Hoofdstuk 12

 

 

 

‘Je bent veel te vroeg thuis,’ riep Kate beschuldigend. Ze rende naar de voordeur toen ze haar zus hoorde binnenkomen en keek over haar schouder. ‘En met een taxi? Ik maak die vent af!’

‘Het is maar een onschuldige taxichauffeur,’ probeerde Carmen een grapje te maken.

‘Vertel me wat hij zei! En je weet best dat ik het over Nick Davey heb en niet over de taxichauffeur.’

‘Ik heb niet de kans gekregen het te vertellen.’

‘Hoe kwam dat?’ Kate trok Carmen naar binnen.

‘Ach, er viel een zilveren harnas uit de lucht, en dat moest hij natuurlijk meteen aantrekken om de wereld te redden. Waar is Cormack?’

‘Die is uit. En terwijl ik iets te eten en te drinken voor je maak, moet je me alles vertellen. Kom.’

‘Ik geloof dat ik een paniekaanval had.’

‘Welnee, jij hebt nooit paniekaanvallen. Maar sinds ik een relatie heb met Nick, heb ik er al drie gehad. En ze worden steeds veroorzaakt door hetzelfde probleem. Hij neemt risico’s en beweert dat alles prima gaat. Dan doet hij me zó aan pap denken.’ Ze onderdrukte een snik. ‘Vorige week heb ik tegen hem gezegd dat ik niet samen kan zijn met iemand die me dit aandoet. Maar ik moest hem spreken vanavond, en nu gebeurde het weer.’

‘Wat is er gebeurd? Vertel het hele verhaal, Carmie.’

‘Ik hing aan zijn arm. Er was een man.’

‘Waar? Wanneer?’

‘Toen we van de auto naar het restaurant liepen.’

‘En die man was…’

‘Ik weet het niet zeker. Aan de drugs misschien. Twee agenten hadden hem al aangesproken en die hadden hem laten gaan, maar daar nam Nick geen genoegen mee. Ik kon gewoon niet meer ademen, maar hij zei dat die angst mijn probleem was. Daarna verdween hij in een steegje, en ik ben weggegaan. Heeft hij niet gebeld?’

‘Nee, Carmie.’

‘Dan is het nu echt over. Voorbij.’

‘Wil je hem niet nog vertellen over de baby?’

‘Ik stuur hem wel een mailtje,’ zei ze bits.

‘Dat kun je niet maken, Carmen.’

‘Ik weet het.’

 

‘Rustig maar,’ zei Nick, die vanuit zijn ooghoek het blinkende mes in de gaten hield. ‘Woon je hier?’

‘Ik heb alles klaar voor de baby.’ De man klonk trots, maar hij keek onrustig om zich heen alsof hij belaagd werd door onzichtbare vijanden.

Nick had al geconcludeerd dat hij niet dronken was. Waarschijnlijk was hij een psychiatrisch patiënt en had hij zijn medicijnen niet ingenomen. ‘Laten we hem dan naar binnen brengen en lekker in zijn bedje leggen,’ stelde hij rustig voor. ‘Hij komt net uit het ziekenhuis, zei je. Wanneer is hij geboren?’

‘Drie dagen geleden. Hij had wat problemen met zijn ademhaling, daarom kon hij niet meteen naar huis. Maar dat is niet mijn schuld.’

‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Hij mocht vanmorgen naar huis.’

‘Maar vanmorgen was zijn thuis niet hier.’

‘Nu wel.’ De man drukte het lemmet tegen het mutsje.

‘Voorzichtig, maat. Je wilt hem toch niet bezeren?’

‘Hij heeft een hoedje op, ik doe hem geen pijn.’ Onheilspellend voegde hij eraan toe: ‘Tenzij het moet.’

Nicks nekharen gingen overeind staan. Hij twijfelde er niet aan dat de man meende wat hij zei. ‘Laten we hem binnen brengen.’

Ze beklommen de laatste treden van de krakkemikkige trap. Nick verwachtte dat de man zou protesteren tegen zijn aanwezigheid, maar hij werd zo in beslag genomen door zijn baby dat hij niet eens leek te merken dat de andere man hem volgde in zijn armetierige onderkomen.

Nick probeerde vriendelijk en behulpzaam over te komen, zich intussen afvragend wat Carmen nu deed. Waarschijnlijk zat ze boos en verdrietig thuis en had ze geen idee waar hij was. Hij dacht aan het mobieltje in zijn zak, maar hij durfde haar niet te bellen. Hij had misschien maar één kans om te telefoneren, en die moest hij bewaren om assistentie te vragen van een gespecialiseerd gijzelingsteam.

Op de vloer in de woonkamer lag een matras. In de slaapkamers was het een chaos van goedkope meubeltjes en neergesmeten kleding. De keuken was een vieze, aangekoekte bende, op één plek na. Op een nieuwe, schone theedoek stond een rij glanzende zuigflessen. Naast het matras in de woonkamer stond een kartonnen doos met daarin een opgevouwen dekentje en katoenen lakentjes. Er stonden ook pakken luiers opgestapeld. Van verschillende merken en in allerlei maten, vermoedelijk gestolen uit boodschappentassen. Dat gold ook voor het diverse assortiment babyvoeding.

‘Alles is geregeld,’ zei de man. ‘Niemand kan zeggen dat ik niet goed voor hem zorg. Het is ook mijn baby.’

‘Hoe heet hij?’ vroeg Nick.

‘Zij noemt hem Troy. Naar Helena van Troje.’

‘Is zij zijn moeder?’

‘Niet meer. Hij is nu van mij, en ik noem hem Homer.’

‘Homerus schreef over Helena van Troje.’

‘Je kunt een jongetje toch geen Helena noemen?’

‘Nee, dat is niet gebruikelijk. En hoe heet jij?’

‘Steve. En soms Bartok.’

‘Steve, ik ben Nick.’ Hij keek rond en zorgde dat zijn stem goedkeurend klonk toen hij vervolgde: ‘Je hebt het hier echt goed voor elkaar voor een baby.’

‘Met flessen en alles,’ zei de man trots. Toen betrok zijn gezicht. ‘En ik heb mijn mes voor als ze hem komt afpakken.’

 

Kate maakte een tosti voor Carmen, trok een blik uiensoep open en zette haar de maaltijd voor alsof ze een peuter was. ‘Hier, eet je soep nu die nog warm is. En je eet voor twee, denk erom.’

Heimelijk genietend van de nieuwe rolverdeling nam Carmen een hapje. Ze hield echter steeds de telefoon in de gaten. De feestelijke rode jurk had ze verwisseld voor een zwarte joggingbroek en een grijs T-shirt. Die jurk was nergens goed voor geweest.

‘Niet te geloven dat hij niet heeft gebeld,’ vond Kate.

Carmen slikte.

Blijkbaar besefte haar zus dat die opmerking ongepast was, want ze zei verder niets over Nick.

 

‘Wat doe je hier eigenlijk?’ vroeg Steve nadat ze een minuut of twintig hadden gepraat. ‘Wat doe je in mijn huis? Wie ben je eigenlijk?’

Nick was alle gevoel voor tijd kwijt en wilde niet op zijn horloge kijken om te voorkomen dat dat Steves paranoia zou aanwakkeren. ‘Ik wil je alleen maar helpen,’ zei hij. ‘Ik ben ook vader en ik weet hoe ingewikkeld het is om net een baby thuis te hebben.’ Hij probeerde nog steeds het vertrouwen van de man te winnen. ‘Zodra je hem hebt geïnstalleerd en alles op orde is, ben ik weg.’

De baby begon te huilen, wat Nicks zaak zeker goed deed, want Steve zag eruit alsof het gekrijs op zijn zenuwen werkte. Hij begon de luier van het jongetje los te maken om die te verschonen.

Nick kwam naast hem staan met de billendoekjes, maar Steve draaide zich zo dat zijn ongenode gast geen zicht had op wat hij deed. De baby bleef huilen terwijl zijn vader klungelde met de luier, de spartelende beentjes en de doekjes. Te oordelen naar wat Nick kon zien, was het een gezond kind met een krachtig stemgeluid. Zijn moeder was waarschijnlijk in alle staten.

‘Hij moet een flesje,’ mompelde Steve toen hij de baby eindelijk een schone luier om had gedaan en alle drukkertjes weer dicht waren. ‘Dat moet ik opwarmen.’

‘Zal ik dat voor je doen terwijl jij hem een beetje troost? Even wiegen in je armen? Daar zijn ze dol op.’

‘Ik moet voor hem zorgen. Ik zélf. Zij laat me niet in zijn buurt. Ze denkt dat het weer mis is met mij.’

‘Maar jij hebt hem nu, dus je kunt best wat hulp accepteren. Zeker zo’n eerste avond thuis.’ Hij vroeg zich af sinds wanneer de man met zijn medicijnen was gestopt. Zoals hij als rechercheur gewend was, maakte hij een ruwe inschatting. Hij zou hem benaderen als een schizofreen, al was de diagnose van zijn artsen waarschijnlijk een stuk gecompliceerder. Maar van schizofrenie wist hij het een en ander, en dat kwam overeen met wat hij hier voor zich zag.

De volgende vraag was hoe gevaarlijk Steve werd wanneer zijn wanen de overhand kregen. Had hij nog meer wapens in huis? Waren er nog meer bewoners en zo ja, in wat voor staat verkeerden zij? Zouden ze onverwacht binnen kunnen komen en de breekbare vertrouwensband beschadigen die hij trachtte op te bouwen?

Nick pakte een van de blikken melkpoeder voor baby’s die Steve had opgestapeld tegen de muur en liep er rustig mee naar de keuken.

De andere man maakte echter geen bezwaar. Hij knikte, duidelijk geagiteerd door het babygehuil, en zei: ‘Moet hem eten geven. En daarna moet ik haar bellen om te vertellen dat Homer voortaan hier woont en dat ik de functie van de secretaris van de Verenigde Naties heb overgenomen, plus dat ik nu hoofd van Defensie ben.

‘Prima, dus we gaan eerst de baby voeden,’ zei Nick zonder iets van zijn bezorgdheid te laten merken. Hij zag geen fluitketel, en er was geen magnetron. Het enige wat hij vond, was een vieze pan in de gootsteen. Die maakte hij zo schoon mogelijk met het oude schuursponsje dat er lag. Daarna vulde hij de pan met water, zich afvragend of het elektrische fornuis nog werkte. Het was net zo oud en gedeukt als het apparaat dat Carmen en haar broer twee maanden geleden uit zijn eigen keuken hadden afgevoerd.

Niet aan haar denken, dacht hij streng.

De derde kookplaat die hij probeerde, werd warm. Hij vulde opgelucht een fles met kant-en-klare voeding en zette die rechtop in de pan met water. Dit ging even duren, maar hij durfde het niet aan om de voeding rechtstreeks in de vieze pan te gieten.

Hij keek om de hoek van de keuken of Steve en de baby in orde waren. Alles leek goed te gaan. De een was aan het wiegen, de ander huilde. Toen zag hij dat Steve het mes weer tegen het hoofd van de baby drukte.

‘Je moet stoppen met huilen, Homer,’ jammerde de man. ‘Zorgt zij dat je dit doet? Om mij gek te maken? Stuurt ze je telepathische boodschappen?’

Nick besefte dat de situatie uit de hand ging lopen. Hij trok zich terug in de keuken, pakte voorzichtig zijn mobiele telefoon en toetste een nummer in. ‘Met rechercheur Nick Davey,’ zei hij zacht zodra er werd opgenomen. ‘Ik ben op Railroad Avenue nummer 615 in Fairmount Park en er is hier sprake van een mogelijke gijzeling waarbij een pasgeboren baby betrokken…’ Zodra hij de punt van het mes in zijn hand voelde, wist hij dat het een vergissing was geweest om zijn rug naar de deur te keren. Zijn telefoon viel op de grond.

Steve stampte erop en schopte de restanten onder het fornuis. ‘Die moet je niet gebruiken,’ zei hij bezorgd. ‘Ze tappen je gedachten af en sturen die naar slechte mensen. Ik heb wel een vaste lijn, maar die gebruiken we alleen in geval van nood. Anders schrikt de baby.’

 

Nick had nog steeds niet gebeld. Carmen voelde zich moe en oud. Ze nam een douche om Kate een plezier te doen, en daarna zat ze op de bank voor de televisie terwijl haar zus langs de kanalen zapte. Nieuws, een film, herhalingen, tekenfilms. ‘Kun je alsjeblieft een zender kiezen, Katie? Ik word hier zeeziek van.’

‘Sorry,’ zei Kate. Ze keken naar het nieuws op een lokale zender. Plotseling werd het programma onderbroken voor een plaatselijke gebeurtenis. Iets over een geesteszieke man, een gijzeling, een baby en een mes.

Carmen keek zonder dat de woorden tot haar doordrongen.

‘Verdorie, Carmen!’ riep Kate plotseling. ‘Luister je?’

Enige seconden later hoorde ook Carmen dat de verslaggever Nicks naam noemde.

 

Het zou een milde avond in juni zijn als er geen kille wind was opgestoken. Carmen rilde in haar joggingbroek en T-shirt in de achterbuurtstraat. Het was elf uur. Kate duwde een jas in haar handen. Gedachteloos trok ze die aan. ‘Ga maar naar huis,’ mompelde ze tegen haar zus. ‘Je moet morgen weer vroeg werken.’

‘Je denkt toch niet dat ik je hier alleen laat?’

‘Ik ben niet alleen.’

‘Je bedoelt de agenten? De verslaggevers? En die arme moeder van de baby? Ik ben je zús!’ Ze omhelsde Carmen.

Was dit wat er nodig was om Kate volwassen te laten worden en haar liefdevolle kant te ontdekken? Het was het niet waard. Als Carmen nu moest kiezen tussen een eeuwig rebelse zus en Nicks veilige aftocht uit dat kraakpand, zou ze met liefde haar leven lang een opstandige tiener in huis hebben. En de baby. Die moest ook levend en gezond naar buiten komen.

De moeder stond in een deken gewikkeld te snikken terwijl een vrouwelijke agent de media op afstand hield. ‘Hij heeft zijn medicijnen niet genomen,’ kreunde ze. ‘Hij is tot alles in staat. En als hij last krijgt van zijn wanen, is hij zo sterk en snel. Laat die rechercheur niet proberen hem te overmeesteren. Geen geweld. Alsjeblieft. Mijn baby, mijn baby…’

‘Nick wist het,’ mompelde Carmen, half tegen Kate en half tegen zichzelf. ‘Hij moet die baby hebben gezien nadat de andere agenten waren vertrokken. Daarom ging hij achter hem aan en had hij geen tijd het aan mij uit te leggen.’

‘Je houdt van hem,’ zei Kate verrast. ‘Je houdt écht van hem.’

‘Ja.’ Zo eenvoudig was het.

‘Je gaat een oplossing zoeken voor zijn heldengedrag. Ik denk dat je zelf een held wordt.’

‘Als hij me nog wil.’ Als hij veilig uit dat pand komt. ‘Volgens mij heb ik geen keus.’ De bekende angst die ze kende van vroeger welde in haar op, maar dit keer ontbrak er iets. Wat was het?

‘Gebeurt er nou al iets?’ mopperde Kate. Ze keek de straat in, die was afgezet door de politie. Alleen twee cameraploegen hadden toestemming gekregen vlak bij het huis hun tenten op te slaan. ‘Ik dacht dat ze er experts bij hadden gehaald.’

Dat was ook zo, er was een team gespecialiseerd in gijzelingen ingeschakeld, maar dat was echt geen garantie voor een snelle afhandeling, noch dat Nick en de baby er zonder kleerscheuren af zouden komen.

Opnieuw klopte Carmens hart in haar keel, en was ze misselijk van angst, maar nog steeds ontbrak er een emotie die ze niet kon benoemen. Naarstig dacht ze na, totdat ze plotseling het antwoord wist. In deze wirwar van emoties ontbrak er eentje, en dat was woede. Ze was niet boos op Nick. Ze begreep waarom hij vanavond achter die man aan was gegaan en ze vertrouwde op zijn instinct en zijn innerlijke kracht, op een manier waarop ze haar vader nooit had vertrouwd. Het gevoel dat ze zich op dun ijs bevond, een gevoel dat Cormack en zij steeds weer hadden ervaren gedurende het eindeloos durende jaar waarin hun vader steeds verder aftakelde, was verdwenen.

Nick zou zorgen dat het ijs hield, of zich daar in elk geval tot het uiterste voor inspannen. Daardoor zou Carmen in het ergste geval alleen achterblijven, maar wel met mooie herinneringen, respect en vertrouwen. Alles wat haar vader haar niet had nagelaten.

In het ergste geval. Maar dat zou niet gebeuren. Aan die gedachte klampte Carmen zich vast met alle hoop die ze in zich had. ‘Katie,’ zei ze rustig, ‘dit kan wel de hele nacht duren.’

‘Hoe kun je dit verdragen? Hoe kun je zo kalm klinken?’

‘Ik ben niet kalm, maar wel wat rustiger. Ik heb wat dingen op een rijtje gezet.’

‘Ga je wachten?’

‘Niemand die mij hier weg krijgt.’

‘Maar de onderhandelaar van de politie heeft nog niet eens met die man gesproken!’

‘Toch wacht ik.’

‘Dan blijf ik samen met jou wachten.’

Een minuut of twintig later drong een vrouwenstem door de mist van ongeduldige hoop in Carmens hoofd: ‘Carmen, ben jij hier ook?’

Carmen draaide zich om en zag Terri Kruger achter zich staan, gekleed in een spijkerbroek, een suède jasje en dure laarzen. ‘We zagen het op het nieuws,’ zei ze afwezig tegen Nicks ex-vrouw.

‘Wij ook. Tenminste, Jay. Ik… Ik weet niet waarom ik hierheen moest komen. Of nou ja, toch wel. Hij is immers Ryans vader. En dit is…’ Ze lachte. ‘…onwerkelijk.’

‘Ik weet het.’

‘Hij is een goede man. En de wereld heeft helden nodig, al wil ik persoonlijk mijn leven niet met ze delen.’

‘Is dat de reden waarom je bent vertrokken, Terri? Heus? Omdat je niet wilde samenleven met een held?’

De andere vrouw schokschouderde in haar modieuze jas en gaf toe: ‘Nee. Niet echt.’

‘Waarom dan wel?’

‘Hij weigerde achter dingen aan te gaan die ik belangrijk vond.’

‘Wat wilde jij dan?’

‘Succes. Alleen maar wat succes.’

‘Er is meer dan één soort succes.’

Terri’s gezicht verstrakte. ‘Ik wilde het soort dat meetbaar is. Het soort dat mensen opvalt zodra ze je zien. Aan je huis, je auto en de kleren van je kind. Die dingen zijn belangrijk voor mij, en daar ga ik me niet voor verontschuldigen. Ik heb nu alles wat ik altijd heb gewild en ik ben erg gelukkig. Nick maakte het allemaal niks uit. Ik werd zo boos op hem, en dat ben ik nog steeds. Soms schrik ik als ik mezelf tegen hem hoor praten.’ Ze keek Carmen aan. ‘Je vindt me vast een kreng, maar dat ben ik niet. Ik sta alleen heel anders in het leven dan Nick.’

‘Jullie pasten dus gewoon niet bij elkaar.’

‘Totaal niet. En daar kon ik niet mee omgaan. Ik ging hem afblaffen.’ Ze keek naar de politiewagens en de cameraploegen. ‘Ik kan er nog steeds niet tegen. Blijf jij hier de hele nacht?’

‘Als het moet.’

‘Nou, ik niet.’

‘Weet Ryan wat er aan de hand is?’

‘Gelukkig niet. En wat mij betreft hoort hij er niets over, tenzij het niet anders kan. Ik geef Nick nog een uur, als hij er dan nog niet uit is, ga ik naar huis en kruip in mijn eigen bed. Ik moet ook aan Ryan, Jay en mijn ongeboren baby denken.’ Ze glimlachte verontschuldigend.

‘Ben je zwanger?’

‘Ja.’ Onwillekeurig legde ze een hand op haar buik.

‘Gefeliciteerd.’ Ik ook, dacht ze. En wat haar betrof bleef ze juist vanwege haar ongeboren kind hier. Zo lang als nodig was.