11 Woestijn
De reis begon.
Mara bevrijdde zich uit Ajiki's omhelzing en deed haar uiterste best om niet te huilen. Ze stapte in haar draagkoets en keek nog een keer om naar de gezichten van haar adviseurs, die ze aan deze kant van het Wiel van het Leven misschien nooit zou weerzien. Nacoya keek zuurder dan ooit, waarschijnlijk om haar verdriet te verbergen. Jican had het nog moeilijker om zijn emoties te verbergen, want hij had niet eens een paar leien in zijn handen. Arakasi stond roerloos, en zijn gezichtsuitdrukking was ongewoon grimmig. Keyoke - hij keek natuurlijk onbewogen - stond rechtop op het ene been dat hij nog had, met zijn kruk binnen handbereik. Hij droeg zijn zwaard, maar zag er bijna als een vreemde uit zonder zijn harnas, helm en officierspluimen.
'Bewaak Ajiki en onze natami, en mogen de Goden van het Gunstige Aspect onze inspanningen met succes bekronen,' besloot Mara, en ze wist het warempel op de gewenste vastberaden toon te zeggen. Haar adviseurs en de achter hen verzamelde bedienden zagen vol trots hoe ze bevelhebber Lujan vroeg haar leger het vertreksignaal te geven. De vele voeten op de weg deden stofwolken opstijgen zoals dat hier sedert Sezu's tijd niet meer was gezien. Van dat leger waren er maar veertig levend teruggekeerd, en de oudere generatie van het personeel vroeg zich zorgelijk af of het verleden zich zou herhalen, en zij staken de jongere bedienden aan met hun angst. Ze zagen de drie compagnies in het groen dapper en opgewekt afmarcheren onder het banier van de shatravogel, samen met de glimmend zwarte compagnie van de cho-ja's. De zon drong al door de ochtendnevel heen en deed de glanzend gepoetste wapenrustingen en speerpunten glimmen, en de kleurige verentooien van de slagleiders en andere officieren oplichten.
In Sulan-Qu ging het leger van de Acoma aan boord van schuiten. Naakte slaven boomden deze stroomafwaarts over de rivier, tussen het drukke verkeer van graanschuiten, gildenboten en de jachten van rijke kooplieden door, door de provincie Hokani heen, steeds verder naar het zuiden, tot voorbij het land van de Anasati - waar krijgers in rood-en-geel het passerende leger vanaf de oevers saluut brachten. Hoewel heer Tecuma haar bondgenoot was, zij het tegen heug en meug, onderbrak Mara haar reis niet. Hij zou beslist geen aanstalten maken om zoiets als een sociale vriendschap met haar aan te knopen tenzij Mara ongedeerd, en met de eer van haar familie intact, uit Dustari zou weten terug te keren.
Voor Kevin was de rivier een onuitputtelijke bron van fascinatie. Zelfs op de heetste uren van de dag stond hij bij de reling met de stuurman of de kapitein of de bomende slaven te praten - daar was hij niet kieskeurig in. Hij bestudeerde alle boten die hij zag met de grootste belangstelling - ze waren heel anders gebouwd dan die in zijn eigen wereld - en was al snel deskundig in het herkennen van huizenwapens en gildenkleuren, en het onderscheiden van gehuurde boten van privé-jachten.
Mara's leger volgde de rivier steeds verder naar het zuiden, tussen het vrachtverkeer door, en langs de schuiten die hier en daar groepsgewijs voor anker lagen en een soort markten vormden voor degenen die over de rivier tussen Jamar en Sulan-Qu reisden. Af en toe schoten er snelle koeriers boten tussen de langzamere schuiten door, furieus geroeid door zwetende slaven. Een keer passeerden ze een keizerlijke boot, met wapperende banieren, maar verder simpel wit, zij het met veel verguldsel, en in dat opzicht een groot contrast met de veelkleurige, soms zelfs schreeuwerige boten van de edelen en de kooplieden. Mara zelf reisde in haar officiële kajuit jacht, dat groen was geschilderd en een shatravogel als boegbeeld voerde. Ze zat in de schaduw van een luifel van veren. Slaven wuifden haar koelte toe en er stonden steeds veel bloemen om haar heen die de minder aangename geurtjes van de rivier en de modder moesten verdoezelen. Kevin zag andere heren in soortgelijke stijl reizen, soms met zangers, muzikanten en goochelaars in hun gezelschap. Een van hen had zelfs een heel toneelgezelschap bij zich, dat op het dek van zijn jacht een voorstelling gaf. Hij had overvolle mandjes met vers fruit om zich heen staan en werd verder omringd door dikke, bolle kussens en zowat even dikke en bolle schoothondjes met opzichtige strikken om hun nek. Anders dan de honden op Midkemia hadden die van Kelewan wegens het klimaat meestal kort, sluik haar.
Ze kwamen thyzaschuiten tegen, reizende landarbeiders, en ook iets wat zo te zien het Kelewanese equivalent van een ambulant zigeunerorkestje was. 'Khardengo's,' noemde Mara ze, nadat Kevin haar de vergelijking had voorgelegd en een korte beschrijving van de zigeuners in zijn land had gegeven. Ze vervolgde: 'In de oude kronieken staat opgetekend dat zij een geslacht waren dat liever rondzwierf dan land in beslag te nemen. Ze wonen sindsdien in schuiten en wagens, dat is waar, net als de Midkemische zigeuners die je me hebt beschreven. Maar, anders dan jouw barbaarse zigeuners, hebben deze khardengo's eer. Zij voorzien namelijk niet in hun levensonderhoud door te stelen.'
Kevin lachte. 'Laat ze het maar niet horen! Onze zigeuners hebben een eigen cultuur. In hun ogen stelen ze helemaal niet, maar...' Hij zweeg even, op zoek naar het juiste woord, '...lenen ze dingen.'
'Lenen?' Mara keek hem met half toegeknepen ogen aan. Hij zat in azijn gedoopte sekkazwoerdjes te snoepen. 'Hoe bedoel je?'
Kevin legde het uit en zag hoe merkwaardig zij die uitleg vond. Zij kende het woord 'lenen' een abstracte betekenis toe, zoals die van een god die je kracht leent, of in de formele uitdrukking 'leen me uw oor'. Volgens de Tsuranese opvatting van eer konden goederen en diensten worden uitgewisseld als aankopen, steekpenningen of giften, maar er bestond geen equivalent van zoiets doodgewoons als het uitlenen van dingen tussen vrienden onderling. Mara wilde er alles van weten.
De rivier mondde uit in de grote delta bij de stad Jamar. Zij hielden de westzijde aan, waardoor ze tenslotte uitkwamen in een diep kanaal dat naar de zeehaven leidde. Naar de oostkant toe breidde de delta zich ver uit in een moerassig, met rivierarmen doorsneden gebied dat bijzonder rijk was aan vissoorten en watervogels.
Kevin stond met open mond naar de drukte en de pracht van Jamar te staren. De stad was de belangrijkste haven en marktplaats van de provincies Szetac en Hokani, en veel uitgestrekter en grootsteedser dan Sulan-Qu. De kaden waren breed als lanen en bleven zelfs bij een combinatie van springtij en storm vanuit het zuiden nog boven de golven van de zee verheven. Het was er over de volle lengte zo druk als op een marktplein, en overal waren stuwadoors bezig zeeschepen uit alle delen van het keizerrijk te laden en te lossen. Kevin zag vanaf zijn schuit bij het passeren van de kaden het ene exotische schip na het andere. Ook de ladingen waren zeer gevarieerd: balen kleurig geverfde stoffen broederlijk naast stapels zeldzame houtsoorten en kratjes en vaten in allerlei vormen en maten, en met kleurige labels eraan. Kooplieden waren nooit ver uit de buurt.
Ze passeerden een reeks diep in het water liggende, zwaarbeladen vrachtveren vol kisten met geurige kruiden voor de leerbewerking en voor parfums, en tonnetjes met gemalen chocha. Op de kade lagen stapels tapijten, gebedsmatjes en ruw zeildoek liggen, en kostbare pakketten leer en lakwerk, en vaatjes met hars en allerlei soorten drank. Overal liepen hadonra's, klerken met leien, dragers en karavaanmeesters rond. Tweewielige karretjes, getrokken door slaven, vervoerden de goederen van de pakhuizen naar de kaden en de schepen, of naar karren, voor vervoer over land.
Kevin keek nieuwsgierig naar Tsurani van wie hij nooit eerder een glimp had opgevangen, zoals achterdochtig kijkende zeelui die de kroegen in en uit liepen, of die zich meldden bij de opzichtig beschilderde dames van het Rieten Leven, die hun vleselijke waren schaamteloos uitstalden in vensters en portieken. Straatjongens probeerden wat muntgeld bij elkaar te bedelen en verkopers met karretjes of stalletjes langs de weg prezen op zangerige toon hun waren aan. Dicht bij de kade zag Kevin een stalletje waar zeelieden snuisterijen voor hun liefjes konden kopen.
Even later liepen hem rillingen over zijn rug toen de slavenmarkt in zicht kwam. Hoewel de anderen op Mara's jacht er geen aandacht aan schonken, herkende Kevin de markt meteen aan de hoge, puntige palissade eromheen en de naakte mannen die aan elkaar geketend stonden te wachten, onder het waakzame oog van opzichters met zwepen. De vrouwelijke slaven mochten onder luifels schuilen tegen het zonlicht. Ze waren evenmin gekleed, maar de mooiere waren in elk geval schoon, want dat verhoogde de verkoopkans bij meesters die ze voor hun genoegens zouden willen aanschaffen.
Dat herinnerde hem eraan dat hij nog steeds Mara's eigendom was, en opeens had hij veel minder belangstelling voor de buitenissigheden van Jamar en vond hij het niet erg dat het schip in zicht kwam dat het leger van de Acoma naar de andere kant van de zee zou brengen. Er werden netten neergelaten, waarover eerst de cho-ja's en daarna de menselijke soldaten naar boven konden klimmen. Mara's draagkoets werd omhoog gehesen - zonder dat zij een spier van haar gezicht vertrok - door lieren die vervolgens ook voor de bagage werden gebruikt.
De kapitein die Lujan voor het vervoer had ingehuurd was een efficiënt iemand, die vastbesloten was om van de naderende vloed te profiteren. Hij liet de trossen al losgooien toen de laatste kisten nog aan boord gehesen werden. Het schip werd door een kleinere boot, met twintig roeiers erin, geholpen door slechts één gehesen zeil, heel traag en moeizaam van de kade naar minder druk, dieper water getrokken. De slaven roeiden op de maat van een trommel die werd geslagen door een dikke man met een lendendoek, die bovendien rijmteksten opdreunde om het bewegingsritme van de zware, lange roeiriemen nog eens te benadrukken. De bladen van die op en neer dansende riemen vormden een fleurige aanblik, want de roeiers hadden ze in felle kleuren beschilderd om boze zeegeesten af te weren.
Het schip dat Lujan had gehuurd heette Coalteca. Het had drie masten en een kolossaal gebeeldhouwd roer, dat door zeven slaven moest worden bediend. Toen ze een eindje buiten de kust waren, en er geen kleinere boten meer in de buurt waren, gooiden de bemanningsleden van de Coalteca de touwen van de trekboot los en hesen ze de overige zeilen. Matrozen sjorden aan lijnen, fleurige zeilen rolden uit en bolden fladderend op in de wind. Kevin zag dat ook het zeildoek in felle tinten met allerlei patronen en symbolen beschilderd was, net als de roeiriemen, waardoor het schip iets van een circustent had: een kakelbont geheel van vloekende kleuren, waarin waarschijnlijk alleen Tsuranese ogen enige harmonie konden bespeuren. Kevin kwam tot de conclusie dat hij uit de buurt zou blijven van zulke opzichtige schepen als hij een god van het ongeluk zou zijn, al was het maar om geen hoofdpijn te krijgen. Hij leunde op de reling en hoopte maar dat hij niet zeeziek zou worden, zoals hem thuis eens was overkomen. Tevens vroeg hij zich af of de kiel ook deugdelijk was beschilderd om zeemonsters af te schrikken.
Na zonsondergang, in een comfortabele kajuit die door de vuurloze blauw-violette bollen van de cho-ja's werd verlicht, vroeg hij het Mara. Ze begreep eerst niet wat hij bedoelde met zijn 'monsters'.
'Aha,' riep ze na een kwartiertje van armgebaren en primitieve schetsjes op een lei uit, 'nu snap ik je. Hier heten ze egu's, een soort grote relli's, die in de diepte van de oceaan leven. Ja, de Zee van Bloed zit er vol mee. Elk schip heeft lansen met in olie gedrenkte lappen op de punt bij zich. Jij hebt die dingen wel eens harpoenen genoemd, maar deze zijn niet bedoeld om vissen te vangen, alleen om ze te verjagen. Zeelieden zeggen dat je aanvallen door egu's alleen kunt pareren door vlammen of door zeer speciale afweerspreuken.'
Kevin wreef weer eens over zijn slapen. Hij kreeg die avond bijna geen hap door zijn keel en besloot vroeg te gaan slapen.
'Mijn stoere barbaar schijnt zeeziek te worden,' stelde Mara plagend vast. Aan de gezonde kleur op haar wangen was te zien dat zijzelf daar geen last van had. Ze schonk haar minnaar een stralende glimlach. 'Maar daar ken ik een onfeilbaar middeltje tegen.' Zonder plichtplegingen wierp ze haar kleren van zich af en liep ze naar de alkoof, waar hij bezig was de dekens en kussens te schikken. Toen duurde het niet lang voordat ook zijn kleren op een slordig hoopje werden gegooid, en maakte hij zich geen zorgen meer over egu's, want hij had al zijn aandacht en energie nodig voor andere zaken.
De Coaltecavoltooide de oversteek binnen een week, niet door monsters aangevallen en zelfs door slecht weer verrassend weinig gehinderd.
'Het is zomer,' legde Lujan uit. 'De wind is stabiel, er valt weinig regen.' Hij wees met zijn zongebruinde arm naar de verte, waar achter de felle kleuren van de boeg de kustlijn van Dustari te zien was. 'Kijk, daar ligt onze bestemming. De stad Llama.'
Deze havenstad in Dustari bleek sterk te verschillen van wat Kevin in Jamar op het tegenoverliggende vasteland had gezien. Llama lag op heuvels in een rotsachtig gebied, met ruige bergen op de achtergrond, en de huizen en winkels waren hier niet voornamelijk van hout en zachtboard, zoals in de rest van het keizerrijk, maar voor een belangrijk deel ook van steen. Er stonden hoge gebouwen, piramidevormig, die vele verdiepingen telden, en waarvan de hoogste tevens als uitkijktoren voor de massieve, versterkte stadsmuur dienden. Andere torens, met lichtbakens erin, bewaakten de eilandjes voor de kust. Het achterland van Llama bestond uit roodachtig zwart zand van vulkanische oorsprong, dat werd onderbroken door plompe, donkere rots formaties en heuvels. De laatste hadden steile hellingen, die dicht begroeid waren met exotische boomsoorten. Ook de briesjes die er waaiden hadden een exotisch, kruidig geurtje.
'De kruidenmalers hebben hun pakhuizen bij de haven,' zei Lujan, op een vraag van Kevin. 'Llama drijft veel handel in allerlei specerijen die alleen in de bergen ten zuiden van hier groeien.'
Het volk hier was voorts beroemd om zijn weefkunst, en de gebedsmatten uit Dustari werden geacht geluk te brengen. In de bloedlijnen van het kustvolk zat veel magisch talent. Menig lid van de Assemblee der Magiërs kwam uit deze streken.
Kevin was erg nieuwsgierig naar de stad en stond naar de bedrijvigheid in de haven te kijken toen de Coalteca zijn anker liet vallen. Er reden tweewielige karren over de kaden, die werden getrokken door dieren die hij nooit eerder had gezien: een zes potig dier, dat veel kleiner was dan een nidra. Om de toppen van de masten wervelden rood-en-witte kustvogels die elkaar krijsend verdrongen tijdens hun duikvluchten naar etensafval op het dek of in het water. Smerige straat jochies, eveneens luidruchtig op zoek naar hapjes of aalmoezen, gedroegen zich bijna hetzelfde, maar opeens verstomde hun rumoer en verdwenen ze allemaal schielijk in de steegjes. Kevin werd nog nieuwsgieriger.
Er verschenen marcherende soldaten op de kade; hun wapenkleuren waren geel en paarsrood. De draagkoets die ze begeleidden droeg banieren met het embleem van een katachtig wezen dat verstrengeld was met een slang. Iedereen op de kade maakte meteen ruim baan voor de stoet, en de havenarbeiders bogen diep en eerbiedig voor de koets.
'De Heer van de Xacatecas komt ons persoonlijk begroeten,' merkte Mara enigszins verrast op. Ze steunde op Kevins schouder. De groene tinten van haar jurk en de bijpassende make-up die ze droeg zorgden er geraffineerd voor dat Mara er niet al te jeugdig uitzag.
'Had je hem niet verwacht?' vroeg Kevin terwijl hij zich omdraaide om naar de bron van haar nervositeit te kijken.
'Nee.' Mara fronste haar voorhoofd en dacht even na. 'Dat hij zijn legerkamp heeft verlaten om de aankomst van de Acoma bij te wonen is een grote eer voor ons.' Ze riep een van haar dienstmeisjes. 'Ga mijn zwartgelakte klerenkist openen. Ik moet een chiquere japon dragen.'
Kevin staarde haar verbaasd aan. 'Nog chiquer? De juwelen die je draagt zijn nu al oogverblindend!'
Mara betastte de kweekparels en de smaragdjes waarmee de plooien van de kraag en de zomen van haar staatsiekleed bestikt waren. 'Voor de Regerende Heer van een van de Vijf Grote Families, die tevens het Krijgshoofd van de hele clan Xacala is, zal ik metaal dragen. Als ik in minder dan mijn feestelijkste kleding voor hem verscheen zou dat kunnen worden opgevat als een belediging, en als wij iemand nooit voor het hoofd mogen stoten, dan is het deze man.'
Matrozen lieten de sloep van de Coalteca zakken en Lujan stelde Mara's eregarde op - soldaten in glimmende harnassen en met wimpeltjes aan hun ceremoniële speren. De vrouwe haastte zich weg om van japon te wisselen. Kevin, op zijn sobere Midkemische manier gekleed in een broek en een hemd, nam zijn plaats binnen Mara's gevolg in - en het grijs en wit van zijn kleren was een opvallende noot in het kleurrijke geheel om hem heen. Kort daarna keerde Mara terug, nu in een smaragdgroene zijden bovenjurk waar een smaakvol patroon van koperen sequijnen op genaaid was. Kevin vond de jurk mooier dan die met de pareltjes, en dat zei hij ook: de roodachtige glans van het koper deed het donkerbruin van haar ogen prachtig uitkomen. Het compliment ontlokte haar echter niet eens een glimlachje.
Lujan zorgde ervoor dat zijn vrouwe voorzichtig kon plaatsnemen in de overhuifde sloep die haar en haar kleine gezelschap naar de kade zou brengen. De nieuwe bevelhebber onthield zich van zijn gewoonlijke humor, hetgeen Kevin opvatte als een aanwijzing om zich gedeisd te houden. De Midkemische barbaar had door schade en schande eindelijk geleerd dat het nu en dan wijs was om je kop te houden.
Hoe machtig de Heer van de Xacatecas was kon worden afgeleid uit de diepte van Mara's buiging toen ze op de geplaveide kade was gestapt. Hij zat in een gele wapenrusting, met schitterende gouden armbanden om, als een koning in zijn draagkoets. Hij gaf Mara eerst een knikje, stond toen op en groette haar nogmaals, nu met een beleefde buiging. Hij was een wat oudere man, die echter nog lang niet versleten leek. Zijn huid was zonverbrand en zag er gezond uit, zijn lichtbruine ogen keken van tussen hun rimpeltjes uit slim de wereld in. Zijn kleding was kostbaar, maar niet opzichtig, en de plooi om zijn glimlachende mond toonde een zweem van ironie.
'Vrouwe Mara, hoe maakt u het?' Zijn stem klonk vriendelijk.
Ook Mara glimlachte. 'U bewijst me te veel eer,' zei ze meteen, en uit haar toon begreep Kevin dat de man een hogere rang had, maar er niettemin niet op had gestaan dat zij als eerste zou spreken. Heer begroette vrouwe, met openlijk vertoon van goedgunstigheid. 'Het gaat mij goed,' verklaarde Mara, die in haar houding niets liet blijken van haar gespannenheid. 'En ik voel me zeer gevleid door uw komst hierheen. Alles goed met u, heer Chipino?'
'Ja, hoor, alles!' antwoordde de man, met een abrupt, messcherp sarcasme. Toen gooide hij zijn staalkleurige haardos naar achter en begon hard te lachen. Kevin wist niet waarom, maar vermoedde dat Mara's laatste woorden een of andere subtiele nuance hadden bevat. Heer Chipino gaf haar een arm. 'Heer Desio - moge hij stikkend aan zijn einde komen, en zijn neven ook - zal hier op een dag spijt van krijgen!'
Mara mompelde een antwoord dat de Heer van de Xacatecas weer aan het lachen maakte en hem een waarderende blik ontlokte. Met een paar sierlijke bewegingen hielp hij haar vervolgens in zijn eigen draagkoets, een welbewuste hoffelijkheid, aangezien zijn persoonlijke aanwezigheid niet verwacht was en Mara's bedienden nog geen tijd hadden gehad om haar eigen spullen aan wal te brengen. De dubbele garde die de draagkoets hierna begeleidde schoof als een schaakbord met groene-en-geelrode velden over de kade.
'Als ik jonger was,' dreunde de heer met zijn hese, zware stem, 'zou ik de neiging hebben die jonge Hokanu wat concurrentie aan te doen.'
Wel, dacht Kevin - niet zonder een steekje van jaloezie - in elk geval leek de Heer van de Xacatecas gecharmeerd van de vrouwe die zo graag zijn bondgenootschap wenste.
'Waarvoor uw mooie echtgenote me onmiddellijk zou laten vergiftigen,' zei Mara gladjes. 'Hoe maakt zij het?'
'Heel goed, dank je. En blij dat ik weg ben, anders zou ze binnenkort weer zwanger zijn. Sla hier af,' instrueerde heer Chipino zijn dragers, en ze draaiden een smalle straat in, waar een hotel stond met een luifel voor de ingang van een grote, halfopen gelagkamer. Hier waren soep en pastei en de gebruikelijke chocha te koop, plus verschillende varianten van de locale kruidendrank, die tesh heette. De klanten van lagere rang maakten haastig tafels en banken vrij voor de hoge gasten en hun gevolg, en bedienden in uniform begonnen gejaagd tafels af te ruimen en met schone borden en kopjes te dekken. Chipino bracht Mara naar een stoel en nam toen zelf zijn plaats als heer aan het hoofd van de tafel in, waar hij zijn ellebogen op de geschuurde planken zette en zijn kin op zijn tegen elkaar gedrukte vingettoppen liet rusten. Hij bekeek het meisje dat heer Jingu van de Minwanabi nota bene in zijn eigen huis tot de ondergang had gedreven en dat al beroemd begon te worden om haar snelheid en kunde in het spel. Om hen heen hadden krijgers van Lujan en hemzelf een defensief carré gevormd, waardoor Kevin, die bij de dragers stond, de conversatie niet kon verstaan. Aan Mara's houding zag hij dat het sociale gedeelte al achter de rug was en dat de twee bijna onmiddellijk over serieuze zaken waren begonnen. Bedienden brachten voedsel, maar dat werd amper aangeroerd. Meer aandacht was er voor de kaarten en leien die door een bediende in een geel-en-paarsrood livrei werden aangevoerd.
Op een gegeven moment wenkte Mara Kevin en droeg hem op achter haar schouder te gaan staan. 'Ik wil dat je dit hoort,' zei ze, en uit haar toon begreep de Midkemiër dat ze later, in een privé-gesprek, zijn mening zou willen vernemen.
De middag werd voornamelijk besteed aan een bespreking van de vele schermutselingen tijdens het voorafgaande jaar - de reden waarom Mara uiteindelijk door de Hoge Raad was gesommeerd de helpende hand te komen bieden.
'Er kan slechts één ding geconcludeerd worden,' vatte Xacatecas samen, 'namelijk dat die overvallers uit Tsubar in een hoog tempo talrijker worden, en bovendien veel agressiever dan ze vroeger waren. En wat ik je wil vragen is: waarom?'
Mara keek de oudere man met een vaste blik aan. 'We zullen het ontdekken, heer Chipino,' zei ze tenslotte. Ze zette haar teshkopje neer, speelde even met het oortje ervan, en zei toen langs haar neus weg: 'En reken maar dat mijn landerijen ondertussen duchtig verdedigd worden.'
De Heer van de Xacatecas ontblootte zijn tanden in een glimlach. 'In dat geval, dochter van Sezu, begrijpen we elkaar goed. De vijand zal geen voordeel behalen.' Hij hief zijn glas van Jamars kristal. 'Op de overwinning,' zei hij zacht.
Mara keek hem recht in de ogen. Ze knikte. En zonder enige aanwijsbare reden voelde Kevin een koude rilling over zijn rug gaan.
Tegen de tijd dat de heer en de vrouwe hun onderonsje beëindigden, was de lading van de Coalteca van boord. Mara's draagkoets stond klaar naast die van heer Chipino. De bedienden hadden ook een kleine kudde lastdieren geregeld. Het waren van die betrekkelijk kleine en lichte zespotige dieren, die in Kevins ogen een kruising tussen een kameel en een lama leken, op de oren na, die geschubd en geplooid waren als die van een hagedis. Mara's kisten met kleren, plus de tenten, komforen, zakken kolen, vaten olie en de proviand voor haar leger waren allemaal vastgebonden op vreemde, U-vormige frames, welke door de dieren als zadels op hun rug werden gedragen. Het werd een zeer lange stoet, en een zeer rumoerige, door het geblaat van de dieren en de luidkeelse aansporingen van de drijvers met hun getaande gezichten, die losse sjaals om hun nek droegen, en kleren van gestreepte, opzichtig gekleurde stoffen. De compagnies van de mensen en de cho-ja's volgden; zij waren gemakkelijker in een reguliere marsorde te brengen dan de lastdieren.
Zo begon de reis naar de bergen. Kevin volgde met de rest van Mara's huisbedienden. Afgeleid door het gegiechel van een kind dat in de goot naast de weg zat te spelen, voelde hij opeens iets warms en nats op zijn arm. Hij zag dat het een klodder wit speeksel was en draaide zich half om naar de schuldige. 'Wel godallemachtig,' vloekte hij in het Midkemisch.
Lujan stond een eindje verderop quasi meelevend te grijnzen. 'Ga nooit te dicht bij die querdidra's staan,' zei hij waarschuwend. 'Ze spugen.'
Kevin wreef de klodder met een hand van zijn mouw. Het spul rook onfris - ongeveer als rotte uien.
'Vooral als je geur hun niet bevalt,' besloot de bevelhebber lachend.
Kevin staarde naar de spuwende boosdoener, die hem vanonder de lange wimpers van zijn blauwe ogen spottend leek aan te kijken en zijn lippen in een aapachtige grijns had geplooid. 'Dat is dan wederzijds,' gromde Kevin, en hij wenste het dier een pijnlijke aanval van verstopping toe, plus scherpe doorns in alle zes zijn poten. Dat kon nog reuze gezellig worden, hier in Dustari, dacht hij - in deze stoet, die meer querdidra's dan soldaten telde.
Het berglandschap veranderde drastisch toen ze hoger en dichter bij de pas kwamen. Er waren geen beboste hellingen meer, maar alleen nog door millennia van wind en stuifzand kaalgevreten rotswanden. Er hing geen geur meer van mos en aarde en gebladerte, want de hele omgeving was bar en grauwen doods. De bergrug ging tamelijk abrupt over in een uitgestrekte oceaan van zand, met alleen hier en daar nog een losse, onregelmatige rij hoge rotspieken. De zon brandde aan een bleekgroene hemel, op diverse plaatsen met vegen van ijle stofwolken bevlekt, en deed het hele land in de diepte zinderen in hittegolven. Soms leek het rotsgesteente zelf in die straling te smelten en een dooraderde gelei van rode en zwarte en roestbruine tinten te worden. En dat smelten leek elke dag opnieuw plaats te vinden, vooral tijdens de trillende hitte van het middaguur.
Daarentegen waren de nachten kil, met ijskoude winden die als messen door ieders kleren sneden. Het was al gauw duidelijk waarom de veedrijvers en locale gidsen van die losse sjaals droegen: ze bonden ze voor hun neusgaten en mond om het fijne stuifzand buiten te houden. De rotsen waren in de loop van de eonen tot de grilligste formaties uitgesleten, van bizarre torens en verbrokkelde piramides tot hoge, bijna kaarsrechte zuilen die zich in de hemel leken te boren. Kevin en Mara staarden in het begin gefascineerd naar die spelingen van de natuur - maar nooit meer nadat ze voor de eerste keer door woestijnrovers waren overvallen.
Dat gebeurde op een steil stuk tijdens de aanloop naar een pas. Eerst hoorden ze een bloedstollende kreet en paniekerig geblaat van lastdieren aan de kop van de stoet. Mara rukte meteen het gordijntje van haar draagkoets open. 'Wat is er?'
Lujan gebaarde dat ze zich in de koets verborgen moest houden en trok toen zijn zwaard. Mara keek echter om zich heen en zag achter de rijen van haar persoonlijke garde kleine, breedgeschouderde gestalten in bruinige kleren woest haar kant op stormen. Ze kwamen uit een kloof in de rotsen, grepen verschillende querdidra's bij de teugel en trokken de wild blatende en tegenstribbelende dieren met zich mee van de weg af. Vast ter been - zelfs op het losse steenslag van de hellingen - ontweken en ontvluchtten deze aanvallers de soldaten in de kleuren van de Xacatecas, die opeens vanuit de richting van de pas naar beneden waren komen stormen.
Lujan brulde iets naar zijn eerste slagleider en wees met zijn zwaard. Soldaten van de Acoma maakten zich iets lager op de helling los uit de stoet en verspreidden zich om de rovers de pas af te snijden. Hun voorbeeld werd nagevolgd door een aantal van de cho-ja's, die dat veel sneller konden en de tegenstanders al spoedig de weg versperden.
'Volg de orders van heer Chipino's officieren,' droeg Lujan de Acoma op. Nadat de Heer van de Xacatecas vanuit zijn draagkoets Mara iets had toegeroepen, gaf deze haar bevelhebber een tikje op zijn arm. 'Heer Chipino wenst geen levende gevangenen,' instrueerde ze hem.
Lujan gaf de order door.
Kevin zag met wijd open ogen hoe de cho-ja's bergop achter de overvallers aanrenden en ze moeiteloos inhaalden. De kleine bergmannen werden tot stoppen gedwongen door de glanzende zwarte figuren, met hun massieve helmen op hun onmenselijke koppen en hun voorste ledematen hoog geheven - als scheermessen zo scherp, klaar om toe te slaan. De bergmannen joegen de gevangen querdidra's met klappen en kreten de kant van de cho-ja's op, in de hoop hun rijen te ontregelen, maar de krijgers van Lax'l waren razendsnel en schichtten bijna als schaduwen tussen de doodsbange dieren door. Het griezelige was dat ze daarbij geen geluid maakten - afgezien van het tikken en schrapen van hun geklauwde voeten op de rotsbodem. De bergmannen konden niet meer wegkomen.
Daarna was het een snelle slachting. Kevin, die nooit cho-ja's in actie had gezien, voelde kippenvel onder zijn hemdsmouwen. Hij had vaak genoeg mannen zien sterven, maar nooit mannen van wie de buik door een enkele klap met een van die zwarte, benige voorpoten van boven tot onder was opengereten. De cho-ja's waren dodelijk snel en ze liquideerden hun tegenstanders zo doelmatig als machines.
'Je cho-ja's maken korte metten met de nomaden,' merkte heer Chipino op, en aan de grimmige toon was te horen dat ook hij geen genoegen ontleende aan het bloedbad. 'Misschien zullen ze zich voortaan twee keer bedenken voordat ze onze karavanen van en naar Llama aanvallen.'
Mara pakte een waaier van tussen haar kussens en vouwde hem bedachtzaam open. Ze wuifde zichzelf koelte toe, maar meer om haar zenuwen te kalmeren dan om hitte te bestrijden. Hoewel bloeddorstige dingen haar tegenstonden, wilde ze geen teergevoeligheid laten blijken nu ze in de praktijk werd geconfronteerd met de oorlog en de dood. 'Waarom vallen ze een zo zwaar bewaakte karavaan aan? Bij Lashima, zien ze dan niet dat we uw eregarde en vier hele compagnies krijgers bij ons hebben?'
Lager op de helling deden soldaten van de Acoma onbeholpen pogingen om de dodelijk verschrikte querdidra's te vangen. Heer Chipino stuurde een paar van zijn drijvers om daarbij te helpen, want hun ervaring met deze dieren was onmisbaar, wilde de karavaan nog voor zonsondergang gereed zijn om verder te trekken. 'Wie kan zeggen welke motieven die barbaren hebben?' vroeg hij zich later hardop af terwijl hij vanuit zijn draagkoets naar Mara keek. 'Als ik niet beter wist zou ik denken dat we met fanatieke aanbidders van de Rode God te maken hadden.'
Maar de nomaden van Dustari geloofden niet in Turakamu. Dat werd tenminste beweerd in de boeken die Mara tijdens haar verblijf in Lashima's tempel had gelezen. De toeneming van het aantal grensproblemen had zo op het oog geen enkele zin en de schermutselingen waarover heer Chipino haar had ingelicht waren voornamelijk een zinloze verspilling van levens geweest.
Mara sloot haar waaier. Opeens was ze banger dan ooit om Ajiki, die ze thuis had moeten laten. Ze had verwacht na de oversteek van de oceaan met haar hulptroepen een snelle oplossing voor de grensproblemen te kunnen forceren en dan weer naar huis te kunnen, maar ze begon nu te vrezen dat de problemen erger waren dan ze aanvankelijk had gedacht. Misschien zou ze bij het begin van de herfst nog niet thuis zijn, en dat vooruitzicht maakte een ijsklomp van haar hart. Ze liet echter niets blijken van haar zorgen, en toen de karavaan zich gehergroepeerd had en verder trok, vroeg ze of iemand haar de namen van de opvallende onderdelen van het landschap kon leren. Kevin liep naast haar en luisterde, net als zij, naar een van Chimino's beste verkenners, die de namen gaf van de pieken, passen, dalen en rotsplateaus die ze passeerden.
Ze hadden zich niet zo hoeven te haasten om dit nieuwe, vreemde land te leren kennen, want tussen de schermutselingen door verliep de tijd in de daarna volgende maanden stroperig langzaam, en toen, een paar weken na hun komst, het nieuwe overal een beetje af was werden het barre landschap en de kale woestijnhorizon in de verte bronnen van mistroostigheid en heimwee. Kevin zocht zo vaak mogelijk een onderkomen in Mara's commandotent. Deze bestond uit aan elkaar genaaide en geoliede nidrahuiden, in verband met het klimaat, maar was van binnen comfortabel.
'Wie is daar?' vroeg de wachtpost bij die gelegenheden.
Kevin liet dan de doek zakken die hij tegen het eeuwige zand om zijn mond had gebonden en volstond met een: 'Ik ben het.'
Na een tweede tentflap - om het stof en de hitte buiten te houden - kwam hij dan in de hoofdruimte van de commandotent, welke werd verlicht door toortsen van in olie gedrenkte lappen, die aan in de grond gestoken palen hingen. Hoger, aan de eigenlijke tentpalen, hingen de blauwe lichtbollen van de cho-ja's, waarvan het vreemde schijnsel zich moeizaam mengde met de warmere gloed van de toortsen. De vierkante vormen van vloertapijten, kussens en wandschermen vormden samen met de afgetekende schaduwen van de twee soorten licht een nogal bizar patroon van vlakken, dat een beetje aan een driedimensionaal speelbord deed denken - een bord waarop de mensen de stukken waren.
Hoewel hij het had geprobeerd, was het Kevin niet gelukt het Spel van de Raad op bevredigende manier met het schaakspel te vergelijken. Het Tsuranese concept van eer was voor een buitenlander te buitenissig om het zomaar met zetten van paarden of lopers of pionnen of torens te kunnen vereenzelvigen. Daarentegen was de strategie van de woestijnmannen minder ondoorzichtig. Kevin had ze in de maanden sedert hun aankomst uitvoerig bestudeerd. De nomaden stuurden overvallers naar bewaakte passen, meestal 's nachts en altijd tersluiks. Ze probeerden de legers van de Acoma en de Xacatecas uit te putten - soms door onverhoedse overvallen, maar vaker door niets te doen en een zenuwslopende, passieve toestand van verveling te laten voortduren. Lange reeksen dagen gingen voorbij zonder dat er een reguliere veldslag plaatsvond, afgezien van de schaarse nachtelijke overvallen, welke juist talrijk genoeg waren, en ook inventief en gevaarlijk genoeg, om alle soldaten zenuwachtig en waakzaam te houden.
De strijdkrachten van de Xacatecas hadden zich over een nogal groot gebied moeten verspreiden om alle passen, ook de kleintjes, te bewaken. Heer Chipino had gehoopt dat de nomaden na de komst van de Acoma zouden beseffen dat ze numeriek kansloos waren, en bijgevolg met hun overvallen aan deze zijde van de grens zouden ophouden. De mannen uit de woestijn hadden echter heel anders gereageerd, namelijk door de frequentie van hun aanvallen juist op te voeren.
Naarmate de maanden voorbijgingen kwam Kevin vaker in de verleiding om zijn mening kenbaar te maken dat deze vorm van aanvallen een specifie-" ke bedoeling moest hebben. Hij had genoeg militaire ervaring om wat dat betrof op zijn instinct te vertrouwen. Tsurani doodden echter Midkemische officieren die in hun handen vielen, en uit lijfsbehoud had Kevin daarom aan deze zijde van de scheuring alleen aan een paar mede slaven laten weten dat hij van edele afkomst was.
Hij deed zijn hoofddoek af en sandalen uit - bedienden zouden ze uitkloppen - en liep blootsvoets over prachtige tapijten naar zijn vrouwe, die op een paar kussens zat, met een in zand gemaakte reliëfkaart van het grensgebied van het keizerrijk voor zich. Lujan zat naast haar.
'Ah, ben je daar,' zei Mara. Een waterval van zwarte haren hing los over een schouder en ze duwde het met een van haar porseleinen handjes naar achter terwijl ze hem glimlachend verwelkomde. 'We zitten over een verandering van strategie te delibereren,' vervolgde ze, met een knikje naar Lujan.
Kevin knielde nieuwsgierig neer aan de andere kant van de tafelvormige verhoging van zand. Hij keek naar de gele en groene kralen die de posities van de compagnies, pelotons en patrouilles van de Acoma en de Xacatecas aanduidden. Ze waren verspreid over een groot aantal passen en kloven en rotsachtige, steile paden waar indringers alle kans hadden om de grensbewakers in het donker te besluipen en met hun vlijmscherpe messen stilletjes de keel af te snijden.
'We willen hun voorraadposten vernietigen,' zei Mara. 'In brand steken. Jouw mening is van belang, omdat jij het landschap hier evengoed kent als wie dan ook.'
Kevin likte zijn lippen. Hij voelde kippenvel opkomen onder de mouwen van zijn hemd. Hij keek naar de reliëfkaart en vroeg zich in stilte af of dit niet precies was wat de vijand al die tijd had beoogd: hun krijgers weglokken uit de verdedigbare passen, de open woestijn in. 'Ik beveel nogmaals aan, vrouwe,' zei hij, 'deze woestijnmannen niet na te zetten. Op eigen terrein hebben ze alle voordelen aan hun kant. Ik herhaal wat ik eerder heb gezegd: laten zij ons maar aanvallen en zich stuklopen op onze speren, zonder dat het ons veel slachtoffers kost.'
'Afwachten zonder aan te vallen levert geen eer op,' merkte Lujan op. 'En hoe langer de vrouwe afwezig is van haar landgoed, hoe groter het gevaar voor Ajiki wordt. Door nog een seizoen te wachten boekt ze geen winst in het Spel van de Raad, noch welwillendheid in de opinie van de goden. Het is ook ongepast voor krijgers om zo passief te blijven terwijl brutale nomaden ze behandelen alsof het maar herders van querdidra's zijn, die ze naar willekeur zo nu en dan kunnen overvallen.'
'Als u er zo over denkt, hebt u geen behoefte aan mijn opinie,' zei Kevin, zijn ergernis onderdrukkend. 'Naar mijn mening steekt er een strategie achter het optreden van deze nomaden. Maar als u blijft volhouden...'
'Het zijn barbaren!' onderbrak Mara hem. 'Ze plegen die overvallen simpelweg omdat ons land rijk en groen is. Waarom zouden die woestijnvolken zich opeens op een grote natie met een groot leger willen storten? Wat zouden ze daarmee kunnen winnen, behalve dat ze uitgeroeid worden?'
Kevin hoorde haar kwaadheid, maar nam er geen aanstoot aan. Hij wist maar al te goed dat ze nu bijna een jaar van huis was en dat ze haar zoontje vreselijk miste. Elke maand kwamen er koopvaardijschepen aan in Llama, en zo kreeg ze berichten van Jican. Er was nog steeds geen aanval door de Minwanabi gerapporteerd, maar wat niet was kon nog komen.
'We moeten hun voorraadposten vernietigen,' drong Mara aan. 'Anders worden we stokoud in deze godvergeten woestenij en heeft de Minwanabi zijn zin.' En dat maakte een einde aan de discussie.
Er werden verkenners op pad gestuurd. Ze zouden vijf dagen weg blijven, maar het zoeken duurde uiteindelijk maanden. De nomaden waren simpelweg niet te vinden in de woestijn, waarvan de zandformaties na elke winderige dag veranderden, of tussen de rotspieken die op de meest onverwachte plaatsen bij elkaar groepten. De verkenners moesten het hebben van de rook van kampvuren en moesten soms dagen ergens op de loer liggen om een glimp van de vijand op te vangen. Nu en dan vonden ze een voormalige kampplaats van de nomaden, met de as van oude vuren, of verkoolde etensresten, maar de voorraadposten van de woestijnmannen bleven totaal onvindbaar.
Na maanden vruchteloos gezoek begonnen de Xacatecas en de Acoma gevangenen te nemen. Deze ongelukkigen werden naar Chipino's kamp gesleurd om ondervraagd te worden. De woestijnnomaden waren kleine, pezige mannen. Vaak hadden ze een baard. Ze roken naarquerdidra's en zure wijn, en ze droegen leren kleren, die versterkt en versierd waren met benen knoppen en knopen. Over deze primitieve, lichte harnassen droegen zij losse beige of lichtbruine mantels, met gordels eromheen, die met kralen versierd waren en waaraan talismannen hingen die hun rang en hun stam aanduidden. Het waren taaie kerels en maar weinigen konden tot praten worden gebracht. Degenen die iets wilden loslaten waren niet de hooggeplaatsten in hun stam, en de paar bergplaatsen die ze in de loop van de maanden aanwezen bleken van geringe betekenis - een paar leren zakken met wijn, een paar urnen met graan, verder niets. Te armzalig om het waard te zijn er de levens van soldaten voor te riskeren, zei heer Chipino gefrustreerd tegen Mara na een bloedhete dag, waarop weer eens zo'n begraven voorraadje was opgedolven.
De commandotent van de Acoma stond in het schemerlicht van de vroege avond. De geluiden van het wisselen van de wacht en de geur van gebraden vlees werden door het verkoelende avondbriesje door de tentopening naar binnen geblazen. De blauwe rook van de kookvuren wolkte op naar de donkere hemel. In de tent wierp het rossige licht van smeulende toortsen een grillig schijnsel door de uitgesneden openingen in hun kelkvormige houders.
Mara klapte in haar handen en liet de Heer van de Xacatecas tesh brengen - erg zoet, zoals hij het prefereerde. 'U denkt dat we onze tijd verspillen in deze uitlopers van het gebergte?' vroeg Mara.
'Inderdaad,' bevestigde heer Chipino, en hij knikte er hevig bij om zijn frustratie nog eens te benadrukken. 'De voorraden van de nomaden moeten veel verder weg in de woestijn zijn opgeslagen, buiten het gezichtsveld van onze verkenners, en op plekken die niet worden verraden doordat er sporen naar toe leiden. Ik denk daarom dat we het eens met een inval moeten proberen, misschien met een compagnie of twee.'
De bediende kwam de tesh brengen, wat Mara even de kans gaf om na te denken. Zij had zelf ook al het gevoel gekregen dat een dergelijke tactiek wenselijk was, en Lujan steunde haar daarin. De enige dissident was Kevin, die er onvermoeibaar op bleef hameren dat de nomaden zoiets juist probeerden uit te lokken. Ze schudde haar hoofd - bijna onzichtbaar. Waarom zouden de nomaden haar soldaten tot een invasie willen provoceren? Welk doel kon daarmee gediend zijn? .
'Dit alles is zinloos,' zei Chipino terwijl hij de halsveters van zijn bestofte harnas losbond. Hij wreef geïrriteerd over de leerachtige huid van zijn nek en smeerde daarna zijn keel met de tesh. Het zoete drankje spoelde het woestijnzand weg uit zijn mond en verzachtte zijn humeur. 'Isashani schreef me dat Hokanu van de Shinzawai in Ontoset op bezoek was.'
Mara trok haar wenkbrauwen op. 'Is uw echtgenote misschien toevallig wat aan het koppelen?'
Xacatecas lachte. 'Voortdurend! Maar in dit geval met Hokanu's warme instemming, heb ik de indruk. De jongste van de Shinzawai mist je. Hij heeft meer dan eens naar je geïnformeerd.'
'En dat heeft Isashani bijgehouden?' vroeg Mara. Na Chipino's berustende knikje vervolgde ze: 'Wat heeft Hokanu naar Ontoset gebracht? Dat is voor hem nogal ver uit de route, zou ik denken.'
'Precies wat Isashani ook opmerkte,' zei Chipino. 'Dat bemoeizuchtige vrouwmens insinueerde namelijk dat hij de kruiden die hij kwam kopen net zo goed in Jamar had kunnen aanschaffen.'
Dit betekende dat Hokanu helemaal naar vrouwe Isashani was gereisd om van haar uit de eerste hand te vernemen hoe de zaken in Dustari verliepen. Mara wist niet goed hoe ze hierop moest reageren. Was zijn openlijke belangstelling voor haar lot oprecht, of was het slechts een intrige van zijn vader en een onderdeel van het Grote Spel?
Haar gepieker werd onderbroken door de komst van de wachtofficier van de dag, die kwam vertellen wat de verkenners hem die dag hadden gerapporteerd. Hij boog eerbiedig. Mara gaf hem toestemming in het bijzijn van haar gast te spreken. Dat scheelde haar straks een bode naar het kamp van de Xacatecas.
'Geen ontdekkingen te rapporteren, mijn vrouwe,' zei de geharnaste officier, die zijn gepluimde helm in de holte van een vuile elleboog had gelegd. 'Een man gewond na een val van een rots, twee andere gedood in een hinderlaag. De gewonde wordt verzorgd in het kamp bij de zuidelijke mesa. De andere vijf groepjes verkenners hebben niets gevonden.'
Verliezen om niets dus, concludeerde Mara in stilte. En het waren niet de eerste. Zo kwamen ze geen stap verder, de maat was vol! De nomaden speelden met hen - in dat opzicht had Kevin gelijk - maar nu was het toch echt onaanvaardbaar geworden om dat allemaal maar te laten voortduren. Haar geduld was op. Mara gaf de vermoeide officier verlof om te vertrekken en keek de Heer van de Xacatecas toen recht in zijn sardonische ogen. 'De Acoma biedt een compagnie aan voor een expeditie naar de binnenlanden, dus verder dan de uitlopers van de heuvels. Mijn eerste slagleider, Migachti, zal de leiding hebben en ze zullen een halve patrouille cho-ja's meenemen om als koeriers met het hoofdkamp op te treden.'
Heer Chipino van de Xacatecas boog zijn hoofd. Hij zette zijn teshkopje op het lage tafeltje naast hem, bij de opgerolde kaarten, de leien en de krijtjes, en reikte naar zijn door de zon gebleekte helm. 'Tot eer van onze huizen en tot verderf van onze vijanden,' verklaarde hij op plechtige toon, 'zal ook ik een compagnie sturen, alsmede een geschenk, als compensatie voor je cho-ja's, want een dergelijke faciliteit heb ik momenteel niet te bieden. De korf op ons land kon geen krijgers missen, wegens de problemen met het huis Zirentari aan onze noordgrens.'
Mara verklapte niet dat ze de koningin van haar korf had overgehaald om tegen betaling extra krijgers te fokken. Je moest zelfs je vrienden niet meer onthullen dan strikt nodig was, want in het Grote Spel konden je vrienden van vandaag morgen of overmorgen je bitterste vijanden worden. Ze ging uit beleefdheid staan en boog voor haar sociale meerdere, hoewel zij en heer Chipino die formaliteit in hun privé-contacten niet steeds in acht namen. 'Van dat geschenk wil ik gaarne afzien,' zei ze.
Heer Chipino bekeek met licht toegeknepen ogen hoe ze daar in het grillige, warme licht van de toortsen voor hem stond. 'Dat is niet verstandig,' zei hij vriendelijk - op een toon alsof hij een dochter corrigeerde. 'Een vrouw in de bloei van haar jeugd mag nooit het affront worden aangedaan dat ze geheel zonder geschenken in een woestijn wegkwijnt.'
Mara bloosde. Ze vond geen woorden om haar ontreddering te verhullen, maar heer Chipino hielp haar een handje. 'Hokanu heeft Isashani laten beloven ervoor te zorgen dat jouw charmes ook in dit godverlaten, barbaarse land niet verwaarloosd zullen worden.'
De Vrouwe van de Acoma lachte hardop en spontaan, wat in bijna twee jaar isolatie, zeg maar: gevangenschap, bijna nooit was gebeurd. 'U en Hokanu zijn vleiers, allebei!'
Chipino draaide zijn hoofd en zette zijn helm op zijn slordige grijze haren, maar liet de kinband los hangen. 'Tja, het is waar dat er hier geen vrouwen zijn om die zwakte van mij op bot te vieren. Ik zou zelfs de merries van de querdidra's best wel willen vleien, als ik de kans kreeg.' Hij haalde zijn schouders op. 'Maar die spugen. Jij niet, dacht ik.' En toen kwam het echte compliment, heel terloops, zodat ze het niet kon afwimpelen door abrupt van onderwerp te veranderen. 'Hokanu is een zeer verstandige jongeman, met een uitstekende smaak, anders zou Isashani hem en zijn vragen onmiddellijk de deur hebben gewezen - daar kun je gif op innemen.'
Het geschenk zelf bleek later een koperen armband in de vorm van een gestileerde shatravogel te zijn, met een grote smaragd als oog. Het was een prachtig sieraad, speciaal voor haar gemaakt, en stukken duurder dan een halve patrouille cho-ja's, zelfs als die krijgers bij het uitoefenen van hun plicht allemaal zouden sneuvelen. Mara legde het juweel terug in het met fluweel gevoerde doosje waarin het was afgeleverd. 'Waarom doet hij dit?' vroeg ze zich hardop af, in de mening dat ze alleen in de tent was.
Kevin antwoordde vanachter haar rug, wat haar deed schrikken. 'Omdat hij je bewondert om wat je bent. Hij wil dat je dat weet.'
Mara's frons verdiepte zich. 'De Heer van de Xacatecas? Waarom zou hij me bewonderen? Hij is een van de Vijf Families, en zeer prominent in het keizerrijk. Wat kan hij hopen beter te worden via een huis dat wordt belaagd door de Minwanabi?'
Kevin schudde zijn hoofd, opeens ongeduldig, en ging op de kussens naast haar zitten. Hij duwde haar lange haren opzij en begon teder de gespannen spieren van haar schouders te masseren. Mara liet het zich met een zucht van behagen welgevallen en voelde spanningen wegvloeien waarvan ze zich niet bewust was geweest. 'Waarom zou hij dat doen?' herhaalde ze.
Kevins handen schulpten zich warm om haar hals en kin. 'Omdat hij je graag mag. Niet dat hij avances zal maken - hoewel hij vast wel een discreet avontuurtje zou willen, als hij meende dat jij daar ook iets voor voelde. Maar hij heeft geen uitgesproken plannen met je, hij wil niets van je, en ook niet van je huis. Ook is hij niet uit op winst of voordeel in dat stomme Grote Spel. Hij mag je gewoon. Vrouwe, niet het hele leven is verdomde politiek, hoor! Dat schijn je maar al te vaak te vergeten. Als ik dit geschenk zie en aan de motieven van de Heer van de Xacatecas denk, zie ik niets anders dan een man van de leeftijd van je vader die erg op je gesteld is en die je iets wil geven wat jij jezelf zelden of nooit gunt: een schouderklopje, omdat je competent bent, en zorgzaam, en bemind.'
'Bemind?' Er verscheen een ondeugende glimlach om Mara's lippen. Kevin reageerde meteen. Zijn handen kwamen in beweging en schoven haar jurk naar beneden. Samen lieten ze zich in het flakkerende toortslicht op de zachte kussens zakken, en hun woordloze passie versmolt met het warme, rossige schijnsel.
De expeditie vertrok de volgende morgen, uitgeleide gedaan onder trompetgeschetter dat werd verzorgd door koks uit het kamp van heer Chipino. De troepen van de Xacatecas waren al zo lang hier gelegerd dat ze in bepaalde opzichten de gewoonten van de nomaden hadden overgenomen, in dit geval de traditie dat de goden en de vijand gerust mochten weten dat er een dag van triomf gepland was. Een leger ging bij zonsopgang op mars en de fanfare was bedoeld om de vijand bij voorbaat de stuipen op het lijf te jagen.
In de maanden die volgden was er echter geen sprake van welk snel resultaat dan ook. Mara nam de gewoonte aan om op een hoge post bij de verkenners op uitkijk te gaan staan. Er was op dat kale, hoge rotsplateau geen schaduw; dus ze verving haar strooien hoed door een mannenhelm, waar ze een vliesdunne zijden sjaal omheen wikkelde. Toen ze dat een aantal dagen had gedaan herkende ze in stofwolkjes aan de horizon bijna even snel als haar krijgers terugkerende koeriers. Op zulke momenten stuurde ze een bode naar heer Chipino en liep daarna over het steile rots pad snel naar beneden om de terugkerende cho-ja's te ontmoeten. Haar benen werden jongensachtig sterk van dat geklauter over paden waar slaven haar met een draagkoets niet konden brengen.
Lujan was als commandant slim genoeg om ervoor te zorgen dat zijn manschappen de aanwezigheid van hun vrouwe als een opsteker beschouwden en zich extra uitsloofden. Anders dan vele Tsuranese edelen verwierf deze vrouwe een grondige kennis van de condities waarin haar verkenners, wachtposten en soldaten hun plichten moesten vervullen. Zij eiste niet dat ze onmogelijk lange uren in de brandende middagzon op hun post bleven staan, en ook klaagde ze niet wanneer ze tegenstrijdige rapporten ontving omdat de zinderende lucht boven de zandvlakten in de verte het zicht belemmerde. Hoewel ze verreweg de voorkeur gaf aan handel boven oorlogvoering, spande ze zich in om de fijne kneepjes van de strategie, de tactiek en de bevoorrading van een leger te bestuderen. In dat opzicht was ze na verloop van tijd niet minder bekwaam dan de meeste van haar officieren, maar ook haar soms originele kijk op de dingen kon geen consistentie en doel geven aan de vijandelijke acties, die geen vast patroon vormden, noch een zinnig effect leken te beogen.
De rapporten van de compagnies die de woestijn in waren gestuurd veranderden eigenlijk weinig aan de status quo. Er werd een kleine voorraadplaats ontdekt en vernietigd, samen met het groepje nomaden dat de spullen bewaakte. Daarna verliepen er weer twee maanden van vruchteloos speuren, gevolgd door een derde, waarin valse sporen werden gevolgd. De cho-ja's berichtten over een drooggevallen oase en over sporen van een legerkamp dat kennelijk overhaast was opgebroken. Er werd een patrouille op afgestuurd, maar die geforceerde mars door de hitte leverde geen enkel resultaat op. Twee van de leden van die patrouille vielen in een valkuil. De ene stierf ter plaatse aan een infectie, de andere werd op een draagbaar naar het kamp teruggebracht. Hij zou nooit meer kunnen lopen en vroeg het recht op een eervolle zelfmoord door middel van het zwaard. Mara gaf hem toestemming en moest zich inhouden om Chochocan niet te vervloeken voor deze verspilling van het leven van een prima soldaat.
Weer ging een seizoen voorbij. De Vrouwe van de Acoma werd prikkelbaar en broeierig.
We zouden er meer soldaten op af moeten sturen,' snauwde ze tegen Kevin terwijl ze haar haren voor het kammen inwreef met zoete olie, want water was schaars en je moest dat zand toch ergens mee bestrijden.
De Midkemiër keek even op en ging toen demonstratief verder met het vastknopen van een gebroken veter van zijn sandaal. Deze discussie had al dikwijls plaatsgevonden en elke keer had hij benadrukt dat de vijand nu juist graag wilde dat een flinke legermacht zich de woestijn in zou wagen. Die woorden waren uitgesproken, maar het ene feit dat zijn advies geloofwaardigheid zou hebben gegeven bleef ongezegd. Maand in, maand uit had Kevin in de felle hitte van de woestijnzon op zijn tong moeten bijten om geen woord los te laten over zijn ervaring als officier. Bekennen dat hij in zijn eigen land een leidinggevende militair was geweest kwam neer op het tekenen van zijn eigen doodvonnis.
Ofschoon ze onkundig was van zijn verleden, legde Mara zijn advies niet volledig naast zich neer, en hoewel zij de ongeduldigste was van de twee heersers die daar samen de grens van Dustari bewaakten, was het tenslotte toch heer Chipino die aandrong op agressieve actie.
Hij kwam kort na het vallen van de schemering naar haar commandotent. Hij bracht de geur van houtskool, gebraden vlees en geroosterde chalnoten met zich mee - een maaltijd die hij had gedeeld met zijn slagleider - en viel met de deur in huis. 'Ik heb bericht ontvangen van de compagnies in de woestijn,' zei hij. 'Ze hebben een nomade gevangengenomen, een soort handelaar, en ik geloof dat we nu eindelijk een aanwijzing hebben. We weten althans waar karavanen, afkomstig van de andere kant van de woestijn, grote hoeveelheden graan hebben afgeleverd.'
Mara knipte met haar vingers en droeg de bedienden op warme tesh klaar te zetten. 'Mijn cho-ja's hebben me hetzelfde bericht, maar eraan toegevoegd dat het zand ruikt naar voetstappen.' Inmiddels was iedereen erop gaan vertrouwen dat de reusachtige insecten werkelijk de olie konden ruiken waarmee de nomaden het leer van hun sandalen soepel hielden. 'Die karavanen zijn dus geen verzinsel om ons op een dwaalspoor te leiden.' Ze wees naar de reliëfkaart van zand, die in de loop van twee afmattende jaren steeds groter was geworden en nu de hele voorruimte van haar commandotent domineerde. Het deel met de bergpassen was inmiddels afgekalfd, maar het woestijngebied achter de grens was sterk uitgebreid. De kaart werd bijgehouden door een oude man, die een vermogen betaald kreeg om niet bij zijn vrouwen zijn grote gezin en zijn bloeiende handelsonderneming in Llama te zijn, maar hier in de wildernis. Mara had het er graag voor over, want door de kaart en de gekleurde kralen wist ze precies waar al haar soldaten zich bevonden. 'Laten we onze gegevens met elkaar vergelijken,' nodigde ze heer Chipino uit - iets wat de laatste maanden een routine was geworden.
Het was echter geen routine dat het overleg deze avond uitliep op een krijgsraad die tot diep in de nacht duurde, en waarbij Mara en Chipino dikwijls hun stemmen verhieven, waardoor deze hoorbaar waren boven het geruis van de wind, het ge fladder van de tentzeilen en het geflakker van de toortsen uit. De vrouwe en de heer hadden echter geen ruzie, en ze kwamen overeen reeds de volgende ochtend nog twee compagnies naar de woestijn te sturen. Ze zouden twee compagnies van gemengde troepen achterlaten om de grens te bewaken en zouden zelf met de twee andere de woestijn in trekken om zich bij het daar reeds aanwezige leger te voegen. Een snelle patrouille zou vooruit worden gestuurd om hun komst aan te kondigen en opdracht te geven het spoor alvast te gaan volgen.
'Wanneer we daar arriveren met onze nieuwe troepen,' besloot heer Chipino, 'zullen we een leger van duizend man hebben. Daarmee kun je echt in de aanval gaan.' Hij kwam overeind. Zijn dubbele schaduwen - die van de
lampen van de cho-ja's en die van de toortsen - vormden grillig gekleurde vlekken op de kussens en tapijten. 'Het is beter nu met volle kracht aan te vallen dan ons als mediterende dichters op bergtoppen nog langer in de luwte te houden. Nog een jaar wachten zou die barbaarse wilden meer eer geven dan ze verdienen.'
Die nacht lag Kevin slapeloos in het donker. Hij luisterde naar Mara's ademhaling, het eindeloze zuchten van de wind, en het kraken en kreunen van de scheerlijnen van de tent. Een heel leger buiten de bescherming van de bergen brengen was een fout. Hij wist het zeker. Maar in dit keizerrijk bezat een slaaf geen eer, en naar zijn stem zou niet worden geluisterd. Maar waar de Vrouwe van de Acoma ging, daar zou ook hij gaan. Hij hield te veel van haar om achter te blijven.
De reusachtige centrale tentpaal viel om en eindeloze lappen opbollend zeil zakten traag naar de grond. Kevin deed geschrokken een stap achteruit. Hij struikelde over een opgerold tapijt en had Mara bijna in zijn val meegetrokken.
'Neem je die commandotent mee?' vroeg hij, zijn eigen onhandigheid misbruikend om haar gauw even in zijn armen te nemen.
Mara trok verwijtend haar wenkbrauwen op. 'Maar natuurlijk.' Ze liet het klinken alsof het verplaatsen van hele kisten met tapijten, kussens, komforen en lamphouders naar een barre en vijandige woestijn de gewoonste zaak van de wereld was. 'De Acoma is geen huis van barbaren. Wij slapen niet op de grond, zoals boeren, tenzij we incognito willen reizen.' Ze gebaarde naar de zwerm bedienden die bezig waren met haar spullen. 'De tent van heer Chipino is veel groter. Aan de omvang van onze paviljoenen zal de tegenstander zien dat hij met belangrijke families te maken heeft.'
Kevin keek haar spottend aan. 'Als ze die grote tenten zien vluchten ze als bange jigavogels?'
Mara trok haar wenkbrauwen nog een streepje hoger op. 'Ze zijn niet beschaafd.'
'Maar als ze dat waren zouden ze wegvluchten als jiga's, bedoel je?'
'Je hebt de neiging om evidente waarheden nodeloos te herhalen,' zei Mara, en ze duwde ongeduldig de handen weg waarmee hij haar door haar dunne jurk heen stond te strelen. 'Toen ik zei dat je bij me in de buurt moest blijven bedoelde ik echt geen vrijpartij in de open lucht, pal onder het oog van de goden!'
Kevin liet haar glimlachend los. 'De drijvers hebben hun querdidra's al bijeengedreven.' Hij keek naar de kisten en de andere bagage. 'Denk je heus dat je genoeg lastdieren hebt voor al deze spullen?'
Mara keek geërgerd. 'Nog één zo'n opmerking en ik laat je sjouwen, net als de dragers. Dat heb je trouwens toch wel verdiend, met je onverbeterlijke brutaliteit.'
Kevin maakte snel een quasi eerbiedige buiging en ging helpen met het beladen van de onwillige en prikkelbare zesvoeters. 'We mogen verdomme blij zijn als we hier voor zonsondergang mee klaar zijn,' mompelde hij, maar pas toen Mara het niet meer kon horen.
In feite waren ze al rond het middaguur klaar. Het leger van heer Chipino en vrouwe Mara vertrok toen onder begeleiding van geschal van trompetten en geklap van zwepen. De draagkoetsen van de heer en de vrouwe bevonden zich in het centrum van de colonne, waar ze beschermd werden door al hun soldaten. Cho-ja's vormden de voorhoede en de achterhoede. Op een afstandje voorafgegaan door verkenners trok de lange stoet vanuit de heuvels het hete, vlakke woestijnlandschap in, meer lijkend op een handelskaravaan dan op een leger.
Er werd een straf tempo aangehouden, ondanks de meedogenloze hitte. De karavaan wierp stofwolken op die tot mijlen in de omtrek zichtbaar moesten zijn. Elke nomade met ogen kon zien dat er een grote legermacht in aantocht was. Ook de geluiden van de stoet droegen ver, maar hoe zou men een zo lange colonne ook kunnen verbergen?
Daarentegen bezat het barre landschap genoeg kloven en grillige rotsformaties en uitgedroogde rivierbeddingen om kleine groepjes tegenstanders de kans te geven zich verborgen te houden, en rustig te kiezen voor het leggen van een hinderlaag of, om niet afgeslacht te worden, een onopgemerkte vlucht na het vallen van de schemering.
Het terrein was ongeschikt voor tactische finesses, stelde Kevin vast. Je moest hier gewoon de meeste manschappen hebben om zeker te kunnen zijn van de overwinning, maar niemand wist hoeveel clans zich hadden aaneengesloten voor de campagne tegen het keizerrijk. Grote aantallen tegenstanders konden zich hier lange tijd verborgen houden terwijl het zwetende leger zich een ongeluk zocht. Kevin moest regelmatig het zand uit zijn sandalen schudden en voelde de eerste blaren al opkomen. Als je een woestijnleger was, gewapend met lange messen en giftige pijlen, kon het naar je toe lokken van een groot leger alleen een zinnige tactiek zijn als je ergens heel zorgvuldig een hinderlaag had voorbereid. Het riekte allemaal naar planning op lange termijn, vond Kevin.
Mara liet zich echter niet overtuigen. 'Woestijnclans zijn niet te koop,' zei ze, toen ze onder de sterrenhemel eindelijk een kamp hadden opgeslagen. Het was in de commandotent nog te heet en daarom zaten de slaaf en zijn vrouwe samen buiten op een tapijt droge wijn te drinken en pittige querdidrakaas te eten. 'Er zijn te veel stammen, te veel onderlinge wrijvingen. En een stamhoofd hecht geen waarde aan rijkdom die hij niet in zijn tenten met zich mee kan nemen.'
Kevin moest dit laatste in stilte toegeven. Hij had genoeg gevangengenomen nomaden geobserveerd om hun karakter te kennen. Ze mochten klein van stuk zijn, maar ze waren even stijfkoppig en trots als de dwergen op zijn eigen wereld, en zo twistziek als zandslangen: eerst bijten, dan pas kijken of er overlevingskansen zijn. Het waren kinderen van een bar en gevaarlijk landschap, waar de dood overal op de loer lag. De meesten zouden liever in het vuur springen dan hun stam verraden, en hun clanhoofden vochten net zo lief tegen elkaar, meende Kevin, als tegen het leger dat de grens van Tsurani moest bewaken.
'We moeten gaan slapen,' zei Mara, het gepeins van haar slaaf verbrekend. 'We moeten ruim voor zonsopgang opstaan, dan hebben de bedienden wat meer tijd om het kamp af te breken.'
Kevin klopte wat zand van zijn kleren en vloekte toen een deel daarvan in zijn wijn terechtkwam. 'We zouden ook hier kunnen slapen,' stelde hij voor.
'Barbaar!' De vrouwe lachte. 'Hoe zou de bevelhebber me in een noodgeval dan kunnen vinden?'
'Maar in het geval dat ze een sluipmoordenaar op je af zouden sturen zou het juist een voordeel zijn.' Kevin stond op en stak een hand uit om haar te helpen.
'Toon mij maar eens een sluipmoordenaar die zich tussen Lujans linies door weet te wurmen,' antwoordde Mara terwijl ze zich knus tegen hem aan drukte.
Daar zat wel iets in, moest Kevin toegeven, hoewel hij ongerust bleef. En als de barbaren het op die manier hadden willen proberen, zou het al eerder zijn gedaan en zouden ze niet een heel leger naar de woestijn hebben gelokt.
De volgende week kwamen ze in een nog ruiger gebied terecht, bestaande uit zandduinen, vergruizeld rotsgesteente en ontoegankelijke plateaus. Het leger kwam slechts langzaam vooruit en moest zich over rul zand door smalle kloven wringen. Het leidde tot een kwetsbaarheid die Kevin niet beviel en waarover zelfs Lujan zich zorgen maakte. Maar toen keerden er verkenners terug die enthousiast meldden dat er verderop, aan de andere kant van deze heuvelrug, een grote voorraadplaats was gevonden, met een flinke groep bewakers erbij. Mara en de Heer van de Xacatecas hielden beraad en besloten door te zetten.
'De cho-ja's hebben weinig last van dit zand,' legde Mara aan Kevin uit toen deze later de wijsheid van die beslissing in twijfel trok. 'Ze zijn snel en sterk, en de hitte deert hen niet. Een compagnie van cho-ja's is in deze woestijn wel twee van mensen waard, en wat kunnen de barbaren daar tegenover stellen?'
Hij had geen antwoord op die vraag bij de hand. Het leger trok verder tot de nacht was gevallen en de koperen maan van Kelewan de duinen in een metalig schijnsel hulde.
Mara trok zich terug in het comfort van haar tent, waar ze zich door de zoetgevooisde stem van een zanger liet vermaken terwijl Kevin rusteloos door het kamp dwaalde en een innerlijke tweestrijd uitvocht. Hij hield van de vrouwe. Ze was in zijn hart opgenomen en dat kon niemand meer ongedaan maken. Maar hield hij genoeg van haar om zijn eigen leven op het spel te zetten? De Midkemiër liep door het kamp en luisterde naar de praatjes en de grappen die de krijgers met elkaar uitwisselden. De taal was natuurlijk anders, maar soldaten aan de vooravond van een gevecht verschilden hier niet echt van de soldaten die hij in het Koninkrijk der Eilanden had gekend. Ze dobbelden en maakten grappen en scholden elkaar uit, maar ze spraken niet over de dood, en nog minder over de geliefden die ze thuis hadden achtergelaten.
Bij het aanbreken van de dag deed een licht briesje fijn stof opwaaien. De bedienden hadden inmiddels enige handigheid verworven in het afbreken van de tenten en de querdidra's hadden zich kennelijk verzoend met hun lot, want ze spuwden niet meer. Of misschien waren ze gewoon te verstandig om op die manier vocht te verspillen, dacht Kevin, die met lauw water uit een drinkzak het zand tussen zijn tanden uit probeerde te spoelen. Maar al te snel stond het leger marsklaar opgesteld en begaf het zich op weg door de nauwe engte die zich tussen de steile mes a's door naar de vlakte aan de andere zijde van de heuvelrug kronkelde.
En de nomaden lagen inderdaad op de loer. Het was een bont gezelschap van misschien achthonderd sjofel geklede krijgers die zich hadden verzameld rond de felgekleurde banieren van hun clans, waarvan de meeste ook het symbool van de kurek, een soort vos, voerden. Kevin voelde kippenvel opkomen. Terwijl de soldaten van de Acoma en de Xacatecas zich opstelden en hun wapens in gereedheid brachten, bond hij de veters van zijn lichte, Midkemische pantserhemd wat vaster. Hij bleef dicht in de buurt van Mara's draagkoets. Daar werd krijgsraad gehouden door Lujan, heer Chipino, Mox'l, de bevelhebber van de cho-ja's, en Envedi, de commandant van het leger van de Xacatecas. Ze zouden het ongeregelde stelletje vijanden aanvallen. Hun eer eiste het. Het was hun plicht als verdedigers van de zuidgrenzen van het keizerrijk. Kevin wenste dat de Tsuranische zeden het toestonden dat een slaaf wapens droeg, want hij betwijfelde geen moment dat dit leger een ramp tegemoet ging.
'Ik zal mijn twee compagnies de vallei binnen leiden en de vijand frontaal aanvallen,' dreunde heer Xacatecas met zijn diepe bas. 'Als de barbaren dan hun linies verbreken en voor ons vluchten, kan jouw compagnie cho-ja's ze van opzij en van achter aanvallen, en van de rest afsnijden. En als de barbaren niet op de vlucht slaan, zal de Xacatecas grote aantallen offeren aan Turakamu.'
Mara boog haar hoofd. 'Zoals u wilt,' liet ze op formele toon weten. Lujan zou er liever een gemengd gezelschap van Chipino's en Mara's krijgers op af hebben gestuurd, maar de Heer van de Xacatecas had nu eenmaal een hogere status. Bovendien had hij de ervarenste officieren, en Mara had duidelijk gemaakt dat ze tussen zijn huis en het hare een bondgenootschap wenste, en zeker geen rivaliteit. De Acoma kon het zich niet permitteren nu over de eer en het protocol van de oorlog te gaan ruziën.
De zon klom naar zijn hoogste punt en de schaduwen krompen weg onder de rotsen. Het leger van heer Chipino stelde zich op in slagorde en bereidde zich voor op de charge. Mara richtte uitkijkposten in op de pieken om haar heen en hield koeriers bij de hand. De lucht was roerloos, de stilte compleet. Kevin stond zwetend schuin achter Mara's schouder en verlangde bijna naar zo'n benige, scheermesachtige onderarm van het soort dat sommige cho-ja's bij hem in de buurt nu stonden bij te slijpen. Toen werden de trompetten geblazen en gaf de bevelhebber van de Xacatecas het teken tot de aanval. Zijn in geel-en-paarsrood gehulde krijgers kwamen in beweging en stormden de kloof binnen.
Kevin huiverde. Hij had een vreselijk, misselijkmakend voorgevoel dat deze onderneming zou uitlopen op een ramp.
'Vrouwe,' zei hij hees, 'vrouwe, luister naar mij. Er is iets wat ik u dringend moet zeggen.'
Geheel geobsedeerd door de aanblik van het leger dat door de smalle pas rende en de ordeloze zwerm schreeuwende woestijnnomaden die vanaf de vlakte nu hun kant op kwamen stormen keurde Mara Kevin niet eens een blik waardig. 'Dat kan wachten tot straks,' snauwde ze. 'Na de slag.'