Van de verovering tot de ballingschap
Na de dood van Mozes in de dertiende eeuw veroveren de stammen van Israël onder leiding van Jozua geleidelijk heel Kanaan en verdelen het land door beslissing van het lot onder elkaar. Het proces van de verovering en aanpassing speelde zich af in een periode van ongeveer 150 jaar. In het lied van Deborah (Richt. 5:8) is er sprake van dat alle inwoners samen ongeveer 40 000 mensen tellen. Ze worden door strenge dictatoren, de richteren, volgens de Mozaïsche wetten bestuurd. Maar de macht van de richter is op den duur niet voldoende om uit de ongedurige nomaden een verenigd volk te vormen. De Israëlieten hebben een koning nodig die ze met sterke hand leidt. Samuël, de laatste richter, zalft tenslotte aan het eind van de elfde eeuw Saul tot koning. Maar pas onder koning David (ongeveer eerste helft van de tiende eeuw) wordt Israël eindelijk een verenigde staat met Jeruzalem als hoofdstad en onder Davids zoon Salomo wordt de beroemde tempel gebouwd.
Salomo verkreeg wereldwijde beroemdheid vanwege zijn allesovertreffende wijsheid. Wat hem aan bijbelse teksten toegeschreven wordt, is echter met zekerheid pas na zijn tijd ontstaan. Aan welke leraren hij zijn wijsheid dankt, is helaas niet overgeleverd.
Helena Petrowna Blavatsky schrijft in haar boek Isis ontsluierd31 het volgende over Salomo: ‘De door latere generaties om zijn magische kunst (zoals de geschiedschrijver Josephus Flavius (Antiquites, dl.VIII, 2:5) zegt) zo gevierde Salomo, verkreeg zijn kennis in India, van Chirma, de koning van Ofir, en misschien van Sheba. Zijn gewoonlijk als “Salomonszegel” bekende ring, die vanwege de kracht van zijn invloed over de vele soorten geesten en demonen in alle folkloristische legenden zo geroemd werd, is eveneens van Indiase oorsprong.’
Dan citeert Blavatsky uit het hoofdstuk over de natuurgeschiedenis van Travancore32 in het boek The Land of Charity van dr. Mateer: Een heel merkwaardig feit wordt verbonden aan de naam van deze vogel (de pauw), die een historisch licht op de Heilige Schrift werpt. Koning Salomo zond een vloot naar Tarsis die eens in de drie jaar terugkeerde, beladen met ‘goud, zilver, ivoor, apen en pauwen’ (I Kon. 10:22).
Nu luidt het in de Hebreeuwse Bijbel voor pauw gebruikte woord ‘tukki’, en omdat de joden natuurlijk geen benaming voor deze mooie vogels hadden voor het tijdstip dat ze door koning Salomo in Judea ingevoerd werden, is het zeker dat ‘tukki’ eenvoudig het oude Tamil-woord (Zuidindiase taal) ‘toki’ is, dat pauw betekent. De aap heet ook in het Hebreeuws ‘koph’, het Indiase woord hiervoor luidt ‘kaphi’. Ivoor is in Zuid-India in overvloed aanwezig en goud komt in de rivieren van de westkust overal voor. Daarom was het genoemde ‘Tarsis’ ongetwijfeld de westkust van India, en Salomo’s schepen waren oude ‘Oost-Indiëvaarders’. We kunnen er gerust aan toevoegen dat behalve ‘goud, zilver, ivoor, apen, en pauwen’ koning Salomo en zijn vriend Chiram nog een uitheems aandenken uit India mee naar huis brachten: hun ‘magie’ en al hun ‘wijsheid’.33
In het eerste boek Koningen is te lezen dat Salomo Chiram, de koning van Tyrus, twintig steden ten geschenke geeft, waaronder Kabul, dat vroeger tot het grote Indiase rijk behoorde.
Op een berg boven de stad Srinagar staat een kleine tempel die ‘Takht-i-Suleiman , de troon van Salomo genoemd wordt. Op de fundamenten van het oude, vervallen gebouw werd de ‘nieuwe tempel’ — volgens een inscriptie – in het jaar 78 n.C. Door koning Gopadatta (ook Gopananda genoemd) gerestaureerd. De overlevering zegt dat Salomo het land (Kashmir) bezocht heeft en dat hij het was, die een afvoer voor het water, waarvan nu nog het reusachtige Dalmeer bestaat, geopend heeft door de berg ‘Barehmooleh’ te doorboren en dat hij het kleine gebouwtje (Takht-i-Suleiman) gebouwd heeft dat ook nu nog de Troon van Salomo genoemd wordt.34 (Zie illustratie 8)
Bij de moslimbevolking is voor Kashmir ook nu nog de naam ‘Baghi Suleiman’, tuin van Salomo, bekend.
Als Salomo omstreeks het jaar 930 sterft, wordt zijn zoon Rechabeam zijn opvolger. Nauwelijks heeft hij de troon bestegen of er breekt onder leiding van Jerobeam, de Ephraïmiet in ballingschap, een opstand uit tegen het koningshuis vanwege te hoge belastingheffingen. Als gevolg van deze opstand maken de stammen in het noorden zich onafhankelijk en het rijk valt in twee delen uiteen. De tien stammen in het noorden maken Jerobeam tot hun heerser en noemen hun rijk het koninkrijk Israël. Over de twee overige stammen in het zuiden heerst het Huis David en men noemt zijn koninkrijk Juda. De twee vijandelijke broederstaten bestaan meer dan tweehonderdvijftig jaar naast elkaar verder, en in ongeveer vierhonderd jaar, sinds de Hebreeën er gevestigd zijn, groeit het volk aan tot ongeveer 300 000 mensen. Beide staten lukt het gedurende de zogenaamde koningstijd uiteindelijk niet zich staande te houden tegen innerlijke onrust en de aanvallen van de verdreven buurlanden. Onder de koningsdynastie Jehu (845-747 v.C.) wordt Israël eerst onder Shargon II drie jaar door de Assyriërs bezet en tenslotte met de verovering van de hoofdstad Samaria (722) vernietigd. Als schatplichtige vazalstaat kan Juda echter nog meer dan honderd jaar blijven bestaan, tot dan de Babylonische koning Nebukadnessar Jeruzalem inneemt en de stad omstreeks het jaar 587 verwoest, hetgeen ook het einde van de staat Juda betekent. De veroveraars verdrijven de bevolking met geweld. De twee stammen Juda en Benjamin, die samen het zuidelijke koninkrijk Juda vormen, worden gespaard tot Nebukadnessar ze in ballingschap naar Babyion stuurt. Van daar keert ongeveer de helft van de weggevoerden dan onder de Perzische koning Cyrus II na vijftig jaar ballingschap in het jaar 535 naar het vaderland terug.
Heel anders gaat het echter met de al honderdvijftig jaar eerder gedeporteerden uit de noordelijke staat Israël. De door de Assyriërs verdreven tien stammen, dus verreweg het grootste deel van de totale bevolking, trekt in oostelijke richting en van hen bereikt de achtergeblevenen nooit meer een levensteken. ‘En Israël werd uit zijn land in ballingschap weggevoerd naar Assur, tot op de huidige dag.’ (II Kon. 17:23). Als ‘de tien verloren stammen van Israël’ gingen ze de geschiedenis in, en tot op de dag van vandaag gelden deze duizenden mensen als verdwenen en onvindbaar. Vele, onweerlegbare aanwijzingen maken het zeer aannemelijk dat de meeste ‘verloren stammen van Israël’ na eeuwen van politieke verwarring en rondzwerven eindelijk in het toegezegde ‘beloofde land’, het ‘land der vaderen’, aangekomen zijn, namelijk in Noord-India, waar ze rust en vrede vonden tot op de dag van vandaag.