen ommuurd was geweest. Met een golf van opluchting herinnerde ze zich de zaklantaarn en trok de rugzak van haar rug; terwijl ze dat deed meende ze ergens rechts in het donker iets te horen schuifelen. Luisa bleef staan en luisterde; ze durfde bijna geen adem te halen, maar verder hoorde ze niets. Toch wilde ze niet de aandacht op zich vestigen door nu met een zaklamp te gaan zwaaien; ze haalde de kleine, maar geruststellend zware zaklamp uit de tas, liet hem in haar zak glijden en stak haar armen weer voorzichtig door de schouderbanden. Heel behoedzaam en met tegenzin deed ze een stap naar voren, toen nog een en toen nog een, in de richting van het rechthoekige kozijn, legde haar handen op de lage vensterbank en boog zich naar binnen.
Verder zou ze niet gaan, hield Luisa zichzelf voor, en dit was al te ver. Ze zag niets, maar ze rook het wel: chloor en muffe, vochtige kleren, oude sokken en urine. En achter dat alles de rivier; ze kon de rivier tot hier ruiken, koud en traag, waar het lichaam van een kind had gedreven en rondjes had gemaakt, was gezonken en weer naar de oppervlakte gekomen, bijna een week lang, en plotseling was dit niet alleen maar de geur van een oud zwembad. Ze voelde dat hij haar verstikte, deze damp van iets ouds, stinkends en verschrikkelijks, en ze tastte in haar zak en pakte de zaklantaarn. Ze scheen ermee in de hoeken van de benauwde ruimte achter de lage ramen. Hier moest je je kaartje afgeven, en dan kreeg je een draad- mand voor je kleren. Een rail waar de manden aan gehangen moesten worden, een vloer van gedeukte tegels onder de korsten vuil, met hier en daar nog wat manden. Onder de vensterbank stond een krukje, waar het meisje op moest zitten. Het meisje dat je kaartje aanpakte. Dat meisje.
De zaklantaarn flakkerde en ging uit, en alsof iets haar in het duister bij de keel had willen grijpen deinsde Luisa haastig uit het kozijn terug en drukte haar rug tegen de muur. Haar hart ging zo erg tekeer dat ze het onder in haar keel voelde. En toen hoorde ze het geluid weer, boven het gebonk in haar borstkas uit, boven haar onregelmatige ademhaling uit: een voorzichtige voetstap die knerpte in de sneeuw, en toen nog een.
Toen Paola hem de deur door zag komen, wist ze ogenblikkelijk wat er zou gebeuren, en op de een of andere manier viel alles samen; misschien eindigde het altijd op deze manier. Haar Nemesis leek hier, als een zestiende-eeuwse moordenaar, beter thuis te horen dan zijzelf, zoals hij met een mes steels tussen de aaneenschakeling van staatsiezalen sloop. We zijn eigenlijk gewoon krakers, dacht ze, die maar doen alsof, maar hij is echt. Paola ging bewust weer zo staan dat ze met haar rug naar de Madonna met de lelies stond, om haar te beschermen. Naast haar was de zwartharige vrouw van de Engelse miljonair lijkbleek geworden en Paola stak haar hand uit om haar te kalmeren, een gebaar dat ze onder normale omstandigheden nooit gemaakt zou hebben. Ze dacht aan haar kinderen en hief haar kin op. Ze zijn nu volwassen, die redden zich wel. Ze keek hem recht aan. 'Wat hebt u hier te zoeken?' zei ze moedig. Hij lachte.
Ze stonden in de kou naast de vuurkorf. Lucas had nog steeds niks
gezegd, en Celia had niet geweten waar ze anders met hem naartoe
moest. Was dit waar ze bang voor was geweest? Of kwam er nog iets
ergers? Ze hield Lucas' arm vast; hij maakte een wankele indruk. Ze
keek om zich heen of ze een stoel zag. Achter de vuurkorf stonden
een paar houten stoelen om een tafel met wit damast, en daar liep
ze met hem naartoe. Hij liet zich op een van de stoelen vallen. Op
tafel stond een blad met glazen en een champagnekoeler; cognac was
beter geweest, dacht ze, terwijl ze een glas volschonk. Ze zag dat
haar hand trilde toen ze het hem toestak. Maar dit had een
feestelijk aperitief moeten zijn; het leek al zo lang geleden dat
ze het allemaal geregeld had, de champagne, het menu. Lucas keek
naar het glas alsof hij niet wist wat het was.
'Toe,' zei ze vriendelijk. 'Neem in elk geval een slok.' Lucas pakte het glas van haar aan, keek er even naar en sloeg de inhoud toen met een soort roekeloosheid achterover. Hij zette het glas op de tafel en schoof zwaar naar achteren op zijn stoel. Hij keek Celia aan. Hij zag er niet beter uit, maar zijn ogen leken weer iets beter gefocust te zijn. Waar is iedereen, dacht Celia verontwaardigd, en de gids in haar besloot meteen om het Ferrigno nooit meer te boeken; het was duidelijk een marginale onderneming, het was helemaal niet de bedoeling dat ze hier al buiten zaten. Maar net op dat moment was het meisje dat hun jas had aangenomen met haar schort voor in de openslaande deuren verschenen, zo te zien nogal geagiteerd. Lucas leek niet te merken dat ze daar stond; hij keek nog steeds naar Celia, en daar werd ze zenuwachtig van.
'U weet het, hè?' zei hij plotseling. 'Hoe weet u het?'
'Ik... ik...' Celia liep rood aan. Ontkennen had geen zin, maar ze was bang voor de emotie die ze in zijn stem hoorde. Als ik het was, dacht ze, zou ik dat verschrikkelijk vinden, om andermans eigendom te zijn, om het onderwerp te zijn van de gefluisterde gesprekken van andere mensen: 'Arm kind. Hoe moet ze zich wel voelen?' 'Het spijt me,' zei ze. 'Het is mij verteld. Iemand heeft u herkend.' Bijna onwillekeurig wendde ze haar blik af en toen zag ze de serveerster op een paar meter afstand staan. Celia draaide zich weer om naar Lucas; hij keek haar hongerig aan, alsof zij iets had wat hij wilde hebben. Ze bedacht dat hij in al die vijftien jaar sinds zijn vrouw was overleden, of misschien nog langer, niemand had gehad om hierover te praten. Ze haalde diep adem.
'Het was... een afschuwelijke gebeurtenis,' zei ze. Ze durfde het laf genoeg niet preciezer te benoemen. 'Veel mensen in de stad hebben er weet van gehad. Ze herinneren het zich nog steeds. Ik neem aan dat ze zich u ook herinneren.' Lucas knikte alleen maar, bars. Waar is Emma, dacht Celia radeloos, met een akelig opflakkerend angstgevoel. Ze zou hier moeten zijn. Uit haar ooghoek zag Celia dat de serveerster een stap naar hen toe deed. Verdomme, dacht Celia, en het interesseerde haar niet meer wat men over deze rampzalige avond dacht. Lucas Marsh had immers betaald. Ze stak haar hand op om het meisje ervan te weerhouden dichterbij te komen.
Misschien kwam het door de aanwezigheid van het meisje of door Celia's gebaar, maar toen ze zich weer naar hem omdraaide, keek hij heel anders, alsof er een luik was neergelaten. 'Dat zijn uw zaken niet,' zei hij bitter. 'Dat gaat niemand iets aan... alleen mij, nu. Mijn vrouw is overleden; ik neem aan dat u dat wist? Mijn eerste vrouw. Iedereen wilde weten hoe we ons voelden. Niet dat ze het écht willen weten, toch? Ze zijn alleen maar blij dat het hun niet is overkomen. Laat het hem maar overkomen.' Het leek wel of zijn woede hem uitputte; zijn knappe gezicht zag er grauw en ziek uit. Celia staarde hem alleen maar aan, roerloos van schaamte. Hij had natuurlijk gelijk. Het waren haar zaken niet. Maar ze kon haar mond niet houden.
'En Emma dan?' zei ze. 'U had het haar moeten vertellen.'
Hij wendde zijn blik af. 'Emma,' zei hij, alsof hij haar naam voor zichzelf herhaalde. 'O. Emma. Ja. Ik kon het niet.' Zijn stem klonk vlak en kil. 'Doe niet zo mal. Hoe kon ik dat haar nu vertellen? U weet niet waar u het over hebt.' Hij keek de andere kant op. 'Het is net een zwart gat. Het sleurt alles mee omlaag, het slokt alles op.'
'Ze weet het nu wel,' zei Celia. Hij zei niets, keek alleen maar weg de duisternis aan de overkant van de rivier in, waarbij de weerspiegeling van de lichtjes langs de oever in zijn ogen glinsterden. In een opwelling pakte ze zijn ijskoude hand nog steviger beet, alsof ze zijn vijandigheid het hoofd wilde bieden. 'Maar dat betekent nog niet dat het te laat is,' hield ze vol. Ze boog zich naar voren, wilde dat hij haar zou geloven, ook al geloofde ze het zelf niet.
'Nee,' zei Lucas. Zijn stem klonk als een droge fluistering. 'U weet niet wat ik gedaan heb.' De serveerster schoot naar voren, zag haar kans schoon.
'Neemt u mij niet kwalijk,' zei ze tegen Celia. 'Alstublieft. Er is beneden iemand die u wil spreken. Strickland is de naam? Hij wacht bij de poort.' Ze keek nieuwsgierig naar Lucas. 'Gaat het wel met hem? Signore?'
'Ja,' zei Celia, 'maar we hebben nog even nodig.' Ze voelde naar haar mobiele telefoon en realiseerde zich dat ze die in haar jas had laten zitten. Had Dan geprobeerd haar te pakken te krijgen?
Aan de rand van haar gezichtsveld zag ze iets bewegen; een van de deuren zwaaide open alsof er ergens anders in het gebouw een deur open was gedaan, en hij sloeg schrikbarend luid tegen de muur. De serveerster slaakte zacht een kreet en liep snel bij hen weg, in de richting van het geluid. Ze ging naar binnen en zij keken haar na.
'Ik krijg het koud,' zei Celia even later, en weer vroeg ze zich af: wat moet Dan van me? Hij had de hele dag achter haar aan gelopen, haar gestalkt, en vanavond had Gabriele hem zien praten met een vrouw die in elkaar geslagen was. Of dat had hij gezegd, althans. Celia wist niet of ze hem wel wilde zien, of ze een van hen tweeën wel wilde zien, trouwens. Dan moest maar even wachten.
'Zullen we dan nu maar naar binnen gaan? Kom,' zei ze. Ze moest dit weer op de rails zien te krijgen, op de een of andere manier. Opnieuw beginnen. Het leek een kleine kans, voor hen allemaal; hier buiten in de gure avond, terwijl boven de rivier de wind opstak, was het terras maar een troosteloze en onherbergzame plek. Het damasten tafelkleed wapperde in de wind; Lucas zat in elkaar gedoken op zijn stoel en zag er halfbevroren uit.
Langzaam en stram kwam hij overeind, maar voor ze de serveerster ook maar een stap achterna konden gaan, hoorden ze een fenomenale dreun, alsof niet alleen een dienblad, maar een hele kast vol glaswerk en serviesgoed tegen de grond was gegaan. En toen een hoog geluid, een lange jammerende gil die in de ijskoude lucht bleef hangen. Lucas deed een stap naar de deur toe; hij tastte in het wilde weg met een hand, en Celia greep die beet. 'Dat is Emma,' zei hij. 'Toch? Dat is Emma.'
Beneden bij het poorthuisje zag Dan Strickland, die nog steeds met zijn armen over elkaar voor het ruitje van de conciërge stond, iets op het beeldscherm achter het hoofd van de man bewegen. Hij kwam een stap dichterbij, tuurde omhoog en de conciërge stond in een reflex op en benam hem het zicht. Hij zwaaide met zijn vinger. 'O nee, dat had u gedroomd,' zei hij. 'Afstand bewaren graag.'
'Wat is hier in godsnaam gaande?' zei Strickland. 'Luister, sciemo. Idioot. Kijk nou.' En ondanks het gebrek aan respect dat de man tentoonspreidde klonk er iets door in zijn stem dat maakte dat de conciërge zijn hoofd omdraaide. ' Por ca miseria,' fluisterde hij met stijgend afgrijzen. Al zijn gezag was als sneeuw voor de zon verdwenen. 'Shit. O, shit.'
Hij trad uit de duisternis naar voren, daar waar Luisa gedacht had dat de boerenwoning van Bartolo zich moest bevinden, en heel even dacht ze dat hij het was, meende ze de smerige oude man met zijn doorgesneden keel uit het donker naar zich toe te zien komen. Toen fluisterde hij haar naam, hees en vol ongeloof: 'Luisa?'
Ze wankelde blindelings over de sneeuw naar het geluid van zijn stem toe en stortte zich snikkend in zijn armen. Ze kon het geluid dat ze maakte horen, maar ze kon er niks aan doen. Het was Sandro.
'Liefste, liefste,' zei ze telkens weer, en ze hield hem uit alle macht vast, terwijl hij daar maar stond, stevig, roerloos en warm. Haar lippen waren niet vertrouwd met dit lieve woord, maar het was het enige dat ze kon vinden en het leek haar ook het enig juiste. Ze klopte op zijn armen, zijn schouders, legde haar in wanten gestoken handen tegen zijn wangen, doordat ze zichzelf ervan moest vergewissen dat hij het echt was, en toen keek ze hem half lachend, half huilend recht aan. 'Je bent het,' zei ze; ze had tegen hem tekeer moeten gaan omdat hij haar bang had gemaakt en haar om de tuin had geleid, maar dat bracht ze niet op.
Sandro duwde haar zachtjes voor zich uit naar de beschutting van de muur. Ze liep intuïtief weg bij het lege raamkozijn waar het meisje had gezeten dat de kaartjes aannam; het gaapte naast hen, bedompt en leeg.
'Wat doe je hier?' zei hij bars, maar ze merkte wel dat hij niet boos was. 'Hoe haal je het in je hoofd om hiernaartoe te komen? Je hoort hier niet te zijn.'
'Het kwam door iets wat je gezegd hebt,' zei Luisa, afgeleid door haar opluchting en door de warme druk van zijn handen op haar schouders. 'En ik hoorde de kerkklokken op de achtergrond. Ik moest je vinden, toch, voordat, voordat...' Ze zweeg en wilde niet denken aan wat er hierna met Sandro kon gebeuren. Zouden ze hem arresteren? 'Je had het me moeten vertellen,' zei ze. 'De problemen waar je in zat. Ik heb het van Pietro moeten horen.'
'Ja, ja, dat had ik moeten doen,' zei Sandro. 'Je hebt gelijk, maar daar heb ik nu allemaal geen tijd voor, dat begrijp je toch wel?' Hij hield zijn handen op haar schouders, alsof ze het op een lopen zou kunnen zetten, en keek haar recht aan. 'Ik heb nu geen tijd. De auto stond hier; ik had het idee dat hij zich in het huis van Bartolo verstopt hield, maar hij is nergens te bekennen en die ellendige auto is weg. Eerst dacht ik dat ik in de verkeerde straat was, maar hij is weg en ik heb toch al te veel tijd verspild. We moeten terug, begrijp je dat niet? Naar Lucas Marsh, waar hij ook moge zijn. Verdomme, ik had dat dagprogramma ergens...' Hij zweeg, legde zijn gezicht in zijn handen. 'Het loopt mis. Ik moet bij hem zien te komen voordat hij...' Toen zweeg hij weer, gefrustreerd over de moeite die het hem kostte om het allemaal uit te leggen.
'Rustig maar, ik weet het,' zei Luisa. 'Ik heb dat papier hier, dat programma. Het lag thuis; je hebt het waarschijnlijk laten vallen.'
'Je... O, verdomme,' zei hij, en hij ging met een hand over zijn gezicht, terwijl hij radeloos rekende. 'Maar... Goed, goed, even nadenken. Dus daar zijn ze nu, op een diner in het Ferrigno, waar dat ook moge zijn. Daar zijn ze nu?' Luisa knikte.
Hij keek op zijn horloge. 'Acht uur,' zei hij. 'We hebben nog tijd; ze zijn binnen, aan tafel, hij wacht tot ze weggaan. We moeten terug.'
'Ja,' zei Luisa langzaam; ze wist dat ze tijd rekte en ze voelde zijn ongeduld. Maar dit was de piekwaar ze heen had moeten gaan, dat voelde ze aan alles; hier lag het antwoord. Met tegenzin dacht ze weer aan dat smerig ruikende, troosteloze gat waar ze in had gekeken en iets had gezien, iets had geroken. Als ze teruggingen naar de stad, naar hun thuisbasis, zou ze het kwijtraken. Ze dacht aan wat Sandro had verteld over hoe het huis van Bartolo er vanbinnen uit had gezien: kraakhelder. Maar daarnaast, in de Olympia Club, wat lag daar, tussen al die stinkende rommel?
Maar Sandro was al twee, drie meter bij haar vandaan en liep naar het licht en de auto. 'Wacht,' zei Luisa, die in het donker achter hem aan stommelde en die nog terwijl ze het zei haar vertrouwen al kwijtraakte. Ze zag dat ze haar grip op hem verloor; was dat de reden waarom ze wilde dat hij hier bleef?
Bij de auto was ze eindelijk bij hem, buiten adem. 'Stap in, dan zet ik je wel bij een bushalte af,' zei hij afwezig, terwijl hij met het contactsleuteltje rommelde. 'Het is te gevaarlijk voor je; je kunt niet mee.' Luisa stapte in, haar gezicht verstard van teleurstelling, terwijl in haar maag de angst zich begon te roeren over wat Sandro zonder haar van plan was te doen. Sandro draaide de sleutel om en de motor sputterde en viel stil. Hij probeerde het nog een keer, maar dit keer kwam er in het geheel geen geluid. De auto deed het niet meer.
Diensttrap, dacht Jonas; de vluchtroute die hij gepland had lichtte
in zijn hoofd op als de plattegrond van een metro. Hij had een
fotografisch geheugen, altijd al gehad; op school kon hij een hele
bladzijde met telefoonnummers voor je opnoemen, geen enkel punt.
Niet dat hij er iets aan had gehad. De overloop op en de galerij
door, dan snel de achtertrap af, beneden de andere kant op en de
deur door daar recht tegenover, die uitkomt op het stinkende
binnenplaatsje waar de vuilnisbakken staan. Dubbele houten deuren
met een hangslot, maar bij de grond weggevreten door wormen en
regen, gewoon inschoppen. Het hout versplinterde met een zacht,
verrot geluid, en hij stond buiten, in het steegje tussen het
Ferrigno en een opslagplaats van een marktkoopman, een steegje dat
nauwelijks één man breed was en dat vanaf de Lungarno bijna niet te
zien was, waar het verkeer ronkte en in de straatlantaarns
fonkelde. Ergens verderop klonk een sirene en hij spitste een oor.
Ambulance, geen politie. Komt die voor haar? Jonas tilde zijn
weerloze last voor zich uit en liep weg van de rivier. Jullie komen
te laat.
Celia ging als eerste naar binnen, uit een soort instinct om Lucas
te beschermen, maar toen ze de hoge deur opentrok, begreep ze om te
beginnen al niets van wat ze zag. Ze wreef in haar ogen die door de
ijskoude wind waterig waren geworden. Naast de deur die op de
eetzaal uitkwam stond de serveerster tegen de muur gedrukt alsof ze
daar door een of andere onzichtbare kracht werd vastgehouden. Toen
ze binnenkwamen, keek ze hen met glazige grote ogen aan en ze
probeerde iets te zeggen, maar er kwam niets uit; de woorden leken
elkaar in haar keel te verstikken. Haar gezicht was rood, als dat
van een kind dat op het hysterische af heeft liggen krijsen. De
deur naast haar stond op een kier.
Celia bleef staan; ze wist dat ze door moest lopen, de deur naar de eetzaal moest openduwen en moest zien wat daar was gebeurd, maar haar benen weigerden dienst, loodzwaar van angst. De deur bewoog een beetje, alsof het tochtte, en toen werd ze plotseling doodsbang en schreeuwde ze in haar hoofd: er is iemand! Achter haar hoorde ze Lucas 'Emma' zeggen, en uit zijn stem sprak een afschuwelijke, doffe zekerheid. Had hij dit verwacht? Vond hij dat hij dit verdiende?
'Nee,' fluisterde ze. 'U weet het niet.' Loop door, dacht ze, en toen zette ze met stupide traagheid nog een stap, maar Lucas duwde haar opzij en stormde half vallend, half stommelend op de deur af. De serveerster die ernaast stond schudde haar hoofd: nee, nee, nee.
De tafel lag gebroken op zijn kant, stoelen waren omgegooid, kapot glas en scherven serviesgoed, bestek lag over de stenen vloer verspreid. Lucas was in de deuropening blijven staan, blijkbaar niet in staat nog een stap te zetten, en Celia kon niet goed zien wat er gebeurd was. Waar waren ze? Toen zag ze Paola Caprese, die zich tegen de muur naast het schilderij gedrukt hield, met opgetrokken schouders en haar handen tegen haar buik gedrukt. Er was veel bloed; haar blouse werd er hel door gekleurd.
'Wat is er in godsnaam...' zei Celia verbijsterd. 'Bel een ambulance,' zei ze met klem achterom tegen Lucas, maar hij verroerde zich niet. Ze riep iets in het Italiaans en rende toen het vertrek door; Paola Caprese staarde haar alleen maar aan en keek toen naar het bloed dat tussen haar vingers door drupte. Het meisje verscheen in de deuropening. 'Bel een ambulance. Nu,' zei Celia, waarbij ze zichzelf dwong om langzaam en luid te spreken, en de serveerster schoot als een bang konijn de kamer uit.
'Waar is Emma?' vroeg Celia. 'In godsnaam. Waar is Emma?' Niemand gaf antwoord; alleen Paola Caprese maakte een geschrokken geluidje, waarbij haar lippen wel bewogen, maar op de een of andere manier niet in staat waren woorden te vormen.
Celia haalde Paola's handen voorzichtig van haar buik; ze waren slap en wit. Ze zag niet waar al dat bloed vandaan kwam. Tussen de rommel op de grond zocht ze een servet, een kussen, en vond een stuk tafelkleed, dat ze tegen de buik van de vrouw hield. Ze hoorde een droge snik en voelde dat Paola zwaar tegen haar aan leunde. Ergens in het gebouw klonken hees geroep en voetstappen die in de doolhofachtige gangen kwamen en gingen.
'Waar is mijn vrouw?' Lucas stond nu naast haar en sprak niet tegen haar, maar tegen Paola. Zijn stem klonk woest en dringend. 'Waar is Emma?'
'Ze is weg,' zei Paola met droge lippen. Ze was nauwelijks verstaanbaar. 'Hij heeft haar meegenomen.' Haar hoofd zwaaide van links naar rechts en haar ogen kregen een vreemde en afwezige uitdrukking. Celia drukte de doek steviger aan en wendde radeloos haar blik af. Ze keek naar de muren, de ramen, het beschilderde plafond; ze keek omhoog naar de Madonna met de lelies die boven haar hing, en voor ze zichzelf ervan kon weerhouden smeekte ze dat Paola Caprese niet zou sterven. Ze dacht aan Emma Marsh, aan haar ongeboren kind, en blindelings vroeg ze dit levenloze maaksel van olie, hout en doek om genade. Het schilderij was op zijn plek aan de muur onberoerd gelaten, en terwijl ze Paola uit alle macht staande hield, alsof haar eigen leven ervan afhing, begreep Celia dat die persoon niet voor de Madonna gekomen was. Daar zat ze, stil tussen de lelies en mirte, met haar lippen tegen het haar van het verdoemde kind, en ze keek met begrijpende ogen uit over de bloederige overhoopgehaalde kamer.
Sandro draaide het sleuteltje nog een keer om, en nog een keer; de
auto jammerde één keer, kuchte en viel weer weg. Hij gaf een klap
op het stuur en vloekte, en Luisa zag dat hij bijna moest huilen.
Hij wrikte het portier open en stapte uit; Luisa deed dat ook. Hij
gaf een schop tegen een wiel. De maan kwam achter een wolk
tevoorschijn en weerkaatste in de kapotte ramen van de Olympia
Club, en toen ze zich herinnerde dat ze door dat raam naar binnen
had gekeken, viel er in Luisa's hoofd iets op zijn plaats, werd er
een verbinding gelegd.
'Wacht eens even,' zei ze. 'Dat meisje. Dat meisje met anorexia dat de kaartjes aannam en de manden uitreikte, het meisje dat dacht dat ze Bartolo gezien had, maar toen van gedachten veranderde? Waar is zij nu?'
'Zij?' zei Sandro, die was blijven staan, nog steeds tierend van frustratie. 'God, dat weet ik niet, hoor. Ik weet niet eens meer hoe ze heette. Sardo, Sarto, iets in die geest. Die is vast dood; ze zag er toen al meer dood dan levend uit. Die heeft zichzelf uitgehongerd of een overdosis genomen. Zo gaan die dingen.'
Maar Luisa schudde haar hoofd. 'Nee,' zei ze. 'Volgens mij is ze niet dood. Volgens mij heb ik haar vanmiddag voor het Regale gezien.'
Sandro keek haar vol ongeloof aan en schudde zijn hoofd. 'Nee,' zei hij. 'Hoe kun je haar nu herkend hebben? Die griet moet binnen een jaar dood geweest zijn. Ze was toen al halfdood.'
'Misschien had ik haar een jaar geleden niet herkend,' zei Luisa langzaam. 'Maar nu dit allemaal weer is opgerakeld en ik hem, Marsh, in de winkel heb gezien... Ik heb er de afgelopen twee dagen voortdurend aan lopen denken. Ze is indertijd toch in het nieuws geweest? Ik herinner me haar heel goed. Sommige gezichten blijven je bij.'
Sandro schudde zijn hoofd en staarde haar aan.
'En je weet toch niet zeker of ze dood is?' vroeg Luisa. Ze ging voorzichtig te werk, want ze wilde niet beschuldigend klinken. 'Heb je later nog contact met haar gehad? Ze was toch een getuige?'
'Ja,' zei Sandro ongemakkelijk. 'Maar... er waren wel twintig, vijfentwintig getuigen, mensen die hadden gezien hoe het meisje bij haar ouders wegliep, die eerder hadden gezien dat ze een ijsje ging kopen, die haar het gebouw in hadden zien gaan. En zelfs al had die Sarto haar verhaal niet een paar keer gewijzigd, dan was ze nog afgevallen; in de getuigenbank hadden we niks aan haar gehad. Soms was ze helemaal weg, leeg. En dan veranderde ze plotseling in een koppig kind. "Nee, ik herinner het me niet, nee, jullie kunnen me niet dwingen.'"
Hij wendde zijn blik af en Luisa zag in zijn ogen de weerspiegeling van een straatlantaarn. Ze dacht dat hij zijn geheugen afzocht, dat hij een goede politieagent probeerde te zijn, dat hij nauwgezet wilde zijn. Hij sprak langzaam. 'Ik dacht dat het een soort perverse manier was om aandacht te krijgen. Ze zei dat ze hem binnen het hek, op het zwembadterrein, gezien had.' Hij gaf een knikje naar het duister, en Luisa vroeg zich af of hij het hier goed kende. 'Daar stond hij, bij de kleedhokjes tegen het hek geleund. Ik zei tegen haar: je weet toch hoe belangrijk dit is, hè, denk aan haar ouders, die zijn radeloos. Maar ze staarde me alleen maar aan en zei geen woord meer. Het was net een klein kind dat mokkend van de ene voet op de andere wipt, zoals kinderen doen als je hen op een leugen betrapt. Toen zei ze: "Nee. Ik heb me vergist. Dat was gisteren, dat ik hem gezien heb." Het had geen zin.'
Toen zweeg hij, met zijn stem vol vijftien jaar oude woede. 'Ik kreeg de rillingen van die griet, ze was een en al botten en grote ogen, en ze staarde je aan, maar er was niemand thuis, als je begrijpt wat ik bedoel. Zinloos.' Hij keek omlaag naar zijn handen en Luisa zag dat hij op zijn lip beet. 'Maar toen we een jaar later uit routine een follow-uponderzoek deden, kwamen we erachter dat ze weg was. Haar moeder — een prostituee die aan de Via Senese werkte — zei dat ze dacht dat ze mee was gegaan met een paar reizigers die naar het noorden gingen, in zo'n opgeschilderd kampeerbusje, jongens met dreadlocks, een hond, een accordeon en een paar mandflessen goedkope wijn.'
'Vond ze het erg? Dat haar dochter weg was?' Luisa kon haar verontwaardiging niet temperen, en daarachter lag de schuldbewuste herinnering aan de blik waarmee de uitgehongerde vrouw haar voor de deur van het Regale had aangekeken. Ken ik haar? En ze was haar gewoon voorbijgelopen.
Luisa voelde in het donker dat Sandro naar haar keek, en toen raakte hij even haar wang aan. 'Ze zitten overal,' zei hij. 'De mensen om wie niemand geeft. Die blijven rondtrekken, zitten voor de misericordia, gebruiken drugs, slapen op een bankje of op de Eerste Hulp van het ziekenhuis of in de goot, ze schijten op straat. Nog even en dan zijn ze dood en dan kan jij of ik er niets meer aan doen.'
Het was een hele tijd stil, terwijl ze daar in het vreemde gedempte licht stonden, licht dat van de sneeuw kwam, met achter Sandro het grote donkere gevaarte van de in puin gelegde Olympia Club. Daar leek een grotere kou van uit te gaan dan van het met sneeuw bedekte braakland eromheen. De verkeersgeluiden waren door de sneeuw gereduceerd tot niet meer dan een zacht gezoem, het ongeduldige gesis van luchtremmen, terwijl de vrachtwagens langzaam over de ringweg voortkropen. Daarachter hoorde Luisa de wind ruisen in de donkere bossen riet en bamboe die beneden stonden, daar waar de stille rivier liep, en ze huiverde.
'Dat meisje,' zei Sandro vanuit het donker tegen haar, alsof hij wist waar ze aan dacht. 'Het meisje dat Bartolo heeft ontvoerd en vermoord. Om haar werd in elk geval wel gegeven; iemand heeft gemerkt dat ze weg was. Van haar werd gehouden.'
'Van haar werd gehouden,' herhaalde Luisa, en de bittere ironie deed pijn; het verschrikkelijke, onwrikbare feit van de dood van het beminde kind greep haar bij de strot. Ze dacht aan de prijs van liefde, aan de moeder die het verlies niet zou overleven, aan de vader die tussen de badgasten dwaalde, daar waar nu sneeuw lag, die de contouren verzachtte en het verleden verhulde, die in de verzengende hitte van augustus de naam van zijn dochter riep. Ze voelde hoe het tafereel haar vastgreep, haar verlamde, zodat ze zich niet meer kon verroeren: ik ben te oud, het is te lang geleden, te verdrietig, te hopeloos. Kom, laten we naar huis gaan. Maar iets knaagde aan haar, weigerde haar los te laten: er was dan misschien niet van Sarto gehouden, maar ze was niet dood; door een of ander wonder leefde ze nog steeds.
'Hoe dan ook,' zei ze koppig, 'ze had het kunnen zijn, daar voor het Regale, toch? Sarto. Ze stond te bakkeleien met de portier, omdat...' Luisa fronste haar wenkbrauwen en probeerde het zich te herinneren. 'Er was iemand binnen met wie ze moest praten. Ze zei dat het dringend was.'
Sandro pakte haar schouders beet en draaide haar zo om dat het beetje licht dat er was op haar gezicht viel; het zijne was gehuld in duisternis. 'Het Regale? Waar Marsh logeert?'
Luisa knikte langzaam en wachtte. Sandro bleef doodstil staan, met zijn handen warm en zwaar op haar schouders, en dacht na. Achter de stille parkeerplaats zag ze de verlichte ramen van de keurige nieuwe woonwijk; minuscule figuurtjes die erlangs liepen om de luiken te sluiten. Sommige ramen waren versierd met kerstverlichting. Ondanks de sneeuw leek Kerstmis, net als het beeld van huiselijk comfort dat het appartementencomplex bood, iets van heel ver weg. Op straatniveau reed een grote donkere auto de voor hem bestemde parkeerplaats op en een man stapte uit en liep de helverlichte hal binnen, een donker silhouet, op weg naar huis.
'Ze sliepen bij het vliegveld,' zei Sandro, hardop nadenkend. 'Er was een magere vrouw bij, zei de Roemeen, die als een uitgehongerde hond bij de Russen bleef. Ze konden haar niet van zich afschudden.' Hij zweeg even.
Luisa zei niets, maar ze dacht aan de uitgemergelde figuur die zij gezien had. Ze kon niet ouder dan een jaar of veertig zijn; ze zou een vrouw in de bloei van haar leven moeten zijn, geen uitgehongerde zwerfhond die bereid is de eerste de beste hand die haar een bot toewerpt te likken.
Sandro sprak verder. 'Misschien hebben ze haar gebruikt om meer over Bartolo te weten te komen,' zei hij langzaam. 'God mag weten waar ze haar gevonden hebben.' Hij klonk ongemakkelijk; het was hem immers niet gelukt om haar te vinden. Boos ging hij verder. 'En toen het ze eindelijk is gelukt haar te dumpen... is ze Lucas Marsh gaan zoeken.' Hij praatte nu in zichzelf, dacht Luisa; ze kon er net zo goed niet zijn. 'Wat wilde ze hem vertellen? Hoeveel wist ze?' Hij liet haar schouders abrupt los en draaide zich van haar af naar het duister.
'Het is hoog tijd dat ik Pietro bel,' zei hij, en Luisa dacht: eindelijk. Maar toen Pietro opnam, zag het ernaar uit dat ze te laat waren.