18
Het Willowdell Motel ligt aan Highway 83, een paar kilometer buiten de stad. Tijdens de zomermaanden komen er toeristen die het amish-land bezoeken. In het jachtseizoen ontvangen ze tientallen jagers die er neerstrijken om dat ene grote mannetjeshert te schieten. Qua inrichting en aankleding wordt er geen onderscheid gemaakt voor tussen twee groepen.
Als Tomasetti het grindpad op rijdt kijken we uit naar de Camry van Aaron Plank. ‘Misschien is hij gisteravond teruggegaan.’
‘Hij moet nog wel iets met dat huis doen,’ voer ik aan. ‘Hij zal of een professioneel schoonmaakbedrijf inhuren, of zelf aan de slag moeten. Ik gok dat hij de klus uitbesteedt, gezien al dat bloed. Op een gegeven moment moet hij het huis laten taxeren. Als hij het wil verkopen, tenminste.’
‘Hoeveel is zo’n boerderij waard?’
‘Vijfenzestig hectare. Een boerenhoeve. Hooischuur. Bijgebouwen. Het is een kostbaar stuk land. Volgens de traditie zal het oudste kind van een amish-familie de boerderij erven als de ouders overlijden.’
‘Het is vergezocht, maar misschien voelde hij zich gerechtigd. Degenen die je afgewezen hebben vermoord je, en daardoor strijk je een boerderij op die een paar ton waard is. Misschien besloot hij het proces wat te versnellen.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Daar zie ik Aaron Plank niet voor aan. James Payne, ja. Maar Aaron niet.’
‘Mensen hebben wel ergere dingen gedaan voor minder.’ Maar ik zie aan zijn gebrek aan enthousiasme dat hij het ook niet kan geloven.
We zijn halverwege het terrein; geen spoor van de Camry. ‘Hij is hier niet,’ zeg ik.
Tomasetti stopt ter hoogte van de receptie. ‘Laten we gaan vragen of hij uitgecheckt heeft.’
De gezette vrouw achter de balie vertelt ons dat Plank dat een paar uur geleden inderdaad gedaan heeft.
‘Hij heeft toevallig niet gezegd waar hij naartoe ging?’ vraag ik.
‘Nee. Maar ik weet wel dat hij had gedronken. Ik rook het aan zijn adem toen hij de kwitantie tekende.’
Terug in de auto voel ik me gefrustreerd en gespannen. ‘Wel een beetje vroeg voor een slaapmutsje.’
‘Zeker als hij nog terug moet rijden naar Philly.’ Tomasetti haalt zijn schouders op. ‘Bij twijfel pak je de fles.’
Ik frons naar hem. Dan komt er een idee bij me op. ‘Misschien is hij op de boerderij.’
‘Fijne plek, als er nog niet is schoongemaakt.’
‘Misschien heeft hij besloten het zelf te doen.’
Tomasetti kijkt even in zijn spiegeltje en maakt rechtsomkeert. ‘Het is de moeite waard om even te gaan kijken.’
Vijf minuten later parkeren we de auto naast het rijtuigje van de Planks, vlak achter Aarons Camry.
‘Goed idee, Chief,’ zegt Tomasetti.
Ik kijk naar de hoeve. Ik zie dat de keukengordijnen naar buiten waaien, wapperend in de harde wind. Een kleine generator staat te ratelen voor het raam; het snoer loopt kronkelend naar binnen. ‘Het lijkt erop dat hij de boel aan het luchten is.’
‘Of aan het schoonmaken.’
‘Kom, dan gaan we kijken.’
We stappen uit en lopen naar de deur. Aan de rand van mijn bewustzijn hoor ik overal vogels zingen. De bladeren knisperen in de wind. Een stuk of tien koeien staan in de wei naast de hooischuur. Alles lijkt hier heel vredig. Tenminste, als je niet weet dat drie dagen geleden op deze plek een gezin van zeven mensen is uitgeroeid.
Ik loop de trap op en klop aan. Muziek zweeft door het open raam naar buiten. Klassieke gitaar met een Spaans tintje. Er verstrijken een paar minuten. Ik wil net mijn hand weer naar de deur brengen als er aan het slot wordt gemorreld.
Aaron Plank doet de deur een paar centimeter open en tuurt door de kier. Zelfs in die smalle opening merk ik met mijn politieblik details op. Het eerste wat me opvalt is dat hij met zijn paisley zijden ochtendjas in de grote amish-keuken helemaal uit de toon valt. Zijn haar zit in de war. Zijn wangen zijn rood. Hij is blootsvoets.
‘Wat kan ik voor u doen?’ Geen glimlach. Geen hartelijkheid. Zijn stem maakt me duidelijk dat we hem hebben gestoord bij iets waarbij hij niet gestoord wilde worden. De agent in me wil weten wat dat is.
‘Ik wil u graag een paar vragen stellen,’ zeg ik.
Planks ogen gaan van mij naar Tomasetti, die een stukje achter me staat. Hij maakt geen aanstalten om de deur verder open te doen. ‘U komt nogal ongelegen.’
‘Dat begrijp ik,’ zeg ik. ‘Maar het hoeft maar heel even te duren.’
Hij kijkt snel naar opzij. ‘Ik ben momenteel met iets bezig.’
‘Wij ook,’ valt Tomasetti hem in de rede. ‘Met een moordzaak. Doe nou maar open, dan praten we verder.’
Aaron knijpt zijn lippen opeen tot een dunne, harde streep. De deur gaat als vanzelf open. Hij stapt opzij en trekt de ceintuur van zijn ochtendjas aan. ‘Ik zou heus wel naar het bureau gekomen zijn.’
‘Ik ben bang dat dit niet kan wachten.’ Ik stap de keuken in. De geur van kaarsen en koffie vermengt zich met de frisse lucht die door het raam naar binnen waait. Ik zie een geavanceerd koffieapparaat op het aanrecht staan. Borden in het afdruiprek. Een fles wijn en twee glazen. Dan dringt het tot me door dat Aaron niet alleen is, en ik krijg een kriebelig gevoel in mijn nek, zoals je ook hebt wanneer je weet dat er iemand kijkt zonder dat je weet wie of waarom. Er stond geen andere auto op de oprit, maar ik weet dat hij gezelschap heeft.
‘Wie is hier bij je?’
Laat het maar aan Tomasetti over om geen blad voor de mond te nemen. Ik houd mijn oren open terwijl ik de woonkamer in loop. Een tiental kaarsen staat op de tafel; de vlammetjes flakkeren in de tocht. Klassieke-gitaarakkoorden komen uit een hip apparaat op de grond.
‘Ik geloof dat wij elkaar nog niet kennen.’
Tomasetti en ik kijken op en zien een donkerharige jongeman de trap af komen. Hij heeft whiskykleurige ogen en net genoeg baardstoppels om aan het modebeeld te voldoen. Al voordat hij zich voorstelt weet ik dat hij Aarons minnaar is.
‘Ik ben Rob Lane.’ Hij loopt met uitgestoken hand naar ons toe. ‘Prettig kennis te maken. Ik had alleen graag andere omstandigheden gehad.’
Tomasetti schudt hem de hand en stelt zich voor.
Ik doe hetzelfde. ‘We hebben elkaar aan de telefoon gesproken,’ zeg ik.
‘Natuurlijk.’ Robs gezicht betrekt gepast. ‘Ik kon het niet geloven toen Aaron me vertelde wat zijn familie was overkomen, vooral omdat ze amish waren, en in een stad van deze grootte.’
‘U hebt niet gezegd dat u naar Painters Mill zou komen,’ zeg ik.
‘Dat was ik toen ook niet van plan.’ Hij trekt een grimas. ‘Maar Aaron is natuurlijk van streek. Hij vroeg of ik dit weekend hierheen kon komen.’
Ik zie Aaron in de keuken twee glazen rode wijn inschenken en loop naar hem toe. ‘Kunnen we ergens praten?’ vraag ik hem. ‘Onder vier ogen?’
Hij fronst zijn voorhoofd, schuift langs me heen en reikt Rob een van de glazen aan. ‘Rob mag alles horen wat u te zeggen hebt.’
Ik knik en vraag me af waar die veranderde houding vandaan komt. De laatste keer dat ik hem sprak, werkte hij goed mee en was hij openhartig. Nu doet hij nukkig. Vanwaar die ommekeer? Is het verlies van zijn familie tot hem doorgedrongen? Heb ik hem de laatste keer dat ik hem sprak te hard aangepakt? Of is er een andere reden voor zijn abrupte gedragsverandering?
‘Waarom hebt u ons niet verteld dat u op uw zeventiende uw vader hebt aangevallen met een hooivork?’ vraag ik.
Aaron neemt een slok wijn. ‘Dat is niet iets wat je graag aan de politie vertelt als ze met een onderzoek bezig zijn naar de moord op de familie waarvan je vervreemd bent.’
‘Maar u wist toch wel dat we daar vroeg of laat achter zouden komen?’
Hij haalt zijn schouders op.
Tomasetti komt vlak bij Aaron staan. ‘Dat heet liegen door iets achter te houden. Voor het geval je de laatste aflevering van Law and Order hebt gemist, Einstein, dat is nu juist iets waardoor de politie argwaan krijgt.’
‘Ik heb niets te verbergen,’ zegt Aaron.
‘U hebt uw vader aangevallen, hij moest ervoor naar het ziekenhuis,’ zeg ik. ‘Dat hebt u ons niet verteld. Nu is hij dood. Het zou erop kunnen wijzen dat u wel degelijk iets te verbergen hebt.’
‘Ik heb mijn familie niet vermoord. Dat is een absurd idee.’
‘Door tegen de politie te liegen hebt u het vertrouwen dat u de waarheid vertelt niet groter gemaakt,’ zegt Tomasetti.
Aaron kijkt hem glazig aan en neemt nog een slok wijn. ‘Ik ben niet in staat tot dat soort gewelddadige acties.’
‘U hebt uw vader verwond met een hooivork,’ mompelt Tomasetti. ‘Dat is behoorlijk gewelddadig.’
‘Ik had geen reden om hem te vermoorden.’
‘Ze hebben u veroordeeld omdat u anders was. Ze vonden u geperverteerd. Misschien wilde u wraak nemen voor de rottijd die ze u hebben bezorgd op uw zeventiende.’
‘Het enige wat ik wilde was mijn eigen leven leiden.’
‘Maar dat lieten ze niet toe, hè?’ Tomasetti probeert hem nu uit zijn tent te lokken.
‘Ik heb het ze lang geleden vergeven.’ Aarons toon is defensief.
‘Hebben ze jou vergeven?’
‘Ik had geen invloed op wat ze van mij of mijn manier van leven vonden,’ zegt hij.
‘Dit is een mooi huis, Aaron,’ val ik hem in de rede. ‘Wil je het houden?’
‘Daar ben ik nog niet uit.’
Tomasetti pakt een lege wijnfles op, bekijkt met veel vertoon het etiket en zet hem weer neer. ‘Gezellig liefdesnestje. Privé. Ruim. Wel een beetje ironisch dat jullie je hier samen hebben teruggetrokken met een paar flessen wijn, terwijl de rest van je familie hier vlakbij begraven ligt.’
Rob komt naar voren. ‘U gaat te ver.’
Tomasetti laat zijn tanden zien, maar zijn blik is nog op Aaron gevestigd. ‘Ze hebben je het vuur na aan de schenen gelegd, Aaron. Vooral je vader. Hij vond dat je ziek was. Misschien heb je hem op deze manier terugbetaald.’ Hij maakt een veegbeweging met zijn hand. ‘Misschien zijn jij en je vriendje dat aan het vieren, dat je korte metten hebt gemaakt met dat intolerante gedrag.’
‘Zo is het niet,’ zegt Aaron scherp, met stemverheffing.
‘Vertel dan eens hoe het wel is.’
Aaron verdeelt zijn aandacht tussen Tomasetti en mij. ‘Dat heb ik al verteld. Ik heb het ze vergeven. Ik ben verdergegaan met mijn leven.’
‘Ben je daarom zo van streek?’ vraagt Tomasetti.
‘Ik was hier alleen! Ik had een... vriend nodig. Ik heb Rob gebeld.’
‘Je hebt het bloed nog niet weggehaald, en je bent hier aan het dansen en drinken, en je hebt lekker geluncht. Dat is ongevoelig.’
‘W-we wilden een professioneel schoonmaakbedrijf inhuren.’ Aaron stamelt. ‘Ze kunnen morgen pas komen.’
‘Hoe erg heb je je vader gehaat?’ vraagt Tomasetti.
‘Ik haatte hem niet. Hij haatte mij, zijn zoon. Hij kon niet verdragen dat ik was wat ik was.’ Hij richt zijn blik op mij. Buiten de woede smeken zijn ogen om begrip, en voor de eerste keer zie ik tranen blinken. ‘Ik hield van hem. Ik hield van hen allemaal.’
‘Ben je hem daarom met een hooivork te lijf gegaan?’ vraagt Tomasetti.
‘Ik was nog een puber. Hij was... onwetend. Hij... Hij wilde het gewoon niet begrijpen. Ik verloor mijn zelfbeheersing!’
‘Ik denk dat je nog steeds driftig bent,’ zegt Tomasetti. ‘Ik wed dat je mij op dit moment graag met een hooivork te lijf zou gaan, of niet soms?’
Aaron smijt het wijnglas op de grond, een paar centimeter van Tomasetti’s voeten. Het glas valt kapot en scherven vliegen tegen de houten kasten. Tomasetti verblikt of verbloost niet.
‘Hé!’ Rob gaat tussen Tomasetti en Aaron in staan, als een scheidsrechter die een bokswedstrijd stopt na een veel te harde klap. ‘Kom op, mannen. Dit loopt helemaal uit de hand.’
‘Het loopt nog veel verder uit de hand als hij weer tegen ons liegt.’ Tomasetti wijst met een vinger naar Aaron. ‘Hoor je dat?’
Aaron doet een uitval naar Tomasetti. Ik stap naar voren om in te grijpen, maar Rob grijpt Aaron bij zijn armen en trekt hem naar achteren. ‘Dit gesprek is voorbij,’ snauwt hij.
Tomasetti heeft het lef om geamuseerd te kijken. ‘Ik denk dat je een beetje moet oppassen met dat driftige karakter van je, Aaron. Je wilt toch niet dat de politie denkt dat je in staat bent tot geweld?’
‘Ach man, val dood!’ schreeuwt Aaron.
‘Genoeg.’ Voordat ik weet wat ik doe sta ik ineens voor Aaron. ‘Je moet rustig worden.’ Daarna, tegen Tomasetti: ‘Dit levert ons niets op.’
Met een stuurse blik loopt Tomasetti weg. Bad cop. Tijd dat ik het overneem. Ik richt me weer tot Aaron. In de verontruste blik van deze jongeman raakt iets me wat ik niet onder ogen wil zien. Misschien doordat Aaron Plank en ik meer gemeen hebben dan hij ooit kan weten. Die parallellen spelen al in mijn onbewuste vanaf het moment dat ik hoorde dat hij door de Kerk in de ban was gedaan.
‘Kom eens mee.’ Ik loods hem naar de keuken.
Ik voel de blikken van Tomasetti en Rob in mijn rug als ik de keuken in loop, met Aaron een meter achter me. Daar aangekomen kijk ik hem recht aan. ‘Je doet je zaak op deze manier geen goed.’
‘Jij bent zeker de good cop,’ sneert hij.
‘Je bent geen verdachte.’
‘Waarom vallen jullie mij dan zo lastig?’ Hij loopt intussen naar het aanrecht, grijpt een ander wijnglas en schenkt het weer vol.
‘Omdat je informatie hebt achtergehouden die misschien nuttig kon zijn,’ antwoord ik onaangedaan. ‘Wat houd je nog meer voor ons achter?’
Hij ontwijkt mijn blik, brengt het glas naar zijn lippen en neemt een flinke slok. ‘Ik heb gehoord dat jij ook een amish bent geweest,’ zegt hij. ‘Klopt dat?’
‘Ja. Lang geleden.’
‘Dan weet je ook dat roddelen een van hun favoriete hobby’s is,’ zegt hij. ‘En dan weet je ook dat ze hun oordeel altijd klaar hebben.’
‘Wie neem je in bescherming?’ vraag ik op de man af.
‘Niemand.’
‘Is het Mary? Was ze met iets bezig wat het daglicht niet kon verdragen? Probeer je haar reputatie onbezoedeld te houden? Haar nagedachtenis? Nou?’
Hij kijkt naar het wijnglas in zijn hand.
‘Aaron, je moet met me praten. We proberen erachter te komen wie je familie heeft vermoord. Als je iets weet, is het nu tijd om daarmee op de proppen te komen.’
Na een ogenblik slaat hij zijn blik op en kijkt me aan. ‘Ik weet dat het in het huidige perspectief niet belangrijk lijkt, Chief Burkholder, maar ik wil niet dat iemand te weten komt wat ik u ga vertellen, vooral niet de amish-gemeenschap. Mary was gesteld op haar goede naam. Die vond ze belangrijk. Ze zou niet willen dat er over haar geroddeld werd. Of over Mamm en Datt.’
Ik geef hem het eerlijkste antwoord dat ik kan geven. ‘Ik zal mijn best doen om wat je me vertelt binnenskamers te houden.’
Zijn hand trilt als hij het glas neerzet. ‘Ik kreeg een brief van Mary. Ongeveer een maand geleden.’
Die onthulling geeft me een schok. ‘Wat stond erin?’
‘Ze wilde bij de amish-gemeenschap weg. Ze vroeg me haar te helpen.’
‘Waarom wilde ze er weg?’
‘Ze zei dat ze er niet paste, dat ze zich er niet naar kon voegen.’
Ik weet dat er meer is. ‘Heeft ze het over een vriendje gehad?’
Zijn blik is behoedzaam. ‘Weet u daarvan?’
‘Ze hield een dagboek bij. Ik heb het in haar kamer gevonden, en gelezen.’
‘Een dagboek?’ De emotie is in zijn ogen te lezen. ‘Mag ik het zien?’
‘Ja, als ik deze zaak heb afgerond. Voorlopig is het bewijsmateriaal.’ Ik loop dichter naar hem toe. ‘Wat zei ze over dat vriendje?’
‘Alleen dat hij geen amish was, maar ze was stapelgek op hem. Echt stapelgek. Het klonk allemaal romantisch. U kent het wel, echt tienergedoe. Ze wilde met hem trouwen. Kinderen van hem. Dat soort onzin. Ze zou die avond stiekem weggaan om naar hem toe te gaan.’
‘Heeft ze een naam genoemd?’
‘Nee.’
Ik houd zijn blik vast. ‘Heb je die brief nog?’
‘Ik heb hem weggegooid.’ Hij kijkt weg. ‘Ik wist niet dat het het laatste was wat ik van haar zou horen.’
‘Hoe was de toon?’ vraag ik.
‘Ik zweer bij God dat ze goed klonk. Alleen een beetje... in de war. Voor de eerste keer verliefd.’ Zijn stem weigert even bij het laatste woord. ‘Was ik maar meteen naar haar toe gekomen. Misschien had ik iets kunnen doen.’ Hij sluit zijn ogen en drukt zijn vingertoppen tegen zijn slapen. ‘Mary keek altijd tegen me op. Ik was haar grote broer. Ze heeft gezien dat ik het amish-leven achter me liet, en zij wilde hetzelfde!’ Hij zucht. ‘Ik had Rob die me erdoorheen sleepte. Zij had niemand. Ik wilde dat ik er voor haar was geweest.’
‘Kun je me nog meer over de brief vertellen?’ vraag ik. ‘Iets wat je verontrustte?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘God, ik herinner me niet alle details meer. Ze vertelde zo’n beetje hoe het met iedereen ging. Hoe snel kleine Amos groeide. Ze zei dat het allemaal goed ging. Ik weet nog wel dat ze die jongen heel vaak noemde. Ze was echt helemaal hoteldebotel van hem.’
‘Zei ze iets waardoor je je zorgen maakte over haar veiligheid?’
‘Nee.’
Ik voel een diepe teleurstelling. ‘Heb je haar teruggeschreven? Gebeld?’
‘Ik heb haar een brief geschreven.’ Zijn gezicht trekt samen. Hij slaat met zijn vuist op het aanrecht. ‘O god, had ik maar de moed gehad om hierheen te komen.’
‘Wat heb je in die brief geschreven?’
Hij blaast uit om weer tot zichzelf te komen. ‘Ik heb haar de naam gegeven van een amish-man, vlak bij Millersburg. Hij is de leider van een soort... ondergronds spoor voor jonge amish-mannen die de sobere levensstijl willen verlaten.’ Hij kijkt me ernstig aan. ‘Dat is een van de redenen waarom ik u dit niet heb verteld, Chief. Die man is amish. Hij is getrouwd met een amish-vrouw en ze hebben zes kinderen. Als iemand erachter komt wat hij doet, wordt hij in de ban gedaan.’
Voor de eerste keer kan ik iets begrijpen van Aarons zwijgzaamheid. ‘Wat is zijn naam?’
‘Ed Beachey.’
Ik heb Ed nooit ontmoet, maar ik ken hem van horen zeggen. ‘Hij heeft een klein veebedrijf, verderop bij Miller’s Pond.’
Aaron knikte. ‘Ed biedt die jongeren onderdak. Hij geeft ze eten. Begeleidt ze. Ik heb tegen Mary gezegd dat ze contact met hem kon opnemen.’
‘Heeft ze dat gedaan?’
‘Dat heb ik hem gevraagd. Ed zegt van niet.’
‘Je weet dat ik dit allemaal moet verifiëren bij Ed,’ zeg ik.
‘Niemand weet dat hij jonge mannen helpt die weg willen bij de amish. Als het uitkomt, zal hij denken dat ik hem heb verraden.’
‘Ik zal hem duidelijk maken dat je geen andere keuze had.’ Ik zucht en voel me uitgeblust. ‘Als je je nog iets herinnert dat van belang kan zijn, bel me dan.’ Ik wil weglopen, maar als ik halverwege de woonkamer ben houdt Aaron me tegen.
‘Chief Burkholder?’
Ik draai me om.
‘Ik herinner me net nog iets waar u misschien iets aan hebt.’ Zijn blik is levendig als hij naar me toe loopt. ‘Ze had het erover dat ze haar vriend zou ontmoeten bij Miller’s Pond.
‘Daar heeft ze over geschreven. In haar dagboek.’
‘Nou, dan weet u misschien ook al dat ze op een dag, toen ze op hem stond te wachten, hun initialen in een boom heeft gekrast.’
Ik staar hem aan en merk dat mijn hart ineens sneller slaat. Initialen zullen deze zaak niet oplossen, maar misschien wel helpen de vriend te identificeren. ‘Weet je ook waar die boom staat? Bij het water? Aan het pad? Bij het parkeerterrein?’
Hij trekt een grimas en schudt zijn hoofd. ‘Dat heeft ze niet gezegd. Een boom, verder weet ik het niet.’
Ik blijf hem nog even aankijken. Ik weet nog steeds niet goed of ik hem mag, maar het is me wel duidelijk dat hij van zijn zusje hield. ‘Het zou een stuk makkelijker zijn geweest als je er meteen mee voor de draad was gekomen.’
Hij sluit even zijn ogen en op dat moment weet ik dat hij zichzelf, althans voor een deel, schuldig acht, aan de dood van zijn zusje. Misschien aan de dood van zijn hele familie.
‘Niets kan ze terugbrengen,’ zegt hij.
‘Nee, maar als je de waarheid vertelt slaap je doorgaans wel beter.’
Het is lang geleden dat ik naar Miller’s Pond ben geweest, en ik vergeet altijd hoe mooi het er is. De dam ligt aan de oostkant. Onderaan is een brede groene zoom met bomen langs Painters Creek. Aan de westkant ligt een maisveld. Ten noorden ervan is een akker met alfalfa die tot heuphoogte reikt. Ten zuiden strekt zich zo ver het oog reikt het geelgroene tapijt van een veld met sojabonen uit.
De plas zelf is behoorlijk groot. Mensen zwemmen hier in de zomer. Ze schaatsen er in de winter. Stelletjes rijden hier ’s avonds naartoe. Tieners drinken er bier en roken wiet. Het gebied wordt afgescheiden door een officieus parkeerterrein. De enige reden waarom hier niet al te veel mensen komen is dat je bijna een kilometer over een bospad moet lopen voor je bij het water bent.
Het huis van Ed Beachey was op de weg ernaartoe, dus gingen Tomasetti en ik bij hem langs om te vragen of Mary Plank bij hem hulp had gevraagd. De amish-man beweerde dat ze nooit contact met hem had opgenomen. Ik geloofde hem. Ik wilde hem op het hart drukken dat zijn geheim veilig bij me was, maar ik had door schade en schande geleerd dat je nooit beloften moet doen die je misschien niet waar kunt maken. Weer een doodlopend spoor.
Ik vertel Tomasetti onderweg over mijn gesprek met Aaron. Geen van ons beiden is erg optimistisch wat betreft het vinden van de boom met de initialen. Maar nu de zaak vastloopt en de klok doortikt was hij er niet tegen om even een kijkje te nemen.
‘Wat een dichtbegroeid gebied.’ Hij parkeert voor de reling.
‘Ik dacht erover het pad af te lopen. Misschien zien we iets.’ Ik stap uit de suv. Het is zo stil dat ik de bijen hoor zoemen rond de guldenroede en paardenbloemen in de greppel.
Tomasetti stapt uit en zet zijn zonnebril op. ‘Als je denkt voet- of wielafdrukken te vinden – daarvoor zijn we een maand te laat.’
Onze blikken kruisen elkaar boven de motorkap van de auto. ‘Ik weet dat de kans heel klein is, maar als we die initialen kunnen vinden, zou dat iets kunnen opleveren.’
Hij knikt, maar ik zie aan hem dat hij niet kapot is van het idee. ‘Als we de initialen niet vinden, hebben we in elk geval bomen zat om met ons hoofd tegenaan te slaan.’
‘Pragmaticus.’
De Tahoe staat op grind geparkeerd. Het asfalt is een halve kilometer terug opgehouden. Er is niet veel parkeerruimte, maar ik zie aan de hoeveelheid rommel op de grond dat hier heel wat mensen komen. Op de plek waar het gras begint, schitteren glasscherven als hete diamanten in de zon. Ik zie tientallen afdrukken van banden. Wikkels van snoeprepen. Een gebruikt condoom. De meeste mensen ruimen hun rommel achter zich op. Maar de sloddervossen niet. Ik sta nog geen minuut in de zon of ik begin al te transpireren in mijn uniform.
‘Oké. Dus we hebben een paar duizend bomen te controleren.’ Hij doet het portier van de auto open, rommelt binnen wat en duikt even later op met twee plastic supermarkttassen, die hij me aanreikt. ‘Hier heb je een zak om bewijsmateriaal in te doen.’
‘Wat vindingrijk, Tomasetti.’ Ik pak de tas aan. ‘Ben je bij de padvinderij geweest?’
‘Ik werd eruit geschopt op mijn negende omdat ik een sigaretje rookte.’
‘Zal best.’ Maar ik glimlach. ‘Je hebt zeker toevallig geen handschoenen bij je?’
Hij duikt de auto weer in en komt terug met een handvol papieren zakdoekjes. ‘Hier zul je het mee moeten doen.’
‘Jullie van het bci denken ook overal aan.’ Ik pak een paar zakdoekjes en stop ze in mijn achterzak.
Zuchtend trekt hij zijn jasje uit en gooit het op de voorbank. Hij draagt een lichtblauw overhemd. De oksels en rug zijn nat van het zweet. Hij neemt even de tijd om zijn stropdas los te maken. Ik zie borsthaar onder zijn boord uit piepen en herinner met dat hij precies de juiste hoeveelheid heeft.
‘Is er nog iets waar we naar uit moeten kijken, nu we hier toch zijn?’ vraagt hij.
Ik schud mijn hoofd. ‘Ze zijn hier meerdere keren geweest. Ze dronken wijn en hadden seks.’
‘Rookte dat vriendje?’
‘Ze heeft het er niet over gehad, maar Evelyn Steinkruger zei dat Mary een keer terugkwam en naar sigaretten rook.’
‘Zelfs als we een peuk vinden, is de kans groot dat er geen dna op te vinden is. En ook al was dat wel zo, dan is het nog niet verboden om hier te roken. Voor de zaak hebben we er niet veel aan.’
‘Tenzij het dna overeenkomt met het dna dat we op haar lichaam hebben aangetroffen.’
‘Goed opgemerkt.’ Hij rolt zijn mouwen op. ‘Laten we kijken of ze iets hebben achtergelaten waar we wat aan hebben.’
We beginnen op het grindterrein. Ik loop langs de kant, waar insecten in zwermen tussen het hoge onkruid vliegen. Het is eind zomer, dus alles is geel en droog, en bedekt met een dun laagje stof van het grind. Tomasetti loopt over het zandpad dat terugleidt naar de hoofdweg en controleert de grootste bomen. Ik gebruik een van de zakdoekjes om een snoepwikkel op te rapen en in de plastic tas te stoppen. Intussen tolt het woord ‘zinloos’ door mijn hoofd.
Het kost ons een kwartier om het terrein af te zoeken. Ik heb een handvol wikkels van repen en kauwgom, een plastic waterflesje en een verkreukeld bierblikje. Ik veeg een zweetdruppel van mijn slaap, kijk om me heen en probeer me te verplaatsen in Mary. Drie meter van me vandaan ziet Tomasetti er net zo uit als ik me voel: warm en ontmoedigd.
‘Ze overtrad de regels door hier te komen,’ zeg ik. ‘Ze moet privacy hebben gewild.’
‘Hij wilde waarschijnlijk niet met haar gezien worden.’ Hij komt naar me toe. ‘Kom, dan gaan we in het bos kijken.’
We lopen het zandpad af, de bossen in. De bomen bieden schaduw, maar de muggen hebben het op ons gemunt. Het pad wordt niet officieel bijgehouden; het dankt zijn bestaan vooral aan de hoeveelheid voetgangers die eroverheen lopen. Een of twee keer per jaar haalt een van de plaatselijke boeren nieuwe aanwas van jonge bomen en struiken weg.
Als we het bos in lopen, probeer ik me weer in Mary te verplaatsen. Ze was jong, amish en ze had een relatie die verboden was. Waar liepen ze? Wat raakten ze aan? Hebben ze misschien iets achtergelaten?
‘Ze hebben een fles wijn gedronken,’ zeg ik na een paar minuten. ‘Hij bracht een keer een lunch voor haar mee. Ze keken naar de sterren.’
‘Iets concreets zou aardig zijn,’ mompelt Tomasetti.
‘Initialen zouden een goed begin zijn.’
‘Verdomd veel bomen hier.’
‘Verdomd veel muggen hier.’
Halverwege de plas vind ik een enkele sok, die ik in mijn zak stop. Voor me hoor ik Tomasetti muggen wegslaan, en ik moet lachen. We zeggen niets terwijl we bezig zijn. De enige geluiden zijn afkomstig van de kwetterende mussen, het hoge wiet-wiet-wiet van een kardinaalvogel en af en toe de roep van een boomkwartel. We komen niemand tegen, en ik besef dat het in deze tijd van het jaar rustig is bij Miller’s Pond. De kinderen zitten op school. De meeste volwassenen zijn aan het werk. Rond vier uur komt hier een hele zwerm basisschoolkinderen. Studenten parkeren hun opgevoerde auto’s op het grindterrein en brengen de middag door met roken, zoenen en flirten. Later komt pa hier misschien zijn hengel uitgooien in de hoop een baars te vangen. Waar zouden Mary en haar minnaar naartoe zijn gegaan?
Het traject van bijna een kilometer kost ons twintig minuten. Ik bekijk elke boom, maar de initialen M.P. zijn nergens te vinden. Het bos komt uit bij een dam. Ik heb in totaal zes voorwerpen verzameld, waarvan er niet één veelbelovend lijkt. Mijn verstand zegt me niet langer tijd te verspillen en terug te gaan naar het bureau, waar we aan iets kunnen werken wat iets nuttigs oplevert.
Ik zweet als een otter als ik de steile oever naar de plas beklim. Het water beslaat bijna een hectare. Een grote populier en twee enorme rotsen markeren de noordzijde. Een vervallen steiger ligt aan de zuidkant. Aan de westkant is het water ondiep en groen van algen. In de winter fungeren twee aan elkaar gebonden dode boomstronken op een paar meter van de waterkant als zitbank. Daarachter ruist de mais in de wind.
‘Heb je hier als kind weleens een duik genomen, Chief?’
Ik kijk even om en zie Tomasetti de dam op klimmen. Zijn gezicht is vochtig van het zweet. Een muggenbeet prijkt op zijn wang. Maar het staat hem wel, dat wanordelijke. Details die ik niet zou moeten opmerken.
‘Nooit gedaan. Maar wel veel geschaatst.’
‘Vandaag is het warm genoeg om te zwemmen.’
‘Het water zal wel koud zijn. We hadden laatst nog nachtvorst.’ Ik glimlach. ‘Vraag je me nu om met jou het water in te duiken?’
Hij grijnst terug. ‘Het ziet er een beetje mossig uit.’
‘Watje.’
‘We zouden het water ook kunnen vergeten en naakt over dat maisveld gaan lopen.’
Ik schiet in de lach.
Hij glimlacht, maar ik zie aan de manier waarop hij naar me kijkt dat hij het meent. Ik hoef maar te kikken en hij neemt me in zijn armen. Dat besef brengt een vreemd fladderend gevoel in mijn buik teweeg.
Hij kijkt naar de zak die ik aan mijn riem heb vastgemaakt. ‘Heb je iets gevonden?’
‘Niet echt.’
Hij steekt zijn tas in de lucht. ‘Ik heb een SpongeBob van lego en een verweerd muntje van tien cent.’
Teleurstelling overvalt me als we de dam weer af lopen. De helling is steil en Tomasetti en ik glijden deels naar beneden. We lopen het bos in, waar de muggen op ons af komen vliegen als hyena’s op hun prooi. Ik moet nodig douchen als we terug zijn. Natuurlijk zal daar geen tijd voor zijn.
We lopen stilzwijgend. Ik houd maar een half oog op het pad, omdat ik steeds naar de grote bomen kijk die we passeren. Ik wil graag terug naar het bureau. Ik wil de voertuigenregistratie voor de tweede keer doornemen. Ik moet met de vriendin van Barbereaux praten om zijn alibi te bevestigen. Ik heb dna nodig van James Payne. En ook van Rob Lane.
Ik begin sneller te lopen. Het pad kronkelt en wordt daarna recht. Het parkeerterrein komt twintig meter voor ons in beeld. Ik zie de motorkap van de Tahoe en het gedeukte staal van de lage reling. De telefoonpalen die langs de weg staan. De bomen worden schaarser en we stappen het felle zonlicht in. De hitte slaat hard toe, als een klap met een gietijzeren pan. Ik voelt me verlept en vies als ik naar de auto loop. Als ik over de reling stap, zie ik een fles tegen de schaduwzijde van een paal staan.
Ik buk me en pak hem met een van de zakdoekjes op. De onderkant van de fles zit in een mand. Het etiket is verkreukt, half afgebladderd en vlekkerig, bijna niet meer te lezen. Ik hoor een belletje rinkelen wanneer ik het woord ‘Chianti’ zie staan.
‘Ik geloof dat ik iets heb gevonden,’ hoor ik mezelf zeggen.
Tomasetti komt achter me staan en kijkt naar de fles. ‘Als je dorst hebt, neem ik je met alle plezier mee naar McNarie’s.’
‘Mary en haar vriend hebben hier een paar weken geleden bij Miller’s Pond een fles wijn gedronken. Dat schreef ze in haar dagboek. Ik moet het nakijken, maar ik geloof dat ze zei dat het Italiaanse wijn was, en ze schreef ook nog iets over de fles.’
Hij kijkt sceptisch. ‘Weinig kans, denk ik.’
‘Er is maar één plek in de stad waar ze dit soort chianti verkopen. Hire’s Carry-Out, een zaakje aan Highway 83. Ik heb een datum, die staat in het dagboek. Als ze weten wie hem heeft gekocht, hebben we zijn naam.’
‘Het is de moeite van het proberen waard.’ Maar hij ziet er niet al te enthousiast uit. Misschien omdat het geen misdaad is om goedkope chianti te drinken, hier of waar dan ook.
Toch is het de moeite waard. Ik laat de fles in de tas vallen en we lopen naar de auto. Onwillekeurig maken we meer tempo. Twee bloedhonden die een spoor geroken hebben, hoe vaag ook.
Geen van ons zegt iets totdat we ingestapt zijn. Tomasetti start de motor en trapt de koppeling in. ‘En, hoe komen we bij Hire’s?’
Ik bel T.J. vanuit de auto om te vragen of hij in Mary Planks dagboek wil opzoeken waar ze iets over wijn schrijft. Het ligt op mijn bureau. Na een paar minuten heeft hij het gevonden.
Hij leest voor: 22 september. Hij kwam naar mijn raam! Ik zou niet blij moeten zijn om hem te zien, maar dat was ik wel. Ik glipte het huis uit, en we hebben een fles wijn gekocht. Toen nam hij me mee naar Miller’s Pond. We keken naar de sterren en hij gaf me mijn eerste les over wijn. De fles zat in een schattig soort mandje en kwam helemaal uit Italië! Hij weet zoveel van de wereld. Later hebben we gevrijd. Ik zei dat ik met hem wil trouwen. En dat ik Mamm en Datt over ons wil vertellen. Toen werd hij een beetje boos, en hij zei dat ze het niet zouden begrijpen. Maar ook al moet ik de Kerk verlaten, ik moet hun zegen hebben. Ik ben zo in de war! Ik weet niet wat ik moet doen!
‘Jemig.’ T.J. zucht diep. ‘Dat arme kind.’
Ik vertel hem over de fles. ‘Tomasetti en ik gaan even langs bij Hire’s Carry-Out.’
‘Kan ik iets doen, Chief?’
‘Laten we hopen dat ze daar hun klantgegevens netjes bewaren.’