19 Krijgsheer
Er volgden nog vier aanvallen.
De hele nacht lang werden de gardisten van de Acoma en hun bondgenoten aangevallen door in het zwart geklede soldaten zonder huiskleuren. Moordenaars van de Hamoi lieten zich niet meer zien, maar gewone soldaten kwamen in golven.
Bij de laatste inval waren de verdedigers gedwongen hun toevlucht te nemen in de achterste slaapkamer, die geen buitendeur bezat. Daar hielden ze met moeite twee groepen aanvallers van zich af - een die vanuit de gang naar binnen probeerde te dringen en een die door het verbrijzelde venster kwam. Kevin bleef steeds bij Mara in de buurt en vocht als een bezetene. Na de derde aanval was er bijna niemand meer die nog volledig ongedeerd was. Zelfs de allerconservatiefste Tsuranu was toen te vermoeid om nog verstoord op te kijken van een brutale, roodharige slaaf met een zwaard en een schild in zijn handen. Hij had zich met dat wapen geweerd als de beste soldaten, en laat de goden zelf maar het lot bepalen van een slaaf die weigert zijn plaats te kennen. Toen de nacht maar duurde en duurde, en de ene verdediger na de andere sneuvelde, was elke hand die een zwaard kon vasthouden er een.
Na de vierde aanval kon Kevin zich nog amper bewegen. Zijn armen deden pijn van de vermoeidheid en zijn knieën knikten oncontroleerbaar. Nadat een laatste zwarte tegenstander door zijn zwaard was geveld, liet hij zich hulpeloos op de vloer zakken en vloeide de energie die hem zo lang op de been had gehouden uit hem weg. Mara bracht hem een beker water, en hij lachte om die omkering van de rollen. Hij dronk met grote teugen terwijl zij ook de anderen die nog konden drinken water bracht. Kevin nam de schade op. De vloer, de kussens, de wanden, zelfs de spleten tussen de planken zagen rood van het bloed. Overal lagen gehavende lichamen in de vreemdste houdingen. De ooit zo elegante slaapkamer zag er nu uit als een abattoir uit een nachtmerrie. Van de dertig gardisten van de Acoma en de twee dozijn soldaten van de Xacatecas en de Bontura die zich de vorige avond bij hen hadden aangesloten, stonden er nog maar tien van de Acoma, vijf van de Xacatecas en drie van de Bontura rechtop. De rest lag dood of gewond tussen de stapels lijken van in het zwart geklede aanvallers - niemand had nog de energie gehad om die op te ruimen. 'We moeten er wel honderd gedood hebben,' zei Kevin dof.
'Misschien meer.' Arakasi, die toen de nood aan de man kwam alsnog uit zijn keukenkast was geroepen, knielde naast de slaaf neer. De mitella om zijn arm was rood van de bloedspetters en de dolk in zijn linkerhand leek aan zijn vingers vastgelijmd met bloed.
Kevin boog zijn hoofd. 'Doet dat geen pijn?'
Arakasi keek naar zijn gespalkte arm. Hij knikte. 'Natuurlijk doet dat pijn.' Hij keek naar de deuropening. 'Het is bijna dag. Als ze nog een laatste keer komen, zal het nu gauw gebeuren.'
Kevin kwam moeizaam overeind. Hij had graag zijn zwaard willen laten vallen, maar vreesde voor zijn enkels als hij dat deed. Rillend van vermoeidheid en spanning wankelde hij traag naar de plek waar Mara naast Hoppara's gewonde bevelhebber geknield zat. Bij Kevins komst keek ze op. Ze zag er pijnlijk mager uit in het licht van de ene lamp die in de kamer brandde. Haar ogen leken te groot voor haar bleke gezicht en een van haar handen was helemaal ontveld rond de vingerknokkels. 'Alles goed met je?' vroeg Kevin haar.
Ze knikte verstrooid. Ook zij moest vechten tegen een vermoeidheid die haar dreigde te overmannen. 'Wat een... verspilling,' mompelde ze tenslotte.
Ergens wist Kevin de energie vandaan te halen om zijn hand uit te steken en haar te helpen opstaan. 'Laat de anderen dat maar niet horen, liefje. Anders schoppen ze je de raad uit wegens on- Tsuranese opvattingen.'
Mara was te uitgeput om zelfs maar een schim van een glimlachje te kunnen produceren.
'Deze kamer is niet de veiligste,' zei Kevin. 'We zullen een van de bedienden vragen Hoppara's officier naar hiernaast te brengen.'
Mara schudde haar hoofd. 'Te laat.' Ze begroef haar hoofd in de bezwete holte van haar minnaars nek. Kevin keek naar beneden en zag dat de bevelhebber van de Xacatecas niet meer ademde. De rustige kracht en het vanzelfsprekende leiderschap waarmee hij zijn mannen in het brandende zand van de Tsubarische woestijn op de been had gehouden waren voortaan alleen nog maar herinneringen. 'Goden, hij was een voortreffelijk soldaat.'
Kevin bracht zijn vrouwe terug naar de kleine kamer waarvan was gebleken dat hij het beste te verdedigen was. Daar waren Lujan, twee krijgers en de overgebleven bedienden van Mara's staf bezig de lijken van de gesneuvelden weg te halen. De eigen mensen werden naar een andere slaapkamer gebracht, want ze zouden te zijner tijd eervol gecremeerd worden, maar de overige doden werden simpelweg door de vensters naar buiten gekieperd en in de tuin opgestapeld.
Mara leunde tegen Kevin aan. 'Ik denk niet dat ik de stank van deze kamer nog ooit uit mijn neus zal krijgen.'
Kevin streelde haar haren - een onhandig, vermoeid gebaar. 'De geur van het slagveld vergeet niemand snel.'
Opeens klonk er een luide klap tegen de voordeur. 'Bij Lashima, houdt het dan nooit op?' riep Hoppara, met een ondertoon van wanhoop in zijn stem. Heer Iliando stond voorovergebogen, leunend op zijn zwaard, zijn longen uit zijn lijf te hijgen terwijl Lujan twee soldaten gebaarde dat ze dichter bij de vrouwe moesten gaan staan. Toen liep de bevelhebber van de Acoma voorzichtig de gang in, met Kevin op zijn hielen. Er waren niet genoeg verdedigers meer om Kevin in staat te stellen zelf in de buurt van Mara te blijven, maar toen hij de schemerige gang in liep hoorde hij een fluwelige stem die bemoedigend zei: 'Maak je geen zorgen om haar. Vecht gewoon voor wat je waard bent, Kevin van Zün.' De barbaar bedankte Arakasi, die zich ergens achter hem moest bevinden, met een knikje. Meteen daarna braken twee soldaten in het zwart door de geïmproviseerde barricade die mannen van de Xacatecas in de gang hadden gebouwd. Kevin viel aan terwijl hij zag dat naast die barricade meer vijanden via een versperde zijdeur de gang probeerden in te komen.
Er was geen tijd om na te denken, nu kwam het aan op reflexen. Kevin haalde uit en voelde dat de metalen kling van zijn zwaard een arm van een vijand doorkliefde. Hij hoorde het kraken van een bot. Maar meteen daarna stond er een andere vijand op die plaats. Ze bleven komen, de druk nam niet af. Kevin deelde de ene zwiepende slag na de andere uit, enkel door zijn instincten geleid. Hij besefte vaag dat Lujan naast hem vocht, en dat iemand anders continu stond te vloeken. De versperring van de zijdeur had het begeven en de verdedigers die daar stonden werden onder de voet gelopen. Iemand viel vlak voor Kevins voeten, waardoor hij struikelde, maar een glibberig bebloede hand van een soldaat van de Bontura behoedde Kevin op het laatste moment voor een val. Hij kon alleen met een snel knikje bedanken, want er stortte zich alweer een nieuwe aanvaller op hem. Even vroeg hij zich verbijsterd af waar iemand in het keizerrijk toch al deze zwarte harnassen vandaan had gehaald. Of had die iemand gewoon over zijn huiskleuren heen alles zwart laten verven?
De aanvallers stormden de eerste kamer binnen. Ze waren in de meerderheid, en Lujan en zijn laatst overgebleven gardisten werden steeds verder achteruit gedreven. En toch waren ze nog niet verslagen. Lujans Tsuranese krijgers bezaten een koppige moed en ze vochten om elke meter terrein.
Kevin velde een zwarte krijger. Achter hem hielp een uitgeputte Heer van de Xacatecas de Heer van de Bontura de tweede kamer binnen. De gezette man hapte naar lucht en een been leek te slepen. Kevin voelde een beklemmende wanhoop opkomen, maar een vluchtig visioen van een zwaardpunt door het hart van zijn Mara gaf hem nieuwe kracht. Hij begon weer als een bezetene om zich heen te slaan en gaf daardoor de twee heren enig respijt om hun aftocht te voltooien. Dat waren in elk geval weer twee lichamen tussen Mara en de dood, dacht Kevin cynisch. Hij moest bijna hardop lachen toen hij aan Arakasi's bemoedigende woorden terugdacht. Onderwijl sloeg en kapte en stak hij met zijn zwaard, en pareerde hij de ene slag na de andere. Hij voelde bijna geen pijn - maar des te meer uitputting, verdoving. Hij stootte met zijn schouder tegen een deurpost, en dat kwam hem duur te staan, want de punt van een vijandelijk zwaard sneed over zijn ribben. Kevin sloeg hard terug en zijn metaal kapte het brosse laminaat van het andere zwaard vlak boven het gevest doormidden. Daarna gaf Kevin zijn verbaasde tegenstander snel een steek in zijn gezicht, en sprong achteruit.
Hij struikelde over een lichaam en kwam op een knie in de kamer achter hem terecht. Hij herstelde zich net niet snel genoeg: een naar voren springende tegenstander raakte hem volop zijn onbeschermde rug met de vlakke kant van zijn zwaard. Kevin had een gevoel alsof zijn rug in brand stond, maar een flitsende uitval van Lujan leidde de tegenstander af en toen Kevin zich snel had omgedraaid kon hij hem diep in zijn maag steken. De vijand klapte dubbel.
Achter hem stond Arakasi. Hij had een zwaard in zijn linkerhand en hij hield het vast als een jongetje dat dreigt met een stok. 'Gaat het?' vroeg hij.
'Het doet verdomd veel pijn, maar ik overleef het wel,' hijgde Kevin. In het parelgrijze tegenlicht dat door kieren naar binnen viel zag hij een nieuwe golf zwarte aanvallers in de gang. 'Zei ik overleven?' Hij moest zich bedwingen om niet in een krankzinnig lachen uit te barsten.
Achter zich hoorde hij aan een kreet van Lujan en aan een paar zware, bonkende geluiden dat het de vijand weer was gelukt een stuk muur tussen Mara's kamer en het aangrenzende appartement te slopen. 'Bewaak deze deur!' riep Kevin. Zelf haastte hij zich naar zijn vrouwe toe. Twee soldaten van de Acoma stonden nog voor haar en ze werden belaagd door een half dozijn zwarte krijgers.
'Klootzakken!' riep Kevin met schorre stem. Hij wierp zich meteen op de achterste, die zijn evenwicht verloor en een paar anderen in zijn val meesleepte. Kevin dwong zijn verkrampte, overbelaste spieren om nog een keer in te hakken op dat kluwen van armen en opgestoken zwaarden, nog een keer toe te steken, en nog eens. Maar zelfs toen waren er nog drie vijanden in leven. Kevin sneed van de achterste de kniepezen door en hakte nummer twee in de nek. Die klap had te weinig kracht om veel schade aan te richten, maar nu waren de twee gardisten van de Acoma bij deze aanvaller en de laatste, nummer zes, aangekomen om het werk af te maken.
'Achter je, Kevin!' riep Mara opeens.
Kevin draaide zich meteen om. In zijn achterhoofd besefte hij dat de man met de doorgesneden kniepezen een dolk in zijn hand had, maar dat probleempje moest maar even wachten, want het zwaard dat op hem neerdaalde verdiende beslist voorrang. Hij sprong naar rechts, maar bleef met zijn voet haken achter het been van een lijk op de grond, waar hij languit bovenop vieL Het zwaard van zijn aanvaller trok een vuurrode streep over Kevins linkerbovenarm. Schreeuwend van pijn en woede liet Kevin zich op zijn zij rollen en zijn zwaardpunt trof zijn aanvaller vlak boven zijn kruis vol in de buik. Een van de gardisten schoot Kevin te hulp en trapte zo hard tegen het half opgeheven schild van de stervende vijand aan dat deze achterover de gang in tuimelde en een andere zwarte krijger, die in de deuropening verscheen, in zijn val meesleepte.
Kevin kreeg heel even de kans om op adem te komen. De lucht ging schurend door zijn keeL Hij hoorde een indringend, oorverdovend geluid. 'Goden, daar komen er nog meer aan!' Toen dacht hij versuft: Trompetten? Hij kon amper op zijn benen staan, zijn rug brandde en zijn linkerarm was gevoelloos geworden. Zijn rechterhand droop van het bloed. Toch wankelde hij koppig achter de eerste gardist van de Acoma aan, die door de gang naar de voordeur liep. Achter hem was er nu nog maar één man om Mara te beschermen - de tweede gardist, die met zijn zwaard in de aanslag voor haar stond. Kevin gaf haar een wrang afscheidsgrijnsje voordat hij strompelend de kamer verliet. Het einde was nu echt nabij. Lujan, Arakasi, Hoppara, Bontura - niemand te zien, hoewel er vanuit de tweede slaapkamer nog geluiden van gevechten klonken. Tenzij er hulp van buiten zou komen, waren ze nu werkelijk met te weinigen om zich de vijanden van het lijf te komen.
Toen hij bij de achterste deur kwam zag Kevin twee zwart-geharnaste soldaten door een gat in de muur naar de tuin vluchten. Dat vond hij nogal komisch, maar hij kon er niet om lachen. In plaats daarvan schoten zijn ogen vol tranen. Opnieuw het geluid van een trompet, nu nog harder.
En opeens was het bijna stil in het appartement - op het kreunen van de gewonden en het raspende hijgen van de Heer van de Bontura na. Lujan kwam door een deuropening de gang op gestrompeld, zonder helm op, hevig bloedend uit een hoofdwond. Hij schonk Kevin een dwaze grijns en bleef uitgeput staan. 'De keizer! Hij is terug. Die trompetten zijn van het garnizoen. De Keizerlijke Witten zijn terug!'
Kevin liet zich vallen waar hij stond, en alleen de wand voorkwam dat hij languit op de vloer terechtkwam. Lujan liet zich naast hem zakken. Hij had een lelijke snee in zijn slaap en zijn harnas was aan flarden. Kevin liet zijn zwaard uit zijn verkrampte vingers glijden, raapte het restant van een verfomfaaid kussentje op en gebruikte het om het bloeden van Lujans wond te stelpen. Hoppara kwam uit de slaapkamer naar buiten wankelen. Hij ondersteunde heer Iliando, maar Kevin had alleen oog voor vrouwe Mara. Ze was even uitgeput als iedereen, maar kwam meteen naar hem toe en knielde naast Kevin en Lujan neer. 'De keizer?' vroeg ze.
Voordat Lujan zijn stem had gevonden stapten er twee in het wit geklede krijgers door de voordeur naar binnen. 'Van wie is dit huis?' vroeg een van de twee op luide, zelfverzekerde toon.
Mara ging staan. Haar plakkerige haren piekten alle kanten op en haar kleren waren rood van het bloed, maar haar houding was op en top die van een edele vrouwe. 'Van mij, Mara van de Acoma! Dit is mijn appartement. En de heren van de Xacatecas en de Bontura zijn mijn gasten.'
Als de keizerlijke krijger haar woordkeuze misschien enigszins merkwaardig vond, liet hij daar niets van blijken. Hij keek met opgetrokken wenkbrauwen naar de stille getuigen van het bloedbad om hem heen, maar zijn stem klonk formeel en neutraal. 'Vrouwe, mijne heren, het Hemelse Licht beveelt alle regeerders van de huizen op het middaguur aanwezig te zijn voor een vergadering van de Hoge Raad.'
'Ik zal er zijn,' antwoordde Mara eenvoudig.
Zonder nog een woord te zeggen draaiden de twee Keizerlijke Witten zich om en liepen naar buiten. Kevin liet zijn hoofd met een bonk tegen de wand vallen. Tranen van uitputting stroomden over zijn wangen. 'Ik zou maanden kunnen slapen.'
Mara raakte zijn gezicht aan - bedroefd, leek het wel. 'We hebben de tijd niet.' Tegen Lujan vervolgde ze: 'Kijk waar Jican zich verbergt. Stuur hem naar ons stadshuis en laat hem schone kleren en bedienden halen. Er moet hier worden opgeruimd en geschrobd en gepoetst, en rond het middaguur moet ik in vol ornaat naar de raad - gebaad, gekapt en gekleed.'
Kevin sloot zijn ogen, om des te beter te kunnen genieten van dit ene zalige moment van rust en vrede. Hoe moe hij ook was, Mara had nog een lange, zware dag voor zich. En waar zij ging, diende hij haar uit liefde te volgen.
Hij kwam moeizaam overeind, opende zijn ogen en wenkte een even uitgeputte gardist. 'Kom, laten we de tuin gaan bemesten.'
Lujan hield met een hand het kussentje tegen zijn hoofd gedrukt en gebaarde met de andere dat de soldaat dat maar moest doen. Ze hoefden niet ver te lopen voordat ze een eerste lijk vonden. Kevin pakte het onder de armen, de gardist bij de benen. Zo strompelden ze in de richting van de tuin. 'Jammer dat er niet meer Hamoi-moordenaars bij waren,' kreunde Kevin. 'Die hadden tenminste niet van die zware harnassen aan. Dat zou ons een hoop sleepwerk hebben gescheeld!'
Lujan schudde zijn hoofd, maar er speelde een flauw glimlachje om zijn lippen. Die rare barbaar met zijn rare ideeën!
Na uren van koortsachtige activiteit verliet Mara haar appartement, waaruit alle doden verwijderd waren. Haar haren waren gewassen en naar achter gebonden onder een met juwelen versierd kapje. Ze droeg staatsiekleren die uit haar stadshuis waren gehaald en die tot over haar met bloed bespatte slippers vielen. Haar eregarde droeg uniformen en versierselen die van het garnizoen in het stadshuis waren geleend, en Lujans officierspluimen stonden fier op zijn helm, nog vochtig van het waswater, maar in elk geval schoon. Misschien dat onder de uniformen en ruime mantels nogal wat wonden en verbanden verborgen gingen, en dat de manier van lopen van de krijgers wat strammer leek dan nodig was, maar Mara vond dat ze de goede naam van de Acoma alle eer aandeden toen ze haar bij het naderen van de raadzaal begeleidden.
Overal stonden Keizerlijke Witten op wacht, ook bij de ingang. Daar werd Mara's stoet tegengehouden. 'Vrouwe,' zei een van de Witten, met een vleugje eerbied in zijn stem, 'het Hemelse Licht staat alle raadsleden slechts één lijfwacht toe, om verder bloedvergieten in zijn paleis te voorkomen.'
Mara kon slechts buigen voor een keizerlijk bevel. Snel dacht ze na, toen wendde ze zich tot Lujan. 'Keer terug naar ons appartement en wacht daar mijn bericht af.'
Daarna wenkte ze Arakasi. Wegens zijn gespalkte arm telde hij als krijger wat minder, maar ze wilde het niet zonder zijn raad stellen. En mocht een van de heren iets gewelddadigs willen proberen - sinds gisteren wist ze dat Kevin in geval van nood uitstekend overweg zou kunnen met het zwaard dat Arakasi onder zijn uniform verborgen hield. Toen Mara haar lijfslaaf bij zich liet komen stak de gardist echter opnieuw zijn hand op. 'Slechts één enkele soldaat, mijn vrouwe.'
Mara keek hem hooghartig aan. 'Sinds wanneer zijn slaven soldaten?' Ze sprak met alle bekaktheid die ze kon opbrengen. 'Ik wil een eerzaam gewonde soldaat niet als loopjongen inzetten. Als ik straks mijn escorte laat roepen moet ik dus mijn slaaf bij de hand hebben.'
De Witte Gardist aarzelde en Mara stapte langs hem heen voordat hij kon protesteren. Kevin liep meteen achter haar aan, zonder om te kijken, want als onderdanig slaafs gedrag ooit vereist was, dan nu wel.
De zaal bleek aanzienlijk minder vol dan gisteren en de stemming van de aanwezige heren was veel bedrukter. Mara wisselde een paar groeten uit terwijl ze naar haar plaats liep, en keek ondertussen goed welke zetels niet bezet waren. 'Minstens vijf heren van de Omechan zijn afwezig,' mompelde ze tegen Arakasi.
Meteen toen ze was gaan zitten werd het druk om haar heen. Er werden haar wel een dozijn briefjes gebracht, steeds door soldaten die een eerbiedige buiging maakten en meteen weer vertrokken, zonder een antwoord af te wachten. Mara bekeek de notities vluchtig en gaf ze daarna aan Arakasi, die ze in zijn zak stopte zonder er een blik op te werpen. We hebben gewonnen,' zei ze verbaasd.
Ze wees naar een paar plaatsen die de hele afgelopen week leeg waren gebleven, maar nu werden ingenomen door opzichtig en duur geklede heren, vergezeld door frisse gardisten die de laatste tijd beslist geen gevechten hadden hoeven te leveren. 'De Blauwe Wiel-partij is in ons midden.'
Arakasi knikte. 'Heer Kamatsu van de Shinzawai is gekomen om met anderen te onderhandelen en zo veel mogelijk voordeel voor de Heer van de Keda binnen te halen. Hij en de Heer van de Zanwai zullen de eerste tien minuten vooral hun best doen om hun partij bij elkaar te houden.'
Mara wierp een blik op het gezelschap. Ze zocht het vertrouwde gezicht van Hokanu, maar de ene soldaat die het blauw van de Shinzawai droeg was iemand die ze niet kende, met de officierspluimen van een opperbevelhebber. Men wilde de erfzoon van de Shinzawai kennelijk geen enkel risico meer laten lopen. Mara voelde zich teleurgesteld.
Er ging een geroezemoes door de zaal toen de twee hoogstgeplaatste heren als laatsten arriveerden. Axantucar, nu Heer van de Oaxatucan, kwam ongeveer tegelijk met Tasaio naar binnen. Beiden liepen met een air alsof er verder in de hele zaal niemand van belang aanwezig was, en elkaar gunden ze al helemaal geen blik.
Meteen nadat beide kandidaten hun plaats hadden ingenomen stonden verschillende heren op en leken aanstalten te maken om hetzij met Tasaio, hetzij met Axantucar te gaan overleggen. Ze beperkten zich echter allemaal tot een snelle begroeting en trokken zich toen weer terug.
'Wat doen ze?' fluisterde Kevin.
'Ze stemmen over het ambt van Krijgsheer,' antwoordde Arakasi. 'Door deze korte, symbolische begroeting laten deze heren hun trouw blijken aan degene die ze in het wit-en-goud gekleed wensen te zien. Zij die nog geen keuze hebben gemaakt' hij wees vaagjes naar de rest van de zaal- 'wachten hun tijd af.'
Kevin keek naar beneden en zag dat Mara het Grote Spel uiterst aandachtig zat te bekijken. 'Wanneer ga jij naar de Heer van de Oaxatucan?'
'Nog niet.' Ze tuurde met gefronst voorhoofd naar de bewegingen van de edelen die telkens enkele tellen hetzij bij de Heer van de Oaxatucan, hetzij bij de Heer van de Minwanabi hun opwachting maakten. Maar opeens, zonder aanwijsbare reden of aanleiding, stond Mara op en liep ze de trap af. Ze stak het gangpad over alsof ze op weg was naar Tasaio. Het werd merkbaar stiller in de zaal. Ieders ogen waren gericht op de frêle vrouw die nu het trapje naar de zetel van de Minwanabi beklom. Op het laatste moment veranderde ze echter van richting en liep met drie snelle passen naar de plaats waar Hoppara van de Xacatecas zat. Ze wisselde enkele woorden met hem en keerde toen terug naar haar eigen zetel.
'Wat is dat nou?' fluisterde Kevin. 'Kan die jongen het ambt vervullen?'
'Het is een zet,' zei Arakasi.
Verschillende andere heren meldden zich daarna kort bij Hoppara, en spoedig was het duidelijk dat er zich geen andere kandidaten meer zouden melden. Kevin probeerde een schatting te maken. 'Ongeveer gelijk, zou ik denken. Een kwart voor de Minwanabi, een kwart voor Oaxatucan, een kwart voor de Xacatecas, en een kwart heeft nog geen keuze gemaakt.'
Een hele poos bewoog zich niemand meer. De heren bleven op hun plaats en overlegden met hun adviseurs en bedienden. Heel af en toe stond er een heer op om zich alsnog bij een van de drie kandidaten te vervoegen.
'Hé,' fluisterde Kevin. 'Die heer daar, met die veren op zijn hoed, is daarstraks bij de Minwanabi geweest! Maar nu praat hij met Oaxatucan.' Mara knikte. 'Er wordt wel eens van partij gewisseld.'
De middag gleed traag voorbij. De hele tijd werd het vreemde verkiezingsritueel voortgezet. Twee keer bracht Mara een hernieuwd bezoekje aan de Heer van de Xacatecas, om iedereen te bewijzen dat ze de jongeman nog steeds steunde. Maar toen het in de namiddag al bijna begon te schemeren was het vrouwe Mara die na een knikje, volgend op een ongezien signaal, plotseling opstond, precies tegelijk met heer Hoppara. Ze liepen op hun gemak door de zaal en arriveerden exact tegelijk voor de stoel van heer Axantucar. Er steeg een luidruchtig geroezemoes op. Opeens waren er nog wel twintig andere edelen die hun plaats verlieten en naar de Heer van de Oaxatucan liepen.
Mara was ondertussen naar haar stoel teruggekeerd. 'Nu,' fluisterde ze tegen Kevin.
Hij zag dat ze haar blik richtte op de plaats waar Tasaio zat. De Heer van de Minwanabi beantwoordde haar blik met zo veel pure kwaadaardigheid in zijn ogen dat Kevin een ijzige huivering door zich heen voelde gaan. En opeens deden al zijn wonden pijn, jeukten zijn kleren en voelde hij zich weer doodmoe. Hoe lang kon hij dit pijnlijke staan nog volhouden? Juist toen hij zich afvroeg hoe lang de raad het nemen van een beslissing nog kon uitstellen, veranderde de sfeer van berustende afwachting in de zaal abrupt in een van gespannen verwachting.
Tasaio ging staan. Het werd stil in de zaal. Iedere heer zat roerloos op zijn plaats. Met een heldere, voor iedereen goed verstaanbare stem zei de Heer van de Minwanabi: 'Het past thans dat aan het Hemelse Licht wordt bericht dat een van ons bereid is het wit-en-goud te dragen, en als eerste onder ons de continuiteit van het keizerrijk zal garanderen. Laat het bekend zijn dat het Axantucar van de Oaxatucan is.'
Er klonk een luid gejuich op, dat door de hoge koepel honderdvoudig werd weerkaatst. Kevin zag dat meer dan de helft van de heren niet al te enthousiast meedeed. 'Waarom gaf de Minwanabi het op?' vroeg hij.
Mara zelf gaf hem antwoord. 'Hij was verslagen. Het is traditie dat degene die net nietheeft gewonnen de keizer inlicht.'
Kevin glimlachte. 'Dat is een bittere pil.'
De Vrouwe van de Acoma knikte langzaam. 'Inderdaad, bitter.' Alsof ze aanvoelde dat haar geliefde op zijn laatste reserves teerde voegde ze eraan toe: 'Nog even geduld. Het is ook traditie dat we wachten totdat het Hemelse Licht de benoeming heeft bevestigd.'
Kevin verdroeg zijn beproevingen zo goed mogelijk. Ondanks het bijeenroepen van de raad en het toestaan van de verkiezing van een nieuwe Krijgsheer was hij er niet van overtuigd dat Ichindar de traditie zo slaafs volgde als vrouwe Mara scheen te denken. Deze keer besloot hij echter daar niets over te zeggen. Binnen een half uur verscheen er een heraut in een livrei van wit -en-goud, met een groep Keizerlijke Witten in zijn kielzog. Ze hadden een mantel van witte veren bij zich, waarvan de zomen rijkelijk waren afgezet met gouden banden. Ze liepen regelrecht naar de zetel van Axantucar en hingen hem de mantel om de schouders.
Kevin nam de nieuwe Krijgsheer eens goed op. Waar zijn oom, Almecho, een typische soldaat was geweest, met een stierennek en een brede borstkas, zag deze neef eruit als een leraar of een dichter. Hij was slank, op het broodmagere af, en zijn gezicht leek bijna te ascetisch. Maar de triomfantelijke schittering in zijn ogen verried een gemoed dat zeker zo inhalig was als dat van Tasaio.
'Hij lijkt in zijn sas,' mompelde Kevin.
Arakasi antwoordde zachtjes: 'Geen wonder. Hij moet een groot deel van zijn erfenis hebben uitgegeven om een half dozijn heren te laten vermoorden.'
'Denk je dat die zwarte krijgers van hem waren?'
'Praktisch zeker.'
Waarom zou hij soldaten op ons afsturen?' vroeg Mara. 'Wij zouden toch elke rivaal van Tasaio steunen?'
'Om onvoorspelbare allianties voor te zijn. En ervoor te zorgen dat de schuld voor de algehele slachtpartij bij de Minwanabi wordt gelegd.' Arakasi kreeg een opgewekte klank in zijn stem, waarschijnlijk omdat zijn aartsvijand verslagen was. 'Hij is de winnaar, de Minwanabi niet. De tong werkte naar alle waarschijnlijkheid voor Tasaio. Dan is het logisch dat die andere, zwarte soldaten namens de clan Omechan kwamen.'
De orde keerde terug in de raadzaal. Nadat ze een paar plichtmatige toespraakjes hadden aangehoord stuurde Mara Kevin weg om Lujan en haar krijgers te halen. We keren vanavond naar ons stadshuis terug.'
De Midkemiër boog op waarlijk slaafse manier voor haar en liep langzaam naar de uitgang van deze kolossale zaal, met al die raadselachtige Regerende Heren erin. Voor de zoveelste keer concludeerde hij dat de Tsurani toch wel een buitengewoon raar volk, met erg bizarre gewoonten waren.
In heel Kentosani keerde de rust terug. Mara en de leden van haar huishouding kregen de kans om uit te rusten, hun wonden te laten genezen en te wennen aan de politieke veranderingen sinds Axantucar het ambt van Krijgsheer op zich had genomen. 's Avonds waren er feesten in de stadshuizen, en ook de Vrouwe van de Acoma ontving menig invloedrijk heerschap, want ze was tegenwoordig zeer in trek. Kevin was gemelijk, maar zijn vrouwe had het zo druk met uitrusten en voldoen aan haar sociale verplichtingen dat ze weinig tijd had om iets aan zijn sombere stemming te doen.
Arakasi bezocht zijn meesteres de derde ochtend na de raadsvergadering. Ze zat briefjes van heren in de stad te lezen. Arakasi droeg de simpele kleren van een bediende en gebruikte openlijk een mitella. Niettemin maakte hij de diepe buiging waar Mara's rang haar recht op gaf. Vrouwe, de mensen van de Minwanabi zijn aan boord van hun boten gegaan. Tasaio keert terug naar zijn landgoed.'
Mara ging staan, blij verrast. 'Dan kunnen we veilig naar huis!'
Weer maakte Arakasi een buiging, deze nog dieper dan de vorige. 'Meesteres, ik wil uw vergiffenis vragen. In alle woelingen heb ik niet tijdig voorzien dat de Heer van de Oaxatucan zijn oom zo spoedig zou vervangen.'
'Je bent te kritisch tegenover jezelf, Arakasi.' Er gleed een schaduw over Mara's gezicht, en ze liep rusteloos naar een venster. Buiten strooiden bomen bloesemblaadjes over de straat. Bedienden duwden karretjes met groenten en andere levensmiddelen voort, koeriers renden snelvoetig af en aan. Het leek een stralende, heel gewone dag - de opluchting van het ontwaken na een nachtmerrie. 'Wie van ons had kunnen verwachten dat er die nacht zo veel moorden zouden plaatsvinden?' vervolgde Mara. 'Jouw werk heeft vijf Regerende Heren het leven gered, mezelf meegeteld. Ik durf te beweren dat geen enkel individueel persoon meer heeft gepresteerd, en het resultaat heeft de Acoma veel prestige bezorgd.'
Arakasi boog zijn hoofd. 'Mijn vrouwe is goedgunstig.'
'Ik ben dankbaar,' corrigeerde ze. 'Kom, het wordt tijd dat we naar huis terugkeren.'
Later die dag marcheerde de stoet van de Acoma in strakke orde door de stad. Mara's draagkoets en een wagen waarop de gewonden lagen bevonden zich veilig in het midden. Aan de kade lagen boten gereed om de meesteres en haar gevolg stroomafwaarts te brengen. Op kussens onder een luifel gezeten, met Kevin naast zich, keek Mara naar de alledaagse drukte van het havenkwartier. 'Het lijkt allemaal zo rustig en normaal. Alsof er de afgelopen week niets bijzonders is gebeurd.'
Kevin keek naar de havenarbeiders, de kooplieden, de vissers, en de paar kinderen en bedelaars die de eeuwige straathandel lichtjes hinderden. 'Het gewone volk bemoeit zich liever niet met de rijken en machtigen, tenzij het de pech heeft onder de voet gelopen te worden. Dan sterft het. Maar verder gaat het leven altijd gewoon door, en elke dag is hetzelfde als de volgende.'
Mara proefde de bitterheid in zijn woorden en ze keek de man van wie ze was gaan houden onderzoekend aan. Een briesje speelde met zijn rode haar en met de baard waar ze nooit helemaal aan gewend was geraakt. Hij leunde gespannen tegen de reling. De stand van zijn schouders was verkrampt - een gevolg van de wonden die hij in de strijd had opgelopen. De pols die ze met haar handen omvat hield zat nog in het verband. Zijn ogen stonden triest, alsof hij in een onbestemde verte allemaal zorgelijke dingen zag. Ze wilde hem vragen wat hem zo dwars zat, maar juist op dat moment werd ze afgeleid door een kreet vanaf de kant.
De bootsman liet de trossen losgooien, de mannen aan de helmstokken begonnen met hun ritmische gezang en de boten kwamen in beweging en lieten zich meenemen door de zeewaartse stroom van de Gagajin. Het middagbriesje deed de luifel boven Mara's hoofd fladderen. Haar stemming klaarde op. Tasaio was verslagen en ze was veilig op weg naar huis! 'Kom bij me,' zei ze tegen Kevin. 'Laten we een koel drankje nemen.'
Buiten de stad stroomde de rivier door een vlakke afwisseling van groene weiden, boomgaarden en vruchtbaar akkerland. Tot op het dek drong in de geur van het rivierwater bij vlagen ook het aroma van omgeploegde aarde en bloeiende fruitbomen door. Mara had haar hoofd op Kevins dij gelegd en doezelde voldaan weg. De tempeltorens van de stad waren al in de verte verdwenen toen ze uit haar dutje werd gewekt door kreten vanaf de wal.
'Acoma!'
Haar bevelhebber beantwoordde de roep vanaf de boeg van de voorste boot en even later stonden alle bedienden te kijken en wijzen naar een groot aantal tenten op de oever. Op de weiden daar was een tentenkamp van indrukwekkende omvang ingericht, en aan de hoogste mast wapperde een groene vlag met het embleem van de shatravogel in de wind. Op Mara's aanwijzing zette de stuurman van haar boot koers naar de wal en toen ze het ondiepe water naast de wallekant bereikten waren daar wel duizend soldaten van de Acoma toegestroomd om hun meesteres te begroeten. Mara verbaasde zich over hun grote aantal en kreeg een brok in haar keel. Nog maar tien jaar geleden, toen ze onverhoeds de mantel van Regerende Vrouwe omgehangen had gekregen, waren er nog slechts zevenendertig soldaten in de groene huiskleuren van de Acoma over geweest...
Drie slagleiders wachtten haar draagkoets op en bogen voor haar toen Kevin haar hielp uitstappen. 'Welkom, vrouwe Mara!' En alle krijgers juichten uit volle borst voor hun weergekeerde meesteres. De drie officieren leidden haar tussen de blije manschappen door naar de beschaduwde ruimte onder de luifel voor hun commandotent.
Daar stond Keyoke te wachten, kaarsrecht, ondanks de kruk die hij gebruikte. Hij kreeg zelfs een formele buiging voor elkaar. 'Meesteres, onze harten verheugen zich nu we u weer zien!'
Mara moest opeens vechten tegen haar tranen. 'En mijn hart zingt nu ik jou zie, lieve kameraad.'
Keyoke dankte met een buiging voor de vriendelijke woorden en stapte toen opzij om haar naar binnen te laten. Ze nam plaats op de zachte kussens die daar op dikke tapijten lagen en Kevin knielde schuin achter haar neer. Met zijn gezonde hand masseerde hij haar rug tot hij de spanning daaruit voelde wegvloeien.
Keyoke, die nog op zijn post bij de ingang stond, zag een vredige kalmte op het gezicht van zijn meesteres verschijnen. Hij draaide zich om en zag buiten Lujan naderen, met Arakasi, slagleider Kenji en de paar ongedeerde overlevenden van de Nacht van de Bloedige Zwaarden achter hem aan. Keyoke kreeg een geheimzinnig glimlachje om zijn lippen, alsof hij opeens moest terugdenken aan de goede oude tijd met heer Sezu, en stak afwerend zijn hand op.
'Bevelhebber,' zei de vorige bezitter van die titel tegen Lujan, 'misschien mag ik zo vrij zijn op te merken dat het soms beter is bepaalde dingen even uit te stellen. Keer morgenochtend bij onze meesteres terug.'
Lujan sprak hem niet tegen. Hij draaide zich meteen om en zei tegen de mannen die hij bij zich had dat het hoog tijd was voor een paar biertjes.
Kevin keek vanuit de koele tent vragend naar de oude soldaat voor de ingang. Deze knikte instemmend, maakte de veters van de tentflap los en liet deze met een zacht plofje naar beneden vallen. Buiten, in het zonlicht, keek Keyoke peinzend voor zich uit. Aan zijn verweerde gezicht was het misschien niet te zien, maar in zijn oude ogen blonk trots - trots op de minnaar van de vrouw die hij als de dochter van zijn hart beschouwde.
Arakasi's koerier had zeer duidelijk uitgelegd wat de Acoma te danken had aan Kevins moed met een zwaard. Keyoke's van nature nogal grimmige gelaatstrekken kregen zelfs iets zachts toen hij even naar het stompje van zijn rechterbeen keek. Tja, hij werd week op zijn oude dag. Nimmer had hij gedroomd nog eens te zuilen meemaken dat hij dankbaar zou zijn voor de impertinentie van die roodharige barbaarse slaaf!
Avondschaduwen begonnen de grote zaal al te verduisteren toen heer Tasaio thuis terugkeerde. Nog steeds in simpele soldatenkleding, met als enige concessie aan het formele de zijden officiersmantel die over zijn schouders hing, liep hij met grote passen door de hoofdingang naar binnen. De zaal was vol. Alle leden van de huishouding stonden opgesteld om hem te begroeten, en achter hen alle neven, achterneven en andere vazallen die hem in de afgelopen jaren van oorlog en conflicten hadden gediend. Tasaio liep tussen hun zwijgende en roerloze rijen door alsof hij de enige in de hele zaal was. Pas toen hij zijn podium had bereikt draaide hij zich om en gaf hij te kennen dat hij ieders aanwezigheid had opgemerkt.
Incomo deed een stap naar voren. 'De harten van de Minwanabi lopen vol bij de terugkeer van onze heer.'
Tasaio reageerde met een knikje. Hij gaf zijn helm aan een bediende, die boog en zich toen haastig uit de voeten maakte. Zonder woorden aan banaliteiten te verspillen, want dat was zijn gewoonte niet, keek de Heer van de Minwanabi zijn Eerste Adviseur met een fletse blik aan. 'Zijn de priesters klaar?'
Incomo boog. 'Zoals u hebt gevraagd, mijn heer.'
Er lagen gloednieuwe zwart-en-oranje kussens op het lage podium, en er was een nieuwe mat van sorkatvellen, met daarop een nieuwe tafel met poten die waren gemaakt van prachtig gesneden harulthbotten. Tasaio schonk deze wijzigingen in het meubilair slechts een vluchtige blik, maar geen detail van de veranderingen ontging hem. Tevreden dat niets meer herinnerde aan Desio's heerschappij, ging hij zitten. Hij gaf gèen ander signaal dan dat hij het ontblote dynastieke zwaard van de Minwanabi dwars over zijn knieën legde.
Even gebeurde er niets, tot Incomo zich een beetje laat herinnerde dat hij werd geacht in actie te komen zonder nadere opdracht van zijn meester. Waar Desio zelf de controle had willen houden over zelfs de pieduttigste activiteit, verwachtte Tasaio gewoon dat hij zonder te wenken bediend werd. De Eerste Adviseur gebaarde dus dat de ceremonie nu kon beginnen.
Twee priesters naderden het podium. De ene droeg de rode verf en het dodenmasker van Turakamu, de andere was gehuld in het witte gewaad, met lange mouwen, van Juran de Rechtvaardige. Beiden reciteerden ze zegeningen van de goden die ze dienden. Er volgden geen offeranden, noch protserige ceremonies in de stijl die Desio altijd zo graag had geregisseerd. De priester van Juran stak een kaars aan en zette die in een krans van gevlochten riet. Dit symboliseerde de kwetsbaarheid van een sterfelijk mens tegenover zijn god. De priester van de god van de Dood danste deze keer niet, en blies evenmin op een fluitje. Ook vroeg hij zijn god niet om wie dan ook gunsten te verlenen. In plaats daarvan beklom hij de treden naar het podium en herinnerde er Tasaio in koele woorden aan dat een beloofd offer nog niet was vervuld.
'Een belofte, gezworen op het bloed van het huis Minwanabi,' zei de priester. 'De familie Acoma moet sterven, en de levens van de Minwanabi staan daarvoor borg. Wie de mantel van Heer van de Minwanabi aanvaardt dient ook deze eed waar te maken.'
'Ik erken onze verplichting tegenover de Rode God,' zei Tasaio op scherpe toon. 'Mijn hand op dit zwaard bevestigt dat.'
De rode priester tekende een symbool in de lucht. 'Turakamu moge uw inspanningen welwillend bezien - of anders uw lot en dat van uw erfgenamen bezegelen, zou u falen.' Er ratelden botjes aan de kettingen die de priester droeg toen hij met enkele snelle bewegingen van het podium stapte. De kaars ter ere van de Rechtvaardige flakkerde.
De nieuwe Heer van de Minwanabi bleef zwijgen en uitdrukkingsloos voor zich uit kijken terwijl het ene familielid na het andere naar voren kwam om hem met een buiging trouw te beloven. Toen ook de laatste vazal op deze manier zijn eed had hernieuwd ging Tasaio staan. Hij riep naar de slagleider die bij een zijdeur stond: 'Stuur mijn concubines naar binnen.'
Er verschenen twee jonge vrouwen, die allebei dure kleren droegen. De ene was groot, slank en blond, en in het bezit van wijd uiteenstaande, jadegroene ogen, die door kundig pensee1werk prachtig waren opgemaakt. De andere, gekleed in een vuurrood gewaad van gaasachtige zijde, had een donkerder tint en een mollig figuur. Hoewel het geheel verschillende typen waren, bezaten ze beiden een adembenemende schoonheid. Ze naderden met kleine stapjes - de manier van lopen van meisjes die vanaf hun prilste jeugd hebben geleerd hoe ze genoegen moeten schenken. Ze maakten een sierlijke buiging voor het podium - waarbij hun korte, losse gewaden als toevallig de curven van blote dijen, kuiten en borsten onthulden. Hoewel dit soort vrouwen uit de schoonste en lieflijkste van het gehele rijk werd geselecteerd, hadden ze geen hogere status dan de laagste bedienden. Iedereen in de zaal was uiterst benieuwd naar wat hun heer met zijn courtisanes van plan was.
Vlak voor Tasaio lieten beide vrouwen zich op hun knieën vallen, en beiden raakten ze met hun voorhoofd de vloer aan.
'Kijk me aan,' commandeerde Tasaio.
Bang, maar gehoorzaam in alles, deden de twee jonge vrouwen wat hun bevolen was. 'Uw wil, mijn heer,' zeiden ze met zwoele, onderdanige stemmen.
De nieuwe Heer van de Minwanabi bekeek het tweetal met een afstandelijke blik. 'Incarna,' zei hij tegen de donkere. 'Zijn je kinderen in de buurt?'
Incarna knikte, maar iedereen zag dat haar gezicht wit wegtrok van angst. Ze had haar heer twee onwettige kinderen gebaard, maar hun vaders statusverbetering zou wel eens niet in hun voordeel kunnen zijn. Het was niet ongewoon dat een man die de mantel van Regerend Heer kreeg omgehangen zulke nakomelingen liet doden, om elke claim op opvolging in de kiem te smoren.
'Haal ze,' commandeerde Tasaio.
Een glinstering als van tranen blonk in Incarna's amandelkleurige ogen, maar ze sprong meteen op en liep de grote zaal uit. Tasaio richtte nu zijn aandacht op de blonde vrouw, die nog op haar knieën voor het podium zat. 'Sanjana, je hebt mijn Eerste Adviseur verteld dat je zwanger bent?'
Sanjana hield haar handen strak samengeknepen, maar aan de glimmende kraaltjes op haar jurk was te zien dat ze trilde. la, heer,' zei ze, en de heesheid in haar stem leek deze keer geen hulpmiddeltje om verleidelijk te klinken.
Tasaio zei niets. Zijn gezicht en houding veranderden zelfs niet toen Incarna terugkeerde met een kleine jongen die ze min of meer achter zich aan moest slepen. Hij had Tasaio's roestbruine haar en zijn moeders teint. Hoewel hij niet huilde, was het duidelijk dat zijn moeders nervositeit hem bang maakte. In haar armen droeg Incarna een tweede kind: een meisje dat nog te klein was om dat hele eind op eigen kracht te kunnen lopen. Dit kind was te jong om iets te begrijpen, en het keek met een paar vingertjes in de mond met haar bleke amberkleurige oogjes nieuwsgierig de zaal in.
Vanaf zijn plaats op het podium bekeek Tasaio de kinderen met de schattende blik van een veekoopman die nidra's keurt. Toen wenkte hij met een bijna verstrooid gebaar bevelhebber Irrilandi bij zich. Hij wees naar Sanjana en zei: 'Breng deze vrouw naar buiten. Ik wil haar zien sterven.'
Sanjana bracht haar vuist naar haar mond. Haar prachtige jadekleurige ogen vulden zich met tranen van angst en ze wankelde. Ze kon niet opstaan en zat te trillen op haar knieën tot twee soldaten haar aan haar armen omhoog trokken en naar buiten sleepten. Haar mislukte pogingen om haar beschamende snikken in te houden wierpen luide echo's over de doodstille menigte in de zaal.
Nu stond alleen Incarna nog voor het podium te beven. Ze hield haar kinderen vastgeklampt en haar gezicht transpireerde van angst. Tasaio bekeek haar zonder medelijden of enige tederheid. 'Deze vrouw neem ik als mijn echtgenote, en deze kinderen... hoe heten ze?'
Incarna knipperde met haar ogen, maar wist toen haastig te fluisteren: 'Dasari en Ilani, mijn heer.'
'Dasari is mijn erfgenaam.' Tasaio's stemgeluid werd helder weerkaatst door het hoge plafond. 'En Ilani is mijn eerste dochter.'
Na een verblufte stilte klonk er geritsel en gedruis toen allen een buiging maakten voor de nieuwe Vrouwe van de Minwanabi. 'Laat bedienden passende kamers inrichten voor de Vrouwe van de Minwanabi en haar kinderen,' droeg Tasaio Incomo op. Tegen Incarna voegde hij eraan toe: 'Vrouw, ga naar je kamers en wacht tot ik je roep. Morgen zullen leraren naar de kinderen worden gestuurd. Ze moeten worden geïnstrueerd in hun verplichtingen tegenover de familie. Dasari zal op een dag over dit huis heersen.'
De voormalige concubine boog diep. Ze trilde nog steeds van angst. Ze ontleende geen vreugde aan haar abrupte statusverhoging, maar haastte zich met haar zoon en dochter zo snel mogelijk bij het podium vandaan, onder de starende ogen van honderden verbaasde toeschouwers.
Tot zijn bedienden, gasten, familieleden en vazallen zei Tasaio: 'Morgen zal de bruiloft plaatsvinden. U bent allen welkom op het feest.'
Bij deze woorden kreeg Incomo's sombere gezicht een gealarmeerde uitdrukking. Een huwelijk vereiste een zorgvuldige planning, om de gunstigste voortekenen te verzekeren. De keuze van de dag, het uur, het voedsel, de ceremoniële huwelijkshut - dat alles vroeg de zegeningen van priesters en nauwgezette gehoorzaamheid aan wat de traditie voorschreef. Huwelijken van grote heren werden bijna nooit op zo korte termijn gesloten, juist om te voorkomen dat belangrijke details over het hoofd werden gezien en het nieuwe paar en zijn nakomelingen door ongeluk zouden worden getroffen.
Maar daar trok Tasaio zich kennelijk niets van aan. Met de zilverig glimmende kling van het voorouderlijke zwaard nu losjes op zijn schouder zei hij simpelweg: 'Regel het maar, Eerste Adviseur.'
Toen draaide hij zich om - de kling van het zwaard schitterde onheilspellend in het schijnsel van de lampen - en wenkte Incomo dat hij hem moest volgen. Zonder nog een woord te zeggen liep Tasaio in ferme pas naar de buitendeur, zeker wetend dat de twee soldaten die aan weerszijden stonden de deur tijdig zouden openen om hem doorgang te verlenen.
Toen hun heer naar buiten kwam en de binnenplaats betrad sprongen de twee soldaten die de doodsbange Sanjana tussen zich in hadden stram in de houding. Ze had haar haren losgeschud. Ze hingen als waaiers van blinkend goud over haar schouders. Ze had haar ogen neergeslagen, maar bij Tasaio's komst keek ze smekend op. De zachte, blanke huid van haar borsten toonde hoe gejaagd ze ademde, maar haar vaardigheid als courtisane liet haar zelfs nu niet in de steek. Zelfs doodsbang, in uiterste wanhoop, wist ze het enige voordeel dat ze bezat uit te buiten: de sensuele manier waarop ze haar rode lippen opende en haar slanke lichaam bewoog maakte elke man die haar zag duidelijk wie en wat ze was - een geoefende genotbrengster, niet meer en niet minder.
Ook Tasaio zag het. Zijn blik leek zich vast te zuigen aan de provocerende pose die ze hem voortoverde en het glinsteren van zijn ogen scheen een vooraankondiging te zijn van de lust die hem te wachten stond. Hij likte zijn lippen, boog zich voorover en kuste haar hevig en lang. Met een hand streelde hij haar borsten. Toen deed hij een stap achteruit. 'Ik heb je altijd een goede bedgenote gevonden,' zei hij. Toen er hoop oplichtte in haar ogen glimlachte hij haar toe. Het leek alsof hij stond te genieten van dat moment, van die aarzelende, kwetsbare opluchting in haar blik. 'Dood haar,' zei hij toen opeens. 'Nu!'
Haar gezicht vertrok van doodsangst, maar ze kreeg niet eens tijd om te gillen. De ene soldaat greep haar polsen vast en trok ze naar boven, waardoor Sanjana gedwongen was Tasaio aan te kijken, terwijl de andere, met een strak gezicht, zijn zwaard trok en de punt ervan diep in haar maag stak.
Ze kromp in elkaar, en een enkele, akelig schrille doodskreet ontsnapte aan haar lippen. Toen gutste er bloed uit haar mond, en haar benen verkrampten. De soldaat hield haar nog steeds bij haar polsen en wachtte tot haar laatste stuiptrekkingen ophielden, haar hoofd voorover viel en haar lichaam slap in elkaar zakte op de sierlijke blanke curven van haar nu met bloed bespatte dijen.
'Breng haar weg,' hijgde Tasaio. Zijn ogen puilden uit en zijn gezicht was rood aangelopen. Hij haalde een paar keer diep adem om tot kalmte te komen. 'Ik ga in bad,' zei hij toen tegen Incomo. 'Stuur me twee slavenmeisjes. Zorg ervoor dat ze jong en mooi zijn, en liefst onaangeraakt.'
Incomo voelde zich misselijk en was doodsbang dat het te zien zou zijn. Hij maakte een buiging. 'Zoals mijn heer wenst.' Hij wilde weglopen.
'Ik ben nog niet klaar met mijn opdrachten,' zei Tasaio berispend. Hij liep een eindje verder het tuinpad op. Zijn lippen plooiden zich tot het begin van een glimlach. Hij wenkte Incomo dat hij bij hem moest komen. 'Ik heb eens nagedacht over die spionnen van de Acoma. De tijd is gekomen om onze kennis in ons voordeel aan te wenden. Kom, ik zal je instrueren voordat ik me terugtrek.'
Incomo probeerde de stervende courtisane uit zijn geest te verdringen: hij moest goed opletten. Tasaio was er de man niet naar om incompetentie te tolereren. Hij gaf opdrachten maar één keer en verwachtte dat ze naar de letter zouden worden uitgevoerd. Toch zat de wellustige glans in zijn meesters blik de Eerste Adviseur vreselijk dwars. Hij stak een hand op die trilde - hoe hevig hij ook zijn best deed om dat tegen te gaan. 'Misschien,' opperde hij tactvol, 'wil mijn heer dat soort zakelijke dingen liever bespreken nadat hij van zijn bad heeft genoten?'
Tasaio bleef staan. Hij richtte zijn amberkleurige ogen op zijn Eerste Adviseur en keek hem scherp aan. Zijn glimlach werd breder. Je hebt mijn familie altijd goed gediend,' zei hij tenslotte op fluwelen toon. 'Ik zal je je zin geven.' Toen liep hij verder over het pad. 'Je hebt nu de tijd aan jezelf, tot ik je roep.'
De oude adviseur bleef staan. Zijn hart bonkte alsof hij een hele tijd gerend had. Zijn knieën knikten. Hij wist met akelige zekerheid dat Tasaio zijn zwakte had opgemerkt, maar de zaak had laten lopen, alsof hij had beseft dat Incomo's eigen fantasie hem met veel heviger kwellingen zou belasten dan hijzelf voor zijn slavenmeisjes in petto had. Incomo was te geschokt om droefheid te voelen. Hij moest de feiten onder ogen zien: hoe vurig hij ook het tegendeel had gehoopt, ook heer Tasaio bleek de familiekwaal van bloedig sadisme geërfd te hebben.
De Heer van de Minwanabi zat lui, ontspannen in de tobbe terwijl een bediende heet water over zijn schouders en rug goot. Met halfgesloten ogen keek hij naar zijn Eerste Adviseur, maar Incomo gaf zichzelf niet bloot. Hoe loom en slaperig Tasaio er ook uitzag, de handen die op de rand van de tobbe rustten zagen er in het geheel niet slap of relaxed uit.
'U hebt me laten roepen?' Incomo's neus ving een indringende geur op, een bitterzoet aroma, dat even later werd verklaard toen Tasaio een lange tateeshapijp van het tafeltje naast de tobbe pakte, het uiteinde van de steel tussen zijn lippen nam en diep inhaleerde. De Eerste Adviseur van de Minwanabi maskeerde zijn verbazing. De noten van de tateenstruik bevatten een stof die euforie kon veroorzaken - ze werden vaak gekauwd door slaven om de hardheid van hun bestaan te verzachten - maar de bloesems van die struik hadden juist een sterk verdovend effect. Wanneer je ze droogde, en daarna rookte, veroorzaakten ze eerst een aanscherping van alle zintuigen, vervolgens een vertekening van je waarnemingen en tenslotte een soort onbeweeglijke trance. De Eerste Adviseur dacht even na over de functie van een dergelijk genotmiddel voor iemand die het heerlijk vond om anderen te pijnigen, maar zette die morbide gedachte gauw van zich af. Het was niet aan hem om de praktijken van zijn meester te bekritiseren.
'Incomo,' zei Tasaio, scherp en duidelijk articulerend, 'ik heb besloten dat we moeten voortgaan met ons plan om de Acoma te vernietigen.'
'Zoals mijn heer beveelt,' zei Incomo.
Tasaio trommelde met zijn vingers onritmisch op de rand van de tobbe, alsof hij punten aftelde. 'Zodra dat geregeld is zal ik die opgedofte pavo van een Axantucar verpletteren.' Opeens deed hij zijn ogen open en keek hij zijn Eerste Adviseur woedend aan. 'Als die stommeling van een neef van me zijn werk had gedaan en Mara had uitgeschakeld, zou ik vandaag het wit -en-goud hebben gedragen!'
Het leek Incomo verstandig er zijn meester maar niet aan te herinneren dat niet Desio, maar Tasaio zelf de plannen had gemaakt om Mara te vernietigen. liever beperkte hij zich tot een knikje.
Tasaio stuurde de bediende weg. 'Laat ons alleen.' Toen de man weg was, en Tasaio alleen was met zijn adviseur en de dampen die opwalmden uit zijn tobbe, nam hij opnieuw een trek aan zijn pijp. Hij leek zich fysiek te ontspannen en zijn blik kreeg weer iets slaperigs. 'Ik wil dat een van de twee Acoma-spionnen promotie krijgt.'
'Mijn heer?'
Tasaio draaide zich half om en liet zijn kin op de rand van de tobbe rusten. 'Moet ik mezelf herhalen?'
'Nee, nee, mijn heer,' mompelde Incomo snel, gewaarschuwd door een plotseling oplichtende fonkeling in de ogen van zijn meester. 'Ik weet alleen niet goed wat u bedoelt.'
'Ik wil een van die spionnen dicht in mijn omgeving hebben.' Tasaio keek naar de waterdampen alsof hij daarin geheimen kon lezen. 'Ik zou die bediende observeren,' vervolgde hij. 'En hem in de waan brengen dat hij onopgemerkt vertrouwelijke gesprekken kan afluisteren. Jij en ik zullen ervoor zorgen dat hij inderdaad geen dingen hoort die aantoonbaar onjuist zijn. Nee, nooit onjuiste dingen. Maar we zullen in ons achterhoofd moeten houden dat alles wat wij zeggen ook aan vrouwe Mara wordt doorgebriefd. De echte plannen moeten we dus voor ons houden en alleen bespreken wanneer we helemaal· alleen zijn. De kleine dingen die we voordien laten uitlekken zijn lokkertjes. Offers, zeg maar. Ik wil dat deze spion heel goed in het oog wordt gehouden, en gevolgd, zodat we tenslotte in het spionnennetwerk van de Acoma kunnen infiltreren.'
Incomo boog. 'Nog iets anders, mijn heer?'
Tasaio bracht de pijpensteel naar zijn mond en zoog nogmaals zijn longen vol met giftige rook. 'Nee. Ik ben moe. Ik ga slapen. Morgenochtend wil ik jagen. Daarna zal ik eten met jou en de andere adviseurs. Vervolgens trouw ik, en de rest van de middag en avond zullen we bruiloft vieren. Laat uit de dorpen in de omgeving zangers en muzikanten halen.' De opsomming was beknopt, maar liet aan helderheid niets te wensen over. 'Laat me nu alleen.'
De Eerste Adviseur gehoorzaamde. Terwijl hij terugliep naar zijn eigen kamers, besloot hij dat het tijd werd om zijn doodsgebed op te stellen. Een voorzichtig iemand deed zoiets wanneer hij op leeftijd begon te komen. Het was de bedoeling dat het gebed zou worden voorgelezen door een vriend of familielid die hem overleefde. De Vrouwe van de Acoma als doelwit van vernietiging te noemen leek al gevaarlijk genoeg, maar de nieuwe Krijgsheer als zodanig te bestempelen - een man die zojuist over de lijken van vijf rivalen aan de macht was gekomen - was ronduit zelfmoord.
Terwijl de adviseur zijn ambtsgewaad uittrok vroeg hij zich even af of Tasaio's dromen misschien zouden vervliegen zodra de tateesha was uitgewerkt, maar in zijn hart wist hij het antwoord: ondanks de roes was de blik onder de halfgesloten oogleden maar al te alert geweest.
Moeizaam liet Incomo zich voor zijn schrijf tafelt je op zijn pijnlijke oude knieën zakken. Drie heren van de Minwanabi had hij voor Tasaio al gediend. Hoewel het geen mannen waren die hij had bewonderd, waren het heren geweest die hij krachtens zijn eed had moeten dienen met zijn geest en zijn wil, en, zo nodig, met zijn leven. Hij haalde diep adem, pakte een pen en begon te schrijven.
De festiviteiten waren bescheiden, maar degenen die eraan deelnamen leken zich te amuseren. Er was voedsel genoeg, de wijn vloeide in gulle mate en de Heer van de Minwanabi zat op het podium in de grote zaal van zijn voorouders en zag eruit als het toonbeeld van een Tsuranese krijger. Hoewel hij zich niet overmatig om zijn vrouw bekommerde, gedroeg hij zich beleefd en nam hij alle formaliteiten in acht. Incarna's luchtige courtisanenjurkje was vervangen door een oogverblindend weelderige japon van zwarte zijde, met oranje borduurwerk aan de zomen van de rok, de mouwen en de hals, en op het frontje bestikt met een groot aantal onbetaalbare parels.
De twee kinderen zaten rustig aan de voeten van hun vader, de jongen iets dichterbij dan het meisje. Af en toe zei Tasaio iets tegen Dasari - iets leerzaams over een of ander detail. Vanaf het moment dat Tasaio zijn zoon had erkend wilde hij hem opvoeden en vormen voor zijn toekomstig leiderschap. De kleren die het jongetje droeg waren een imitatie van die van zijn vader, tot en met het borduursel op de mouw: de contouren van een grauwende sorkat. Het kleine meisje, Hani, zat tevreden aan haar vaders voeten. Ze sabbelde op een zuurtje en keek met grote ogen naar een goochelaar.
Achter de Heer van de Minwanabi stond een dienaar. Hij was pas die ochtend gepromoveerd tot de status van persoonlijk bediende. Hoewel hij slechts nummer vier was in de rangorde van bedienden met die verantwoordelijkheid, was dit er een die met bijzondere belangstelling luisterde naar alles wat zijn heer zei en naar alle nuances die hij in diens woorden kon bespeuren.
De feestelijkheden werden 's avonds voortgezet tot Tasaio opstond en zijn gasten welterusten wenste. Hij wenkte Incomo dat hij hem moest volgen en trok zich terug in zijn privé-vertrekken. Incomo vroeg de nieuwe dienaar hem rustig te volgen en zich bij de deur op te stellen om op afroep voor Tasaio beschikbaar te zijn. De bediende gehoorzaamde geduldig, zonder te laten blijken hoe gretig hij elk woord wilde afluisteren dat tussen zijn heer en diens Eerste Adviseur gewisseld zou worden.
Het dichte lover van de oeroude juloboom met zijn knoestige, kromme wortels voorzag de Heilige Tuin met de natami van de Acoma van een donkere, koele schaduw: Mara boog diep voor de steen die voor haar en haar voorouders heilig was, en die de eer van het huis belichaamde. Ze sprak een paar rituele zinnen en plaatste een zorgvuldig gecomponeerde bos bloemen voor het stenen monument je - bloesems in de zeven verschillende kleuren van de zeven goede goden. Op deze eerste dag van de zomer dankte ze hen voor het welzijn van allen die zich onder haar bescherming bevonden. Na de korte ceremonie bleef ze nog even treuzelen. Er heerste in deze meditatietuin een unieke rust, want uitsluitend de oppertuinman, een uitgenodigde priester of degenen die Acoma-bloed bezaten mochten hier een voet zetten. Hier kon ze werkelijk alleen zijn met haar gedachten en gevoelens.
Mara keek naar het spiegelende water van de mooie vijver, naar het beekje, naar de sierlijke vormen van de gesnoeide struiken. Soms herinnerde ze zich nog al te duidelijk hoe een sluipmoordenaar ooit had geprobeerd haar op de heilige grond voor haar eigen natami te doden. Het was een beeld dat soms onverwacht voor haar geestesoog verscheen - als een plotselinge ijzige rilling op een hete dag. Zo ook nu. Rusteloos stond ze op.
Buiten het boogvormige toegangspoort je stond een bediende op haar te wachten, zoals altijd. Hij maakte een diepe buiging toen zij verscheen. 'Meesteres,' zei hij, en ze herkende zijn stem meteen, 'uw spionnenmeester is terug met nieuws.'
Er waren vier weken voorbij sedert de raadsvergadering waarin een nieuwe Krijgsheer was gekozen. Sindsdien was de spionnenmeester het grootste deel van de tijd afwezig geweest om overal informatie te verzamelen. Mara was erg blij hem terug te zien.
'Ga staan, Arakasi,' zei ze vriendelijk. 'Ik wil je verslag in mijn werkkamer aanhoren.'
Toen Arasaki binnen op kussens zat en een lichte maaltijd op een dienblad naast zich op de grond had staan, zoals gewoonlijk, zag Mara dat zijn arm nu in een soort ingewikkeld vlechtwerk van touw hing, niet meer in een mitella. 'Je bent op een boot geweest,' merkte ze op. 'Of anders in het gezelschap van matrozen.'
'Geen van beide,' antwoordde Arakasi met zijn typische, zangerige stem. 'Maar dat was de indruk die ik wilde nalaten bij de laatste persoon van wie ik informatie heb gekocht. Matrozenroddels zijn zelden betrouwbaar,' voegde hij eraan toe, alsof dat alles verklaarde.
Mara was nieuwsgierig wat dat voor een persoon kon zijn geweest, maar ze wist wel beter dan het Arakasi te vragen. Ze had geen flauw idee hoe diens netwerk opereerde of wie zijn agenten waren - zo was het meteen afgesproken toen de spionnenmeester trouw aan haar huis had gezworen. Mara zorgde er steeds voor dat Arakasi de middelen kreeg om zijn netwerk van spionnen in stand te houden, maar van haar kant was ze gebonden nooit een naam te vragen. Een spion in een huis riskeerde het als een slaaf te worden opgehangen wanneer hij ontdekt of verraden of verkocht werd. Mocht Mara ooit in handen van een vijand vallen, dan zou zij simpelweg niet in staat zijn iemand te verraden. Het netwerk zou voortbestaan om Ajiki te dienen of - in het ergste geval, mocht de natami van de Acoma ondersteboven begraven worden om voor altijd verstoken te blijven van zonlicht - om loyale onderdanen die als spionnen hadden gediend de kans te geven zich eervol en zonder schaamte voor de ogen der goden van het leven te beroven.
'Misschien is er iets gunstigs voorgevallen,' meldde Arakasi. 'Een van onze spionnen in het huis van de Minwanabi is bevorderd tot persoonlijk bediende van Tasaio.'
Mara zette grote ogen op van blijdschap. 'Dat is heel goed nieuws.' Toen ze echter aan Arakasi's gezicht zag dat hij het niet volmondig met haar eens was vroeg ze: 'Of heb je achterdocht?'
'Het komt ons net iets te mooi uit.' Altijd op zijn openhartigst wanneer hij problemen besprak, verklaarde hij zich nader: 'We weten dat een spion ontmaskerd is en slechts heeft kunnen ontsnappen op een manier die aan het miraculeuze grenst. De twee andere zijn met rust gelaten - en de informatie die ze ons hebben doorgegeven is grotendeels accuraat gebleken - maar er is in dit alles iets wat gewoon niet klopt, naar mijn gevoel.'
Mara dacht even na en stelde toen voor: 'Kun je niet een nieuwe spion in dat huishouden laten infiltreren?'
Arakasi morrelde aan een los eindje touwen wist een van de ingewikkelde knopen los te krijgen. 'Vrouwe, het is te snel na de ontmaskering van onze spion, of spionnen, en ook te snel na de benoeming van een nieuwe heer. De Minwanabi zal dezer dagen alle kandidaten voor welke functie dan ook zeer grondig aan de tand voelen, vooral nu Axantucar als Krijgsheer de macht heeft gegrepen. Het is gewoon te riskant om nieuwelingen aan dat gevaar bloot te stellen.'
Alleen een dwaas zou Arakasi's verstandige woorden tegenspreken. Mara beperkte zich tot een gefrustreerd gebaartje. Het was ergerlijk dat ze geen betrouwbaar lijntje had naar het huis dat ze meer dan alle andere vreesde. Tasaio was te gevaarlijk om hem ongeobserveerd zijn gang te laten gaan. 'Laat me hierover nadenken,' zei ze tegen haar spionnenmeester.
Arakasi boog zijn hoofd. 'Uw wil, mijn vrouwe.' Zijn volgende brokje nieuws was nog minder welkom. 'Tecuma van de Anasati is ziek.'
'Ernstig?' Mara schoot bezorgd rechtop. Ondanks een vijandschap die in de tijd van haar vader was begonnen, en die na de dood van wijlen haar echtgenoot was voortgezet, respecteerde zij de oude heer. Bovendien hing Ajiki's veiligheid voor een belangrijk deel af van de onofficiële, stilzwijgende alliantie tussen de Acoma en de Anasati. Schuldbewust besefte Mara opeens weer dat ze het lot had getart door niet tijdig voor een geschikte nieuwe echtgenoot te zorgen. Die ene erfgenaam van haar was een te rafelig draadje om de hele toekomst van het huis Acoma aan op te hangen.
Arakasi's stem rukte haar echter uit haar sombere overpeinzingen. 'Naar het zich laat aanzien is Tecuma niet in direct levensgevaar, maar de ziekte blijft maar duren en hij is nu eenmaal een oude màn. Hij is vooral gebroken sinds de dood van Halesko, zijn oudste zoon, schijnt het. Slachtoffer van het verraad op Midkemia. Nu Jiro zijn erfgenaam is geworden heeft de Heer van de Anasati misschien een beetje genoeg gekregen van het Spel van de Raad, of zelfs van het leven zelf...'
Mara zuchtte, bevangen door sombere gedachten. De rest van Arakasi's mededelingen bestond uit interessante details van minder belang, waaronder enkele die Jican zeker zouden interesseren. Mara was deze keer echter te ongedurig om op de gebruikelijke manier te genieten van haar gesprek met Arakasi. Later, alleen in haar kamer, liet ze haar schrijf tafelt je brengen en schreef Ze Tecuma een briefje waarin ze hem snelle beterschap wenste. Ze drukte haar stempel op het perkament en liet een koerier komen om de boodschap meteen bij de Anasati af te leveren.
Inmiddels hing de zon laag boven de weiden. Het was niet meer zo heet en Mara wandelde een poosje in haar eentje door de tuin. Het machtsspel dat de nieuwe Krijgsheer op zijn troon had gebracht was buitengewoon bitter en bloedig geweest. Er moesten nieuwe strategieën en plannen worden ontworpen, want hoewel zowel de winnaars als de verliezers zich nu tijdelijk op hun landgoederen hadden teruggetrokken, zou het spel onverflauwd doorgaan.
Tasaio was veel gevaarlijker dan Desio, maar het lot had hem een hachelijker uitgangspositie gegeven dan zijn voorganger. Zijn nederlaag in Tsubar was een zware aanslag geweest op zijn middelen. Bovendien had hij nu een onvoorspelbare - en misschien dodelijke - rivaal in de persoon van de nieuwe Krijgsheer. Tasaio zou voorlopig gedwongen zijn voorzichtig te opereren, want als hij te veel hooi op zijn vork nam zouden vijanden wel eens kunnen proberen zijn zwakke punten uit te buiten.
Velen van de oude garde waren om het leven gekomen, een nieuwe generatie was in opkomst. Ondanks zijn dubieuze rol in het debacle van het vredesverdrag met de Midkemische koning was de Blauwe-Wielpartij - en vooral de leden van de clan Kanazawai en heel speciaal de Shinzawai - opmerkelijk ongeschonden uit alle geweld te voorschijn gekomen. Ze hadden nog steeds de achting van de keizer en leken zelfs aan invloed gewonnen te hebben.
Mara's gepeins werd onderbroken door gelach en geschreeuw vanuit het huis, het teken dat Kevin en Ajiki terug waren. Prooivogels waren voor de zomer teruggekeerd naar de omgeving van de noordelijke meren, en Kevin had erin toegestemd de jongen mee te nemen op een jachtpartijtje, dan kon hij eens laten zien waartoe hij inmiddels in staat was met zijn boog. Mara had er weinig fiducie in - haar kind was nog wel erg jong - maar tot haar verrassing kwamen de twee met een prachtig stel waterhoenders naar haar toe. 'Kijk eens moeder,' riep Ajiki, 'die heb ik geschoten!'
Kevin keek glimlachend neer op het jagertje, en Mara voelde een golf van trots en liefde door zich heen gaan. Haar barbaar was nog niet geheel hersteld van de sombere stemmingen die hem sedert het mislukte vredesoverleg plaagden. Hoewel hij over het onderwerp zweeg, wist Mara dat zijn status als slaaf van binnen aan Kevin vrat, hoe oprecht hij ook van Ajiki en haarzelf hield.
Die zorgen waren echter niet in staat haar moederlijke trots op de jachtprestatie van haar kind te overschaduwen. 'Heb jij die geschoten?'
Kevin glimlachte. 'Echt waar. De jongen is een geboren schutter. Hij heeft ze allebei neergeschoten, deze... hoe noemen jullie deze blauwe ganzen?'
Ajiki trok zijn neus op. 'Geen ganzen! Dat is een stom woord. Het zijn jojana's of blauwe waterhoenders, weet je nog?' De jongen begon te lachen, want plagerijen over de namen van dingen behoorden tot de vaste spelletjes tussen Kevin en hem.
Opeens viel er een koude schaduw uit het verleden over Mara heen: ook Ajiki's vader had uitstekend overweg gekund met de boog. Er klonk iets bitters in haar stem toen ze zei: 'Die vaardigheid heeft Ajiki dan van geen vreemde.'
Kevins gezicht betrok. Mara sprak maar zelden over Buntokapi, de zoon van de Anasati met wie ze bij wijze van zet in het Grote Spel was getrouwd. De Midkemiër zocht meteen naar iets om haar af te leiden. 'Hebben we nog tijd voor een wandeling naar de wei? De kalfjes zijn nu oud genoeg om ermee te spelen. Ik heb met Ajiki gewed dat ze harder kunnen rennen dan hij.'
Daar hoefde Mara niet lang over na te denken. 'Dat lijkt me ontzettend leuk.'
Ajiki hield zijn boog boven zijn hoofd en juichte van blijdschap toen Mara in haar handen klapte en een meisje vroeg haar wandelschoenen te brengen. 'Breng die jojana's maar naar de kok,' zei ze tegen haar zoontje. 'Daarna zullen we eens kijken of twee benen sneller kunnen zijn dan zes.'
Toen de jongen weg was - het gevogelte bungelde onceremonieel tegen zijn knieën aan - trok Kevin Mara naar zich toe en gaf haar een kus. je ziet er bewolkt uit.'
Geprikkeld dat ze zo gemakkelijk te peilen was zei Mara: 'Ajiki's grootvader is ziek. Ik maak me zorgen.'
Kevin streek een lok van haar haren naar achter. 'Is het ernstig?'
'Arakasi zegt van niet.' Toch klaarde Mara's gezicht niet op.
Kevin voelde een steek van verdriet. Mara's bezorgdheid om de veiligheid van haar zoon hield verband met een moeras vol onderwerpen die zij beiden liever onaangeroerd lieten. Op een dag, wist hij, zou ze moeten trouwen. Maar die dag was niet vandaag. 'Zet je zorgen nu maar even van je af,' zei hij teder. je hebt heus wel een paar uur voor jezelf verdiend. Je zoon zal niet lang meer zorgeloos blijven als je niet af en toe wat tijd uittrekt om met hem te spelen.'
Mara antwoordde met een wrang glimlachje. 'Ik moet trouwens ook zorgen dat ik bij mezelf wat eedust opwek,' bekende ze. 'Anders wordt een deel van dat moeizaam veroverde jojanavlees straks nog als etensrestjes aan de jiga's gevoerd.'