Was Jezus een orthodoxe jood?
In feite kan gezegd worden dat Jezus de volmaakte belichaming vormt van het juist in India ontkiemende mahayana-boeddhisme. Tot in de kleinste details herkent men in hem alle eigenschappen van een bodhisattva, zoals dat als ideaal in de derde eeuw voor Christus ontstaan was, toen het boeddhisme van de meer egoïstische monnikenreligie van de hinayana begon te veranderen in een universele religie voor de grotere ma&sa. Het aardse bestaan van een bodhisattva is er volkomen op gericht alle zielen op hun weg naar verlossing te brengen, op het rechte pad dat tot bevrijding van alle aardse leed voert. Een bodhisattva is een meester die bij zijn zoeken naar verlichting al op het punt staat zelf een boeddha te worden. Hij ziet er uit medelijden met alle onverloste zielen vanaf in de definitieve verlossing (parnirvana) te gaan, om anderen te blijven helpen totdat alle wezens verlost zijn.
Ondanks alle pogingen de ware oorsprong van de leer van Jezus te verdoezelen en ondanks het rigoureuze kanoniseren van de evangeliën, zijn nu toch meer dan honderd passages te vinden waarin ondubbelzinnig bewezen kan worden dat zijn wortels op een oudere boeddhistische traditie berusten.
Eerst is het echter belangrijk om te begrijpen dat Jezus nooit de traditionele, orthodoxe jood, of zelfs een rabbi, kan zijn geweest zoals hij zo vaak afgebeeld wordt. In zijn houding tegenover de dood, de familie, de wet en de traditie blijkt hoe radicaal Jezus van het jodendom verschilt. Men kan zelfs zeggen dat Jezus alles wat voor de joodse cultuur heilig was van de mythe ontdaan heeft! Dit geldt in de allereerste plaats voor de dood en de familie. In vier opeenvolgende verzen vertelt Lucas hoe Jezus vrolijkheid en liefde de voorkeur geeft boven de onaantastbare begrafenisriten: ‘En Hij zeide tot een ander: “Volg Mij!” Maar deze zeide: “Sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.” Maar Hij zeide tot hem: “Laat de doden hun doden begraven; maar ga gij heen en verkondig het koninkrijk Gods.’” (Luc. 9:59-60)
En ook familiebanden zijn van ondergeschikt belang: ‘En weer een ander zeide: “Ik zal U navolgen, Here, maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.” Maar Jezus zeide tot hem: “Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods.’” (Luc. 9:61-62)
Altijd als Jezus’ leer en zijn gedrag met familiezaken te maken krijgen hebben ze de neiging om ‘joodse gevoelens te kwetsen’, zoals de jood Montefiore het uitdrukt. ‘Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.’ (Luc. 14:26) ‘Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.’ (Matt. 10:37) Bijzonder onbegrijpelijk lijkt ons zijn gedrag tegenover zijn eigen moeder: ‘Terwijl Hij nog tot de scharen sprak, zie, zijn moeder en broeders stonden buiten en trachtten Hem te spreken te krijgen. En iemand zeide tot Hem: “Zie, uw moeder en uw broeders staan buiten en trachten U te spreken te krijgen.” Maar Hij antwoordde de boodschapper en zeide: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?” En Hij strekte zijn hand uit over zijn discipelen en zeide: “Ziedaar mijn moeder en mijn broeders.’” (Matt. 12:46-49)
Dezelfde Jezus in wiens naam zoveel ‘kruistochten voor de familie’ gevoerd worden, is gevlucht voor zijn eigen familie die probeerde hem te pakken te krijgen.
En juist Matteüs, de apostel der joden, citeert een zin van Jezus die uniek is in de hele oudheid en een schande voor het hele jodendom: ‘Want ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder.’ En in een merkwaardig vooruitlopen op de inzichten van Sigmund Freud voegt hij eraan toe: ‘En iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.’ (Matt. 10:35-36) Tegenwoordig wordt deze houding van Jezus tegenover alle familiebanden en zijn afwijzing van hun heilige onaantastbaarheid binnen de joodse cultuur van zijn tijd een onbegrijpelijk verschijnsel gevonden. Maar juist deze houding komt precies overeen met het boeddhistische streven naar volkomen bevrijding van alle egoïstisch en zelfzuchtig handelen in gedachten en in de daad. Om zichzelf te verlossen van het leed van de aardse wereld moet men erin slagen zich van alle persoonlijke banden te bevrijden en dergelijke barrières te overwinnen. Zo lang de mens niet in staat is zich vrij te maken van hebzucht en aardse wensen, zal hij vast blijven zitten in de oneindige cirkel van wedergeboorten. Jezus richt zich niet naar betekenisloze, nutteloze en lege wetten en overtreedt voortdurend de joodse wetten. Het demonstratieve overtreden van de sabbatwet leidt tenslotte onmiddellijk tot zijn kruisiging.
Had Jezus een, volgens de joodse zeden, godvruchtig leven willen leiden, of was hij zelfs een rabbi geweest, dan had hij in ieder geval, op zijn minst op zijn al gevorderde leeftijd, ook getrouwd moeten zijn. Dit kan echter met zekerheid worden uitgesloten, zoals ook uit Matt. 19:12 blijkt. Het zou echter dringend noodzakelijk zijn geweest dat Jezus besneden was. De besnijdenis was voorwaarde, teken en zegel van het verbond tussen Jahwe en Abraham (vergelijk Gen. 17:1 en volgende) Alleen wie zich liet besnijden mocht deelnemen aan het vieren van het Paschamaal. (Ex. 12, 43 en volgende; Ez. 44:9) Wie zich tegen de besnijdenis verzette, gold als verbreker van het verbond. Zijn ziel moest ‘uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten’ (Gen. 17:14) Op de vraag daarover van de discipelen antwoordt Jezus, dat er drie verschillende redenen voor de besnijdenis zijn, die praktisch gelijkgesteld worden met de toelichting van het ongetrouwd zijn: ten eerste de aangeboren steriliteit, ten tweede de tegen de wil van de man door anderen uitgevoerde ‘ontmanning’ en ten derde de terwille van het rijk der hemelen zelf uitgevoerde besnijdenis, waarmee echter ook hier weer ongetrouwd zijn bedoeld is. Blijkbaar wilde of kon Jezus geen duidelijk onderscheid tussen besnijdenis en ongetrouwd zijn noemen. Hij schijnt zich zelf die vraag helemaal niet zo indringend gesteld te hebben. Heel beknopt antwoordt hij dan ook zijn discipelen: ‘Wie het vatten kan, die vatte het.’ (Matt. 19:10-12)
Heel duidelijk is echter toch zijn antwoord overgeleverd in het Tomas-evangelie: ‘Zijn discipelen zeiden hem: “De besnijdenis, is die nuttig of niet?” Hij zeide hen: “Als het nuttig was, zou uw vader (in de hemel) u reeds besneden verwekken in uw moeder. Maar de waarachtige besnijdenis in de geest heeft zeker nut gevonden.’” (Logion 53, pl. 90, 18-23)41 De hier aangevoerde aanwijzingen maken vermoedelijk duidelijk dat Jezus zelf niet besneden was en dus nooit lid van de joodse geloofsgemeenschap geweest kan zijn. Het is ook bekend dat bij de Essenen alleen deze manier van geestelijke besnijdenis uitgevoerd werd en niet het lichamelijke verwijderen van de voorhuid. Zo kon Paulus dan ook zijn eis tot het opheffen van de besnijdeniswet op het apostelconcilie tegen de jodenchristenen doorvoeren.