De opstanding in het licht van de historische gebeurtenissen

Bij de kruisiging en graflegging van Jezus komen mensen in actie die tevoren nog niet als aanhangers van het nieuwe verbond genoemd waren. De ‘krijgsknecht’ die Jezus de noodlottige wonderdrank geeft, die dan de ‘snede’ met de lans geeft, die tenslotte Pilatus bevestigt dat de gekruisigde al gestorven is en van wie de uitspraak: ‘Waarlijk, dit was een Zoon Gods.’ (Matt. 27:54, Marcus 15:39,) overgeleverd is, schijnt één en dezelfde persoon te zijn. In de apocriefe handelingen van Pilatus wordt hij Longinus genoemd en hij is de hoofdman die het toezicht had bij de kruisiging. Het legendarische Griekse ‘Martyrium van Longinus’ ziet in hem de hoofdman van Golgota, die ook de grafwake gecontroleerd heeft, en noemt Sandrales (of Sandiale) in Cappadocië als zijn vaderland. Deze Longinus krijgt na de ‘opstanding’ de kostbare grafdoek als beloning (vergelijk blz. 159) en wordt, volgens een door Gregorius van Nyssa getuigde overlevering, later zelfs bisschop in Cappadocië. Deze wonderlijke verandering van opvatting – van vermeende doodsvijand van Jezus tot christelijk bisschop – wekt op zijn minst het vermoeden dat er al voor de kruisiging betrekkingen met Jezus en zijn gevolg hebben bestaan. Eerst als men er duidelijkheid over krijgt dat de gebeurtenissen rond de kruisiging onder de bescherming van deze ingewijde en goed bedoelende meerdere van de betrokken Romeinse soldaten plaatsgevonden hebben, worden de geheimzinnige gebeurtenissen logisch verklaarbaar en kunnen ze niet meer als aan de fantasie ontsproten afgedaan worden.

De afname van het kruis en de graflegging voltrokken zich onder de hoede van de voorname, zeer welgestelde en invloedrijke koopman Jozef van Arimatea. Als raadsheer en lid van het Sanhedrin had hij al vergeefs tegen de veroordeling van Jezus gestemd (vergelijk blz. 152). Tevoren had hij niets kunnen beginnen tegen de overmacht, maar nu kon hij zijn rijkdom en zijn invloed effectief laten gelden. Hij was het in ieder geval die van Pontius Pilatus het afgeven van het ‘lijk’ bereikte, waarschijnlijk met behulp van overtuigende argumenten.

Deze Jozef betaalde ook het – ongetwijfeld heel dure – linnen en zorgde dat de in coma liggende Jezus naar zijn nieuwe(!) rotsgraf dichtbij Golgota (= Schedelberg – vanwege de vorm van de berg) gebracht werd. Later werd Jozef van Arimatea zelfs als heilige vereerd. De katholieke Kerk viert zijn daden op 17 maart. Het apocriefe Nikodemus-evangelie vertelt dat Jozef later door Jezus zelf uit een joodse gevangenis bevrijd werd (Nik. ev. 12:15). Nikodemus was de vertrouweling van Jozef, die bij de graflegging hielp en voor het mengsel van honderd pond (= 32.7 kg!) mirre en aloë zorgde. Deze Nikodemus, die alleen in het Johannes-evangelie genoemd wordt, was ook een joodse raadsheer en een farizeese schriftgeleerde (Joh. 3:1-10), die eerder al een nachtelijke leerrede van Jezus gekregen had (Joh. 3:212) en die zich voor de hoge raad eveneens tegen de schuld van de Nazarener had uitgesproken (Joh. 7:50 e.v.).

Dat juist deze twee raadsheren zich zo ijverig met het dode lichaam van Jezus bezighielden, lijkt al heel merkwaardig. Eigenlijk zou het de taak van de naaste verwanten zijn geweest om zich om de dode te bekommeren. En waarom komen de discipelen nergens tevoorschijn? Hierover geeft het alleen nog in brokstukken bewaarde Petrus-evangelie uitsluitsel: ‘Ik (Petrus) echter was met mijn makkers vol droefheid; en met verwond hart hadden we ons verborgen, want ze waren op zoek naar ons als euveldoeners en omdat we zogenaamd de tempel in brand wilden steken. Bij dat alles vastten we en zaten in rouw en weenden dag en nacht tot aan de sabbat.’78

Ook de andere ‘sympathisanten’ van Jezus komen niet in de buurt van het kruis, maar kijken op een afstand toe. Als men aanneemt dat Jozef van Arimatea en Nikodemus geheime lekenaanhangers van de Essenen waren, is ook te verklaren waarom juist zij bijzonder geschikt waren om de behandeling van de verse wonden en het inleiden van het genezingsproces op zich te nemen. Als ervaren genezers kenden de Essenen ook exotische wondermiddelen en geneesmethoden.

Aloë en mirre zijn ook nu nog uiterst werkzame geneesmiddelen bij de behandeling van open wonden. Johannes bedoelt uitdrukkelijk de medicinale aloë die uit een dikbladig lelie-achtig gewas gewonnen wordt en niet het zogenaamde aloëhout, dat fijngewreven als geurpoeder gebruikt wordt en in het Oude Testament ‘ahalim’ wordt genoemd. Deze medicinale aloëhars werd al drieduizend jaar voor Christus in India als geneesmiddel gebruikt. Volgens Dioscurides en Plinius de Oudere werd aloë in Palestina voornamelijk uit India betrokken. Als wondgeneesmiddel werd aloë in de Middeleeuwen naar Europa gebracht, waar het ook nu nog gebruikt wordt in de homeopathie.

Ook mirre is een gummihars dat tot 10% etherische olie bevat. Als mirretinctuur wordt mirre, in de vorm van een alcoholisch aftreksel, ook nu nog gebruikt om ontstekingen te behandelen. De bekendste mirresoort is ‘bdellium’ die in India gewonnen wordt uit de plant ‘commiphora roxburghi’.

Om de eigenschappen van deze stoffen beter te begrijpen, heb ik zelf geëxperimenteerd met aloë en mirre en kon daaruit interessante inzichten winnen. Het tot 25% in de aloë voorkomende aloïne heeft lichtgevoelige eigenschappen; en wordt donkerder door licht en lucht.

Aloë reageert in verbinding met andere stoffen tamelijk heftig. Toen ik ongeveer vijf gram aloëhars wilde oplossen in ongeveer vijftien ml water, was dit niet zonder meer mogelijk. Ik liet de taaie hars met het water staan in een dik drinkglas. De volgende nacht werd ik wakker door een harde knal. Het glas was in duizend stukken gesprongen, die tot vier meter in het rond verspreid lagen. Niemand kon me uitleggen hoe deze reactie tot stand gekomen was. Het agressieve gedrag bewijst echter dat de afdruk op de doek als gevolg van verschillende biochemische reacties zonder meer op een oxydatieproces teruggevoerd kan worden. Een in aloë en mirretinctuur gedrenkte doek wordt door de gummi-achtige hars rechtstreeks geïmpregneerd. Deze impregnering belet het doordringen van de stof. De lichaamsafdruk en de meeste bloedvlekken werden daardoor niet opgezogen; ze hebben alleen aan de oppervlakte van de doek chemisch gereageerd. Daardoor zijn de afdrukken zuivere ‘oppervlakteverschijnselen’. Omdat het verse bloed niet in het weefsel kon dringen, is het op de doek gestold en heeft zo de typische serumkringen gevormd, die bij het op het lichaam gedroogde bloed ontbreken. Bovendien wordt de stof door de hars onbuigzaam en bijna ‘zo hard als een plank’. Alleen door deze stijfheid van de stof waren de duidelijke, niet vervormde afdrukken van het lichaam mogelijk.

De warmteontwikkeling, die mogelijk door het mengsel van aloë en mirre veroorzaakt wordt (en die op het grote vlak van de doek natuurlijk niet zo sterk kan zijn als in een glas), heeft een therapeutisch effect op het genezingsproces. Jezus moet na de voorafgegane marteling tamelijk verzwakt zijn geweest. Toch was het bloedverlies door de spijkerwonden en door de verwonding in zijn zij betrekkelijk gering. Alle op de doek zichtbare bloedsporen doen concluderen iets minder dan een liter. Door chirurgen op lijken uitgevoerde proeven hebben getoond, dat door het spijkeren noch de grotere bloedvaten noch botten zijn geraakt.

 

 

Aan de hand gaat de spijker midden door de acht handwortelbeentjes en duwt die juist een eindje uit elkaar. De doorboring van de voeten ligt in het ‘tweede metatarsale specium’ en heeft hier ‘slechts’ vleeswonden veroorzaakt.

Nadat de grotere wonden gehecht waren, had de zwaargewonde absolute rust nodig, die waarschijnlijk ook door de aanhoudende werking van de verdovende drank gegarandeerd was. Drie dagen later waagden een paar vrouwen het naar het graf te gaan. Marcus noemt

Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome, die ‘specerijen’ bij zich hebben om het ‘lijk’ te zalven. Bij Matteüs zijn het maar twee vrouwen die naar het graf gaan, Lucas spreekt van ‘vrouwen’, en bij Johannes is het alleen Maria Magdalena. Alle vier evangeliën zijn het er echter over eens dat het graf leeg is, op een of meer mannen in witte gewaden na. Deze ‘engelen’ kunnen ongetwijfeld Essenen geweest zijn, die immers altijd in het wit gekleed waren. De Essenen waren kennelijk de enigen die in de hele geheimzinnige gebeurtenis ingewijd waren! Zelfs de discipelen schijnen volkomen argeloos als ze hun meester later weer ontmoeten.

Ondanks alle tegenstrijdigheden en ongerijmdheden over de gebeurtenissen na de lijdensweg in de evangeliën wordt een aantal dezelfde getuigen genoemd die Jezus na de ‘opstanding’ in levenden lijve gezien hebben. Maria Magdalena houdt hem eerst voor de tuinman (Joh. 20:14-15), twee discipelen ontmoeten hem op de weg naar Emmaüs (Marcus 16:9, Luc. 24:15). Maar pas als hij met hen aan tafel zit voor het avondmaal, herkennen ze de Nazarener aan de manier waarop hij het brood breekt: ‘En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte. En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem...’ (Luc. 24:30-31)

De periode waarin zich de gebeurtenissen na de opwekking afspelen, is zo tegenstrijdig overgeleverd dat er geen exacte conclusies mogelijk zijn. De drie dagen die tussen de kruisiging en het herverschijnen verstreken moeten zijn, betekenen een mystiek aantal, dat ook bij vroegere opstandingsmythen een rol speelt. Jezus kan heel goed langer verpleegd zijn voor hij zich geleidelijk weer aan zijn aanhangers vertoond heeft. In ieder geval blijken de ontmoetingen steeds maar van korte duur en ook geheim te zijn geweest. Het is duidelijk dat hij zich niet in het openbaar mocht vertonen, anders was hij waarschijnlijk meteen weer gearresteerd. Hij schijnt om te beginnen nog wat misvormd te zijn geweest, vermoedelijk was zijn gezicht een tijdlang gezwollen, zodat ook zijn vertrouwelingen moeite hadden om hem meteen te herkennen. De discipelen hebben zich in het begin teleurgesteld teruggetrokken en oefenden intussen hun vroegere beroep weer uit (Simon Petrus, Tomas, Natanaël uit Kana en de zonen van Zebedeüs gaan weer vissen (Joh. 21:2-3)). Pas als Jezus hen een boodschap stuurt dat hij ze zelf in Galilea wil treffen, worden ze door nieuwe ijver gegrepen (Matt. 28:10). Dan maakt hij zich aan de discipelen bekend, die hem eerst voor een geest houden en bang zijn. ‘Doch Hij zeide tot hen: Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op in uw hart? Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben, betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb. En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets te eten? Zij reikten Hem een stuk van een gebakken vis toe. En Hij nam het en at het voor hun ogen.’ (Luc. 24:38-43) De ‘ongelovige Tomas’ wordt tenslotte zelfs door Jezus verzocht zijn littekens met de hand aan te raken, waardoor hij overtuigd wordt dat zijn meester inderdaad lichamelijk bestaat.

Toch kan Jezus niet meer in het openbaar onderwijzen; zijn vervolgers zijn hem al op het spoor. Een tweede keer had hij zijn executie zeker niet kunnen ontgaan. Dus blijft hem geen andere mogelijkheid dan zich voor eeuwig aan de bedreiging door zijn vijanden te onttrekken. ‘Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt (!) was. En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen (!); op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.’ (Marcus 16:14-18) ‘En Hij leidde hen naar buiten tot bij Betanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen. En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde. En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap.’ (Luc. 24:50-52)

Hoe deze afscheidsscène zich afgespeeld kan hebben, is het best na te gaan door de gebeurtenis op dezelfde plaats te reconstrueren. Vanaf de stadsgrens van Jeruzalem stijgt de weg naar Betanië over de laatste zuidelijke uitlopers van de Olijfbergketen tot aan de ‘hemelvaartstop’ tamelijk steil. Wie over de top heen aan de andere kant weer omlaag loopt, verdwijnt betrekkelijk snel uit het oog van een achterblijver.

Jezus hecht er grote waarde aan, zijn aanhangers te bewijzen dat zijn lichaam volkomen aards is. Hij benadrukt zijn lichamelijkheid door zich te laten betasten en door voedsel tot zich te nemen. Daarbij verklaart hij uitdrukkelijk geen geestelijk wezen te zijn. Zijn verschijnen berust dus kennelijk niet op een verwisseling, op bedrog of op visioenen en zijn lichaam is niet getransfigureerd, het is geen astraal lichaam, geen spookverschijning, en hij is ook geen etherisch wezen.

Er bestaan geen ooggetuigen, wier getuigenis men niet zonder meer als vervalsing kan afdoen, dat Jezus zich niet in onbereikbare verten teruggetrokken heeft. De verhalen van Paulus zijn in elk geval als enige van het Nieuwe Testament – voor het grootste deel – door hem zelf geschreven. Weliswaar was Paulus niet persoonlijk bij de gebeurtenissen na de kruisiging als ooggetuige betrokken, maar hij ontmoette Jezus enige tijd na de ‘hemelvaart’ en door deze ontmoeting veranderde zijn hele leven.

Jezus leefde in India
Jezus_India_Kersten.xhtml
Jezus_India_Kersten_0002.xhtml
Jezus_India_Kersten_0003.xhtml
Jezus_India_Kersten_0004.xhtml
Jezus_India_Kersten_0005.xhtml
Jezus_India_Kersten_0006.xhtml
Jezus_India_Kersten_0007.xhtml
Jezus_India_Kersten_0008.xhtml
Jezus_India_Kersten_0009.xhtml
Jezus_India_Kersten_0010.xhtml
Jezus_India_Kersten_0011.xhtml
Jezus_India_Kersten_0012.xhtml
Jezus_India_Kersten_0013.xhtml
Jezus_India_Kersten_0014.xhtml
Jezus_India_Kersten_0015.xhtml
Jezus_India_Kersten_0016.xhtml
Jezus_India_Kersten_0017.xhtml
Jezus_India_Kersten_0018.xhtml
Jezus_India_Kersten_0019.xhtml
Jezus_India_Kersten_0020.xhtml
Jezus_India_Kersten_0021.xhtml
Jezus_India_Kersten_0022.xhtml
Jezus_India_Kersten_0023.xhtml
Jezus_India_Kersten_0024.xhtml
Jezus_India_Kersten_0025.xhtml
Jezus_India_Kersten_0026.xhtml
Jezus_India_Kersten_0027.xhtml
Jezus_India_Kersten_0028.xhtml
Jezus_India_Kersten_0029.xhtml
Jezus_India_Kersten_0030.xhtml
Jezus_India_Kersten_0031.xhtml
Jezus_India_Kersten_0032.xhtml
Jezus_India_Kersten_0033.xhtml
Jezus_India_Kersten_0034.xhtml
Jezus_India_Kersten_0035.xhtml
Jezus_India_Kersten_0036.xhtml
Jezus_India_Kersten_0037.xhtml
Jezus_India_Kersten_0038.xhtml
Jezus_India_Kersten_0039.xhtml
Jezus_India_Kersten_0040.xhtml
Jezus_India_Kersten_0041.xhtml
Jezus_India_Kersten_0042.xhtml
Jezus_India_Kersten_0044.xhtml
Jezus_India_Kersten_0045.xhtml
Jezus_India_Kersten_0046.xhtml
Jezus_India_Kersten_0047.xhtml
Jezus_India_Kersten_0048.xhtml
Jezus_India_Kersten_0049.xhtml
Jezus_India_Kersten_0050.xhtml
Jezus_India_Kersten_0051.xhtml
Jezus_India_Kersten_0052.xhtml
Jezus_India_Kersten_0053.xhtml
Jezus_India_Kersten_0054.xhtml
Jezus_India_Kersten_0054_1.xhtml
Jezus_India_Kersten_0055.xhtml
Jezus_India_Kersten_0056.xhtml
Jezus_India_Kersten_0057.xhtml
Jezus_India_Kersten_0058.xhtml
Jezus_India_Kersten_0059.xhtml
Jezus_India_Kersten_0060.xhtml