- Holger Kersten
- Jezus leefde in India
- Jezus_India_Kersten_0059.xhtml
Noten
- Nicolai Notovitch, Die Lücke im Leben
Jesu; Deutsche Verlagsanstalt, Stuttgart 1894.
- Issa is een van de vele Arabische namen voor Jezus.
- Grieks: pente = vijf.
- Regeringspaleis in Lhasa, de hoofdstad van Tibet.
- Tacitus, Annalen 15, 44.
- Suetonius, Nero 16 en Claudius 24, 4.
- Plinius de Jongere, Brieven, 10, 96 e.v.
- Josephus Flavius, Jüdische Altertümer, 18 3.3 en 20
9.1.
- Origines contra Celsum, 147.
- Arthur Drews, Die Christusmythe, 19112,
3.
- Uittreksels uitgegeven en vertaald door Wilh. Reeb, Leipzig,
1923.
- Clemens van Alexandrië, Stromateis 7, 89, 2 e.v.
- Origines contra Celsus 3, 12.
- Citaat uit Der Spiegel nr. 14, 1966.
- J. Jeremias, 1951.
- Citaat uit Der Spiegel nr. 14,1966.
- Wilh. Nestle, Krisis des Christentums, 1947, pag.
89.
- F. Overbeck, Christentum und Kultur — uit de
nalatenschap 1919.
- Citaat naar H. Ackermann, Entstellung und Klarung der
Botschaft Jesu, 1961.
- A. Deissmann, Paulus, 19252.
- E. Grimm, Die Ethik Jesu, 1917.
- A. Schweitzer, Geschichte der Leben-Jesu-Forschung,
Tübingen, 19132, pag. 512.
- Citaat uit Der Spiegel nr. 14, 1966.
- Der Stern nr. 16, 1973.
- Reeds in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw
deed de beroemde Oxfordse indoloog Max Müller een poging de
bevindingen van Notovitch als bedrog te ‘ontmaskeren’. Müller die
zelf nooit in India is geweest, liet via een handelsfirma in
Kashmir naspeuringen doen en verkondigde toen in heel Europa dat
een Europeaan met een gebroken been in een klooster in Ladakh
‘inzage had gekregen in bepaalde documenten’. Van de mentaliteit
van Müller krijgt men een goede indruk uit een brief die hij in
1876 aan een vriend stuurde: ‘India is veel meer rijp voor het
christendom dan Rome en Griekenland ten tijde van de apostel
Paulus. Ik zou er graag naartoe gaan... en kijken of ik een
bijdrage zou kunnen leveren aan de missie, die zich ten doel heeft
gesteld de verachtelijke Indische priesterkaste te vernietigen en
de weg te banen voor de christelijke leer.’ (Nirad C. Chaudhuri,
Scholar Extraordinary, pag. 32).
Sir Francis Younghusband, de toenmalige ambassadeur van de Britse
Kroon aan het hof van de maharadja van Kashmir, beschrijft een
ontmoeting met Notovitch op de Zoji-la-pas. In zijn boek The
Heart of a Continent schreef Younghusband op pag. 214 dat beide
mannen de nacht in een gezamenlijk kamp hadden doorgebracht, toen
Notovitch op reis was van Kashmir naar Skardu. Reeds lang voor het
verblijf van Notovitch in Hemis schreef een zekere mevrouw Harvey
in 1852 over het bestaan van geschriften over Issa in haar boek
The Adventures of a Lady in Tartary, China and
Kashmir, Deel 2, pag. 13.
- Anagarika Govinda, Der Weg der weijien Wolken, München
1969 (Scherz Verlag).
- H.P. Blavatsky, De Geheime leer, deel. 2, pag. 220.
- Jens Juergens, Der biblische Moses, 1928.
- W.F. Irland, Die Memoiren David Rizzios, Kollmann,
Leipzig 1852.
- Dummelow, Commentary on the Holy Bible, pag. 115.
- H.P. Blavatsky, Isis entschleiert, dl. II, repr. Den
Haag 1974, pag. 135.
- Travancore-Cochin behoort tot de provincie Kerala in
Zuid-India.
- Blavatsky, Isis entschleiert, pag. 136.
- Bernier, Frangois, Travels in the Moghul Empire, Londen
1891, pag. 432.
- G. Konzelmann, Aufbruch der Hebraer, Berlijn 1976, pag.
37 e.v.
- Joseph Wolff, Uitg. John W. Parker, Londen
18452.
- G.T. Vigne, Whittaker & Co, Londen 1840, pag. 166.
- Uitg. William Collins, Londen en Glasgow,
18802.
- G. Moore, The lost tribes, Uitg. Longman and Green,
Londen 1861.
- Abdul Ahad Azad, Kashmiri Zaban Aur Shairi, dl. I, pag
10, Uitg. Jammu en Kashmir Cultural Academy.
- Hennecke-Schneemelcher, op. cit. deel 2 pag. 210.
- G. Kroll, Aufden Spuren Jesu, Leipzig 1964, pag.
63 e.v.
- P. Sehnabel, Der jüngste Keilschrifttext in: Zeitschrift
für Assyriologie, NF 2 (36), pag. 66 e.v.
- De leer van de reïncarnatie gaat ervan uit dat iedere ziel een
vele levens durend evolutieproces doormaakt en dus steeds opnieuw
incarneert, dat wil zeggen belichaamd wordt, om nieuwe ervaringen
op te doen en zich tot goddelijkheid te ontwikkelen.
- Origines, Gen. hom. XIV 3.
- Citaat uit: Hennecke-Schneemelcher, Neutestamentliche
Apokryphen deel 1, Tübingen, 19684, pag. 98.
- Dalai lama, Mein Land und meine Leute, Droemer Knaur,
München, 1982.
- Heinrich Harrer, SiebenJahre in Tibet, Frankfurt,
1966.
- Ernst J. Eitel, Handbook of Chinese Buddhism, Tokio,
1904.
- Robertson, John M., Die Evangelienmythen, Jena, 1910,
pag. 51 e.v.
- Joodse Oudheden, XVIII.5.2.
- P. Blavatsky, op. cit., pag. 142.
- Citaat naar J. Klausner, Jesus von Nazareth,
19523, pag. 144.
- Het jaar van de joden heeft twaalf maanden met afwisselend 29
en 30 dagen, dus 354 dagen, dat is 50½ week van elk 7 dagen. Om aan
te sluiten bij de werkelijke jaarrekening moet binnen 19 jaar 7
keer, ieder 3e, 8e, 11e, 17e en 18e jaar een 13e maand, de ‘tweede
Adar’ ingevoegd worden. De joodse tijdrekening begint met de ‘dag
van de schepping van de wereld’ 20 september in het jaar 3760
v.C.
- A. Hilgenfeld (Zeitschrift für wissenschaftliche Theologie
(1860-1882)) of W. Bauer (Essener, in Pauly-Wissowa, Supplement
deel IV, pag. 426 e.v.)
- Friedrich Weinreb, Das Buch Jonah, Zürich, 1970, pag.90
e.v.
- J.M. Pryse, Reinkarnation im NT, Ansata Vlg.,
19802.
- Bhagvan Dass, Krishna and the Theory ofAvatars.
- Sri Yukteswar, De heilige wetenschap, Ankh-Hermes,
Deventer.
- F. Hitching, Die letzten Ratsel unserer Welt,
Umschau-Verlag, 1983, pag 118 e.v.
- Willi Marxsen, Die Auferstehung Jesu, Gütersloh,
1960.
- Ian Wilson, Eine Spur von Jesus, Freiburg, 1980.
- Hennecke-Schneemelcher, Neutestamentl. Apokryphen,
Tübingen, 1968, pag. 104.
- Doctrina Addai, 4e eeuw, voormalige rijksbibliotheek St.
Petersburg (Leningrad).
- Euagrus, Historia Ecclesiastica, Migne, Patroligia
graeca, LXXX, VI/2, Sp. 2748-49.
- W. Bulst, Das Grabtuch von Turin, Karlsruhe, 1978, pag.
111.
- Citaat naar Wilson, pag. 191.
- H. Thurston, The Holy Shroud..., in: The Month 101, pag.
16.
- John Reban, Christus wurde lebendig begraben,
Inter-Found, Zürich, 1982.
- W. Bulst, op. cit., pag. 123.
- Applied Opties, dl. 19, no. 12, 1980; X-ray
spectrometric, dl. 9, no. 2,1980.
- R. Seydel, Das Evangelium von Jesus, Leipzig, 1882, pag.
273.
- Ian Wilson, Eine Spur von Jesus, Freiburg, 1980, pag.
279.
- J. Blinzler, Das Turiner Grablinnen und die
Wissenschaft, Ettal, 1952, pag. 31.
- H. Bardtke, Die Handschriftenfunde am Toten Meer,
Berlijn, 1958, pag. 42.
- Giulio Ricci, Kreuzweg nach dem Leichentuch von Turin,
Rome, 1971, pag. 68 e.v.
- Vgl. John Reban, Zürich, 1982.
- Hennecke-Schneemelcher, Neutestamentliche Apokryphen,
pag. 27 e.v.
- Vgl. Wilh. Lange-Eichbaum, Genie, Irrsinn und Ruhm,
München, 19676, pag. 496 e.v.
- Lactantius, Institutiones, 5.3.
- Hennecke-Schneemelcher, dl. 2, pag. 299 e.v.
- Vgl. Hennecke-Schneemelcher, dl. 1, pag. 199 e.v
- Vgl. Hennecke-Schneemelcher, dl. 1, pag. 206 e.v.
- Hennecke-Schneemelcher, dl. 2, pag 316.
- Hennecke-Schneemelcher, dl. 2, pag. 319.
- Hennecke-Schneemelcher, dl. 2, pag. 320.
- Hennecke-Schneemelcher, dl. 2, pag. 321.
- Joachim Jeremias, opstel in Nachrichten aus der Akad. d.
Wiss., Göttingen, I. Phil.-Hist. KI. 1953, pag. 95 e.v.
- Indiase versie van de leer van Zarathoestra (vert.).
- Hennecke-Schneemelcher, dl. 1, pag 199 e.v.
- Vgl. Joachim Jeremias, opstel in Nachrichten aus der Akad.
d. Wiss., Göttingen, I. Phil.-Hist. KI. 1953, pag. 99 e.v.
- Vgl. H. v. Glasenapp, Die Literatur Indiens, Stuttgart,
1961, pag. 129-135.
- Bron: Kans-ul Ammal, dl. II, pag. 34.
- Citaat naar: D.W. Lang, The wisdom of Balahar, New York,
1957, pag. 37.
- Citaat naar: M. Yasin, Mysteries of Kashmir, Srinagar,
1972.
- Als bijvoorbeeld bij Philo van Alexandrië (ca. 25 v. tot 50
n.C.) in zijn geschrift Over de dromen (I. 139). Of bij
Justinus de Martelaar (ca. 100 — 165) in zijn Dialoog met de
jood Tryphon (LXXXVIII, 5). Ook bij Tatianus (2e eeuw)
in zijn Rede tot de Grieken (VII, 5-6), en bij Clementius
van Alexandrië (ca. 159 — 214) in zijn Vermaanredes (I, 4;
I, 6; II, 25), evenals in Tapijten (IV, 160, 3). Eveneens
bij Gregorius van Nyssa (ca. 331 — 391) in zijn
Zaligsprekingen (I, 3), de Grote Catechetische Rede
(VIII, 9), het Gesprek met Macrina (13, 4 en 18, 4). En ook
bij Synesios van Cyrene (ca. 370 — 413) in Over de dromen
(140 B) en bij Augustinus (354 — 430) in Over de Grootheid van
de Ziel (XX.34) en in Getuigenissen (1,6,9).