26 Confrontatie
Erik vocht.
Wat was begonnen als een bescheiden gedrang, een peilend gevecht om zwakke plekken in de verdedigingslinie te ontdekken, was zonder waarschuwing omgeslagen in een grootscheeps offensief. Erik schopte de man weg die hij zojuist had gedood en liet hem terugrollen naar de bomen lager op de helling.
Langs de gehele Nachtmerriekam had het Koninkrijk de handen vol aan de vijand. Het was een slachtpartij die zijn weerga sinds de Oorlog van de Grote Scheuring niet kende. Op een relatief rustig moment in de strijd keek Erik rond. De doden en gewonden werden weggesleept door hun kameraden en anderen dronken vlug wat water uit de emmers die waren gebracht door de jongens van de bagage-karavaan.
Jadow kwam aangerend, met sergeant Harper achter zich aan. 'Ze hebben onze meest noordelijke flank overlopen,' zei Harper. De bloedspetters zaten op zijn gezicht. 'Jerome is dood en zijn hele compagnie met hem. Duko heeft mannen aan onze kant van de rug en ze dringen ons naar het zuiden.'
'Verdomme!' zei Erik en draaide zich om naar een koerier. 'Bevelen aan de Vliegende Brigade -'
'Er is geen Vliegende Brigade,' onderbrak Jadow. 'Die heb ik gestuurd zodra Harper bij me was. Ze zitten er al.'
Erik wreef over zijn gezicht. Hij had het gevoel alsof vermoeidheid als zand in zijn huid was gesleten. Zijn gedachten waren chaotisch door slaapgebrek en het voortdurende vechten van de afgelopen twee dagen. 'Goed,' zei hij tegen de twee sergeants. 'Neem iedere derde man hier mee om het noorden te versterken. Als je geen stand kunt houden, trek je dan terug en verschans je op de eerste verdedigbare plek aan onze kant van de heuvelrug. Daar hou je hen tegen. En als ze oostwaarts gaan, de berg af, mag het Leger van het Oosten zich over hen ontfermen.' Tegen de koerier zei hij: 'Ga naar Zwartheide. Zeg prins Patrick dat onze noordelijke flank is bezweken en dat we ons proberen te verschansen. We hebben versterking nodig. Heb je dat?'
'Ja, kapitein!' De jonge soldaat salueerde en rende naar zijn paard. Toen Erik weer omkeek, zag hij dat Jadow en Harper al bezig waren van elke drie mannen er één uit de linie te halen om mee naar het noorden te nemen. Een stukje verderop zag hij Dash staan, zijn zwaard getrokken en zijn dure tuniek en broek onder het bloed. 'Ik dacht dat ik je had gezegd de berichten te lezen,' zei hij.
Dash glimlachte. 'Er zit niets bij wat niet kan wachten en het leek me dat je best een extra zwaard kon gebruiken.'
Erik knikte. 'Dat heb je goed gezien.'
Ineens drong de vijand weer over de heuvels en raakte Erik verwikkeld in de gevechten.
'Er komt iets aan!' waarschuwde Tomas.
'Ik voel het ook,' zei Puc en na een korte pauze voegde hij eraan toe: 'Ik herken dat gevoel. Het is Jakan!'
'Sho Pi,' zei Nakur meteen, 'je moet je samen met de goede abt verstoppen.'
'Ik blijf bij u, meester,' zei Sho Pi.
Nakur greep de jongeman beet en duwde hem in de richting van een gat in de muur, ontstaan tijdens de vorige veldslag die zich had afgespeeld in de oude, door de Valheru geschapen stad onder het verwoeste Sethanon. 'Mijn beschermingstrucje kon ons wel beschermen tegen het scherpe gehoor van de Naamloze, maar niet tegen een woedende demon die hier naar binnen wil! Daarheen, jij! Verstop je in dat gat, want wat eraan komt kan ons allemaal vernietigen, maar wij hebben in ieder geval nog de mogelijkheid om onszelf te verdedigen!'
Het kapotte metselwerk was het resultaat van de titanenstrijd tussen de draak Ryath, wier slapende lichaam nu bewoond werd door het Orakel van Aäl, en een opperdrocht, door Nalar ter afleiding gebruikt toen de geesten van de Valheru terug naar Midkemia trachtten te komen. 'Zorg dat je uit het zicht blijft,' zei Nakur. Vlug liep hij terug en ging naast Miranda staan, terwijl Puc en Tomas posities innamen aan weerszijden van Caelis.
'Kan je jezelf beschermen?' vroeg Miranda.
'Ik ben taaier dan ik eruit zie,' zei Nakur, maar zijn grijns was verdwenen.
Caelis ging geheel op in het ontmantelen van de Levenssteen. Op zijn gezicht stond een mengeling van vervoering en kalmte. Zijn ogen waren nu gevestigd op een plek midden in de steen, die steeds kleiner werd naarmate er meer vonkjes levensenergie van afvlogen.
'Wat hij ook doet,' zei Miranda, 'het voelt prettig.'
'Als we niet de aanstormende razernij van een demonenkoning hoefden te weerstaan, zouden we hier denk ik wel van genieten.'
Miranda voelde een grote vonk van de groene levenskracht door haar buik gaan. 'O!' zei ze, grote ogen opzettend.
Nakur begon te giechelen. 'Dat zag er interessant uit.'
'Zo voelde het ook.' Ze wreef even over haar buik. Met een uitdrukking van bezorgdheid en onzekerheid op haar gezicht zei ze toen: 'Er gebeurt iets.'
Nakur keek de zaal rond, die nu baadde in groen licht. 'De levensstructuur van deze wereld wordt hersteld,' zei hij. 'Het is een genezingsproces, een verjongingsproces. Oeroude zielen die eeuwen in dat ding gevangen hebben gezeten, zijn weer vrij om naar het heelal terug te keren, zoals de bedoeling was.' Hij keek Miranda aan. 'Sommige bijverschijnselen zouden wel eens erg verrassend kunnen zijn.'
'Daar twijfel ik niet aan,' zei Miranda.
Met tot spleetjes toegeknepen ogen hield Tomas zijn hoofd schuin, alsof hij ergens naar luisterde. 'Hij komt.'
'Wie?' vroeg Miranda.
'Jakan,' zei Puc. 'Dat is de enige op deze wereld die de levensharmonie zodanig kan verstoren dat wij hem kunnen voelen naderen.'
Tomas hield zijn zwaard in de aanslag. 'Gauw, denk ik. Binnen het uur, hooguit twee.'
Even wierp Puc een blik op Caelis, die nog steeds geheel opging in zijn taak. 'Is hij dan klaar?'
'Weet ik niet,' antwoordde Tomas. Ze wachtten af.
Erik dook ineen toen er weer een pijlensalvo over hem heen scheerde. Zodra de pijlen voorbij waren, kwamen zijn eigen boogschutters overeind om terug te schieten. Al de hele middag werd er steeds feller aangevallen en nu vreesde hij dat ze de heuvelrug uit handen zouden moeten geven.
Ineens verschenen er vijandelijke soldaten op de heuvelkam en moest hij weer het man-tot-mangevecht aangaan. De vastberadenheid van zijn soldaten was ongeëvenaard, maar hun uithoudingsvermogen werd langzaam minder.
Geen enkel bericht was er gekomen uit het noorden nadat hij Jadow en Harper ter versterking had gestuurd, en de mannen die ze hadden meegenomen, waren hier nu bikkelhard nodig. Erik was bang dat hij beide posities in gevaar had gebracht in zijn poging ze alletwee te beschermen.
In het strijdgewoel had hij echter niet veel tijd om zich daar zorgen over te maken. Aan weerszijden van hem begon de linie het te begeven naarmate er steeds meer mannen van de vijand verschenen en er steeds minder verdedigers tegenover stonden. Erik maaide met zijn zwaard als was het een zeis, aanvallers vellend als koren. Aan alle kanten hoorde hij mannen schreeuwen, kreunen en vloeken, maar hij richtte zich op het moment. De slag bevond zich nu in een stadium waar coördinatie onmogelijk was. Louter door de kracht van de vechtenden zou de strijd worden beslist. Als de verdedigers standvastiger waren dan de aanvallers zouden ze winnen.
Erik zag twee vijanden voor hem opdoemen en op dat ogenblik voelde hij in het diepst van zijn wezen dat de slag was verloren. Hij sloeg de voorste man neer, zijn schild verbrijzelend met een geweldige klap, maar wist een uithaal van de tweede ternauwernood te ontwijken.
Toen kwamen er een derde en een vierde op hem af, en op dat moment wist Erik dat zijn laatste uur had geslagen. Maaiend met zijn zwaard trof hij de tweede man in het gezicht en legde de wang open tot op het bot, dat verbrijzelde waar het zwaard zich erin boorde. Hij trok zijn zwaard los en smeet de man naar de twee mannen die hem volgden, met evenveel gemak als een kat met een muis zou doen.
Het was slechts een kwestie van tijd, maar Erik was vastbesloten zo veel mogelijk vijanden met zich mee te nemen voordat hij werd overweldigd.
Hij haalde uit naar een van de mannen en kreeg een schampslag tegen zijn ribben die zo hard was dat hij om zijn as draaide, waardoor hij werd blootgesteld aan een volgende zwaardstoot. Zijn linkerarm werd geraakt door een kling, die afschampte langs het leer van zijn met metalen plaatjes bedekte handschoen maar wel een lange rode snee op zijn onderarm achterliet.
Meteen daarop kreeg hij een schampende slag tegen de zijkant van zijn hoofd, en zijn knieën knikten. Hij kon niet meer blijven staan, en toen hij een stap achterwaarts deed gleed hij uit, wat hem het leven redde. Erik viel achterover, sloeg tegen rots en zand en rolde twaalf el naar beneden. Hij bleef liggen op zijn rug, over zijn laarzen heen starend naar vijf vijandelijke soldaten die de heuvel afstormden om een einde te maken aan zijn bestaan.
Toen de voorste man bij Erik was, zijn zwaard hoog boven zijn hoofd geheven om de genadeslag toe te brengen, stak er plots een lang en dun stuk hout voorzien van ganzenveren uit zijn hals. Hij deed nog een stap, zakte op één knie en viel voorover aan Eriks voeten.
Terwijl Erik achteruitkroop, keken de andere vier naar iets dat zich achter Erik bevond, en weer werd er een aanvaller getroffen door een pijl, die hem achterover sloeg. Alleen een langboog kon een pijl zoveel kracht meegeven. Erik keek om en zag twaalf stappen verderop langs het pad zes mannen in leer staan, schietend op de aanvallers. Een eindje verder kwamen er kinderen aangerend.
Hij knipperde met zijn ogen. Het waren geen kinderen, maar dwergen, gestoken in harnassen en zwaaiend met hamers en strijdbijlen. Onder het slaken van luide oorlogskreten stortten ze zich op de indringers en maaiden hen neer.
Sterke handen grepen Erik bij de schouders en trokken hem overeind. 'Hoe gaat het, man?' vroeg een vertrouwde stem, en Erik keek om in het glimlachende gezicht van Jadow Shati.
'Beter,' zei Erik. 'Veel beter.'
Achter Jadow stond sergeant Harper. 'We waren er bijna geweest, kapitein, maar toen begonnen de jongens die ons wilden vermoorden zich ineens erg druk te maken over hun eigen achterhoede.' Hij grijnsde, zonder acht te slaan op de spetters geronnen bloed op zijn gezicht. 'De dwergen en elfen kwamen de heuvelrug af, alles en iedereen vakkundig in mootjes hakkend.'
Alsof de wind een rookwolk verjoeg, zo veegden de dwergen en elfen de heuvelkam schoon. Erik zag een dwerg met een brede gouden hals ring en een machtig grote hamer naar hem toe lopen. 'Ben jij de bevelhebber hier?'
Erik knikte. 'En u?'
De dwerg glimlachte. Hij zette zijn hamer neer, verhief zich in zijn volle lengte - een kleine vijf voet - en sloeg zich met gebalde vuist op de borst. 'Ik ben Dolgan, Koning van de Dwergen van het Westen, hoofdman van het dorp Caldara en krijgsleider van het dwergenvolk van de Grijze Torens!' Toen glimlachte hij weer en zei: 'Het leek me dat jullie om wat hulp verlegen zaten.'
'Nou, bedankt,' zei Erik grijnzend.
Er voegde zich een elf bij hen. 'Mijn naam is Galain. Tomas heeft ons gevraagd vanuit Haviksholte langs de heuvelkam te komen om ervoor te zorgen dat er zich daar geen ongenode gasten ophielden.'
Erik glimlachte. 'Jullie komst was geen moment te vroeg.'
'Nou,' zei Dolgan, 'beter laat dan nooit, en het is hoe dan ook een mooi gevecht. Het zal mijn jongens deugd doen een paar koppen te klieven.' Op zachtere toon vervolgde hij: 'Tomas heeft ons verteld wat er op het spel staat, en ik zweer je dat we die moordenaars aan de westkant van de heuvels houden.'
'Bedankt,' zei Erik weer.
'Je bent gewond,' merkte Jadow op.
Erik ging op een rots zitten en Jadow legde een noodverband aan.
Steeds meer mannen kwamen langs de heuvelrug uit het noorden, en Harper rapporteerde: 'We drijven hen naar het zuiden, kapitein.'
'Mooi,' zei Erik. 'Hou de druk er goed op. Als we hen rond Zwartheide kunnen verslaan, hebben we de oorlog gewonnen.' Hij wachtte tot Jadow klaar was met het aanleggen van het verband, stond toen op en ging terug naar zijn observatiepunt, een groot rotsblok met een goed uitzicht over het omliggende slagveld. Onder de heuvelkam had de vijand zich verschanst achter wat rotsen. De boogschutters van de elfen hadden de twintig el open terrein erboven veranderd in een slachthuis. Niemand waagde het zich vanachter de rotsen op het terrein te begeven.
Erik keek rond en zag de jongen die zijn paard vasthield. Hij wenkte hem. 'Stuur een patrouille langs het gelid om ervoor te zorgen dat ze daar niet weer omhoog komen,' zei hij tegen Jadow. 'Ik ga naar Zwartheide om Patrick te berichten dat de dwergen en de elfen zijn gekomen.' Terwijl hij zijn paard besteeg, zei hij: 'Koning Dolgan -'
'Zeg maar gewoon Dolgan, hoor,' onderbrak de dwerg. 'Laat die titels maar achterwege.'
'Dolgan, met hoeveel zijn jullie?'
'Driehonderd dwergen en tweehonderd elfen. Genoeg voor een machtig groot gevecht.'
Erik glimlachte. 'Mooi.' Tegen Harper zei hij: 'Hou hier stand tot ik terugkom.'
'Zeker, kapitein!' zei Harper.
Zuidwaarts rijdend, zag Erik dat het offensief van de elfen en dwergen op de vijandelijke noordflank een schokgolf langs de hele linie had veroorzaakt, waardoor de aanval van de vijand was afgeslagen. Er was weer een stabiel front ontstaan, en behalve het onophoudelijk uitgewisselde pijlenvuur werd er nog maar sporadisch gevochten.
In een uur tijd bereikte hij, samen met een escorte van mannen in het wapenkleed van Zwartheide dat hij aan de buitengrens van de stadsverdediging had opgepikt, de stad Zwartheide. De vijand had alle gebouwen in de westelijke buitenstad in brand gestoken en de gebouwen in het noorden waren verlaten. De grote noordpoort was vergrendeld, maar de kleine uitvalsdeur in de poort was opengelaten. Erik reed erdoor, verder naar het kasteel. Daar ging hij rechtstreeks naar de vergaderzaal van de prins om verslag uit te brengen.
Nadat hij Patrick had verteld van de komst van de dwergen en elfen, zei de prins: 'Nu begin ik het te snappen. We hadden de hele dag te maken met een gestadige druk.' Hij wees op een landkaart. 'Terwijl jullie de noordelijke flank ontlastten, hebben wij bericht gekregen uit het zuiden dat ook daar de vijand zich terugtrekt-'
'De dwergen uit Dorgin,' onderbrak Erik.
'Dat mogen we aannemen,' zei de prins, zonder acht te slaan op de schending van het protocol. 'Dat brengt buitensporige druk op het centrum.' Met een vinger prikte hij op de stad Zwartheide. 'Hier wordt nog steeds fel aangevallen en we staan op het punt de buitenmuur te verliezen.'
Erik keek de kamer rond. Hij was de enige officier. De rest van de kamer werd bevolkt door koeriers en schrijvers. 'Het Leger van het Oosten?' opperde hij.
'Ik heb al bericht gestuurd om het leger in stelling te brengen, maar ze kunnen pas morgenochtend hier zijn,' zei Patrick. Hij gebaarde naar een andere kaart, een van de stad. 'Hier hebben we drie potentieel zwakke plekken.'
Terwijl de prins de algemene verdediging van de stad en de belangrijke gebieden samenvatte, maakte Erik een snelle berekening. 'Als ik een sectie van de noordelijke flank hierheen laat komen, kan ik deze bres dichten,' zei hij, wijzend naar de middelste van de drie zwakke plekken. 'Als die dicht zit, kunnen we naar weerskanten als dat nodig is.'
'Lukt het om een sectie op tijd hierheen te halen?'
Erik wenkte een koerier. 'Met Zijne Hoogheids permissie?' Prins Patrick knikte.
'Rij naar het noorden op het snelste paard dat je kunt vinden en zeg tegen sergeant Jadow Shati dat hij hierheen moet komen met zo veel mogelijk moedermoordenaars als Harper kan missen,' zei hij tegen de koerier. 'Hij weet wel wat ik daarmee bedoel.'
De koerier wierp een blik op prins Patrick, die knikte, en de boodschapper rende de kamer uit.
'Ben je gewond?' vroeg Patrick.
Erik keek naar het verband rond zijn linkeronderarm en zijn ribbenkast. 'Ik was even slordig, maar ik voel me verder prima.'
Patrick glimlachte. 'Zo zie je er anders niet uit, kapitein, maar ik geloof je op je woord.'
Op dat moment kwam Grijslok de kamer binnen, onder het vuil, zweet en bloed. 'Ik heb de reserves nodig, Hoogheid,' zei hij, 'nu meteen.' Patrick haalde zijn schouders op. 'Neem maar mee. We hebben toch niets meer te verliezen.'
Met een blik op de prins zei Erik: 'Ik ga met de generaal mee. Ik denk dat we elk zwaard op de muur goed kunnen gebruiken.'
Patrick trok het zijne. 'Goed.'
Meteen draaide Grijslok zich om en greep de Prins van Krondor bij de tuniek. Handtastelijkheid ten aanzien van leden van het koninklijk huis was een halsmisdrijf, maar op dit moment was Grijslok niet een generaal die zijn leenheer beledigde, maar de oude zwaardmeester van Zwartheide die een impulsieve jonge soldaat in toom hield. 'Hoogheid, uw positie is hier. En als u om het leven komt en wij deze oorlog winnen, dan heb ik aardig wat uit te leggen aan de koning, en ik zie het liefste dat mij dat gesprek met uw vader wordt bespaard. Doe braaf uw eigen taak, dan doen wij de onze.' Hij liet Patricks tuniek los, veegde een denkbeeldig pluisje weg en zei: 'Dat was het wel, geloof ik.' Zich omdraaiend naar de deur zei hij: 'Erik, zullen we gaan?'
Erik liep achter hem aan, met achterlating van een gekastijde heerser, die vloekte in het besef dat zijn opperbevelhebber gelijk had.
Brullend schoot de demon omlaag naar de verlaten stad Sethanon, eenieder die tussen hem en zijn doel dreigde te staan uitdagend, maar hij kreeg geen antwoord. Hij landde voor een verwoeste poort die toegang bood tot een uitgebrande veste. Hij keek rond, maar zag niemand.
Weer hoorde hij roepen, maar hij kon de herkomst van de roep niet bepalen. Hij draaide zich om, van frustratie brullend in alle windstreken. Niemand gaf antwoord.
Zijn razernij ten hemel schreeuwend ging hij op zoek naar iemand om mee te vechten, iemand om te doden, door de galmende roep aangetrokken tot een doel dat hij niet begreep, terwijl de drang om dat doel te bereiken groter was dan hij ooit had ervaren. Toen kwam er in de demon een gedachte op. De demon merkte niet dat die gedachte niet van hemzelf was maar dat van onvoorstelbare afstand een immens en kwaadaardig wezen zijn brein voorzag van nieuwe kennis waarmee hij de Levenssteen kon bereiken.
Nakur keek omhoog. Niemand kon de demon horen brullen, maar ze voelden het wel. 'Hij is vlakbij.'
Tomas knikte en hief zijn gouden zwaard op. Met een blik op de kling zei hij: 'Ik heb nooit geweten dat ik het zo heb gemist.'
'Ik had anders veel liever dat je het niet hoefde te gebruiken,' reageerde Puc.
'Dat vind ik ook,' zei Miranda.
Allen wachtten af terwijl de demon boven door de stad beende, op zoek naar de bron van zijn verlangen. 'Misschien kan hij ons niet vinden,' zei Nakur.
'Wil je erom wedden?' vroeg Miranda.
Nakur grijnsde. 'Nee.'
'Als hij niet op het idee komt om zijn plaats in de tijd iets te verschuiven, kan hij jaren naar ons zoeken zonder ons ooit te vinden,' zei Puc.
'Als hij zo stom is, misschien,' zei Nakur terug, 'maar ik denk dat de Naamloze hem wel een duwtje in de goede richting zal geven.'
'Juist, ja,' zei Miranda, omhoog kijkend. 'Echt weer iets voor jou om daaraan te denken.'
Weer voelden ze de razernij van de demon weerklinken door het gesteente boven de zaal.
Miranda keek naar Caelis, die met gesloten ogen voor de Levenssteen stond, zijn beide handen erop. Het juweel was nog maar half zo groot als toen ze het hadden aangetroffen, en de vonkjes groene energie vlogen nog steeds door hen heen. 'Nakur, je ziet er jonger uit,' zei ze.
Grijnzend vroeg Nakur: 'Ben ik al knap?'
Miranda schoot in de lach. 'Dat niet bepaald, maar wel jonger.'
'Dat is de Levenssteen,' zei Puc. 'Die verjongt ons.'
Miranda fronste haar voorhoofd. 'Dus dat is het,' zei ze, een hand op haar buik leggend.
'Wat?' vroeg Nakur.
'Menstruatiekrampen. Die heb ik al honderdvijftig jaar niet meer gehad.'
Nakur begon te lachen.
Ineens schalde er een razend gebrul door de zaal, galmend door het gesteente erboven.
'Volgens mij,' zei Nakur, 'is hij heel dichtbij.'
Erik stond op de muur boven de hoofdpoort. Er werd een enorme stormram naar de buitenmuur geduwd en Manfred riep: 'Vuur!'
De katapults lieten stenen regenen en een groot aantal aanvallers werd getroffen, maar nog steeds rolde de stormram naar hen toe. Hij had een houten dak dat de mannen eronder beschermde. 'Als ze deze poort rammen, zitten ze in de binnenstad,' zei Manfred. 'We kunnen niet van huis tot huis vechten, dus zullen we ons terug moeten trekken in de citadel.'
'Er is versterking onderweg,' zei Erik.
'Nou, dan hoop ik maar dat ze er binnen het uur zijn, want anders hoeft het niet meer.' Manfred draaide zich om en riep: 'Olie!'
Ketels vol kokende olie werden over de muur leeggegoten, de indringers beneden een verzengende dood bezorgend. Mannen gilden en sommigen trokken zich terug, maar de volgende golf kwam al op de muur af met stormladders.
'Bukken!' schreeuwde Grijslok, en Erik en zijn halfbroer reageerden automatisch, wegduikend achter de muur boven de hoofdpoort van de
stad, waar tientallen pijlen overheen vlogen. Sommigen waren te traag en vielen schreeuwend van de muur op de straten van de stad.
Manfred zat naast Erik, beiden met de rug tegen de koude stenen van de stadsmuur. Hij keek rond naar de gewonden en stervenden. 'Als die versterking van jou hier niet binnen tien minuten is, geef ik het bevel tot terugtrekken.'
'Ze kunnen hier onmogelijk binnen tien minuten zijn,' zei Erik, nog steeds ineengedoken.
'Wel, laten we dan maar beginnen aan een geordende aftocht.' Manfred wendde zich tot een man in het wapenkleed van Zwartheide met de insignes van een sergeant op de borst. 'Zeg de mannen zich per sectie terug te trekken, te beginnen bij de zuidmuur, in de richting van de Hoogstraat. Daarvandaan vechten we ons een weg terug. Vernietig de katapults. Die mogen niet tegen ons worden gebruikt.'
Donderend hoefgetrappel deed Erik een blik wagen tussen twee kantelen door. Aan de andere kant van de poort verzamelden zich Saaurs te paard. 'Manfred,' zei hij, 'als die poort opengaat komt er een compagnie Saaurse ruiters naar binnen!'
Manfred draaide zich om voor een blik over de muur. 'Ik heb me altijd al afgevraagd hoe die eruitzien -' Zijn ogen werden groot. 'Moeder der goden!'
'We moeten nu weg,' zei Erik.
Daar was Manfred het mee eens. 'Steek de katapults in brand en blaas de algehele aftocht,' zei hij tegen de sergeant. 'Iedereen naar de citadel!'
Het bevel werd doorgegeven en de boogschutters vuurden omlaag naar de straten beneden terwijl anderen met lange stokken de stormladders omverduwden. Maar zodra de aftocht begon, werden de ladders weer teruggezet en begonnen de indringers te klimmen.
Manfred en Erik renden de stenen trappen naar de straat af. Nu al heerste er chaos. Enkele burgers die zo eigenwijs of zo dom waren geweest om te blijven, renden nu over straat met grote zakken over hun schouders, op weg naar de citadel. Gewonde soldaten werden gedragen door hun gezonde kameraden, en de boogschutters die het hoofd koel hielden schoten op de vijand die over de muur kwam, maar over het algemeen werd de aftocht een wilde vlucht.
'Heb je Grijslok gezien?' vroeg Manfred.
'Sinds hij naar de zuidmuur ging kijken niet meer.'
'Ik hoop dat hij het haalt,' zei Manfred. Op een paar duim van zijn laars sloeg een pijl tegen de grond, en hij sprong op.
Erik pakte hem bij zijn mouwen trok hem naar links, waardoor Manfred bijna zijn evenwicht verloor, maar op de plek die hij even tevoren had ingenomen vlogen drie pijlen door de lucht.
'Bedankt,' hijgde Manfred terwijl ze de hoek om renden.
'Boogschutters werken meestal in groepjes,' zei Erik.
Ze volgden een dwarsstraat en sloegen rechtsaf, toen weer linksaf. Erik kon de lichten van de hoogste toren van de citadel al boven de daken zien. De straten liepen omhoog, naar het oude kasteel, en tegen de tijd dat ze de Hoogstraat bereikten, zat die al verstopt met doodsbange vluchtelingen, naar adem snakkende soldaten en mannen die de gewonden droegen.
'Maak plaats!' schreeuwde iemand en Erik zag dat Manfred door een van de Zwartheidse soldaten was herkend. 'Daar komt de baron! Maak plaats!'
Erik bleef dicht bij zijn halfbroer. Zich een weg banend door het gedrang bereikten ze de rand van de ophaalbrug. Aan weerszijden stond een haag van soldaten, iedereen die overstak tot grotere spoed manend.
Zowel Erik als Manfred zakten op de voorhof ineen op de stenen. De soldaten schoten hen te hulp. 'Water,' hijgde de baron.
'Ik was vergeten hoe moe je wordt van hardlopen op deze hoogte,' zei Erik, snakkend naar adem.
'Ik was vergeten hoe moe je wordt van hardlopen in het algemeen,' pufte Manfred.
Er werd een emmer water gebracht. Manfred dronk en gaf de emmer aan Erik, die diepe teugen van het water nam terwijl het over zijn borst en armen stroomde.
'Sergeant!' riep Manfred.
Zijn sergeant verscheen. 'Mijn heer?'
'Bericht voor de uitkijk boven. Zodra hij de vijand aan de andere kant van de Hoogstraat ziet, haal je de brug op.'
'Manfred, zo lang kan je niet wachten,' zei Erik. 'Je moet hem nu vrijmaken, want anders krijg je hem nooit op tijd omhoog.' Hij wees naar de stroom van mensen, burgers met trage handkarren, oude mannen en vrouwen te voet die zich door het poortgebouw trachtten te persen en elkaar daarbij danig in de weg liepen. 'Kijk!'
De situatie in ogenschouw nemend zei Manfred tegen de sergeant: 'Haal de brug op. Zeg degenen aan de andere kant zo snel mogelijk naar de oostpoort te gaan. Die kunnen we iets langer openhouden. De rest zal zich zo goed mogelijk moeten zien te redden.'
Beide mannen wisten dat iedereen die buitengesloten werd ten dode was opgeschreven.
Manfred stond op en beduidde Erik met hem mee te komen. 'We moesten maar eens verslag uitbrengen bij de prins.'
Erik kwam overeind en volgde zijn halfbroer. Op een sukkeldrafje gingen ze door de hoofdingang de veste binnen en hoorden achter hen het woedende geschreeuw en hartverscheurende gesmeek van de mensen die bij de ingang werden verwijderd om de poort te kunnen sluiten.
Manfred leidde Erik de trap op naar de ruimte die door de prins als hoofdkwartier werd gebruikt.
Binnen keek Patrick op. 'Volledige aftocht?'
'Iedereen komt hierheen,' antwoordde Manfred. Patrick keek Erik aan. 'Grijslok?'
Erik maakte een gebaar richting stad. 'Daar ergens.'
'Verdomme!' zei Patrick. Hij keek uit het raam en zag in de buitenwijken van de stad vuur oplaaien. 'Is er dan helemaal geen goed nieuws te melden?'
'Alleen dat ze nu op drie fronten vechten,' zei Erik. 'In de heuvels worden hun flanken bestookt met de hulp van de dwergen en de elfen, en als we het tot morgenochtend uithouden is het Leger van het Oosten er.'
De prins beduidde hun te gaan zitten en beide mannen namen plaats. 'Helaas zit het Leger van het Oosten dan wel aan de verkeerde kant van de stadsmuur,' zei Manfred, 'dus als niemand naar buiten sluipt om de poort voor hen open te maken, zitten we alsnog in de puree.'
'Manfred, zijn er geen geheime gangen naar de oostpoort?' vroeg Erik.
Manfred schudde zijn hoofd. 'Niets slims van dien aard, moet ik tot mijn spijt toegeven. In het paleis stikt het van de vluchtgaten en geheime gangen, maar de oude stadsmuren zijn van massief steen met een paar opslagruimten erin. We zullen moeten wachten, en als de ochtend komt desnoods een uitval doen naar de oostpoort die het dichtst bij de citadel ligt om ons leger binnen te laten.'
'Dan hebben we een lange middag en een nog langere nacht voor de boeg, Manfred,' zei Erik.
'Hoogheid?' vroeg Manfred.
Patrick bleef kalm onder al het slechte nieuws. 'Ik wil een verslag van de situatie, zo gauw als je me dat kunt brengen. Jullie gaan uitzoeken hoeveel mannen het hebben gered, hoeveel er vermoedelijk nog steeds buiten de stad aan het vechten zijn en wat er nodig is om deze citadel te verdedigen. Voedsel en water zijn geen probleem, aangezien deze kwestie binnen één dag zal worden beslecht.'
Erik en Manfred stonden allebei op, maakten een buiging voor de prins en vertrokken. Buiten zei Manfred: 'Ik weet waar de eenheden op het kasteel zijn geplaatst, dus ik begin daar. Ga jij naar de binnenplaats om te zien wie er zijn en hergroepeer ze.'
Erik glimlachte. 'Mijn heer.'
Manfred keek hem aan. 'Mijn moeder was altijd bang dat jij de titel van baron wilde inpikken, maar nu zou ik die met plezier aan je overdragen.'
'Nee, bedankt,' zei Erik, nog steeds glimlachend. 'Dan zou ik degene zijn die al die torentrappen op moest.'
'Zoals ik al dacht, een praktisch man.' Manfred draaide zich om en rende de trap op naar de volgende verdieping van het kasteel terwijl Erik omlaag liep naar de binnenplaats.
Ineens werd het stil. Puc hief zijn hand op, zijn hoofd schuin houdend alsof hij naar iets luisterde.
Plots stond de demon in de zaal.
'Ik wist niet dat demonen zichzelf konden transporteren,' fluisterde Nakur.
'Of zich in de tijd konden verplaatsen,' voegde Miranda eraan toe. Toen merkte de demon dat hij niet alleen in de grot was. Brullend dat de rotswanden ervan trilden en het gruis uit spleten in het plafond viel, deed hij iedereen sidderen tot op het bot.
Puc deed zijn eerste bezwering, terwijl Tomas zich opstelde tussen zijn zoon en het monster.
Er vlamde een blauwe energie op rond Jakan, die brulde. Maar hij gilde niet van pijn, doch eerder van verontwaardiging om wat hij zag: Caelis die de Levenssteen manipuleerde en de erin opgesloten energie bevrijdde.
'Nee!' bulderde het beest in de taal van Novindus. 'Hij is van mij!' Jakan deed Puc denken aan Maarg, maar dan slanker en gespierder. Er waren geen vetrollen, noch was hij bedekt met de gekwelde huiden van zijn slachtoffers. Het viel Puc op dat zijn staart een punt had, in plaats van de slangenkop die Maarg had gehad.
De demon haalde uit naar Tomas, maar die hield meteen zijn schild omhoog, waardoor de krachtige slag afschampte op het witte oppervlak, zonder een spoor achter te laten op de gouden draak die er in reliëf op was aangebracht. Vervolgens suisde Tomas' zwaard door de lucht en jankend deinsde Jakan terug. Uit een wond droop een bijtend rood-zwart gif, sissend waar het de grond raakte.
Miranda zond een stroom energie naar het wezen en trof hem zo hard dat hij iets naar links draaide. Terwijl Jakan keek waar deze nieuwe aanval vandaan kwam, greep Tomas de gelegenheid aan om toe te slaan. Zijn zwaard sneed diep in Jakans rechterbovenbeen.
De demon haalde uit met zijn rechterklauw, waarvan de nagels zo lang waren als dolken, maar Tomas weerde de aanval af en stak opnieuw toe. Nogmaals vloeide er giftig bloed.
'Blijf aanvallen!' schreeuwde Nakur.
Puc vuurde een energiestoot af, een blauwe speer van licht die dwars door Jakans vleugel ging en een gat in sloeg ter grootte van een vuist. De demon deed een stap achteruit, waarbij zijn vleugels langs de stenen muur van de spelonk schuurden, en haalde weer uit naar Tomas. Die week achteruit, de klap liever ontwijkend dan hem te blokkeren.
Het monster bleef staan, duidelijk in verwarring gebracht door zoveel tegenstand.
'Hij geneest!' riep Nakur.
Puc keek en zag dat de eerste wond die Tomas had toegebracht zich al sloot.
'De Levenssteen!' riep Nakur uit. 'Die heelt de wonden.'
Vlug maakte Puc een berekening. Caelis had de steen al tot minder dan een derde van zijn oorspronkelijke grootte gereduceerd en de verkleining leek steeds sneller te gaan, wat hem de hoop gaf dat ze binnen het uur deze beproeving achter de rug hadden, maar dan moesten ze wel de demon op afstand houden tot Caelis klaar was. 'Neem rust,' zei hij tegen Miranda. 'Tomas en ik houden dat monster bij Caelis vandaan tot we klaar zijn. Als een van ons moe wordt, moet jij het overnemen.' Hij draaide zich om, liep vlug zo dicht als hij durfde naar het monster toe en kruiste zijn polsen. Een verbijsterende schicht rode energie trof Jakan zo hard in het gezicht dat hij met zijn rug tegen de muur sloeg.
Tomas aarzelde geen moment. Hij rende naar voren en deelde een hevige slag uit met zijn zwaard, dat diep doordrong in Jakans been en een guts giftig bloed over de stenen liet sproeien. Waar het bloed viel, ging het gesteente roken en begon het te stinken naar verrotting.
Brullend van moordzuchtige razernij sprong Jakan op Tomas af. Tomas deinsde terug en wist te voorkomen dat de demon boven op hem belandde, maar Jakan kreeg daarbij wel Caelis binnen zijn bereik. Een klauw ter grootte van een volwassen man schoot op Caelis toe. Tomas sprong er naartoe en hakte zo hard hij kon met zijn gouden zwaard, dwars door de vier voet dikke pols van Jakan. Krijsend trok het monster zich terug, zijn hand van zijn lichaam gescheiden. Een stroom van het stinkende bloed spoot door de lucht en trof Caelis, die gillend van pijn achterover viel.
'Caelis!' riep Miranda, en zij en Nakur renden naar hem toe. Ogenblikkelijk wierpen Puc en Tomas zich weer in de strijd. Energie flitste, en Tomas sloeg toe met zijn zwaard, de gewonde demon terugdringend. Met de bloedende stomp van zIjn arm tegen zijn borst gedrukt liet Jakan zich naar de muur drijven.
Nakur pakte een van Caelis' handen en Miranda nam de andere. Samen sleepten ze hem uit de poel van zwart bloed. De Levenssteen was niet meer actief.
Caelis bleef op de vloer liggen kronkelen. Zijn huid verbrandde en liet los alsof hij in zuur was gedompeld. Hij hield zijn kaken opeengeklemd en zijn ogen gesloten en maakte zachte dierlijke geluiden van de pijn. Zowel Miranda als Nakur voelden hun handen prikken en vlug veegden zij ze af aan hun kleren. Er verschenen gaten in de stof, maar in ieder geval hield het branden op.
Miranda keek om zich heen en zag de bedienden van het orakel op een kluitje in de verste hoek van de grote zaal staan, schuilend achter de sluimerende gedaante van de draak. Ze rende naar hen toe. We hebben hulp nodig!'
Het oudste lid van de groep, de man die eerder met haar had gesproken, stamelde: 'We kunnen niets doen.'
Ze greep de oude man bij de arm en sleurde hem overeind. 'Verzin maar wat!' De man dichter naar het strijdtoneel slepend, wees ze naar Caelis, die lag te kreunen. 'Help hem!'
De oude man wenkte twee anderen en gezamenlijk brachten ze Caelis naar de andere kant van de Levenssteen. De oude man zei tegen Nakur: 'Als hij zijn wil weer op de steen kan richten, kan dat hem redden.'
Nakurs wenkbrauwen gingen omhoog en zijn ogen werden groot. 'Natuurlijk, de helingsenergie!' Hij keek Miranda aan. 'Die is net shü-chi! Het helpt hem als eerste.' Zich omdraaiend naar de twee bedienden van het orakel zei hij: 'Hou hem dicht bij de steen.'
Dat deden ze, al ontlokte iedere beweging Caelis gekreun van helse pijn. Nakur pakte Caelis' handen, die verbrand en ontveld waren, en legde ze op het oppervlak van de steen. 'Ik hoop dat het werkt.' Hij maakte verscheidene bewegingen boven de handen in de lucht, mompelde een paar zinnen en legde zijn handen op die van Caelis.
Nakur voelde warmte onder zijn handen en keek omlaag. Er vloeide een zwak groen licht om Caelis' handen en de zijne. 'De energie stroomt,' zei hij, en hij wachtte nog even terwijl de strijd tussen Puc, Tomas en de demon verder ging zonder dat een van beide partijen de overhand leek te kunnen krijgen.
'Hou hem hier,' zei Nakur tegen de twee orakelbedienden. 'Zorg dat hij in contact blijft met de steen.' Toen rende hij naar Miranda.
'Dit gaat niet goed,' zei Miranda.
'Ik weet het.'
Puc ontketende een straal mystieke energie, die onzichtbaar was voor het oog, maar die de huid van de demon deed sissen waar de straal hem trof. Tomas vertoonde geen tekenen van vermoeidheid en zijn Valheruaanse wapenrusting beschermde hem goed. De demon moest Tomas met zijn klauwen zien te bereiken om hem ernstig te kunnen verwonden.
Puc trok zich terug en ging naast Miranda staan. 'We kunnen hem hooguit op afstand houden. Hoe is het met Caelis?'
Ze wees en Puc keek. Caelis zat rechtop, vastgehouden door de twee bedienden. De groene gloed overgoot hem nu helemaal en hulde hem in een smaragdkleurige halo van licht. Na een ogenblik zei Puc: 'Hij wordt sterker.'
'Ja,' zei Nakur. 'Zolang hij het juweel vast blijft houden, heelt het hem en wordt hij weer sterk genoeg om zijn werk voort te zetten. Kijk!' Nakur wees.
Caelis' ogen waren nu open, en al stond op zijn gezicht te lezen dat hij nog steeds veel pijn leed, toch ging Tomas' zoon verder met het ontmantelen van de Levenssteen. Opnieuw schoten er door de grot kleine vonkjes groene energie van het leven dat naar de juiste plek werd teruggebracht.
Puc wees naar Jakans afgehakte hand, die langzaam verschrompelde, en vervolgens naar de bloedende stomp, waar een nieuwe aan het groeien was. 'Maar het heelt de demon ook,' zei hij. Plots werden zijn ogen groot en hij zei tegen Miranda: 'Ken jij een krachtige bindspreuk?'
'Krachtig genoeg voor dat kreng?' vroeg Miranda. Je hoeft hem maar twee minuten in te sluiten.'
Ze keek bedenkelijk, maar zei: 'Ik zal het proberen.'
'Tomas!' riep Puc. 'Hou hem nog een minuutje op afstand!' Hij sloot zijn ogen en begon te prevelen terwijl Miranda hetzelfde deed. Ineens verschenen er bloedrode energiebanden rondom het wezen, die hem grepen en zijn machtige vleugels tegen zijn rug persten. Toen trokken de banden zich samen. Jakan jankte het uit.
'Tomas!' schreeuwde Puc. 'De genadeslag!'
Tomas bracht zijn gouden zwaard naar achteren en stak hem diep tussen twee rode banden, bijna tot aan het gevest in wat het dan ook was dat diende als Jakans hart. De zwarte ogen van het monster werden groot en het bloed begon uit zijn bek en neusgaten te stromen. Tomas rukte zijn zwaard los. Op dat moment bracht Puc één hand omlaag, en ineens was het stil in de grot.
De demon was verdwenen.
Een tijdlang bleven ze allemaal zwijgend staan, tot Miranda vroeg: 'Waar is hij?'
'Weg,' antwoordde Puc. 'We konden hem niet doden, maar ik wist een plek waar hij onmogelijk kan overleven.'
'Waar dan?' vroeg Nakur.
'Ik heb hem getransporteerd naar de bodem van de oceaan, tussen hier en Novindus. Daar bevindt zich een trog van meer dan drie mijl diep.' Ineens voelde Puc zich moe en hij liet zich op de rotsvloer zakken. 'Die heb ik gevonden toen ik jaren geleden de planeet aan het onderzoeken was, en ik herinnerde me ineens wat je vader op het laatst zei.' Hij keek Miranda aan.
'Hij zei: "Het zijn wezens van vuur".' Ze lachte, nerveus en uitgeput.
'Nu weet ik het weer. Ik vroeg me al af wat hij daarmee bedoelde.' Nakur kwam naast Puc zitten. 'Schitterend zeg. Daar had ik niet aan gedacht.' Hij schudde zijn hoofd. 'En het lag zo voor de hand.'
'Wat ligt zo voor de hand?' vroeg Tomas, zijn zwaard in de schede stekend en naar hen toe lopend.
'Zelfs de grootste demon is in wezen weinig meer dan een vuurelementaal,' antwoordde Nakur.
'Ik heb bij Sterrewerf eens gevochten met wat luchtelementalen en die vernietigd door ze met water in contact te brengen.' Hij wees naar de plek waar de demon zojuist nog had gestaan. 'Van een onderdompeling gaat Jakan niet dood, maar als hij van een diepte van drie mijl naar boven moet zwemmen met Miranda's bindsels om hem heen en Tomas' wond in zijn hart wel.'
'Dat is fantastisch,' zei Nakur. 'Dan is het nu voorbij.'
'Nee,' zei Puc. Hij wees naar de Levenssteen.
Daar zat Caelis, zonder hulp, zijn ogen weer gericht op het hart van de steen, die nu nog maar een vijfde van zijn oorspronkelijke omvang had. Nu al waren de wonden op zijn gezicht en handen aan het verdwijnen alsof ze nooit hadden bestaan.
'Hij is zo klaar, geloof ik,' zei Nakur. 'We kunnen wel even wachten.'
'Er sneuvelen mensen terwijl wij wachten,' merkte Tomas op.
'Dat is heel triest,' reageerde Nakur, 'maar dit is belangrijker.'
Dominicus en Sho Pi kwamen uit hun schuilplaats. 'Hij heeft gelijk,' zei Dominicus. 'Dit kon wel eens het allerbelangrijkste zijn wat een sterveling ooit op deze wereld heeft gedaan. De orde der dingen wordt nu hersteld en het gesmoorde leven van deze wereld begint terug te keren.'
'Begint?' vroeg Miranda.
Dominicus knikte. 'Schade op zo'n grote schaal wordt niet zomaar hersteld. Het heeft honderden, ja, duizenden jaren geduurd. Maar nu kan het genezingsproces beginnen. De weg is open voor de terugkeer van de goden, waar voorheen de Naamloze hun de terugkeer belette.'
'Hoe lang moeten we dan nog wachten?' vroeg Miranda.
Nakur lachte. 'Enkele duizenden jaren.' Hij stond op. 'Maar iedere dag wordt alles een beetje beter dan de dag ervoor, en uiteindelijk komen de oude goden terug en is deze planeet weer zoals ze hoorde te zijn.'
'Denk je dat we er ooit achter zullen komen waardoor de Naamloze gek geworden is?' vroeg Puc.
'Sommige geheimen worden nooit opgelost,' zei Dominicus. 'En al vonden we een antwoord, dan nog zouden we het misschien nooit begrijpen.'
Nakur tastte diep in zijn rugzak, haalde de codex eruit en gaf hem aan Dominicus. 'Pak aan. Ik denk dat u er nu een hoop mee kunt doen.'
'En jij dan?' vroeg Puc. 'Zolang ik je al ken, heb ik je beschouwd als de aller-nieuwsgierigste persoon ter wereld. Wil jij dat ding niet proberen te ontcijferen?'
Nakur haalde zijn schouders op. 'Ik heb er al zo'n tweehonderd jaar mee gespeeld en ik heb er geen zin meer in. Trouwens, Sho Pi en ik hebben een hoop werk te doen.'
'Wat voor werk?' vroeg Miranda.
Grijnzend antwoordde Nakur: 'We moeten een religie stichten.'
Puc schoot in de lach. 'Een nieuwe zwendel?'
'Nee, ik meen het,' zei Nakur, vergeefs pogend gekwetst te kijken.
Toen grijnsde hij. 'Ik ben de nieuwe patriarch van de Orde van Arch-Indar en dit is mijn eerste discipel.'
Dominicus keek verbluft en Tomas schaterde het uit. 'Waarom?' vroeg Puc.
'Als het die oude mannen lukt de Matrix terug te brengen, moet de goede godin ook worden teruggebracht, om de Naamloze te compenseren. Anders heeft Ishap niets om de Naamloze mee in evenwicht te brengen.'
'Een... waardig streven,' zei Dominicus, 'maar... '
'Ambitieus?' maakte Miranda voor hem af.
Dominicus knikte. 'Erg ambitieus.'
Puc gaf Nakur een klap op de schouder. 'Nou, als iemand het kan, dan is het onze vriend hier.'
'Het is volbracht,' zei Caelis.
Ze keken om. Voorzichtig nam Caelis het kleine restant van de Levenssteen in zijn handen en wierp het met een beheerste beweging in de lucht. Als honderden smaragden vlinders vlogen de laatste resten van de eeuwenlang gevangen gehouden levens energie heen en werd het weer donker in de zaal. De begeleiders van het orakel staken de fakkels aan die tijdens de strijd waren gedoofd en zetten de enorme grot weer in een zachtgele gloed. De met juwelen bezette draak sliep ongestoord verder.
Caelis stond op, vast ter been. Zijn kleren waren beschadigd door het demonenbloed, maar hijzelf leek ongeschonden. Hij liep naar zijn vader en de twee omhelsden elkaar.
'Het was ongelooflijk wat je hebt gedaan,' zei Tomas. je bent-'
'Ik heb alleen maar gedaan waarvoor ik ben geboren,' onderbrak Caelis hem. 'Het was mijn lot.'
'Maar er was moed voor nodig,' merkte Puc op.
Caelis glimlachte. 'Niemand in deze grot kan er vandaag van worden beschuldigd geen moed te hebben.'
'Ik wel,' zei Nakur. 'Zo dapper ben ik niet, hoor. Ik kon alleen geen goede manier verzinnen om ertussenuit te knijpen.'
'Leugenaar,' zei Miranda, en ze gaf hem een speelse duw.
Caelis keek zijn vader aan. 'Moeder zal verrast zijn.'
'Verrast waardoor?' vroeg Tomas.
'Je ziet er anders uit,' verduidelijkte Puc.
'Anders? Hoezo?'
Nakur stak zijn hand weer in zijn rugzak, tastte even rond en haalde een zilveren handspiegel te voorschijn. 'Hier, kijk maar eens.'
Tomas nam de spiegel in ontvangst en zijn ogen werden groot toen hij zag wat zijn zoon bedoelde. Weg waren de vreemde trekken in zijn gelaat, die hij had beschouwd als zijn Valheruaanse erfgoed. Nu zag hij eruit als een gewone sterveling, een mens met elfenoren. Hij keek Caelis aan. 'Jij bent ook veranderd.'
'We zijn allemaal veranderd,' zei Dominicus. Hij trok zijn kap naar achteren, en Puc riep uit: je haar!'
'Zeker weer donker, hè?' zei Dominicus.
'Je ziet eruit als toen we naar Kelewan gingen, zo lang geleden!'
'Geef mij die spiegel eens,' zei Miranda en griste hem uit Tomas' handen. Zichzelf inspecterend zei ze: 'Goden! Ik zie eruit alsof ik weer vijfentwintig ben!'
Toen hield ze Puc de spiegel voor en zijn ogen werden groot. Hij keek in een gezicht dat hij sinds zijn terugkeer van Kelewan niet meer had gezien, een jongeman zonder een zweem van grijs in zijn haar of baard. 'Krijg nou wat,' zei hij zachtjes. Toen balde hij zijn vuist en strekte de vingers weer. 'Niet te geloven.'
'Wat?' vroeg Miranda.
'Jaren geleden heb ik in mijn hand gesneden en sindsdien heb ik er nooit meer mijn volle kracht in teruggekregen.' Hij staarde er even naar,
zijn vingers nogmaals bewegend. 'Volgens mij is hij volkomen genezen.'
'Hoe oud zie ik eruit?' vroeg Nakur. Hij nam de spiegel van Miranda in ontvangst en bekeek zichzelf. 'Hmmm. Een jaar of veertig.'
'Je klinkt teleurgesteld,' zei Miranda.
'Ik hoopte dat ik knap zou zijn.' Toen grijnsde hij. 'Maar veertig is lang niet gek.'
'Nu begrijp ik het,' zei Caelis. 'Die sleutel die de Pantathiërs maakten met die afgevloeide levenskracht, en die vreemde entiteit.'
'De Naamloze?' vroeg Tomas.
Caelis schudde zijn hoofd. 'Nee, iets anders. Misschien die wezens die de scheuringen voor de Pantathiërs hebben gemaakt. Maar één ding was duidelijk: met die vreemde sleutel zou Maarg of Jakan de Levenssteen hebben kunnen gebruiken.'
'Als wapen?' vroeg Dominicus.
'Nee,' antwoordde Caelis, 'als gedistilleerde levens energie. Dat is voedsel voor de demonen. Stel je voor: Jakan tienmaal zo groot en met honderdmaal de macht die hij daarnet had. Dat zou het resultaat zijn geweest als een demon met die sleutel de Levenssteen had afgetapt.'
Miranda schudde verwonderd haar hoofd. 'En we weten nog steeds niet hoe al die verschillende partijen, de demonen, de Pantathiërs, de...' Ze keek Puc aan. 'Hoe noemde je die wezens ook al weer?'
'Shangri,' antwoordde Puc.
'En de Shangri, hoe die allemaal bij elkaar zijn gekomen,' maakte Miranda haar zin af.
'Raadsels zijn er nog steeds,' zei Puc, 'maar die moeten we even laten voor wat ze zijn.'
Caelis knikte. 'Er is nog steeds iets wat we moeten doen.'
'Wat dan?' vroeg Miranda.
Caelis' gezicht betrok. 'We moeten een einde aan de oorlog maken.'