2
Hij stond op het grindpad, een paar meter van het stoepje vandaan, met opgezette kraag tegen de wind en zijn lange, zwarte haar wapperend over zijn gezicht. Hij droeg een oude waxjas die eruitzag alsof hij ermee was geboren. Het was moeilijk te zeggen of zijn ogen grijs of donkergroen waren.
'Dag, mevrouw Kirby.' Het was de stem van het bandje. 'Ik ben Jamie. Ik heb gisteravond een berichtje op uw antwoordapparaat ingesproken.'
Anne keek hem even onderzoekend aan. Het regende niet meer, maar het waaide nog steeds, en het licht scheen fel in haar ogen.
Hij glimlachte en er kwamen lijntjes rond zijn mond waarvan een zijn kaak splitste alsof het een litteken was. 'Ik heb uw man gesproken. Heeft hij niets tegen u gezegd?'
Anne schudde het hoofd.
Jamie deed een stap achteruit en wees naar het dak. 'Er zitten rotte planken onder de boeiborden.'
Ze ging naar buiten en kwam naast hem staan. Ze was minstens vijftien centimeter kleiner dan hij en ze kon de hars en de regen in zijn jas ruiken.
'Daarboven,' zei hij, 'achter de goten zijn de planken helemaal verrot.'Ze hield een hand boven haar ogen om ze tegen het felle licht af te schermen. Op het grasveld achter haar ritselden dode bladeren alsof ze door iets onzichtbaars werden vertrapt.
'Wanneer heb je Alan gesproken?' vroeg ze.
'O, dat is alweer een paar weken geleden.' Jamie haalde zijn schouders op. 'Hij zal wel vergeten zijn het u te vertellen. Misschien wilt u hem bellen of zo?'
Anne zag dat hij gelijk had, en ze had geen zin om met haar man te praten. 'Nee,' zei ze, 'als de planken verrot zijn, dan zijn ze verrot.'
Ze was van plan geweest dat bewuste weekend met Alan mee te gaan. Ze had niet graag dat hij alleen in het huis was en ze had geen idee dat hij er was totdat hij haar belde en het haar vertelde. Het was misschien egoïstisch, maar het was haar plekje en dat wilde ze zo houden. Ze had het helemaal gehad met hem en ze had het gevoel dat ze eindelijk de moed bij elkaar kon rapen om het uit te spreken. Maar toen spanden de gebeurtenissen tegen haar samen: er was een feestje bij de krant en de uitgever stond erop dat ze zou gaan. Ze moest kiezen tussen een verplichting aan haar werk en persoonlijke onzekerheid, maar ten slotte meende ze dat ze al lang genoeg had gewacht, dus een paar weken meer zouden niet veel uitmaken. Sindsdien was ze niet meer in de gelegenheid geweest ergens over te praten en ze was dan ook des duivels toen ze erachter kwam dat Alan naar het huis was gegaan zonder het haar te vertellen.
Jamie leunde tegen de deurpost. 'Het is niet veel werk. Ik kan het nu wel doen, als u dat wilt.'
Anne keek wat onzeker. 'Je bedoelt nu meteen?'
Hij knikte. 'Waarom niet? Het weer wordt er niet beter op. Hoe langer u het zo laat, hoe erger het wordt.' Hij wierp een blik achterom. 'De wind is nu zuidwest en staat dus recht op deze muur. Als ik de planken eraf haal, dan kan ik er plastic tegenaan spijkeren, zodat het wat kan drogen.'
Anne was zich plotseling bewust van de bries. 'Maar dan is het nog steeds zuidwestenwind. Denk je dat die gaat veranderen?'
'De eerste dagen nog niet, maar daarna kan het niet anders.'
Ze bleven daar even staan zonder iets te zeggen.
'U denkt aan de olie.'
Anne knikte. 'Misschien wordt het in de richting van de open zee geblazen. Dan kunnen ze er chemicaliën op gooien.'
Jamie zei niets.
Anne draaide haar gezicht weer naar de wind en keek naar de toppen van de bomen. Die ochtend was ze wakker geworden met een moe en kwetsbaar gevoel, misschien door de plotselinge afzondering of misschien omdat nu tot haar doordrong dat ze binnenkort een beslissing moest nemen. Maar ze voelde zich ook rusteloos en hoewel het werk naar haar lonkte, was dat wel het laatste waaraan ze wilde denken. In zekere zin was ze dankbaar voor deze onverwachte onderbreking.
'Heb je soms trek in koffie?' vroeg ze. 'Dan kun je daarna beginnen als je wilt.' Het aanbod kwam er ineens uit, na een korte aarzeling, een uitnodiging aan een jonge man die Jamie heette en die ze niet eerder had gezien.
'Ja graag,' zei hij.
In de keuken gaf Anne hem een beker en wees aan waar de melkkan en de suikerpot stonden. Toen hij de beker pakte, raakten zijn vingertoppen de hare en ze voelde het bloed naar haar wangen stijgen. 'Ik vraag me af waarom mijn man niets heeft gezegd,' zei ze.
'Hij zal het wel te druk hebben gehad, mevrouw Kirby. Hij zal het wel vergeten zijn.'
Anne sloeg haar handen om de beker. 'Hoe wist je dat ik dit weekend zou komen?'
'Dat wist ik niet. Ik kwam hier gisteravond voorbij en ik zag uw auto staan.'
'Je kwam hier voorbij, langs dit paadje?' Anne fronste haar wenkbrauwen. 'Maar dit pad leidt nergens heen. Behalve naar het landgoed.' Toen keek ze naar zijn jas en zijn wollen, vingerloze handschoenen. 'Wat zijn het: vissen of fazanten?'
Jamie zette zijn beker weg. 'Het werk ligt hier niet altijd voor het oprapen.'
'Het spijt me.' Anne voelde een lichte blos opkomen. 'Het was niet mijn bedoeling je te beledigen.'
'Dat hebt u ook niet gedaan.' Opnieuw keek hij door het raam naar buiten, terwijl de wind waaide door de heg die het huis van het open akkerland scheidde. 'Dit is best een afgelegen plek. Je hebt die oude schuur aan de andere kant van het pad, maar voor de rest is het erg rustig, erg afgelegen eigenlijk.'
'Dit was het huis van mijn moeder,' legde Anne uit. 'Ze was erg op haar privacy gesteld. Net als ik.'
Gezien de situatie was het zo'n gesprek dat een vrouw alleen wat nerveus kon maken. Maar Anne was niet nerveus. Ze voelde zich beter dan daarvoor; misschien kwam het gewoon door het gezelschap, een kleine conversatie ter onderbreking van een anders zo rustige dag.
Ze wierp een vluchtige blik op Jamies gezicht, zijn fijne jukbeenderen, zijn mooie brede wenkbrauwen en zijn ogen die precies ver genoeg uit elkaar stonden en een donkere kleur hadden die ze niet meteen kon thuisbrengen. Hij was ongeveer een meter tachtig lang, mager en hij had een rechte rug.
'Dan ga ik maar eens aan de slag.' Hij zette zijn beker op de afdruipplaat. 'Bedankt voor de koffie.'
Anne keek hoe toe hij zich bukte toen hij van de keuken de hal in liep. Zijn schoenen hadden zachte zolen en maakten geen geluid op de tuintegels.
Toen ze aan haar bureau ging zitten en haar laptop aanzette, hoorde ze dat een ladder tegen de muur werd gezet. Ze keek of ze e-mails had: een hoop rommel met een paar relevante berichtjes van de hoofdredactie.
Ze vroeg zich af waarom Alan vergeten was haar over Jamie te vertellen. Ook al spraken ze niet met elkaar, het was niets voor hem om praktische bijzonderheden te vergeten. Als hij geregeld had dat er iemand naar de boeiborden kwam kijken, dan had hij het haar moeten vertellen. Hoe dan ook, ze wilde niet met hem praten, tenminste niet vandaag. Ze pakte de stapel brieven die ze de avond ervoor had weggelegd en begon ze te sorteren. Er zat geen bepaalde volgorde in, en zoals altijd waren het er over de honderd.
Ze wist dat de meeste mensen haar werk maar banaal vonden: zelf had ze er ook altijd zo over gedacht, totdat ze eraan begon. Inmiddels wist ze dat het allesbehalve banaal was, en na gisterenavond zou ze overstelpt worden met brieven van mensen uit de buurt, angstige mensen die vreesden voor hun toekomst en die niemand anders hadden tot wie ze zich konden wenden. Dat waren de brieven die nooit de krant haalden, maar die ze persoonlijk beantwoordde. De krant wilde alleen de brieven die ze als 'lezersvriendelijk' beschouwde. Dat was nu net het irritante van het werk, maar het merendeel van de correspondentie was niet van het soort om je druk om te maken.
Anne las iedere brief die ze vervolgens op de juiste stapel legde om er een gepaste reactie op te geven. Iedere briefschrijver kreeg antwoord en enkele van die antwoorden werden bewaard. Er was geen enkele reden om ze te bewaren, maar er zaten er altijd een paar tussen die eruit sprongen en het was een gewoonte waarmee ze nu eenmaal was begonnen. Ze zette haar leesbril op en pakte de bovenste brief van de stapel.
Lieve Anne, Het is eigenlijk niets voor mij om naar mensen als jij te schrijven, maar er is niemand anders bij wie ik mijn verhaal kwijt kan. Ik ben echt de wanhoop nabij. Ik denk dat mijn man een ander heeft. Eigenlijk weet ik het zeker. Het is ook niet de eerste keer, verre van dat zelfs. We zijn achttien jaar getrouwd en ik weet van nog minstens drie andere avontuurtjes. Als ik er al drie kan tellen, hoeveel zullen er dan wel niet zijn geweest?
De damp kringelde van Anne's tweede kop koffie. Buiten schuurde Jamies ladder tegen de muur en de eerste schilfers rot hout vielen op het grind onder het raam.
Ik kan je geen concreet voorbeeld geven, daar bedoel ik mee dat ik geen bewijs heb. Hij is erg gesloten en heel voorzichtig. Het is niet iets waarmee hij te koop loopt. We hebben twee kinderen in de tienerleeftijd en hij weet dat ze er kapot van zouden zijn als ze het wisten. Hij doet weer anders, en dat is altijd het eerste teken. Ik had het in het begin niet echt in de gaten, maar hij is veel minder intiem met me dan vroeger.
Anne stond op en liep naar het raam. De lucht was weer aan het betrekken, net als de dag ervoor. Het was amper tien uur, maar het felle ochtendlicht was al grauw aan het worden.
Toen we pas getrouwd waren, was hij altijd zo hartstochtelijk. Hij was altijd erg lichamelijk ingesteld, toonde zijn genegenheid. Ik bedoel niet alleen seksueel gezien, ik bedoel dat hij erg lief en aanhankelijk was. Hij had een lichamelijke tederheid die nu lijkt te zijn verdwenen. Ik heb dat al eerder gemerkt. De tederheid komt en gaat, afhankelijk van wat er met hem gebeurt. Als die nu verdwijnt, weet ik dat hij een ander heeft. Dat denk ik tenminste. Het feit dat ik het niet 'echt' weet, weerhoudt me ervan hem er openlijk mee te confronteren.
Anne hoorde voeten op de sporten van de ladder en keek naar het raam net op het moment dat Jamie zich op de oprit liet zakken. Hij kwam overeind, ving haar blik op en glimlachte. Ze schatte hem eind twintig, begin dertig misschien, niet ouder. Hij haalde een plastic vuilniszak uit zijn zak en begon de stukjes hout die waren gevallen op te rapen.
Ik weet niet wat ik moet doen, Anne. Ik haat mezelf dat ik je dit moet schrijven. Je denkt vast dat ik gek ben. Maar hij gaat opeens in zijn eentje uit. Hij heeft een paar vrienden, maar die heeft hij jarenlang niet zien staan. Nu trekt hij blijkbaar opeens weer met hen op. Ik zal wel paranoïde zijn, maar hij werkt 's avonds steeds langer door. We hebben niet meer geld, sterker nog, hij beweert dat we krapper bij kas zitten dan ooit, maar hij werkt nog steeds over. Ik heb dit al eerder meegemaakt en het is altijd goed gekomen. Misschien had hij een ander, misschien niet. Ik ben nooit dapper genoeg geweest om het hem te vragen. Ik wil geen scheiding. Ik hou van hem. Maar deze keer heeft hij me geraakt op het moment dat ik me al zwak voel en bang ben.
Anne werd gestoord door een klop op de voordeur. Ze liep door de hal en zag Jamie op de stoep staan.
'Ik wilde u alleen zeggen,' zei hij, 'dat ik bijna klaar ben. Ik heb de planken eraf gehaald, maar ik kan ze niet vervangen voordat het metselwerk is opgedroogd.' 'Goed.'
'Ik laat het even zo voordat ik het plastic ertegenaan doe.' Hij hief een hand op. 'Het regent niet en met deze wind droogt het metselwerk goed.'
Anne knikte, deed een stap naar buiten en bekeek wat hij had gedaan; ze kon nu zelf de vlekken op de rode stenen zien zitten waar het hout het water had opgenomen.
'Ik had er geen idee van dat het er zo uitzag,' zei ze. 'Ik dacht nog wel dat het huis in goede staat was.'
'Dat is ook zo.' Jamie stond met zijn handen in zijn zak. 'Gezien het feit dat u hier niet altijd bent.' Hij glimlachte en knikte naar het landweggetje, 'behalve dan dat stukje tuin.'
Anne keek waar hij naartoe wees, het stuk dat haar moeder zo had gelaten en waar niets groeide behalve een woestenij van onkruid.
'Mijn moeder vond het prachtig zo,' legde ze uit. 'Het lag er zo bij om haar eraan te herinneren dat het leven een rommeltje kon zijn, tenminste, dat zei ze altijd.' Ze glimlachte. 'Ze was wat excentriek en ik wist nooit precies wat ze bedoelde.'
'Ze bedoelde waarschijnlijk die kant van het leven waar niemand greep op heeft,' zei Jamie. 'Het onberekenbare deel: de verwarring waar we soms doorheen moeten.' Hij keek Anne weer aan. 'Ik kan het opruimen als u dat wilt.'
Anne zei niets. Ze staarde naar de andere kant van de tuin en zag in gedachten haar moeder.
'Misschien vindt u het zo wel mooi,' hoorde ze Jamie zeggen. 'Net als uw moeder. Een stukje woestenij in deze rust.'
Anne keek naar hem. 'Dat weet ik niet. Ik heb er eigenlijk nooit over nagedacht.'
'Dat geeft niet. Het was maar een voorstel. Die woestenij is overigens niet zo'n ongeorganiseerde bende als het lijkt, zelfs op de meest verwilderde plekken heerst een bepaalde orde.' Toen zweeg hij, alsof hij het tegen zichzelf had gehad. 'Ik ga nu even het dorp in om hout voor nieuwe boeiborden te halen,' zei hij. 'Tot straks dan maar.'
'Oké, tot straks.' Anne keek toe hoe hij de oprit overstak. 'Jamie,' riep ze en hij draaide zich om. 'Je hebt gelijk.' Ze wees naar de heg waar de tuin overwoekerd was. 'Misschien wordt het tijd om er wat meer orde in te brengen. Als je het wilt proberen en er iets wilt zaaien, vind ik het best.’ Toen glimlachte ze.’Ik zal je er niet op aaankijken als het niet lukt.’