5

De winkel had nier gunstiger gelegen kunnen zijn; op de hoek van de Piazzia della Signoria viel de gekanteelde schaduw van het Palazzo Vecchio 's ochtends vroeg praktisch tot aan de deur, en elke toerist, elke werknemer in de stad moest langs de etalages van Frollini, waar ze ook naartoe gingen. Voor sommige zaken zou deze locatie een vrijbrief geweest zijn om de winkel vol te stoppen met goedkope spullen die ergens in een Chinese fabriek werden gemaakt, of om de prijzen naar believen op te jagen, maar zo niet Frollini, en zeker Luisa niet.

Voor een speciale opstelling gaf ze de voorkeur aan de etalage die uitzag op de brug; aan die kant was de straat breder en leende hij zich beter voor een ontspannen wandeltempo. Hier had ze dan ook haar feestjurken neergezet, en daar had ze langer voor nodig gehad dan ze gedacht had; Beppe was er al en had hallo geroepen alvorens naar boven te gaan, en daarna was Gianna binnengekomen, die klaagde over de kou, in haar nestje achter de kassa in de weer met sjaals. Gianna kleedde zich nooit dik genoeg aan, dat was het probleem met haar, vond Luisa, met die laag uitgesneden blouses achter de kassa. Ze boog zich om haar uitstalling heen en riep naar haar.

'Ik ben bijna klaar.' Met haar rug naar de ruit ging Luisa op kousenvoeten op haar hurken zitten en bekeek haar werk.

Ze had groen als thema gekozen, met een toef rood: een grasgroene tulen jurk met een turquoise satijnen onderrok en striktaille, een helgroene fluwelen beugeltas, smaragdgroene krokodillenleren pumps met hoge hakken en ronde open neus. De rode jurk zou het best verkocht worden, oordeelde ze terwijl ze de etalage bekeek: rood met een magentakleurige onderrok, een fluwelen corsage in pruimtinten op de buste gespeld, bijpassende satijnen schoenen. Rood was een kerstkleur; die verkocht je op een ander tijdstip in het jaar maar heel moeilijk, maar met kerst vloog hij de winkel uit. Luisa vond de groene jurk ook mooi - een ongelukskleur voor sommige mensen, maar op de een of andere manier sprak hij tot haar verbeelding: fris en romantisch, een sprookjeskleur. Ze zette het bordje met de prijzen voorzichtig in de hoek van de etalage, geschreven in haar ouderwetse randschrift. Twee weken salaris voor een paar schoenen.

Er was een tijd geweest waarin Luisa gerust twee weken geen boodschappen had gedaan om deze schoenen met hun hoge hak en open neus te kunnen kopen. Maar tegenwoordig droeg ze lage pumps om haar benen te sparen. In de etalage rechtte ze haar rug, die verstijfd was van de verkrampte houding op de smalle etalagerand, en merkte dat er iemand buiten bleef staan en naar binnen keek. Ze was net op tijd klaar. Luisa liep voorzichtig langs de achterwand van de etalage de winkel weer in, stak haar blouse glad in haar tailleband, knoopte haar manchetten dicht en veranderde wederom in iemand die niet veel meer was dan het meubilair van de winkel, terwijl ze discreet naar het eerste publiek voor haar etalage keek.

Er stond een meisje; ze keek naar de groene jurk. Misschien niet echt een meisje meer, dertig, vijfendertig jaar, hoewel dertig in de ogen van Luisa, die dichter bij de zestig zat, onwaarschijnlijk jong was. Toen Luisa zag hoe ze naar de jurk keek, moest ze plotseling aan zichzelf denken, zoals zij was geweest toen ze dertig was, die grens naar de volwassenheid. Ze was van mening dat je met achttien helemaal nog niet volwassen was, dat je tot ver in de twintig kind bleef. Met dertig begon je je af te vragen of je misschien te oud werd voor strapless feestjurken, ook al vond je die nog steeds mooi, beloofden ze je nog steeds geluk, dansen en mogelijkheden. Op je dertigste begon je oog te krijgen voor leeftijd, begon je in te zien waar dingen konden eindigen. Luisa was op haar dertigste getrouwd.

De vrouw voor de etalage vond de jurk mooi, dat zag Luisa zo, en hij zou haar ook mooi staan. Ze had een bleke, doorschijnende noordelijke huid, geen Italiaanse, en haar donkere haar zat naar achteren gebonden; ze was dik ingepakt in een goede donkere jas, maar ze had geen handschoenen aan - een Italiaanse zou in elk geval handschoenen aanhebben — en haar gezicht was jong, niet opgemaakt, met krachtige hoge wenkbrauwen; het was een mooi ouderwets gezicht. Geen kinderen, dacht Luisa, die er een sport van maakte om zulke dingen te raden; geen man. De vrouw keek naar Luisa alsof ze stond te rekenen: kan ik hem betalen? Niet: die zou hij wel voor kerst voor me kunnen kopen. Ze keek niet eens naar de prijzen om te weten of hij binnen haar budget viel, maar ze fronste nog steeds, alsof ze zich afvroeg wat ze zich zou kunnen ontzeggen, en voor hoe lang, om zich dit zeegroene niemendalletje te kunnen permitteren. Luisa vroeg zich af of ze binnen zou komen; waarschijnlijk niet.

Net op dat moment, alsof ze antwoord gaf, keerde de vrouw zich om om door te lopen. De ochtendzon viel op haar gezicht en Luisa boog zich een beetje naar voren; herkende ze haar? Ze draaide zich om voor nog een laatste blik op de groene jurk, en Luisa keek naar de hoge boog van de wenkbrauwen, de blauwe ogen; ze had een uitstekend geheugen voor gezichten en vond het leuk om zich klanten te kunnen herinneren. Ze vond het altijd onbeleefd om iemand na dat korte contact dat je bij het zachte suède van een handtas of de perfecte kleur voor bij iemands huid legde al te vergeten. Toen keek de jonge vrouw Luisa recht aan en glimlachte - een verlegen, samenzweerderige glimlach die haar gezicht deed opklaren; ze haalde haar schouders op alsof ze het toegaf - ze wisten allebei dat de jurk te duur voor haar was, maar ze kon altijd kijken. Ja, dacht Luisa, nu weet ik het zeker: ik heb jou al eens eerder gezien. Het is een van de gidsen. En ze glimlachte terug.

Celia wendde zich buiten van de etalage af, terwijl het beeld van de jurk in haar onbewuste geheugen gegrift stond, weggestopt onder het kopje 'onbereikbaar'. Ze had de vrouw een tijdje achter de etalageopstelling zien staan, in de crèmekleurig ingerichte winkel, met haar handen op haar rug, stevig, met een helm van zwart haar, naar haar kijkend. Celia was er een of twee keer binnen geweest, aangezien ze de winkel bij klanten had aanbevolen; ze wist dat ze bij Frollini niet zouden worden afgezet, en ze verkochten er goede, mooi gemaakte kleren, spullen van de catwalk, maar wel streng geselecteerd, dus ze wist dat ze ook niet teleurgesteld zouden worden. Ze vond de sfeer er ook prettig - het was een beetje ouderwets, ondanks de moderne inrichting. Maar Celia hield zich, zodra ze met hen binnen was gekomen, altijd op een afstandje, vlakte zichzelf uit, probeerde te verdwijnen en niet voor een betalende klant te worden aangezien. Deze kleren vielen immers niet binnen haar bereik. Ze liep door naar het Palazzo Ferrigno, waar Lucas Marsh en zijn vrouw zaterdagavond zouden dineren.

Hij wilde die avond niet in een restaurant eten, had hij gezegd; hij liet het verder aan haar over. Maar het was vreemd genoeg nog het moeilijkst geweest om een locatie te vinden waar dit diner kon plaatsvinden.

'Hij wil mooie schilderijen, en beslotenheid. Een besloten eetzaal,' had ze radeloos tegen Beate gezegd. Toen ze de klus had aangenomen, had ze gedacht dat het Corsini iets dergelijks had; dat was een reusachtig restaurant en zo krankzinnig duur dat ze zich niet kon voorstellen dat ze vol zaten. Maar nee hoor, dat was uitgesloten, had de direzione aldaar hooghartig gezegd. Beate had even nagedacht en toen het Ferrigno voorgesteld; dat was meestal niet open voor publiek, aangezien het nog steeds privébezit was, maar Beate, die uitstekende contacten in de stad had, had de eetzaal drie weken van tevoren voor haar geboekt.

'Mooie schilderijen, ja,' had Beate nadenkend gezegd. 'Een paar prachtige Titiaans, en het is er zonder meer besloten. Heel veel mensen weten niet eens dat het bestaat. Ik heb gehoord dat er wel eens gekroonde hoofden komen als die incognito willen reizen. Het is wel een vreemde bedoening daar, heel ouderwets.'

Celia had het met beide handen aangegrepen; ouderwets was immers precies wat ze wilde. Maar het was er inderdaad vreemd, daar had Beate gelijk in; nee, had de beheerster gezegd toen ze belde om de reservering te bevestigen, ze kon de zaal niet komen bekijken, want ze hadden het heel druk. Sommige schilderijen werden momenteel gerestaureerd, andere werden weer opgehangen - het was een zorgvuldig beheerste omgeving. Ze moest vooruit betalen, eventuele specifieke wensen schriftelijk indienen en ergens in de tussentijd zouden ze dan misschien een bezichtiging kunnen regelen. Maar ze hadden nog nooit klachten gehad, zei ze ten slotte, en aan haar stem was te horen dat ze dit wel eens als een belediging kon opvatten.

Het was een risico geweest, maar Celia had het gebouw vanbuiten gezien en wist dat het mooi was, en bovendien had ze verder geen keus. Dus stuurde ze het geld en een brief waarin ze verzocht om op het terras iets te mogen drinken en of de beste schilderijen te zien konden zijn. Toen ze Lucas Marsh de routebeschrijving stuurde, had hij een uitermate tevreden indruk gemaakt; Titiaan, zei hij, was precies de schilder die hij in gedachten had, en ze had zich kunnen ontspannen, verwarmd door zijn goedkeuring. Maar nu, na wat Beate vanochtend in het café had gezegd, fluisterde een stemmetje tegen haar dat ze er maar beter voor kon zorgen dat alles tot in de puntjes in orde was. Dat kon geen kwaad, toch? Zelfs als ze er plotseling voor bij het Ferrigno op de stoep moest gaan staan om haar zin door te drijven.

De naam Lucas Marsh leek iets in Beate losgemaakt te hebben, en dat verontrustte Celia en zette haar aan het denken: deze mensen gaan mij ver boven mijn niveau. Ze begon nog mild, typisch Beate, die nooit ronduit zou roddelen en die geen greintje jaloezie in haar lijf had. Ze dacht graag goed over andere mensen en had voor zelfs de meest verwende rijke reizigers van de stad, de niksnutten van de adellijke Florentijnse families of de leeghoofdige erfgenamen uit Hongkong of van Park Avenue, nog een goed woord over. 'Heel vrijgevig,' zei ze dan, of: 'Een enig mens, echt, alleen een beetje warrig.'

'O, ik weet het niet, hoor, maar ik geloof dat Marco hem kent,' had ze aanvankelijk vaag gezegd, om uit te leggen waar zij hem van kende. 'Of hij heeft alleen maar over hem gehoord, dat weet je bij Marco nooit, dat is zo'n namedropper. Kan ik hem in een van de bladen gezien hebben?' Ze hield haar hoofd scheef. 'Ja. Hij heeft geloof ik een knappe vrouw, maar ik kan me hem niet echt voor de geest halen.'

'Weet je wat hij doet?' had Celia nieuwsgierig gevraagd.

Beate had haar schouders opgehaald. 'Ach, die bladen, dat zetten ze er nooit echt bij, hè? Wat doen al die mensen? En ik heb hem zelf nooit ontmoet, want ik ga nooit naar Londen. Ik heb het idee dat hij advocaat zou kunnen zijn. Marco heeft het wel een keer over hem gehad, nu ik er goed over nadenk, toen hij naar Engeland ging voor een van die grote forums. Hij was onder de indruk van zijn rijkdom, denk ik.' Beate rolde met haar ogen. 'Hoe noemen die lui zichzelf? De raad van directeuren, zoiets. Wat betekent dat? Een heleboel rijke mannen bij elkaar in een duur hotel of in een van hun clubs en dan bespreken ze met elkaar hoe ze nog rijker kunnen worden. Waarom je niet daar moet verkopen, waarom je wel daarnaartoe moet gaan, markten uitbreiden. Oorlogsgebieden. Gelukkig doet Marco daar niet aan mee.'

Celia had geknikt en zich afgevraagd of Marco echt op vriendschappelijke voet met deze mensen omging, of Lucas Marsh echt een van de uitbuiters zou kunnen zijn over wie ze wel gelezen had, een man die Chinese kinderen sigaretten verkocht, of wapens aan Sudanese krijgsheren. Of dat Marco als hij terugkwam van een conferentie alleen maar verhalen vertelde waarmee hij indruk op Beate dacht te maken. Celia hoopte maar dat dat zo was. Toen schudde Beate haar hoofd om het onderwerp af te sluiten en glimlachte.

'We moeten elkaar weer eens wat vaker zien, lieverd. Vind je ook niet? Zullen we vanavond wat gaan drinken?' En Celia had ja gezegd, toen ten afscheid naar haar gezwaaid en Beate nagekeken, die wegkuierde terwijl haar krullen zilverig glansden in het licht van de Borgo San Jacopo, in de richting van haar flat.

Maar dan nog, besloot Celia — wier gedachten weer teruggingen naar haar werk terwijl ze over de stromarkt liep, langs het everzwijn met zijn glanzende bronzen snuit, de fontein vol muntjes die goudkleurig geworden waren door het vele chloor in het water van Florence, en de prettige duisternis van de Via Porta Rossa in - het is maar voor een weekend. Op maandag waren Lucas Marsh en zijn vrouw weer weg, weggevoerd uit haar wereld, zonder een spoor achter te laten, en bovendien wist ze, al haar bange voorgevoelens ten spijt, honderd procent zeker dat het niet saai zou zijn, zo'n weekend met die mensen.

Het was druk in de Via Porta Rossa, die naar het Ferrigno voerde. Een handjevol winkeleigenaren - voornamelijk elegant geklede heren van eind middelbare leeftijd, bedreven in de kunst om buitenlandse, niet al te jeugdige dames naar de mond te praten - stond in hun deuropening verwijfd te roken, te kletsen, op klandizie te wachten. Daardoor kreeg de straat de sfeer van een nogal liederlijke salon, in plaats van die van een straat in het stadscentrum.

Celia was volkomen verrast door alle kerstversieringen die aangebracht werden; dat kwam waarschijnlijk doordat ze aan Kate en haar telefoongesprek moest denken, met december al een eind op streek. En het werd kouder; hier in de schaduw kon je voelen dat de stenen van de straat de kou van de lucht in zich opnamen en dat het winters werd. Aan de andere kant van de straat viel een brede strook zonlicht door de Via Tornabuoni op de hoge marmeren zuil die tussen de prachtige kerk van de Santa Trinita en de geschulpte façade van het Palazzo Salimbeni stond en die roze en wit glansde. Dit was de verleidelijke stad op z'n adembenemendst, een stad die zo mooi was dat je bijna niet kon geloven dat hier ooit iets vervelends zou gebeuren - geen drugsdeals in de schaduw van deze schitterende paleizen, geen prostituees op de ringwegen, geen lichamen drijvend in de rivier aangetroffen.

Celia liep de warmte binnen, langs een in doeken gehulde bedelares die voor de kerk zat met haar gevouwen handen uitgestoken, en met een onhandig opgeschreven boodschap op een stuk karton voor zich. ik ben arm, stond erop. ik heb niets, heb meelij. Celia vroeg zich af waar de vrouw 's avonds heen ging, dacht aan het niet in kaart gebrachte grijze achterland van de stad. Ze diepte een handvol centesimi uit haar zak op en liet die in de stofplooi voor de heen en weer wiegende gestalte vallen, en liep toen verder de Via del Parione in, waar het Palazzo Ferrigno lag. Hier was het ook smal, en donker, maar leger dan in de Via Porta Rossa en statiger; hier hadden de puissant rijken hun kleine pied-a-terre, de rijke Amerikanen die graag een appartement hadden als ze gingen shoppen of galeries bezochten, de jonge mannen die voor Gucci werkten. Celia bleef voor de deuren van het Palazzo Ferrigno staan, waarachter een weelderige, enorme lege binnenplaats te zien was - het symbool van rijkdom, op deze plek waar de grondprijzen torenhoog waren.

Doordat ze geïntimideerd was bracht ze haar verzoek uitermate voorkomend. De conciërge, een gezette, zwijgzame man met slaperige ogen, was niet erg geïnteresseerd, maar binnen een paar minuten stond de beheerster van het gebouw, een kwieke, chique vrouw met een mantelpakje aan en parels om, voor haar neus. Terwijl de vrouw haar professioneel opnam, verzette Celia zich tegen de neiging om te voelen of er geen ontbijtkruimels op haar blouse zaten.

'Ja?' zei de beheerster met een lichte frons. 'Kan ik u ergens mee van dienst zijn?'

'Ik wilde alleen de afspraak voor zaterdagavond bevestigen,' zei Celia, terwijl ze een glimlach opzette, aangezien het die mensen toch vijfduizend euro ging kosten. 'Het diner voor signore Lucas Marsh in deTitiaan-kamer?'

'Ja,' zei de vrouw langzaam. 'Dat is bevestigd, dus het is echt niet nodig om... We verwachten ze om zeven uur voor een aperitief - zo was het toch afgesproken?' Haar beheerste houding haperde; ze keek niet-begrijpend. 'Bent u de gids?'

'Ja,' zei Celia, die een beleefde glimlach probeerde vol te houden; sommige ambtenaren met wie ze te maken had leken maar moeilijk te kunnen geloven dat ze over alle noodzakelijke kwalificaties beschikte, aangezien ze Engelse was. 'Celia Donnelly.' Ze stak haar hand uit.

'Ach ja, natuurlijk,' zei de beheerster, terwijl ze haar hand afwezig schudde. 'Paola Caprese,' maar ze klonk niet overtuigd. Celia trok zich er niets van aan en deed haar best om haar allerbeleefdste Italiaans te laten horen.

'Ik zou graag een kopie van het menu willen hebben.' Ze glimlachte en Paola Caprese boog haar hoofd. 'Uiteraard,' zei ze. Celia gaf niet op. 'En ik zou de zaal willen zien, als dat mogelijk is.' De beheerster perste haar lippen op elkaar, maar ze knikte toch stijfjes en draaide zich op haar hakken om.

'Loopt u maar mee,' zei ze achterom.

Het vertrek dat eruitzag als een statige hal betraden ze niet, maar in plaats daarvan gingen ze een deurtje rechts daarvan door. Een smalle houten diensttrap bracht hen door het midden van het gebouw omhoog; toen ze op de eerste verdieping langs een gang kwamen, ving Celia een glimp op van een klein boudoir, ingelegd met parelmoer, en daarachter lag een hele enfilade van vertrekken met lambrisering, allemaal badend in het licht dat van de rivier beneden naar boven kaatste. Ze had het gevoel dat ze in een wereld uit het verleden werd overgeplaatst, dat ze haar equivalent van vierhonderd jaar geleden was geworden, namelijk een nederige dienares die alleen maar in piepkleine ruimten en achterkamertjes kon komen, een stomme getuige van al deze overdadige schoonheid.

Uiteindelijk waren ze boven en staken ze een overloop over, waar een statige trap van pietra serena op uitkwam; hier zou het echtpaar Marsh vermoedelijk aankomen, hoewel Celia, toen ze de brede, kille grijze trap afkeek, merkte dat ze de voorkeur gaf aan de geheimzinnige, naar hout geurende beslotenheid van de diensttrap. Door een reusachtige glazen koepel in het plafond viel blauw, winters licht op de overloop.

'Hier is het,' zei de beheerster kortaf, en ze gebaarde naar een eikenhouten paneeldeur tegenover hen en glimlachte kort en beleefd. Ze deed de deur open. 'Ga uw gang.'

Celia kwam eerst in een kleine antichambre met lambrisering, met twee rijen hoge ramen die uitkeken op het terras van het Palazzo Ferrigno. Ze zag dat buiten op de flagstones stapels stoelen stonden, een barbecue en een paar terracotta potten, waarvan de inhoud schuilging onder jute. De beheerster volgde haar blik.

'Voor het aperitivo,' zei ze. 'Als het tenminste niet regent.' Celia knikte en draaide zich om naar twee paneeldeuren aan de andere kant van de antichambre, die misschien wel naar de Titiaan-kamer leidden. 'Ja,' zei de beheerster op haar niet-uitgesproken vraag, en ze liep kwiek voor haar uit en deed allebei de deuren onmiddellijk wagenwijd open, met Celia vlak achter haar.

Het was geen groot vertrek, maar het had een hoog gewelfd plafond, het was warm en er hing de volle, geheimzinnige geur van een kerk, bittere kruiden, wierook en was. De vloer was ingelegd met rode zeshoekige tegels die zo oud waren dat ze golfden onder je voeten, en in het midden van de ruimte stond een lange eikenhouten tafel, met een of twee stukken oud zilverwerk erop. Er was maar één raam, van de vloer tot aan het plafond, op het zuiden, dat een omlijsting vormde van de met cipressen bezaaide heuvel van het Parco Strozzi aan de andere kant van de rivier, dat tegen een bleke hemel in de mist zwart oprees. Celia keek langzaam de kamer rond en liet hem in al zijn volmaaktheid goed tot zich doordringen. Ze voelde dat de beheerster naar haar keek, dat ze onwillekeurig wachtte hoe ze op haar trofee zou reageren, en toen knikte ze.

'Gut,' zei ze, verbaasd glimlachend. 'Hij is perfect.' Ze aarzelde even. 'En de schilderijen. De verzameling Titiaans?'

De vrouw haalde even haar schouders op — een heel flauwe zweem van verontschuldiging. 'Twee worden er nog gerestaureerd. Een ander schilderij is zo kwetsbaar dat het eigenlijk alleen geschikt is voor besloten bezichtiging, onder bepaalde omstandigheden. Maar we hebben er nog een, echt een schitterend werk, daar is iedereen het over eens; het topstuk van de collectie. Madonna del Gigli. De Madonna met de lelies.'

Celia temperde haar frustratie; zulke dingen gebeurden nu eenmaal. Maakte dat deel uit van de charme van Italië: het feit dat je nooit iets zeker wist? Totdat je er echt was, ter plekke en op tijd, wist je niet of degene met wie je had afgesproken ook daadwerkelijk zou komen, of datgene wat je wilde eten op de kaart stond, of datgene wat je wilde zien op zijn rechtmatige plaats hing. Ze keek de muren van het vertrek langs; die waren zo zonder Titiaans ook mooi, beschilderd met pauwen, wijnranken en kolibries. Op de muur tegenover het raam hing een verschoten roodlinnen gordijn, en daarachter hing vast de madonna.

Celia had wel over het schilderij gehoord, vaag, en meende zich te herinneren dat het een soort votiefstuk was, met als onderwerp de patrones van een of andere verloren zaak. Ze wist nog dat het mooi was, maar aan de hand van een reproductie in een boek kon je er natuurlijk niets over zeggen, ook al was die nog zo kostbaar uitgevoerd — daarom namen mensen de moeite om helemaal hierheen te komen, zich een weg tussen de menigte door te banen, een gids in te huren. Het ergerde haar dat ze niet eerder had kunnen komen en haar huiswerk niet beter had gedaan, maar tegelijkertijd voelde ze iets van opwinding; plotseling wist ze zeker dat dit schilderij het allemaal waard zou zijn: de moeizame onderhandelingen, het geld, het wachten. De beheerster volgde haar blik en na enige aarzeling liep ze naar de muur aan de andere kant van het vertrek. Celia liep achter haar aan.

Het was geen groot schilderij, misschien een meter breed, maar het was uitzonderlijk mooi; Celia deed onwillekeurig een stap achteruit. De Madonna stond — heel ongebruikelijk — niet rechtop, maar lag min of meer achterovergeleund op een donkerrode chaise longue, en het kind dat in haar arm genesteld lag bekeek zijn vingertjes, die het in elkaar gevlochten hield. Het was een schrikbarend natuurlijke, zinnelijke houding. Over de divan lag een zware goudkleurige doek gedrapeerd waar minuscule bloempjes op waren geborduurd; op de achtergrond, achter de linkerschouder van de Madonna, bevond zich een balkon, goudkleurig in het avondlicht. Achter de balustrade stond een donkere moerbeiboom, en de smalle puntige bladeren streken langs het lichte steen van het balkon. De kamer waarin ze zat leek wel een slaapkamer of een boudoir, eerder een intiem vertrek dan een ruimte voor religieuze bezinning, en op een donkerhouten ladekast in een hoek lag een handvol bleke, papierachtige paarse irissen, de Florentijnse lelie uit de titel van het schilderij. De Madonna zelf had een heel bleke huid. Haar haar, dat diepzwart was, had een scheiding in het midden en in haar oren droeg ze pareltjes. Ze keek verlegen, maar met een eerlijke blik op, precies zoals een jonge moeder, blozend van trots, opkijkt naar de vader van haar kind.

Celia en haar gids stonden verenigd in hun bewondering; Celia merkte dat ze haar adem inhield. Alle bedruktheid over de afwezigheid van de andere Titiaans was als sneeuw voor de zon verdwenen; dit was voor iedereen genoeg. Ze kon zich niet voorstellen hoe het zou zijn om met iemand van wie je hield in deze prachtige, intieme kamer te zitten, die net een juwelenkistje was, in de grote lege luxe van dit paleis, terwijl er een madonna van Titiaan — deze Madonna — van de muur op je neerkeek. Mevrouw Marsh mocht van geluk spreken; Celia vroeg zich af of ze er oog voor zou hebben.

'Wie heeft hier model voor gestaan?' vroeg ze aan de beheerster, terwijl ze nauwelijks kon geloven dat ze dit schilderij nog nooit had gezien.

De beheerster glimlachte een beetje. 'Ach,' zei ze. 'Dat is een lang verhaal. De vrouw van iemand van de familie Bardi, van de lage adel van Florence, niet belangrijk, niet in historisch opzicht, althans. Maar het is wel duidelijk dat Tiziano - Titiaan — verliefd op haar was. Hij aanbad haar; hij had ook een Venus van haar kunnen maken, maar hij koos voor een madonna, en hij voegde de giglio — de bloem van Florence — toe als eerbetoon aan haar, aan de stad.'

Celia knikte. 'En wat is er toen gebeurd?'

Paola Caprese fronste haar voorhoofd een beetje. 'Dat is niet bekend; er wordt wel over gespeculeerd. Dat het kind misschien van hem is geweest, hoewel ik dat niet denk.' Ze draaide zich om en keek naar buiten. 'Het verhaal heeft geen — hoe zegt u dat? — geen happy end. Het kind is gestorven in een of andere epidemie — misschien de griep — kort nadat het schilderij voltooid was. De echtgenoot heeft het schilderij weggeborgen; het gerucht ging dat hij het verbrand had. In zijn verdriet.' Of uit jaloezie, dacht Celia knikkend. Ze herinnerde zich het verhaal wel vaag, en het verbaasde haar dat het haar zo aangreep nu ze het schilderij had gezien, door de uitdrukking in de ogen van een vrouw die eeuwen geleden geleefd had.

'Dank u wel,' zei ze tegen de beheerster, omdat ze zich plotseling dankbaar voelde, en zeer bevoorrecht omdat ze het schilderij had mogen zien. Niet slecht gedaan, dacht ze.

De vrouw knikte. 'Goed,' zei ze, terwijl ze naar een ladekast van Chinees lakwerk liep die in de hoek van het vertrek stond en een laatje opendeed waaruit ze een dik pak bedrukt papier haalde. 'Het menu, ter bevestiging. Mocht er nog iets zijn, dan ben ik u uiteraard graag van dienst.' Maar aan de kordate manier waarop Celia naar de deur gebracht werd, merkte ze wel dat ze haar aanspraak op de hoffelijke dienstverlening vanuit het Palazzo Ferrigno ruim overschreden had.



In Le Cascine wierpen de bomen een koude schaduw en de wind joeg de bladeren in hoopjes rond de tent van de patholoog-anatoom die nog steeds in het lege zwembad stond. De zwervers waren weg; er was onderdak voor hen gevonden in een opvanghuis in de buurt van het station en ook voor het sjofele handjevol mogelijke getuigen dat de politieagenten uit de beboste lanen van het park hadden weten te vergaren. Een drugsverslaafde met glazige ogen die ze op een bankje hadden gevonden, de eigenaar van een etenskraampje dat vierentwintig uur per dag open was aan de rand van het park, wiens ogen heen en weer schoten terwijl hij eenlettergrepige antwoorden gaf. Nee, hij had geen ongebruikelijke klanten gehad, alleen zijn vaste klanten. Maar ja, je kon niemand van zijn vaste klanten echt net gezelschap noemen: een paar hoeren, wat Albanezen die bier dronken en ergens zo stoned als wat van waren, een grote Nigeriaan, een nachtclubbezoeker onderweg naar huis. Het lichaam was ook weg, naar het pathologisch laboratorium in het noorden van de stad, waar het op een snijtafel lag in een witbetegeld vertrek, terwijl de kleren van de landgenoot uitgetrokken waren en apart gelegd voor nader forensisch onderzoek. Een geruit hemd dat stijf was van het opgedroogde bloed, een paar zware, gepoetste schoenen.

Twee politieagenten stonden bij de rand van de bomen. 'Ik begrijp het niet,' zei de langste van de twee, die Pietro heette. Hij klonk somber. 'Ik bedoel: niemand zal hem missen, maar waarom nu?'

De gezette politieagent schudde zijn hoofd en gaf geen antwoord. Hij stond bij de bomenrij en keek omlaag naar het zilveren lint van water in het westen, waar de grote stutten van het Viadotto dell'Indiano uit de mistige woestenij van moerassen en rietlanden als de vlaggentouwen van een spookschip oprezen. Hij zag er bleek uit door slaapgebrek en keek verbeten, en het was alsof hij naar iets keek wat nog achter de ondergaande zon lag. 'Kom, Sandro, we gaan,' zei Pietro, terwijl hij hem een klap op de schouder gaf, en toen duurde het nog even voordat de politieagent zijn opschrijfboekje met wapperende bladzijden opborg en achter hem aan tussen de donkere bomen verdween.