7

De stad kwam in de kou met tegenzin tot leven, en terwijl hij opstond, gaf de bleke zon in de ijzig blauwe lucht maar weinig warmte.

Celia werd vroeg wakker; een inwendige klok had haar verteld dat ze vandaag tijd nodig had. Er was immers niemand die haar kon wekken, en na meer dan tien jaar vroeg opstaan, klanten van het vliegveld en bij hotels ophalen, had ze zichzelf geleerd om matineus te worden. Ze moest er voor haar werk goed uitzien, dat had ze al vroeg begrepen; aan een morsig Engels meisje met ongewassen haar, onopgemaakt en slecht gekleed had je niks. Als je bij een klus verscheen moest je zeker weten dat de klanten meteen wisten dat jij de gids was, dat jij gezag had. En dat betekende dat je niet zomaar uit bed kon stappen en de kleren kon aantrekken die je de avond ervoor op de grond had laten vallen.

Toen ze was aangekleed en haar haar had geborsteld, wachtte ze even en dacht na. Ze moest op een gegeven moment een taxi bespreken, op z'n minst om hen van San Miniato naar het restaurant te laten brengen. Toen bedacht ze iets en draaide Gabrieles nummer. Arme jongen, dacht ze schuldbewust toen ze de telefoon hoorde overgaan. Dit heet misbruik maken. Maar de gedachte dat ze met angst en beven op een taxi moest staan wachten, terwijl ze iemand had kunnen bellen van wie ze op aan kon, zowel voor morele ondersteuning als voor de rit, won het van haar geweten.

Gabriele klonk slaperig. 'Sorry, schat,' zei Celia. 'Heb ik je wakker gebeld?' Ze bedacht dat ze niet veel vrienden had die ze op dit uur kon bellen, maar bij Gabriele hoefde ze niet bang te zijn. Ze dacht aan de laatste reis die ze samen hadden gemaakt, naar Fiesole, waarbij hij met zijn ogen had staan rollen toen zij het praatje over de Romeinse arena afstak dat hij haar al honderd keer had horen afsteken, terwijl hij haar met schuinse blikken aan het lachen had geprobeerd te maken. 'Ik wil alleen even weten of je vandaag kunt.'

Toen Celia de warme flat uit liep, voelde ze van onder uit het donkere stenen trappenhuis een ijzige tocht omhoogkomen; ze duwde de zware deur naar de straat open en voelde hoe de kou zich om haar heen sloeg en op haar wangen prikte. Het café aan de overkant van de straat, op de hoek, was nog niet open en ze sloeg de Via del Bardi in. Om in de stad te komen moest ze een lang recht stuk lopen, dat donker en stil was zo vroeg op de ochtend, en toen Celia tussen de reusachtige stenen muren van de oude palazzi door liep, ademden die een diepe grafachtige kou uit. Ze had zich zorgvuldig aangekleed, met laarzen, een nette wollen broek en een dik, zacht donker vest waar ze bij de uitverkoop van afgelopen jaar voor gespaard had en dat ze voor het juiste moment had bewaard: voor een steenkoude ochtend als vandaag en een belangrijke afspraak. Zachte zwarte gevoerde handschoenen van de Scuola del Cuoio, waar ze korting kreeg omdat ze er soms met klanten kwam. Maar ze had het toch nog koud.

Celia dacht aan de dag die ze voor de boeg had; ze zou de Marshes in het hotel treffen, en daarna de ochtend in San Miniato en de middag in de Uffizi doorbrengen. Met de riem van haar tas die zwaar was van zijn dagelijkse vracht, haar instrumentarium - een reisgids, een opschrijfboekje, haar mobiele telefoon, een flesje water — om haar schouder geslagen liep ze stevig door. Haar voeten waren ijskoud en ze dacht verlangend aan koffie.

Op de Lungarno woei de wind op deze heldere koude ochtend in vlagen van de rivier, en Celia zette haar schouders ertegen op. Ze zag een handjevol matineuze toeristen van de Ponte Vecchio komen, met hun gezicht in de wind vertrokken van de kou en teleurstelling: Italië was dus toch niet het land van warmte en eeuwige zonneschijn. Celia aarzelde op de hoek tussen de kiosk waar de nieuwste koppen op een bord waren geplakt: le cascine: lichaam gevonden. Naast de kiosk stond een man met een exemplaar van La Nazione opengevouwen, die geheel opging in het voorpagina-artikel. Over zijn schouder ving Celia een glimp op van een foto: politietenten tussen de bomen. Ze pakte een La Repubblica, betaalde en keek op haar horloge; ze had nog wel tijd voor een snelle koffie. Ze liep het Maioli in.

Het was druk in de bar; het was koud buiten en Celia was niet de enige die versterking nodig had onderweg naar haar werk. Ze hoopte dat Beate lekker uitsliep; ze hadden samen twee flessen wijn gedronken en terwijl Celia op haar koffie stond te wachten, voelde ze daar de uitwerking van: een zeurende pijn achter haar ogen.

Rondom de toog stonden mensen te praten, hun zware wollen jassen die naar de stomerij en mottenballen roken namen twee keer zo veel ruimte in als anders, en alle tafeltjes waren bezet. In een hoek zat een vrouw die Celia meende te herkennen, maar die ze toch niet wist te plaatsen: een stevige vrouw met donker haar in een donkerblauwe jas met op het tafeltje voor haar een caf latte. Ze zat er stijfjes bij, alsof ze zichzelf probeerde uit te vlakken, met haar handtas aan haar arm alsof ze elk moment weg moest, hoewel ze een zitplaats had weten te bemachtigen. Haar gezicht was gepoederd en bleek, maar onder haar zwarte ogen stonden kringen. Pasquale schoof Celia's broodje en cappuccino afwezig over de toog naar haar toe, en ze pakte ze op zonder er echt naar te kijken. Ze haalde haar krant uit haar tas, vouwde hem open en keek naar de voorpagina, maar de gruwelijke kop stiet haar af: als een beest afgeslacht, stond er. Bovendien had ze geen tijd om nu helemaal op te gaan in een krantenartikel. Ze stopte de krant weer weg.

Bij die beweging keek de vrouw aan het hoektafeltje op en toen herkende Celia haar: het was de kwieke, kundige verkoopster van Frollini, de verkoopster die nooit een gezicht vergat. Celia had haar tijdens haar bezoekjes aan de winkel gadegeslagen en had gezien dat ze goed oplette waar haar klanten van hielden en hoe vaak ze in de winkel kwamen. Vreemd, ze zag er hier heel anders uit, verloren bijna, en Celia bedacht dat dat waarschijnlijk de reden was geweest waarom ze haar niet meteen had herkend. Ze draaide zich weer om naar haar koffie, dronk haar kopje leeg en keerde zich met een knikje naar Pasquale om om weg te gaan, en zag toen dat de vrouw die bij Frollini werkte al vertrokken was.

In de Por Santa Maria, de grote winkelstraat en één deel van de verkeersader die van het Palazzo Pitti aan de zuidkant van de rivier helemaal naar de kathedraal aan de noordkant liep, wemelde het al van de forenzen en matineuze toeristen - degenen met een niet zo gastvrij hotel, een slecht bed en wellicht zonder ontbijt. Ze liepen gearmd, meer voor wat extra warmte dan om andere redenen, de budgetreizigers, de jonge meisjes en Oost-Europeanen, maar in het voorbijgaan kon Celia de dromende stad in hun ogen zien, de fraaie stenen gevels en boogramen en het ijle, bleke licht van de winterochtend. Ze dacht aan meneer en mevrouw Marsh, die in het Regale op haar wachtten, en vroeg zich af wat zij op deze ochtend van de stad zouden vinden, of ze zouden krijgen waarvoor ze gekomen waren. Een weekendje ertussenuit naar een vreemde stad; ze wilden romantiek, glamour, luxe, ontsnapping. Celia vroeg zich af of de heer en mevrouw Marsh Italiaanse kranten bij hun ontbijt hadden gekregen, of ze wisten dat er een verminkt lichaam was gevonden in wat ook wel eens het Florentijnse equivalent van Hyde Park werd genoemd.

Terwijl ze doorliep en Frollini in beeld verscheen, moest Celia weer aan de verkoopster met de donkere ogen denken die in de hoek van het Maioli had gezeten, en ze keek door de etalage naar binnen, maar achter de uitstalling was het nog donker en ze liep de straat verder in naar de reusachtige, monumentale ruimte van de Piazza della Repubblica, en naar Hotel Regale.

Als Celia naar binnen had gekeken, zou ze Luisa toch niet in de donkere winkel hebben gezien. Luisa had zichzelf met bevende hand binnengelaten; ze was zoals altijd meteen naar het toetsenpaneel achter de kassa gelopen, om ervoor te zorgen dat het alarm niet afging, maar vandaag waren er drie pogingen nodig geweest voordat ze de juiste code had ingetoetst. Toen ze dat gedaan had, leunde ze in een moment van zwakte tegen de deur en zoog ze een paar keer diep de neutrale lucht van de winkel in zich op, waarbij ze plotseling het zweet op haar voorhoofd voelde parelen. Ze hield zichzelf voor dat er nog niets te doen viel, dat ze best even zo kon blijven staan.

Luisa had niet geslapen, dat was een van de redenen. De waarheid was dat ze zich na vijftien jaar van bars stilzwijgen tussen Sandro en haar had aangepast, dat er een nieuwe huid bij haar was gegroeid. En ging dat dan nu allemaal veranderen? Ze wist niet zeker, niet meer, of ze dat wel wilde, en wat nog erger was, was dat ze niet wist, toen ze hem gisteravond zo had gezien, of Sandro de druk nog wel aankon. Wat zou er gebeuren als het allemaal uitkwam, alles wat hij vijftien jaar lang had opgepot?

Het was ook gekomen door iets in de manier waarop dat meisje haar had aangekeken: een blik die niet beschuldigend, maar wel doordringend was, alsof ze zo in Luisa's hoofd had kunnen kijken. Ze deed haar ogen dicht en vroeg zich somber af hoe het er voor dat meisje uit had gezien, die verknoopte banen in haar brein die daar door vijftien jaar van ontwijking, compromissen en zwijgen waren neergelegd. Luisa haalde nog een keer diep adem, probeerde het van zich af te zetten, probeerde de kalmte te herwinnen waar ze tot vandaag altijd op had kunnen rekenen zodra ze deze deur door was.

Even later deed ze haar ogen open en zag ze een gezicht bij het raam; ze schrok en realiseerde zich toen dat het de eerste schoonmaker was, die klopte en knikte in een poging door de barrières van taal en vlakglas heen begrepen te worden. Luisa knikte vermoeid terug, trok de deur open, en toen kwamen ze binnen en was de winkel weer vol. Ze stond bij het raam en liet hen achter haar hun gang gaan, blij dat ze niet hoefde te praten.



Celia was nog zes minuten te vroeg en doodde de tijd voor het Regale door onder toeziend oog van de portier met hoed op en handschoenen aan naar de carabinieri te kijken die in gestreepte bewakersbroek tegen hun busje stonden te roken. Verbeeldde ze het zich of zag je ze tegenwoordig echt overal? Ze waren er nooit als je ze echt nodig had, bijvoorbeeld toen Beate een week geleden door een drugsdealer op de hoek van haar straat bedreigd was, of een maand geleden, toen er twee donkere mannen tegen Celia aan gelopen waren, waardoor haar tas op de grond was gevallen, overal papieren en schema's, en haar portemonnee was geroofd. De carabinieri hadden vandaag de dag grotere prooien; ze waren minder bezig met zich op te doffen en meer met echt goed opletten. Celia had een achtergelaten rugzak op de trap van de kathedraal gezien die binnen een paar minuten omringd was en waar met elektronische sondes in was geprikt; ze hadden op het punt gestaan om het geval gecontroleerd tot explosie te brengen toen de doezelige eigenaar teruggestommeld kwam, bijna in tranen. Ze dacht aan de pot met een olijfboom erin die achter de Uffizi was gezet ter nagedachtenis aan de mensen die bij de explosie daar om het leven waren gekomen. Hoeveel jaar was dan nu al geleden? Twaalf? Iets in die geest. En de wereld was er sindsdien niet veiliger op geworden.

Vandaag kon de piazza die voor haar lag er in het lichte blauw van de vroege ochtend echter niet vreedzamer uitzien, met zakenmensen in dure jas en met slappe vilthoed op die naar hun werk gingen, een sputterend bestelbusje, een man met kort haar die op een stenen bank peinzend zat te roken. Celia's warme adem vormde wolkjes in de ijskoude lucht. Ze draaide zich om en de portier hield de deur al voor haar open, waarbij hij haar, terwijl ze hem passeerde, snel een glimlach toewierp. Ze was binnen.

De foyer had een hoog plafond, was rijk voorzien van marmer, en het geluid galmde om Celia heen. Het geklak van haar laarzen op de vloer en de stemmen van vreemden weerkaatsten van honderd gladde, harde, geboende oppervlakken. Celia liep naar de receptie, zette haar leren tas op de balie neer en wachtte. Op een gegeven moment draaide de receptioniste, een jonge donkere vrouw met een getailleerd zwart mantelpakje aan die de telefonische reserveringen noteerde, zich met een beleefd vragende glimlach naar haar om.

'Aha,' zei ze toen Celia had verteld waarvoor ze kwam, en Celia zag iets van belangstelling in haar ogen glinsteren. 'Ja, meneer en mevrouw Marsh, die zijn gisteravond heel laat aangekomen.' Ze tikte iets in op een toetsenbord achter de balie en ging met een vinger langs het scherm. 'Maar u hebt op dit tijdstip met ze afgesproken?'

'Ja,' zei Celia vastberaden, maar de moed zonk haar in de schoenen. De receptioniste knikte, pakte de telefoon en koos een nummer, met haar ogen afgewend. De telefoon ging een tijdje over en Celia zag al helemaal voor zich dat deze ochtend in rook opging, dat ze in de ontvangsthal moest zitten wachten tot meneer en mevrouw Marsh zover waren, maar toen hoorde ze een stem, gedempt en blikkerig, maar wel kalm, aan de andere kant van de lijn. De receptioniste noemde haar naam en zei toen alleen maar: 'Ja, ja, natuurlijk, ja.' Ze legde de hoorn weer op de haak en draaide zich om naar Celia.

'Kamer 24,' zei ze. 'De bruidssuite. Ze willen graag dat u boven komt.' Ze stak een vinger omhoog en een piccolo doemde uit het niets naast Celia op.

In de met tapijt gestoffeerde gangen van het hotel was het heel warm en tegen de tijd dat de piccolo Celia voor de discrete eikenhouten deur van kamer 24 achterliet, voelde ze zich veel te warm aangekleed en had ze het smoorheet. Het feit dat haar eerste ontmoeting met de heer en mevrouw Marsh niet, zoals ze had verwacht, op neutraal terrein zou plaatsvinden, maar in de ongebruikelijke intimiteit van een hotelkamer - de bruidssuite zelfs - maakte alleen maar dat ze zich nog ongemakkelijker voelde. Ze klopte aan.