3

Uiteindelijk had Beate de flat voor Celia gevonden, minder dan een week voordat ze eruit moest, terwijl de zoon van de huisbaas om de dag had gebeld om Celia te laten weten wanneer zijn verhuisbedrijf precies voor de deur zou staan. Beate, die veel deftigere vrienden had dan Celia, die haar helemaal niet had hoeven helpen, belde haar op een avond op.

Beate was half Italiaans, half Zweeds, van een raadselachtige leeftijd, echt zo iemand die er altijd voor zorgde dat je je beter voelde enkel en alleen door je naam te noemen. In de gecompliceerde hiërarchie van de gidsen van Florence nam zij een bevoorrechte positie in, en niet alleen doordat ze kunst aan de Accademia en geschiedenis aan de Sorbonne had gestudeerd; ze had ook nog iets anders, namelijk een eigenschap die veel zeldzamer en gezochter was dan belezenheid — zoiets als elegantie. Ze was lang, had een donkere huid, hoogblonde pijpenkrullen die tot op haar ellebogen hingen en armen vol armbanden, net als Nancy Cunard. Vandaar dat je Beate altijd van straten ver al herkende, maar nooit met een horde klanten, altijd met een select gezelschap van maar twee of drie. Ze sprak hartelijk tegen hen met haar hoge, heldere stem; wanneer ze haar lange bruine vingers op de schouder van een klant legde waren haar gebaren intiem, en als ze met een breed armgebaar liet zien hoe dramatisch een landschap was of hoe statig een palazzo, waren ze levendig.

Toen Beate belde, kwam Celia net binnen na een snikhete dag in de stad. Bij de aanblik van het huis dat niet meer van haar was, van haar spullen in dozen naast de deur, was de moed haar in de schoenen gezonken. Ze liet haar schoudertas naast zich op de grond vallen, ging zitten en nam op. Ze hoorde de champagne aan Beates stem af en vroeg zich af waar ze zat. Net als haar leeftijd was ook Beates financiële situatie raadselachtig - iets waarover de anderen speculeerden, want ook al was het een prestigieuze baan, je werd als officieel erkend gids van Florence niet goed betaald. Maar één ding was zeker: ze had een dure smaak. Vanavond meende Celia aan de achtergrondgeluiden, jammerende Marokkaanse muziek en het gegons van gesprekken in lome Afrikaanse accenten te horen dat Beate vermoedelijk in Caffè Maroc zat. Dat was een van haar favoriete gelegenheden - een besloten club in de Oltrarno, helemaal ingericht als een medina, een en al mozaïektegels, fonteinen en bergen kussens. Misschien hadden ze er zelfs oosterse waterpijpen; Celia zag Beate al helemaal voor zich met zo'n pijp. Ze keek op haar horloge. Zelfs op maandagmiddag om vijf uur.

'Lieverd.' Celia ging aan tafel zitten en veegde het zweet van haar voorhoofd. Ze had een warme dag achter de rug waarop ze veertien Amerikanen door het Museo della Scienza had rondgeleid; geen airconditioning. 'Ja.'

'Ben je nog steeds op zoek naar woonruimte?' Beate bracht de vraag luchtig, waarbij ze deed alsof Celia helemaal niet wanhopig was, waarbij ze heel vriendelijk deed alsof het te verwaarlozen was, een minuscule gunst van de ene vriendin aan de andere. 'Ik weet dat je niet in de stad wilt wonen, maar... nou, het is een leuke buurt. En als je het wilt, kun je er meteen in. Ik weet niet voor hoe lang het is... hij... Wat is-ie?' Toen had ze het niet meer goed kunnen verstaan, alsof Beate haar hand over de telefoon had gelegd en tegen iemand anders praatte. Beates vriend van dat moment was een industrieel, ene Marco, een knappe man van zestig met zilverkleurig haar. Daar was de zachte, hese stem weer. 'Hij is Venezolaan, volgens Marco. Maar goed, hij heeft zijn permesso disoggiorno niet kunnen verlengen, hij is hier te lang gebleven en je weet dat ze daar een bloedhekel aan hebben. Joost mag weten wanneer hij er weer in mag, en in de tussentijd is die flat beschikbaar. Ik geloof dat hij zelfs gemeubileerd is.'

Een week later had Celia de deur van haar nieuwe huis opengemaakt, zonder het zelfs maar gezien te hebben. De sleutel was in het café op de hoek voor haar achtergelaten - de laatste van een opeenvolging van terloopse wonderbaarlijke afspraken, of bijna de laatste.

Gabriele had aangeboden haar spullen er in zijn busje heen te brengen. Gabriele had iets over zich... Misschien kwam het doordat hij uit Rome kwam, waar ze minder moeilijk deden en sneller een glimlach klaar hadden, maar telkens wanneer ze wist dat hij haar chauffeur was bij een rondleiding - ze waren samen naar Sicilië geweest, naar Verona, naar Elba - wist ze dat ze zich kon ontspannen. Ze konden het gewoon goed samen vinden; Gabriele was net zo blij om haar als gids te hebben als Celia blij was dat hij achter het stuur zat, kundig, ontspannen en opgewekt. Terwijl ze daar zo stond, hoorde ze hem achter zich de trap op komen, met drie dozen in zijn armen. 'Nou, hup,' zei hij.'Forza.' Ze deed haar ogen dicht, hoopte dat de sleutel zou pakken, en toen draaide Celia hem nog één keer om en ging de deur open.

Er lag een gang met een stoffige terracotta vloer voor haar, en van een hoog raam rechts viel een bundel licht in een vreemde hoek schuin omlaag. Ze liep naar binnen, passeerde links een donkere slaapkamer en zag toen meer ramen, meer licht. En ook al hadden zich in alle hoeken stofnesten verzameld, het rook er lekker: schoon, leeg, alsof de Venezolaan hier nauwelijks gewoond had. Celia's huisbaas was volgens Beate een boekbinder die aan de andere kant van de stad woonde, en zolang de huur maandelijks op zijn rekening verscheen, interesseerde het hem niet wie er woonde.

In de keuken boog Celia zich over de tafel heen, duwde het raam open en ving een glimp op van een hoge, ranke klokkentoren met scherpe hoeken en romaanse bogen. Nog voor ze het uitzicht in zich had opgenomen, met haar hand nog steeds op de vensterbank, hoorde ze dat er ergens anders vinnig een raam werd dichtgetrokken; ze betrad andermans leefruimte. Ze keek behoedzaam naar buiten om te zien wie het was geweest en zag overal ramen, waarvan het dichtstbijzijnde zich praktisch naast haar elleboog bevond, maar ze zag niet wie zich aan haar aanwezigheid had gestoord. Buren: ze had nooit eerder met buren rekening hoeven houden, en nu had ze er tientallen.



Toen ze er drie maanden woonde, belde hij, maar de woning voelde nog steeds niet als thuis, als van haar; met de kale terracotta vloer en de hoge plafonds had ze de lege, onpersoonlijke sfeer van iets wat je voor korte tijd huurt, niet veel meer dan een hotelkamer. Lucas Marsh. Iemand had haar hem aanbevolen, had hij gezegd, hoewel Celia zich achteraf niet meer had kunnen herinneren wie dat geweest was.

Ze wist nog wel dat ze had gevonden dat zijn stem prettig klonk. Het was bedoeld als verjaardagscadeau voor zijn vrouw, op korte termijn, over drie weken al, maar hij had er meteen bij gezegd dat hij haar een voorschot zou sturen - een vorstelijk bedrag. Hij klonk als een man die eraan gewend was dat alles soepeitjes verliep, maar hij was niet onbeleefd of bot, zoals heel rijke klanten vaak wel waren. Hij vroeg of ze een route wilde samenstellen, deed een paar suggesties waaruit Celia opmaakte dat hij de stad al kende, en ze dacht: ja, dat kan ik wel doen. Niks bijzonders, een stuk of twee wandelingen — ze stelde Fiesole en de San Miniato voor, restaurants, de Uffizi. Het enig moeilijke verzoek was dat hij wilde dat ze voor zaterdag het diner regelde; ergens waar het besloten was, exclusief en met een mooie schilderijenverzameling. Dat zou nog lastig worden. Slechts één ding had ze op dat moment vreemd gevonden, en ook dat viel te verklaren, dacht ze: ze had gevraagd hoe oud zijn vrouw werd.

'Waarom wilt u dat weten?' had hij gevraagd, en ze had iets in zijn stem gehoord, iets geërgerds, iets scherps, hoewel Celia het een volstrekt redelijke vraag had gevonden. Het was vast een speciale leeftijd, toch? Ze geneerde zich en probeerde zich eruit te redden.

'Ik, eh... het was niet mijn bedoeling om...'

'Tweeëndertig,' had hij kortaf gezegd, en toen was er, terwijl Celia deze informatie verwerkte, een stilte gevallen. Het was dus niet echt een speciale leeftijd. Toen hij verder sprak, was zijn stem weer precies zoals hij in het begin was geweest, namelijk kalm en ontspannen. Niet bepaald een stem waar je nee tegen zegt. En met het gat in gedachten dat de verhuizing in haar bankrekening had geslagen, en de rekeningen die zich opstapelden en om aandacht schreeuwden, had Celia natuurlijk ja gezegd. Als je freelancer was kon je je eenvoudigweg niet permitteren om wat dan ook af te slaan, ook al had je er nog zo'n raar gevoel over. Het was gewoon een klus.

Toen Celia later probeerde zich het exacte timbre van de stem van Lucas Marsh voor de geest te halen, vond ze dat onverklaarbaar moeilijk. Ze kon zich alleen maar, en gedurende enige tijd, het gevoel herinneren dat ze van hem gekregen had: zo'n draaiende maag die je krijgt als je indruk op iemand wilt maken en je weet dat diegene zich niet gemakkelijk gewonnen zal geven — iets ingewikkelds en behoedzaams dat haar intrigeerde. Ze begon zich enerzijds ongemakkelijk, anderzijds opgewonden op het weekend te verheugen. Het was nooit verstandig om op een klant verliefd te worden, zeker niet op een klant met een echtgenote, maar dan nog... Het zou in elk geval niet saai worden.