Hoofdstuk 2

 

 

 

Carmen wist niet hoe lang ze zo stonden. Ze moest op haar tenen staan om hem te kunnen vasthouden, al stond hij helemaal voorovergebogen, waarschijnlijk om de wond in zijn zij te beschermen. Toen hij zijn hoofd op haar schouder liet rusten, legde ze beschermend haar arm eromheen, zoals ze dat altijd had gedaan wanneer ze haar vader, haar zusje Melanie of broertje Joe troostte.

Gisteravond had ze haar andere zus nog vastgehouden. De achttienjarige Kate was rond middernacht dronken het huis binnen komen stommelen, waarna Carmen tegen haar had geschreeuwd en Kate in tranen was uitgebarsten. Ze had de verwarde haardos van haar zus gestreeld en gezegd: ‘Je moet niet zo’n zooitje van je leven maken, lieverd. Wat is er toch met je?’

Daar had Kate geen antwoord op, en ze had opstandig uitgeroepen: ‘Je behandelt me als een kind, Carmen! Waarom laat je me niet gewoon met rust?’ Vervolgens was ze naar de badkamer gerend en had ze overgegeven. Ongerust had Carmen zich afgevraagd of ze iets anders had gebruikt dan alcohol. Moest ze iets doen?

Nu stond een vreemdeling op haar schouder uit te huilen, en ook dit keer wist ze niet wat ze moest doen. Zeker niet toen ze besefte dat de herinnering aan Kate ervoor had gezorgd dat ze onwillekeurig zijn natte, schone haar streelde en mompelde: ‘Oké, het is goed, huil maar lekker uit.’ Lieve hemel, wat deed ze?

Ze voelde het schokken van zijn lichaam afnemen. Voorzichtig verplaatste ze haar hand naar zijn rug en begon er kalmerend op te kloppen. Hij had het meest gespierde lichaam dat ze ooit had aangeraakt, merkte ze. Hoe kon zo’n sterke man zo gekwetst zijn?

‘Sorry.’ Zijn stem klonk schor. ‘Ik vind het zo…’ Hij haalde beverig adem ‘…gênant.’

‘Het is niet erg.’ Ze deed een stap achteruit en voelde een lichte duizeling. De lucht om haar heen was koud nu ze zijn lichaam niet meer had om zich aan te warmen. Hulpeloos keek ze toe terwijl hij zijn gezicht afveegde met het T-shirt, waarna hij het aantrok en de natte plekken bekeek.

‘Ik moet me verkleden,’ mompelde hij.

‘Wil je erover praten?’ vroeg ze voorzichtig.

‘Het gaat alweer.’

‘Niet waar.’

‘Jawel. Ik schaam me een beetje. Maar ik weet waar dit vandaan komt.’

‘Misschien moet je het me maar vertellen. Je hoeft je niet te schamen.’

‘Neuh,’ zei hij lijzig, ‘dat ik sta te snikken op de schouder van mijn aannemer is niet iets waarvoor ik me hoef te schamen.’

‘Nou ja, ik bedoel, je bent ook maar een mens.’

‘Mijn begeleidster waarschuwde al dat dit kon gebeuren. Het spijt me dat ik jou ermee lastigval.’ Hij wreef over zijn ribben, parallel aan het verse litteken. ‘Ik ben een paar weken geleden neergeschoten, dat is alles.’

‘Neergeschoten?’ Ze schrok vooral van de bijna verontschuldigende manier waarop hij het formuleerde.

‘Ongelukje op de werkvloer,’ legde hij uit. ‘Ik ben rechercheur.’

‘Dus dan ben je er, eh… aan gewend of zo?’

‘Ik bedoel dat je niet moet denken dat ik in een straatbende zit of net terug ben uit Afghanistan. Het is het risico van het vak. Pech. Maar het doet wel pijn. Ze hebben me een tijdje vrij gegeven, en ik neem meteen wat achterstallige vakantiedagen op.’

‘Dat lijkt me heel verstandig.’

‘Het was nogal een bende, met die kogel tussen mijn ribben. De chirurgen hebben het van binnen weer netjes vastgenaaid. Toen ik net de trap af rende om de telefoon op te nemen, heb ik waarschijnlijk iets verrekt. Maar ik voel me nu al beter.’

‘Dat is tenminste iets.’

‘En toen dat telefoontje… Ik ben gewaarschuwd door de psycholoog dat ik de komende weken of maanden misschien vreemd zal reageren.’ Hij wreef over zijn wond.

‘Doet het nog veel pijn? Moet je niet langs de dokter?’ Het voelde veiliger om het over zijn fysieke situatie te hebben. ‘Je staat nog steeds niet rechtop.’

‘Het ziet er ernstiger uit dan het is. Dat zeggen ze tenminste.’ Hij grijnsde.

Carmen wilde dat hij nog een keer lachte. Zijn hele gezicht lichtte ervan op. ‘Kan ik iets voor je doen?’

‘Een glas water zou lekker zijn.’ Hij knikte naar de gootsteen, die met de rest van het aanrecht vandaag zou worden afgebroken. Daarna keek hij naar zijn T-shirt. ‘En ik kan maar beter even…’ Zonder zijn zin af te maken, verdween hij via dezelfde weg als hij gekomen was.

Carmen vulde een glas met koud water. Voor haar gevoel was dat lang niet troostend genoeg.

 

Lieve help.

Nick liet zich op de rand van zijn bed zakken en wreef over zijn gezicht. Als hij daarnet even in zijn eentje een glas water had kunnen drinken, had hij zich wel kunnen beheersen. In plaats daarvan was hij geconfronteerd met bezorgde bruine ogen, zachte handen en een troostende vrouwenstem die de klassieke vraag stelde: gaat het wel?

Dat kleine zinnetje had hem de das omgedaan. En daarna, toen hij had gezegd dat het prima ging, dat zachte: ik geloof er niets van. Haar stem zo zoet als honing.

Nooit eerder in zijn leven had hij zich zo ongemakkelijk en beschaamd gevoeld. Snikkend op haar schouder als een kind dat zijn knie had geschaafd. Hij kon nog steeds voelen waar haar lichaam dat van hem had aangeraakt. Voorzichtig, vanwege zijn wond. Zacht, dankzij de rondingen van haar borsten en de welving van haar buik die ze zelf vast te dik vond. Gul, omdat het compleet onzelfzuchtig was zoals ze hem, een man die ze nog maar net had ontmoet, had getroost terwijl ze geen idee had wat er aan de hand was.

Als hij niet zo had moeten huilen, was hij vast opgewonden geraakt. Zeker weten. Hij kon haar geur nog ruiken. Hij snoof aan zijn onderarm. Een gezonde, intrigerende geur. Havermout, houtkrullen, perzik.

‘Beheers je, rechercheur Davey!’ Hij stond op en begon heen en weer te benen, maar stopte toen hij zich afvroeg of ze hem kon horen lopen als een gekooide leeuw. Waarschijnlijk vond ze hem toch al eng met zijn litteken en zijn tranen. Hij kon hier niet te lang blijven. Ze dacht immers dat hij alleen even een ander T-shirt ging aantrekken. Bovendien verdiende ze uitleg. Hij moest vertellen waarom hij zo emotioneel was. Al was een vertrouwelijk gesprek het laatste waar hij zin in had.

Hij rommelde in een la, op zoek naar een T-shirt om in te schilderen. Zijn ogen prikten nog steeds. Vloekend, hoewel hij besefte dat dat niet hielp, trok hij een nieuw oud T-shirt aan en rechtte zijn schouders voordat hij weer naar beneden ging.

 

Carmen hoorde zijn voetstappen op de krakende vloer van de eerste verdieping. Een paar minuten later stond hij voor haar. Het T-shirt dat hij aan had was oud maar schoon. Het rook naar wasverzachter. Ze kon zijn spieren zien bewegen onder de dunne stof. Ondanks zijn verwonding zag hij eruit alsof hij van plan was hard te gaan werken. Iets zei haar dat hij dat nodig had. Hij was meer het soort man dat de pijn eruit hamerde dan het soort dat verdronk in zelfmedelijden.

Ze gaf hem het water en zag dat hij er nog steeds verward uitzag. ‘Het spijt me als je slecht nieuws hebt gehad, of als je meer tijd nodig hebt, of een gesprek met je begeleider,’ ratelde ze. ‘Als dit geen goede dag is om te beginnen, kan ik ook wel wachten tot Cormack beter is. Hij heeft alleen maar griep.’

‘Ik kreeg een telefoontje. Als dat niet was gebeurd, was er niets aan de hand geweest.’

‘Je bedoelt dat je je emoties dan gewoon nog wat langer had weggestopt?’

‘Ja.’

‘Dat is ook een manier,’ mompelde ze. Ze wilde hem niet pushen, maar misschien was het beter als hij nu alles eruit gooide. Voor hen allebei. Het idee dat er dingen onuitgesproken in de lucht bleven hangen, stond haar niet aan. Zeker niet nu bleek dat hij vandaag ook in het huis wilde gaan werken. Ze zouden uren samen doorbrengen.

‘Het was geen slecht nieuws; mijn ex belde met goed nieuws.’ Hij liet zich op een keukenstoel vallen en wreef weer over zijn wond. ‘Ik kan het je maar beter vertellen,’ zei hij abrupt, ‘want hij zal hier vast ook weleens zijn als jij er bent. Ik krijg gedeelde voogdij over mijn zoon Ryan zonder dat ik een rechtszaak hoef aan te spannen. De strijd heeft zes maanden geduurd, en ik verwachtte het eigenlijk niet. Ik ben heel blij.’

‘Heel blij. Daarom stond je te huilen,’ flapte Carmen eruit. Sommige mensen vonden haar te direct, maar ze had geen tijd om spelletjes te spelen. Zeker niet op een drukke dag als vandaag.

‘Je kunt ook huilen van vreugde, weet je,’ zei hij fel. ‘Zelfs als je een vent bent.’ Hij nam een paar slokken water en vervolgde: ‘Over dat schietincident… Een vrouw van een jaar of twintig heeft me neergeschoten. Ze was helemaal van de wereld omdat ze crystal meth had gebruikt. Methamfetamine. Begin er nooit aan, het is echt rotzooi.’

‘Dat is toch niets voor mij,’ zei Carmen. Ze dacht aan Kate. Die zou toch niet zo stom zijn? Zoals vaker, voelde ze zich meer een moeder dan een oudere zus: boos, bezorgd en machteloos tegenover een rebellerende tiener.

‘Daarna heeft mijn partner haar neergeschoten en is ze overleden.’

‘O nee…’

‘Hij had geen keus. Het was de enige manier om te voorkomen dat ze nog meer mensen zou neerschieten. Hij was niet van plan haar te doden, maar er was weinig licht en ze rende rond als een bezetene. Het was… Mensen denken vaak dat het normaal is voor een rechercheur om iemand dood te schieten, maar dat is niet zo.’

‘Natuurlijk niet!’ Ze kon zich er niets bij voorstellen.

‘Wat de situatie ook is en hoe weinig andere opties je ook hebt, het is iets wat je de rest van je leven met je meedraagt. Die vrouw had ook nog een kind.’

‘O nee…’

‘Haar dochtertje wordt nu verzorgd door haar oom en tante. Ik heb me laten vertellen dat het nette mensen zijn. Misschien heeft ze nu een beter leven. Maar toch.’

‘Wanneer is dit allemaal gebeurd?’

‘Tien dagen geleden.’

‘Pas tien dagen?’ Geen wonder dat hij emotioneel was.

‘Moet je mij nou horen,’ zei hij. ‘Het spijt me, je kwam om mijn keuken te verbouwen, niet als therapeut.’

‘Geen probleem.’

‘Mijn partner en ik zijn dus gewaarschuwd dat we de komende tijd vreemd kunnen reageren.’ Hij haalde diep adem. ‘Bijvoorbeeld dat we ons hart uitstorten bij vreemden,’ voegde hij er met een wrange glimlach aan toe.

Carmen kon alleen maar knikken. ‘Het klinkt als –’ Als een nachtmerrie, wilde ze zeggen.

‘Dat was het ook,’ onderbrak hij haar.

Ze begreep dat hij er verder niet over wilde praten. ‘Maar heus, ik kan ook morgen beginnen.’

Daar dacht hij even over na. Toen zei hij rustig: ‘Nee, begin vandaag maar. Het gezelschap zal me goed doen. Het huis lijkt wel behekst als ik hier alleen ben.’

‘Fantastisch, een man die toegeeft dat hij bang is voor geesten.’ Gefascineerd keek ze toe terwijl een glimlach over zijn gezicht flitste. Je moest alleen niet met je ogen knipperen, dan zou je hem zo missen.

‘Klopt,’ gaf hij toe. ‘Ik ben er nooit eerder bang voor geweest, maar sinds die schietpartij…’ Hij vloekte binnensmonds. ‘Waarom begin ik er nou weer over?’

‘We houden er gewoon over op. Het is een fijn huis,’ zei ze vlug.

‘Ja, dat was het zeker, tachtig jaar geleden.’

‘Dat wordt het wel weer, al moet er flink wat gebeuren. Je laat meer doen dan de keuken en het toilet, toch?’

‘Ik hoop veel zelf voor elkaar te krijgen. De vloeren. Het schilderwerk.’

Carmen merkte dat hij zich meer op zijn gemak voelde nu hij het over de renovatie had. De schaamte en spanning leken van hem af te glijden.

‘Het huis was van mijn oom, maar hij woonde er niet zelf. Hij verhuurde het. Toen hij vorig jaar overleed, heeft hij het aan mij nagelaten. Wat denk je van een kop koffie en een rondleiding?’

Het was Carmen duidelijk dat hij de afleiding en de cafeïne goed kon gebruiken. ‘Ja en ja, wat betreft de koffie en de rondleiding. Het spijt me van je oom.’

‘Hij was een prima vent. Maar hij was tachtig jaar en sukkelde al een tijd met zijn gezondheid.’

Opnieuw zag ze dat hij zich ongemakkelijk voelde. Blijkbaar had hij echt zijn dag niet. Ze onderdrukte geërgerd de terugkerende neiging hem troostend aan te raken. Die ongemakkelijke situatie wilde ze niet herhalen.

Bovendien, sprak ze zichzelf in gedachten toe, heb je dat al vaak genoeg gedaan, Carmen O’Brien. Pap en Melanie en Joe en Kate en zelfs Cormack als hij een slechte dag had. Al die familieleden die omhelzingen nodig hadden, die jou nodig hadden. Waarom zou je daar meer van opzoeken, net nu je er eindelijk bijna van bent verlost als Kate straks ook haar draai heeft gevonden? Ze was niet van plan vandaag nogmaals als Nick Daveys uithuilschouder te fungeren. Hopelijk nooit meer.

‘Zal ik even koffiezetten?’ bood ze aan terwijl ze de belendende ruimte in liep. ‘Is het hier?’

‘Nee, laat mij maar. Ik weet waar ik alles kan vinden in deze rommel.’ Hij volgde haar.

Het grootste deel van de keukenspullen was verplaatst naar deze serre, zag ze. Het was kennelijk ooit een veranda geweest die al jaren geleden dicht was gemaakt. Hoewel het een chaos was, kon het een schitterende kamer worden. Dat lelijke tapijt eruit, de originele vloer opschuren… Zat er een houten vloer onder? Discreet wipte ze met de punt van haar hardloopschoen een hoek van het oranjebruine vloerkleed omhoog. Hoewel zij en Cormack vooral keukens en badkamers deden, was ze dol op het complete renovatieproces van een oud huis. Ze zag al voor zich hoe deze kamer eruit zou zien met fris schilderwerk, comfortabel meubilair, een donker gebeitste vloer…

‘Ik heb al een kijkje genomen, en de planken lijken in prima conditie te zijn,’ merkte Nick op.

Blijkbaar was ze niet discreet genoeg geweest, besefte Carmen. Nick Davey had haar blik gevolgd en begrepen wat ze zich afvroeg. Beschaamd zei ze: ‘Ik vind het enig om te kijken wat er allemaal mogelijk is. Volgens Cormack stort ik me op ieder huis alsof het de plek is waar ik mijn eigen kinderen wil laten opgroeien.’

‘O ja? Hoeveel heb je er?’ Hij had de koffiepot en de filters gevonden en liep naar de keuken voor water.

‘Kinderen? Geen. Hij bedoelt theoretische kinderen.’ Ze wist nog niet eens of ze kinderen wilde. Samen met Cormack had ze de afgelopen tien jaar min of meer de drie jongere O’Briens opgevoed. Niet dat hun klant dat hoefde te weten.

Blijkbaar had hij toch iets gehoord in haar stem. Hij wierp een blik opzij. ‘Aha.’ Onderwerp afgesloten.

Ze dronken koffie en maakten knabbelend aan een koffiebroodje een rondje door het grote huis. Er moest echt veel gebeuren. De kelder stond vol rommel, bedekt met een dikke laag stof. De wasmachine leek een model uit de jaren zestig. Samen bevoelden ze de muren.

‘Ik zal iets moeten doen aan de waterafvoer.’ Gehurkt wreef Nick over de witgekalkte muur.

Carmen boog zich naast hem, en een lang moment bekeken ze schouder aan schouder het probleemgebied. ‘Misschien is goed luchten voldoende. En anders zul je inderdaad zwaardere middelen moeten inzetten.’ Ze genoot hiervan. Het deed haar denken aan de manier waarop zij en Cormack samenwerkten. Praktisch. Volkomen op hun gemak bij elkaar. Dit was een stuk beter dan in Nick Daveys keuken staan terwijl hij snikte op haar schouder.

Misschien was ze te veel op haar gemak. Plotseling werd ze zich ervan bewust dat ze wel erg dicht bij hem stond. Hij rook lekker, en dat was niet iets wat ze hoorde vast te stellen van een klant die ze pas een half uur kende.

‘Maar moet je die ramen zien.’ Nick kwam overeind en liep ernaartoe.

Nu zijn wond minder pijn deed, bewoog hij zich met atletische gratie, zag ze. Dat had ze niet verwacht van een diender. Het beviel haar dat hij zo energiek was. Dat was ze zelf ook.

‘Ze hebben prima afmetingen, en als ze schoon zijn, komt er een hoop licht binnen. Ik gooi die rotzooi eruit en ga de vloer verven.’

Via de wankele trap gingen ze weer naar boven. De open haard in de woonkamer was dichtgetimmerd, en er stond een lelijke gaskachel voor. De vloer moest geschuurd en gelakt en de hoeveelheid schilderwerk was overweldigend. Maar de plafonds waren hoog en het huis had nog originele elementen zoals de tegels rond de haard, de ornamenten aan de plafonds, de ramen naast de voordeur en het houtsnijwerk onder aan de trap.

‘Wil je het buiten nog zien voor we naar boven gaan?’ vroeg Nick.

‘Hoort er veel grond bij het huis?’

‘Ongeveer drieduizend vierkante meter. Net zo’n zooitje als het huis.’

Door een zijdeur kwamen ze in de achtertuin, waar de dauwdruppels glinsterden op het hoog opgeschoten gras. Terwijl Carmen naast Nick liep, keek ze af en toe besmuikt opzij om te zien of hij het nog trok – en om hem eens goed op te nemen. Dankzij hun omhelzing wist ze al hoe hij rook en aanvoelde, maar minder goed hoe hij eruitzag.

Beide keren dat ze opzij keek, beantwoordde hij haar blik. Voorzichtig en nieuwsgierig, alsof ook hij wilde zien wat voor vlees hij in de kuip had. De eerste keer wendden ze zich allebei snel af. De tweede keer – ze waren inmiddels uit de schaduw van het huis – hielden hun blikken elkaar een halve seconde te lang vast.

Nick schraapte zijn keel. ‘Dit is de grond die bij het huis hoort,’ zei hij net iets te opgewekt.

‘O ja?’ Alsof hij haar iets nieuws vertelde. Het was meer dan grond, zag ze toen ze beter keek. Het was een aangelegde tuin. Een overwoekerde, slecht onderhouden tuin, maar wel een tuin. Ze zag rozenstruiken die al jaren niet waren gesnoeid en een groep fruitbomen dat bijna een boomgaard genoemd kon worden. Onkruid en mos hadden bezit genomen van een geplaveid terras met een gebeeldhouwd vogelbadje in het midden.

‘Er moet veel gebeuren,’ merkte Nick op. Het klonk als een waarschuwing.

‘Dat zie ik,’ zei ze nadenkend. ‘Ben je een tuinier?’

‘Nooit geweest, maar als ik dit zie en ik denk aan de mogelijkheden, wil ik het graag leren.’

De tuin eindigde tegen een begroeide rotswand. In de aprilzon ontvouwden zich al wat frisgroene blaadjes.

‘Is dit een natuurlijke rots?’

‘Jazeker.’

‘Zie ik daar een treinspoor boven?’

‘Dat wordt niet meer gebruikt. Ik ben al eens naar boven geklommen. Hier en daar zijn stukjes goede grond.’ Geanimeerd pratend beende hij heen en weer. Zijn ogen waren niet langer roodomrand, en hij was bijna vergeten hoe gênant hun kennismaking was geweest. ‘Zo moeilijk is het niet om deze jungle te veranderen in een rotstuin met bodembedekkers en bloemen,’ ging hij door. ‘Achter die heg begint de voortuin en daar staan wat aardige bomen zoals je ziet. Die hoge pijnboom en die plataan. Al het land tot aan die weg hoort erbij.’

Een smal pad leidde naar nieuwe huizen in aanbouw op de heuvel. Grote nepvilla’s van ondeugdelijk materiaal. Wat Carmen betrof haalden ze het niet bij Nicks huis, zelfs nu dat nog in een deplorabele staat verkeerde. ‘Het is een fantastisch bezit,’ zei ze. ‘Ik ben er weg van. Dit is een van die keren dat ik wilde dat C&C Renovaties het hele pakket aanpakte en niet alleen keukens en badkamers.’ Ze leunde met een hand tegen de koele rots en wendde haar gezicht met gesloten ogen naar de zon. Toen ze voelde dat Nick haar stond te bekijken, opende ze haar ogen en beantwoordde zijn nieuwsgierige blik.

‘Mag ik nu die voor de hand liggende vraag stellen?’ Hij ging naast haar staan, zijn rug tegen de rotswand.

‘En dat is?’

‘Ik kan hem niet formuleren zonder dat het lomp wordt.’

‘Je bedoelt: wat doet een meisje als jij in een branche als deze?’

‘Ja, die vraag. Sorry. Wordt die je vaak gesteld?’

‘Ja, of ze vragen het aan mijn broer. Bang dat ik het zware werk niet aankan. Maar we werken op contractbasis en niet per uur. Dus als mijn zwakke handjes geen hamer kunnen vasthouden, kost dat de klant geen cent extra.’

‘Nu weet ik nog niet waarom je in dit vak zit.’

‘Familiegedoe.’ Ze wilde hem niet vermoeien met de details. Ze had hem al te veel verteld. ‘We hadden een bedrijf nodig waarin Cormack zijn bouwtalent kon gebruiken en hij mij kon opleiden. Startkapitaal hadden we nauwelijks, en er was geen geld voor meer opleiding. We moesten de zaak snel van de grond krijgen. In het begin waren het vooral kleine klussen met veel tijd ertussen. Zodra we referenties begonnen te krijgen, ging het lopen. Nu moeten we soms zelfs opdrachten afslaan.’

‘En vind je het wat, timmeren?’ Hij probeerde zonder succes de puzzelstukjes passend te maken. Vrouwelijke rondingen. Timmeren. Bengelende oorbellen. Een gereedschapskist met een breekijzer erin. Vond ze dit werk echt leuk? Paste het niet beter bij haar om schoenen te gaan kopen?

‘Ik vind het fijn om het goed te kunnen.’ Ze besloot hem de waarheid te vertellen. ‘Het is bevredigend het juiste ritme te vinden en precies de goede plek te raken zodat de spijker in het hout glijdt als een mes door de boter. Ik houd er ook van om een keuken of badkamer te bouwen waarin alles het doet en die er daarnaast goed uitziet. Sommige klanten van C&C zien het als een toegevoegde waarde dat ik er als vrouw oog voor heb wat de beste plek is voor de bestekla en het haakje voor de pannenlappen.’

Hij lachte. ‘Ik wist niet eens dat de andere helft van C&C een vrouw was toen ik met je broer sprak.’

‘Onwetendheid doet het ook altijd goed,’ zei ze ironisch.

‘Zullen we weer naar binnen gaan en boven kijken?’

‘Misschien wil je dat C&C de badkamer ook doet, dus ik zal er een blik op werpen.’ Voorlopig was afgesproken dat ze de keuken en het toilet beneden zouden doen.

Hij ging haar voor de trap op naar de slaapkamer, waar zijn la met T-shirts nog openstond en een chaotische aanblik bood. Het herinnerde hem eraan hoe ze elkaar een uur geleden hadden ontmoet en wat er daarna was gebeurd. Onmiddellijk schoof hij de la dicht. Te laat. Het ongemakkelijke gevoel maakte zich weer van hem meester.

De rest van de rondleiding hield hij kort en zakelijk. ‘Volgens mij moeten we allebei aan de slag, als we nog iets af willen krijgen vanmorgen,’ besloot hij.

‘Inderdaad, anders zul je Cormack horen wanneer hij weer beter is. Maar je hoeft me niet te helpen, hoor.’

‘Ik heb een eigen projectje.’ Hij wilde voorbereidingen treffen om de serre te gaan schilderen.

Weer beneden keek Carmen achterdochtig toe terwijl hij de ladder beklom en de schilfers van het plafond begon te schrapen. ‘Gaat dat wel, Nick? Met je schotwond?’

‘Ik stop als het pijn gaat doen. Maar je hebt gelijk, ik zou je niet kunnen helpen met die keukenkastjes.’

Carmen was inmiddels de groene keukenkastjes te lijf gegaan met een breekijzer. Deze hadden oorspronkelijk niet in het huis gezeten. Bovendien waren ze te zeer beschadigd om te behouden. ‘Ik verwacht Rob in de loop van de morgen om me te helpen met het zware werk,’ zei ze, een vastgespijkerde plank lostrekkend. Zonder erbij na te denken, voegde ze eraan toe: ‘Maar ik ben minder meisjesachtig dan ik eruitzie.’

Staand op de ladder draaide Nick Davey zich langzaam naar haar om. ‘En wat is er mis met meisjesachtig?’ De blik in zijn grijze ogen was tegelijkertijd plagerig en bedachtzaam.

Op dat moment besefte Carmen dat ze zich op glad ijs begaf. En dat dat waarschijnlijk ook voor Nick gold.

 

Die draai op de ladder was een vergissing geweest, besefte hij. De operatiewond begon weer te steken.

Carmen keek om toen ze zijn adem hoorde stokken.

‘Zeg maar niets,’ waarschuwde hij. ‘Je hebt gelijk. Ik zal de dokter bellen, misschien heeft hij een gaatje zodat ik langs kan komen. Dat branderige gevoel komt steeds terug, en dat is vast niet de bedoeling.’

‘Mag je wel autorijden?’

‘Nee. Wil je een taxi voor me bellen?’

‘Ik wilde aanbieden je taxi te zijn.’

‘Dat kan ook, als je het niet vervelend vindt.’

‘Ik geloof dat C&C Renovaties vandaag toch niet veel gedaan zal krijgen.’

‘Zet de extra uren maar op de rekening.’ Hij bekeek zijn T-shirt. ‘Ik kan maar beter even een ander aantrekken. Alweer.’

 

De receptioniste van dokter Seeger verbond hem door met de dokter zelf, die bezorgd zei: ‘Ik wil er inderdaad even naar kijken. Je spant je toch niet te veel in?’

‘Ik geloof dat ik daar beter niet op kan antwoorden. Maar, hypothetisch, als ik vertelde dat ik het plafond van mijn serre sta af te steken, wat zou u dan zeggen?’

De dokter zuchtte. ‘Wat heb ik daar nou over gezegd in het ziekenhuis?’

‘Dat ik me niet te veel moet inspannen. Maar ik ben rechtshandig en de schotwond zit links. De pijn begon vanmorgen toen ik niets anders deed dan iets te snel de trap af rennen.’

‘Kom maar naar de praktijk, ik maak tijd voor je.’

Ze namen de C&C-pick-up. Carmens rijstijl beviel Nick. Ze had pit. Onhandige weggebruikers konden rekenen op een sarcastische opmerking, doorspekt met humor. De raampjes hield ze dicht zodat niemand hoorde wat ze zei.

‘Ik hoop dat die wenkbrauw scheef wordt, dame,’ riep ze naar de vrouw die wachtend voor het stoplicht haar make-up zat bij te werken. ‘Groen betekent gaan, lieverd, groen betekent gaan, zeg me maar na,’ zong ze totdat de auto voor haar eindelijk in beweging kwam. Ze draaide zich om naar Nick. ‘Je mag best zeggen dat ik mijn mond moet houden, hoor,’ zei ze. ‘Dat doet Cormack ook vaak. Al weet hij dat het goed is voor mijn geestelijke gezondheid.’

‘Heb jij problemen met je geestelijke gezondheid dan?’

Grinnikend haalde ze haar schouders op, waarbij haar rode oorbellen heen en weer zwierden en de gebruinde huid van haar hals raakten. ‘Het leven is soms ingewikkeld. Ik ben thuis degene die alle problemen op haar bord krijgt. Op dit moment is mijn zusje van achttien een ramp. Ik kan beter tegen andere automobilisten schreeuwen dan tegen haar.’

‘Ik begrijp wat je bedoelt.’ Hij dacht aan Terri en haar nieuwe echtgenoot en aan de junkie met haar pistool. ‘Soms moet je even stoom afblazen.’

‘Precies,’ zei ze, en alsof ze zijn gedachten had gelezen: ‘Eh, ga je het daar ook met de dokter over hebben?’

‘Over het uithuilen op jouw schouder?’ Hij beet op zijn lip, bang dat zijn ogen weer zouden overlopen.

‘Ja?’ Ze keek opzij en zag zijn strakke gezicht. Luchtig vervolgde ze: ‘Niet dat je tranen een zijden blouse hebben geruïneerd of zo.’ Ze voelde aan haar eenvoudige katoenen T-shirt.

Haar humor maakte het makkelijker voor hem. ‘Ik koop een nieuwe voor je, van goudkleurig satijn,’ beloofde hij. ‘Wil je een geborduurd logo van C&C op het zakje?’

‘Maar even serieus –’

‘Liever niet,’ viel hij haar in de rede. ‘Serieus, bedoel ik. Ik vraag het wel aan de dokter. Hij weet dat ik psychisch begeleid word en tijdelijk niet werk.’

‘Oké, ik wilde het alleen even checken.’

‘Bedankt, maar volgens mij heb ik alles onder controle.’

Zwijgend keek ze over haar schouder, gaf richting aan en voegde in. ‘Hoe gaat het met je partner?’ vroeg ze.

‘Hij is met zijn vrouw op vakantie gegaan naar Bermuda. Zij is fantastisch, beide benen op de grond. Ze zei dat ze van plan is om zwanger terug te komen. Haar vader zit ook bij de recherche. Russ redt het wel.’

‘Hij is niet neergeschoten.’

‘Neergeschoten worden is niet het ergste. Zelf iemand neerschieten, daar ga je aan onderdoor.’

‘Dat kan ik me voorstellen.’

‘De dokterspraktijk is na de volgende stoplichten rechts. Je kunt voor de deur parkeren. Wil je in de auto wachten? Het zal niet lang duren, hoop ik.’

‘Heeft die dokter geen leuke bladen? Of liggen er alleen tijdschriften over vissen en auto’s?’

‘Wat is er mis met vissen en auto’s?’

‘Ondanks die gereedschapskist ben ik een meisje, Nick,’ zei ze lijzig. ‘Dat hebben we toch al vastgesteld? Ik moet echt even wat roddels lezen, anders krijg ik overal ongewenste haargroei.’

Hij schoot in de lach. ‘Geen zorgen. Bladen genoeg, daar.’

‘Dan ga ik in de wachtkamer zitten lezen.’

Het duurde vijf minuten voordat dokter Seeger Nick binnenriep. Carmen bleef achter met een stapel glimmende tijdschriften.

‘Oké,’ zei de arts opgewekt, ‘eens zien of ik je pijn kan doen.’ Dat lukte. Maar uiteindelijk had hij goed nieuws. ‘Ik geloof niet dat je jezelf verder hebt beschadigd. Je bloeddruk is normaal, net als je temperatuur en je hartslag. Ik zie geen symptomen van een infectie of zwelling. De wond deed geen pijn voordat ik eraan zat?’

‘Nee, maar als ik mijn bovenlijf draai –’

‘Niet doen. Je bent tien dagen geleden geopereerd, je bent nog aan het genezen. Gun jezelf wat rust.’

‘Moet ik plat?’

‘Alleen als je dat wilt. Slik je je pijnstillers?’

‘Daar ben ik mee gestopt, ik werd er zo wazig van.’

De dokter keek hem nadenkend aan. ‘Ik denk dat het goed is dat je gestopt bent, al zou ik het niet iedere patiënt aanraden. Jij bent er zo een die denkt dat hij beter is als hij geen pijn meer voelt. Het heldentype. Wie weet wat je zou gaan uitspoken als je wel pijnstillers slikte.’

Terwijl ze onderhandelden over een activiteitenniveau dat voor beiden aanvaardbaar was, vroeg Nick zich af of de dokter gelijk had. Hij had al eerder vrij nauwkeurig zijn gedrag voorspeld. De typering ‘held’ leek echter niet bedoeld te zijn als een compliment. Met gemengde gevoelens verliet hij even later de spreekkamer.

 

‘Hij zegt dat ik mag blijven schilderen,’ rapporteerde Nick in de wachtkamer.

Carmen zag dat hij blij was, maar bemerkte een kleine aarzeling in zijn blik. ‘Dat is toch goed nieuws?’

‘Zeker.’ Hij rinkelde met een bos autosleutels, al waren het die van zijn eigen auto en niet die van de pick-up van C&C waarmee ze gekomen waren.

Ze voelde zijn ongeduld. Nadat ze haar tijdschrift had weggelegd, stond ze op. ‘Wat zei hij nog meer?’

‘Wat nog meer? Goede bloeddruk, geen infectie of zwelling. En het advies om niet te veel pijnstillers te slikken omdat ik…’ Hij zweeg.

‘Omdat je…’ Toen hij niet antwoordde, vulde ze aan: ‘Een verschrikkelijke patiënt bent? Een zeldzame bloedgroep hebt?’

Schokschouderend zei hij: ‘Het heldentype ben. Wat dat ook moge betekenen.’

Carmen had geen idee. Ze had geen ervaring met helden.