1. Het onbekende leven van Jezus
De ontdekking van Nicolai Notovitch
Eind 1887 bereikte de Russische historicus en reizend onderzoeker Nicolai Notovitch 1 (zie illustratie 1) op een van zijn vele reizen naar de Oriënt Kashmir in het noorden van India; hij wilde vanuit Srinagar, de hoofdstad van Kashmir, een expeditie maken over de Himalaya naar Ladakh. Hij beschikte over voldoende geld om zich gedegen uit te rusten en kon behalve zijn bediende nog een tolk en tien dragers aannemen. Na een avontuurlijke tocht bereikte de karavaan uiteindelijk onder grote inspanningen en gevaren de drie en een half duizend meter hoge Zoji-la pas, de natuurlijke grens tussen het ‘gelukkige dal’ Kashmir en het dorre ‘maanlandschap’ Ladakh. Ook nu nog is de Zoji-la de enige mogelijkheid om het zonderlinge, afgesloten land vanuit Kashmir te bereiken; de pas zelf is maar een paar maanden per jaar begaanbaar.
Notovitch schrijft in zijn dagboek: ‘Wat een rauwe overgang beleefde ik, toen ik van de lachende natuur en de mooie bevolking van Kashmir in de onvruchtbare, onvriendelijke rotsgebergten van Ladakh en bij zijn baardeloze, misvormde bewoners kwam!’ De ‘lelijke’ Ladakhis bleken echter al snel heel vriendelijk en bijzonder hartelijk. Tenslotte komt hij in een klooster van boeddhistische monniken waar hij als Europeaan beduidend vriendelijker ontvangen wordt dan bijvoorbeeld een moslim. Hij vraagt een lama naar de reden en het volgende gesprek ontstaat:
‘De moslims hebben geen raakpunt met onze religie; nog maar kort geleden hebben ze bij een zegevierende veldtocht een aantal boeddhisten met geweld tot de islam bekeerd. Het kost ons veel moeite deze moslims, afstammelingen van de boeddhisten, terug te brengen op de rechte weg naar de ware God. Wat de Europeanen betreft, dat is een heel andere kwestie. Ze belijden niet alleen de essentiële principes van het monotheïsme, maar ze vormen een klasse van Boeddha-vereerders en hebben dus veel gemeen met de lama’s die in Tibet zelf wonen. Het enige verschil met de christenen is dat zij, nadat ze de verheven leer van Boeddha aangenomen hadden, zich volkomen van hem afgescheiden en zich een andere dalai lama geschapen hebben. Alleen de onze heeft de goddelijke gave gekregen om de majesteit van Boeddha van aangezicht tot aangezicht te zien en de macht om als bemiddelaar tussen aarde en hemel te dienen.’
‘Wie is die dalai lama van de christenen over wie u het had?’ vroeg Notovitch.
‘Wij hebben een “zoon van God” tot wie we onze innigste gebeden richten; tot hem wenden we ons om onze voorspraak te zijn bij de ene en ondeelbare God.’
‘Niet over hem hebben we het, sahib! Ook wij vereren hem die u als de zoon van de enige God beschouwt. Alleen, wij zien in hem niet de eniggeboren zoon maar de belangrijkste, de onder allen uitverkorene. Het is waar dat Boeddha met zijn zuiver geestelijke wezen een menselijke vorm heeft aangenomen in de geheiligde persoon van Issa, die zonder gebruik te maken van vuur en zwaard onze verheven en ware religie in de hele wereld verspreid heeft. Ik wil spreken over uw aardse dalai lama, over hem die u de titel “Vader van de gehele Kerk” gegeven heeft. Dat is een grote zonde; moge ze de schapen vergeven worden die zich op de verkeerde weg bevinden!’ zegt de lama, terwijl hij zijn gebedsmolen opnieuw aan het draaien brengt.
Notovitch begrijpt de toespeling op de paus en zegt: Volgens u heeft een zoon van Boeddha, Issa, de uitverkorene onder allen, uw religie op aarde verspreid. Wie is dat dan?’
Hij deze vraag zet de lama grote ogen op, kijkt de bezoeker verbaasd aan en mompelt een paar moeilijk verstaanbare woorden die Notovitch raadselachtig voorkomen: ‘Issa is een groot profeet, een van de eersten na de verheven Boeddha; hij is veel groter dan enige dalai lama, want hij vormt een deel van het geestelijke wezen van onze Heer. Hij heeft jullie onderwezen, hij heeft de zondige zielen in de schoot van God teruggebracht, hij heeft jullie de weldaden van de Schepper waardig gemaakt en eindelijk ieder wezen vergund het goede en het kwade te herkennen. Zijn naam en zijn daden staan in onze heilige boeken opgetekend.’
Notovitch is nogal verward door de mededelingen van de lama – de profeet Issa, diens leer, zijn marteling, onze christelijke dalai lama, dat alles doet hem steeds meer aan Jezus, de Christus, denken.
Hij verzoekt zijn tolk ieder woord van de lama te vertalen.
‘Waar bevinden die geschriften zich en wie heeft ze opgesteld?’ vraagt hij de monnik.
‘De belangrijkste geschriften zijn op verschillende tijden in India en Nepal, naar gelang van de beschreven gebeurtenissen, geschreven. Ze bevinden zich in aantallen van enige duizenden in Lhasa. Een paar grote kloosters hebben er kopieën van. Ze werden in verschillende tijdperken door de lama’s gemaakt tijdens hun verblijf in Lhasa en aan hun klooster geschonken, als aandenken aan hun verblijf bij onze hoogste meester, de dalai lama.’
‘Heeft u zelf geen kopieën die betrekking hebben op de profeet Issa?’
‘Nee, wij hebben er geen. Ons klooster is van weinig betekenis en sinds de oprichting hebben de opeenvolgende lama’s nauwelijks een paar honderd kopieën bijeengebracht. De grote kloosters hebben er duizenden. Maar het zijn heilige geschriften, die men u nergens zal tonen.’
Notovitch neemt zich voor in de loop van zijn reis naar deze geschriften uit te kijken. Zo komt hij in Leh, de hoofdstad van Ladakh, en tenslotte in Hemis, ‘een van de voornaamste kloosters van het land’. Hier maakt hij een religieus feest mee, zoals er vele per jaar plaatsvinden. Hij heeft daarbij gelegenheid, als eregast van de hoogste lama, veel te leren over de zeden en gebruiken van de lamaïstische monniken. Eindelijk lukt het de reiziger het gesprek op de eigenlijke kern van zijn interesse te brengen, en hij hoort dat zich in dit klooster inderdaad geschriften bevinden over het geheimzinnige leven van de profeet Issa, wiens geschiedenis zo verbluffend overeen lijkt te komen met die van Jezus van Nazaret.
De gast wordt echter naar een later tijdstip verwezen, omdat de boeken onder vele duizenden andere niet zo snel te vinden zijn.
Weer terug in Leh stuurt Notovitch de kloosteroverste kostbare geschenken, in de hoop snel te mogen terugkeren om dan de veelbelovende handschriften toch te kunnen zien.
Bij een rijtoer in de buurt van Hemis valt hij zo ongelukkig van zijn paard, dat hij een been breekt en zich onder de hoede van de monniken moet stellen. Op zijn dringend verzoek brengt men hem twee dikke boeken, waarvan de losse bladen door de tijd vergeeld zijn, aan zijn ziekbed. (Zie illustratie 11) De volgende twee dagen leest de eerwaarde abt voor uit dit merkwaardige document, dat in verzen geschreven is die vaak niet op elkaar aansluiten. Notovitch tekent alles op volgens de vertaling van zijn tolk. Later – na het beëindigen van zijn reis – ordent hij alle verzen in chronologische volgorde en geeft zo de vele afzonderlijke geschriften een aaneensluitend karakter.
Hieronder worden de essentiële gedeelten van de tekst, naar een Franse vertaling samengevat, weergegeven:
Na een korte inleiding wordt beknopt de vroegste geschiedenis van het volk Israël beschreven en wordt het leven van Mozes geschetst. Dan wordt verteld hoe de eeuwige Geest besluit een menselijke gedaante aan te nemen, ‘opdat hij door zijn voorbeeld kan tonen hoe men tot zedelijke reinheid kan komen en de ziel kan bevrijden van haar grove omhulsel, dat ze de volmaaktheid kan bereiken die ze nodig heeft om in het rijk der hemelen te gaan, dat onveranderlijk is en waar het eeuwige geluk heerst’.
Zo wordt dus in het verre Israël een goddelijke knaap geboren, die men de naam Issa2 geeft. In de loop van zijn veertiende jaar komt de jongen met een groep kooplieden mee naar het gebied van de Sindh (= Indus), ‘en hij vestigde zich onder de Arya, in het door God beminde land, met het doel zich te vervolmaken en de wetten van de grote Boeddha te bestuderen’. De jonge Issa reist door het Vijfstromenland (= Punjab3), verblijft korte tijd bij de ‘misleide Jains’, gaat dan naar Jarganat, ‘waar de witte priesters van Brahma hem een blijde ontvangst bereidden’. Daar leert Issa/Jezus de Veda’s lezen en uitleggen en onderwijst hij uiteindelijk de lage kaste van de Soedra’s. Hij haalt zich echter het ongenoegen van de Brahmanen op de hals, die zich daardoor bedreigd voelen in hun leidende positie en hun macht.
Nadat hij zes jaar in Jarganat, Rajagriha, Benares en andere heilige steden heeft doorgebracht, moet hij vluchten voor de woede van de Brahmanen, omdat hij onderwijst dat de verschillende waardering van de mensen volgens de kasten niet door God gewild is.
De door Notovitch gevonden teksten vertonen verbazend veel overeenkomst met de evangelieteksten, die – bijvoorbeeld in de citaten – een nadere karakterisering van de persoonlijkheid van Jezus toestaan. Zo keert hij zich tegen het kastenstelsel, dat de lagere kasten van hun mensenrechten berooft, met de volgende woorden: ‘God de Vader maakt geen onderscheid tussen zijn kinderen, die hem allen even lief zijn.’ En tegen het starre en onmenselijke vasthouden aan de letter van de wet, brengt hij in ‘dat de wet er voor de mens is, om hem de weg te wijzen’. En hij troost de zwakken: ‘De eeuwige rechter, de eeuwige Geest, die de enige en ondeelbare wereldziel vormt, zal hard optreden tegen degenen die zich zijn rechten aangematigd hebben.’ Als de priesters Issa oproepen wonderen te doen om de onbeperkte macht van zijn God te bewijzen, antwoordt hij hen: ‘De wonderen van onze God voltrekken zich al sinds de eerste dag dat het heelal geschapen werd; ze vinden iedere dag en ieder ogenblik plaats; ieder die ze niet ziet, is beroofd van een van de mooiste gaven van het leven.’ En als hij het gezag van de priesters in twijfel trekt, rechtvaardigt hij zich op de volgende wijze: ‘Zolang de volkeren geen priesters hadden, heeft het natuurlijke recht ze geregeerd en de reinheid van hun zielen bewaard. Hun zielen bevonden zich in God, en om met de Vader te spreken, men nam niet zijn toevlucht tot bemiddeling van een of andere afgod of een of ander dier, noch tot het vuur, zoals jullie hier doen. Jullie beweren dat men de zon en de demon van het goed en van het kwaad moet aanbidden. Ik echter zeg jullie: jullie leer is afschuwelijk, want de zon werkt niet uit zichzelf, maar door de wil van de onzichtbare Schepper, die haar heeft doen ontstaan en die heeft gewild dat deze ster de dag verlicht en de arbeid en het zaad van de mens verwarmt.’
Dan trekt Issa de Himalaya in naar Nepal, waar hij zes jaar verblijft en zich wijdt aan de studie van boeddhistische geschriften. De leerstellingen die hij verkondigt, zijn eenvoudig en helder, maar vooral ook rechtvaardig ten opzichte van de onderdrukten en zwakken, die hij de valsheid van de priesterklasse openbaart. Tenslotte trekt hij als zwervend prediker door de verschillende landen naar het westen, en zijn roem snelt hem vooruit. Ook in Perzië neemt hij het op tegen de priesters, die hem op een nacht uit de stad verbannen in de hoop dat hij een prooi van wilde dieren zal worden. Maar de voorzienigheid laat de heilige Issa ongedeerd Palestina bereiken, en de wijzen ondervragen hem: ‘Wie ben je en uit welk land ben je tot ons gekomen? We hebben vroeger niet over je gehoord en we kennen je naam niet!’
‘Ik ben een Israëliet’ antwoordt Issa, ‘en op de dag van mijn geboorte zag ik de muren van Jeruzalem, en ik heb de zuchten gehoord van mijn tot slaven gemaakte broeders en het geweeklaag van mijn zusters, die onder de heidenen leefden. En mijn ziel was smartelijk bedroefd toen ik hoorde dat mijn broeders de ware God vergeten waren; als kind heb ik het ouderlijk huis verlaten om bij andere volkeren te verblijven. Maar nadat ik had vernomen dat mijn broeders ernstig leden, ben ik teruggekomen naar het land dat mijn ouders bewoonden, om mijn broeders het geloof van hun voorvaderen in herinnering te brengen. Het geloof dat ons maant tot geduld op aarde, om ons daarboven het volmaakte en hoogste geluk te laten bereiken.’
Hieraan aansluitend stemt de tekst op alle essentiële punten overeen met de bijbelse evangelieteksten.
De twee handschriften waaruit de lama van het klooster in Hemis Notovitch alles voorlas dat op enige manier op Jezus betrekking had, zijn verzamelingen van verschillende kopieën in de Tibetaanse taal. De originelen werden al in de eerste twee eeuwen samengesteld in het Pali en in een klooster in de buurt van Lhasa bewaard. Dit klooster sloot direct aan op het Potala-paleis4 van de dalai lama.
In Europa teruggekeerd, zoekt Notovitch contact met een aantal kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders om zijn ongelooflijke ontdekking mee te delen. De metropoliet van Kiew raadt hem dringend af zijn onthulling openbaar te maken. Een reden daarvoor weigert hij echter te geven. In Parijs zegt kardinaal Rotelli hem, dat publikatie van deze teksten de loochenaars en verachters van de christelijke leer alleen maar nieuw voedsel zou geven en dat het er nog te vroeg voor is. In het Vaticaan uit een vertrouweling van de paus zich op de volgende wijze: ‘Waar is het goed voor het te laten drukken? Niemand zal er grote betekenis aan hechten en u zult zich veel vijanden maken. Maar u bent nog erg jong! Als het u om geld gaat, kan ik om een beloning voor uw aantekeningen verzoeken – een beloning die u schadeloos zal stellen voor de gedane uitgaven en de verloren tijd.’ Notovitch weigerde. Alleen de kritische godsdiensthistoricus en oriëntalist Ernest Renan toonde een levendige belangstelling voor de aantekeningen. Toch ziet Notovitch al snel in, dat Renan als lid van de Académie Française het materiaal voor zichzelf wil gebruiken, en hij gaat niet op diens voorstel in.
Ten langen leste lukt het toch nog het manuscript te publiceren, maar een groot effect blijft uit. De macht, de invloed en het gezag van de christelijke Kerken is zo groot, dat er in het begin helemaal geen twijfel aan de authenticiteit van de kanonieke leerstellingen kan ontstaan. Critici en sceptici worden verdoemd als godverloren ketters, monddood gemaakt en uitgeschakeld. Notovitch zelf heeft niet de mogelijkheid de door hem gevonden getuigenissen wetenschappelijk zo te onderbouwen dat ze ernstig genomen moeten worden.
Pas nu kan men, op basis van de laatste onderzoeken naar Jezus’ leven, met zekerheid beweren dat het inderdaad onmogelijk is het verblijf van Jezus in India te weerleggen. Voor dat deel van zijn leven (ongeveer tussen zijn twaalfde en dertigste levensjaar) dat in de eerste plaats in aanmerking komt voor een verblijf in India, bestaat er noch een historisch zekere bron noch een of andere aanwijzing in de evangeliën. Het lijkt of het leven van Jezus pas met diens dertigste levensjaar begint, als Jezus door Johannes gedoopt wordt. Alleen bij Lucas is de volgende veelzeggende zin te vinden: ‘En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen.’ (Lucas 2:52).
De door Notovitch ontdekte geschriften vormen niet het enige document over het verblijf van Jezus in India. In 1908 verschijnt in Amerika een onheilspellend boek getiteld Het Aquarius-evangelie van Jezus de Christus. De auteur wordt heel geheimzinnig ‘Levi’ genoemd. In dit evangelie wordt – in bepaald verbijsterende overeenstemming met het ‘Leven van de heilige Issa’ — over diens Indische leerjaren verteld.