Proloog
DOORBRAAK
De muur glinsterde.
In wat eens de troonzaal was geweest van Jarwa, de laatste Sha-shahan van de Zeven Naties der Saaurs, leek de dertig voet hoge stenen muur tegenover de lege zetel van macht te rimpelen, om vervolgens te verdwijnen in een zwarte leegte. Rondom verdrongen zich wezens uit een nachtmerrie, sommige met het gezicht van dode dieren, terwijl andere een mensachtig voorkomen hadden. Sommige hadden trotse vleugels, stierenhoorns of een gewei, en stuk voor stuk bezaten zij krachtige spieren en een kwade aard, gedreven als zij werden door moordlust en zwarte magie. Doch al die wezens in de zaal bleven roerloos, doodsbang voor wat er nu verscheen aan de andere kant van de pas geopende doorgang. Demonen zo groot als bomen doken ineen om niet te worden gezien.
Er was een immense energie vereist om een doorgang te openen en jarenlang waren de demonen in hun pogingen belemmerd door de vervloekte priesters van de verre stad Ahsart. Pas toen de krankzinnige hogepriester de zegels van de poort verbrak om de eerste demon toe te laten teneinde zijn stad niet in handen te laten vallen van het binnenvallende leger Saaurs, was er een bres in de barrière geslagen.
Nu was de wereld Shila verwoest, het leven gereduceerd tot lagere levensvormen op de zeebodem, korstmos op het steen van hoge bergpieken en piepkleine wezentjes die zich onder stenen verborgen hielden. Al wat groter was dan een insect was verorberd. En nu de horde der demonen wederom in de greep van de honger verkeerde, waren ze teruggekeerd tot hun oude gewoonte om elkaar te verslinden. Maar de onderlinge strijd binnen de elite van de horde werd opzij gezet nu er een nieuwe poort van de Vijfde Cirkel naar Shila werd voltooid, waarmee de weg werd geopend om met de opperheerser van het demonenrijk te communiceren.
De demon zonder naam stond aan de rand van de groep die naar deze eens zo grootse zaal was geroepen. Om niet de aandacht op zichzelf te vestigen, gluurde hij voorzichtig langs een stenen zuil. De unieke ziel die hij gevangen had weten te nemen, had hij gekoesterd en gebruikt, zodat hij listig en gevaarlijk was geworden. Want in tegenstelling tot de meerderheid van zijn broeders had hij ontdekt dat sluwheid beter werkte dan een rechtstreekse confrontatie om waardevolle levenskracht en intelligentie te verkrijgen. Niettemin toonde hij de gepaste mengeling van angst en ontzag voor de vlak boven hem staande demonen: bang genoeg om hen te laten denken dat ze de baas over hem waren, maar gevaarlijk genoeg om te voorkomen dat ze hem probeerden te verslinden. Het was een zeer riskante houding, want als hij maar één misstap maakte, zodat hij de aandacht op zijn unieke aard vestigde, zouden de vlakbij staande hoofdmannen hem terstond aan stukken rijten, want zijn verstand vervreemdde hem van de anderen en was nu zo zelfbewust dat hij een bedreiging vormde voor hen allemaal.
Deze demon wist dat hij met gemak minstens vier van de voor hem staande en zich superieur aan hem wanende demonen kon verslaan, maar wie te snel opklom in de gelederen vestigde ongewenst de aandacht op zich. In zijn korte leven had hij niet minder dan zes andere demonen te snel zien opklimmen, om vervolgens te worden verscheurd door een van de machtige hoofdmannen, ofwel om te voorkomen dat deze in de nabije toekomst zelf zou worden uitgedaagd, ofwel om een begunstigde dienaar te beschermen.
De machtigste van die hoofdmannen was Tugor, opperdienaar van de Grote Maarg, die nu zijn wil bekend maakte. Tugor liet zich op de knieën vallen, zijn voorhoofd tegen de vloer drukkend, en de andere demonen volgden zijn voorbeeld.
Vaag hoorde de naamloze demon een stem, afkomstig van de ziel die hij gevangen hield. Hij probeerde hem te negeren, hoewel hij wist dat die altijd iets belangrijks zei. 'Kijk goed,' hoorde hij in gedachten, alsof de woorden zachtjes in zijn oor werden gefluisterd, of een gedachte van hemzelf waren.
Een enorme golf energie stroomde de zaal binnen en het was alsof de glinsterende muur naar buiten deinde, vlak voordat hij verdween en de poort naar het thuisrijk zich opende. Het begon te waaien in de zaal, lucht die door het gat tussen de werelden werd gezogen, alsof de demonen in deze zaal werden aangespoord naar hun thuisrijk terug te gaan. Vanwege hun aard voelden demonen instinctief wanneer een ander veel machtiger was dan zijzelf, en zo dicht bij Tugor viel de naamloze demon bijna flauw van angst. Maar de entiteit die zich achter de scheur in het weefsel van de ruimte bevond was zo machtig dat de naamloze moeite moest doen geen onsamenhangende wartaal uit te slaan.
Alle aanwezigen bleven geknield zitten met het voorhoofd op de stenen, behalve de naamloze demon, nog steeds verscholen achter de zuil. Hij zag Tugor overeind komen en zich naar de leegte wenden. Vanuit het gat in de muur klonk een stem waarin razernij en verschrikking galmden. 'Heb je de doorgang gevonden?'
'Ja, O, oppermachtige,' zei Tugor. 'We hebben twee van onze hoofdmannen door de scheuring naar Midkemia gestuurd.'
'Wat hebben zij te melden?' eiste de stem van de andere kant, en de naamloze demon bespeurde daarin een klank van iets anders dan woede en macht; een zweem van wanhoop wellicht.
'Dogku en Jakan hebben niets gemeld,' antwoordde Tugor. We weten niets. We denken dat ze de poort niet geopend kunnen houden.'
'Stuur dan een ander!' gelastte Maarg, Heerser van de Vijfde Cirkel. 'Ik steek pas over wanneer die doorgang vrij is. Jullie hebben op deze wereld niets meer wat ik nog kan verorberen. De volgende keer dat ik de poort open, steek ik over, Tugor, en als er dan niets voor me te verslinden is, eet ik jouw hart!' Het sissen van lucht die uit de zaal werd gezogen hield op toen de scheuring tussen de werelden zich sloot, en terwijl Maargs stem nog nagalmde, verdween de glinstering en zag de muur er weer normaal uit.
Schreeuwend van woede en frustratie stond Tugor op. De anderen kwamen langzaam overeind, want het was nu een slecht moment om de aandacht te trekken van de op één na machtigste van hun ras. Tugor stond erom bekend de kop van de schouders te scheuren van eenieder die te machtig dreigde te worden, zodat er geen rivaal kon opstaan om zijn positie te betwisten. Er werd zelfs gezegd dat Tugor zijn krachten spaarde voor de dag dat hij Maarg zou uitdagen om de oppermacht over het ras.
Tugor draaide zich om. 'Wie gaat als volgende?'
Zonder precies te weten waarom kwam de naamloze demon naar voren. 'Ik zal gaan, heer.'
Tugors gelaat, een paardenschedel met grote horens, was vrijwel uitdrukkingsloos, maar voor zover er iets op te lezen viel, was dat verbazing. 'Wie ben jij, kleine dwaas?'
'Ik heb nog geen naam, meester,' zei de naamloze.
Tugor nam twee grote stappen, waarbij hij verscheidene hoofdmannen opzij duwde, en bleef voor de kleine demon staan, hoog boven hem uit torenend. 'Ik heb hoofdmannen gestuurd die niet zijn teruggekeerd. Waarom zou jou wel lukken wat hen niet is gelukt?'
'Omdat ik nederig ben en me verstop om te kijken, meester,' zei de naamloze zacht. 'Ik zal informatie vergaren en me verborgen houden en mijn krachten sparen tot ik de poort van de andere kant kan openen.'
Een ogenblik was Tugor stil, alsof hij erover nadacht. Toen bracht hij zijn hand naar achteren en gaf de demon een klap die hem dwars door de zaal heen deed vliegen en tegen de muur slaan. De demon had vleugeltjes, nog te klein om ermee te kunnen vliegen, en die leken te zijn gebroken door de klap tegen de stenen wand.
'Dat is omdat je zo arrogant bent,' zei Tugor. 'Ik stuur jou,' zei hij tegen zijn machtigste hoofdman. Toen draaide hij zich met een ruk en greep een ander, en terwijl hij de ongelukkige zijn strot uitrukte, schreeuwde hij: 'En dit is omdat jullie allemaal geen moed hebben getoond!'
Sommige demonen aan de rand van de groep draaiden zich om en vluchtten de zaal uit, terwijl andere zich op de stenen lieten vallen, zich onderwerpend aan de genade van Tugors grillen. Maar die was tevreden met het doden van slechts één van zijn broeders. Hij dronk het bloed en de levens energie alvorens de lege huls van vlees en botten weg te werpen.
'Ga nu,' zei Tugor tegen de hoofdman. 'De scheuring is in de heuvels ten oosten van hier. De bewakers zullen je vertellen wat je moet weten om terug te keren... als je kunt. Kom terug en ik zal je belonen.'
De hoofdman repte zich de zaal uit. Na een korte aarzeling volgde de kleine demon, de vlammende pijn in zijn rug negerend. Met voldoende voedsel en rust zouden de vleugels genezen. Tijdens het verlaten van het paleis werd hij tweemaal tegengehouden door andere door honger gedreven demonen. Hij doodde hen snel. Met het drinken van hun levens energie werd de pijn in zijn vleugels minder, en net als tevoren dienden zich nieuwe gedachten en ideeën aan. Ineens wist hij waarom hij de hoofdman volgde die gestuurd was om de scheuring te heropenen.
De stem, die eerst was gekomen uit de kruik die hij om zijn hals droeg maar nu in zijn hoofd sprak, zei: 'We laten ons alles welgevallen tot we sterk genoeg zijn om te doen wat er gedaan moet worden.'
Haastig ging de kleine demon op weg naar de ingang van de kloof tussen de werelden waardoorheen de laatste overlevenden van de Saaurs waren gevlucht. De kleine demon wist dat de demonen door een bondgenoot waren verraden, dat deze poort open had moeten blijven, maar in plaats daarvan was gesloten. Tweemaal was hij weer opengebroken, doch snel weer dichtgeslagen, want aan de andere kant werd een machtige tegenmagie gebruikt om de poort verzegeld te houden. Minstens twaalf sterke demonen waren onder Tugors handen gestorven omdat de horde niet had kunnen oversteken.
De hoofdman bereikte de plek van de poort, waar hij werd omringd door twaalf andere demonen, die hem moesten helpen met het oversteken naar de andere wereld. Onopgemerkt liep de kleine demon achter de grote aan, alsof hij bij hem hoorde.
Veel bijzonders viel er aan de plek niet te zien, behalve een groot stuk modderige aarde, waar het gras was platgelopen door het voorbijgaan van duizenden Saaurs te paard, begeleid door hun vrouwen en kinderen. Het meeste gras rondom de scheuring was zwart en verwelkt door de tred van demonen, maar hier en daar waren nog kleine plukjes groen te zien. Mocht de scheuring nog veel langer gesloten blijven, dan zouden zelfs die kleine bronnen van levensenergie worden opgezocht en verslonden. Turend door samengeknepen ogen zag de kleine demon de vreemde draai in de energie die in de lucht hing, moeilijk te zien als je er niet speciaal naar zocht.
Wat de Saaurs en de andere sterfelijke rassen magie noemden, was voor de demonen niet meer dan een verschuiving van levensenergie. Van de twaalf demonen zouden er dan ook enkele kunnen sterven bij het openen van de scheuring. Totdat de beveiligingen aan de andere kant waren verwijderd, was het onmogelijk de scheuring langer dan een paar seconden achtereen open te houden, en om zo'n kortstondige doorgang twee of drie keer te bewerkstelligen, zouden vele demonen het leven laten. Geen demon stierf vrijwillig - dat lag niet in hun aard - maar stuk voor stuk waren ze bang voor Tugor en Maarg en hoopten ze dat het de anderen in hun gezelschap zouden zijn die de fatale prijs betaalden, terwijl zij het overleefden om de beloning in de wacht te slepen.
'Open de doorgang!' beval de hoofdman.
De demonen aan wie de opdracht was gegeven keken elkaar aan in de wetenschap dat sommige van hen bij deze poging zouden sneuvelen, maar uiteindelijk lieten ze hun gedachten samenvloeien tot een sturende energie. De kleine demon keek naar de lucht en zag iets glinsteren toen de poort verscheen, en de hoofdman dook ineen om zijn sprong samen te kunnen laten vallen met het korte moment van de opening.
Op het moment dat hij opveerde, terwijl de demonen rondom de poort krijsten en neervielen, sprong de kleine demon op zijn rug. Volkomen overrompeld brulde de hoofdman van schrik en verontwaardiging, en samen vielen ze in de scheuring. De vastberadenheid waarmee de kleine demon zich vastklampte hielp hem de desoriëntatie te negeren, terwijl die alleen maar bijdroeg aan de verwarring van de hoofdman.
Toen ze opdoken in een enorme donkere zaal beet de kleine demon zo hard hij kon in de nek van de hoofdman, vlak onder de schedel, de zwakste plek van diens lichaam. Ogenblikkelijk voelde hij een elektrische stroom bij hem binnenvloeien, terwijl de verontwaardiging van de hoofdman omsloeg in doodsangst en pijn. In het donker maaide hij wild om zich heen, wanhopig trachtend zijn belager van zich af te slaan. De kleine demon hield zich echter uit alle macht vast op de rug van zijn slachtoffer. Ineens rende de hoofdman achteruit in een poging de kleinere demon te verbrijzelen tegen de rotswand van de grot, maar zijn eigen sterke vleugels verhinderden dat.
Toen zakte de hoofdman op zijn knieën en op dat moment wist de kleinere demon dat hij had gewonnen. De energie stroomde bij hem naar binnen tot hij het gevoel kreeg dat hij er letterlijk van uit elkaar zou barsten. Hij had zich wel vaker ongans gegeten aan demonen die hij versloeg, maar nog nooit had hij bij één maaltijd zoveel energie verorberd. Hij was nu machtiger dan degene waarmee hij zich voedde. Zijn benen, langer en gespierder dan ze even te voren waren geweest, plaatsten zich op hard steen en in zijn handen hield hij zijn kleiner wordende slachtoffer, dat nu nog slechts zwakjes kon piepen terwijl zijn levenskracht werd afgetapt.
Kort daarop was het voorbij en stond de zegevierende demon alleen in de zaal, welhaast dronken van de pas veroverde macht. Geen vlees of fruit, geen bier of wijn kon iemand van zijn soort in deze staat brengen. Hij wou dat hij zo'n Saaurs terugkijkglas had, want hij wist zeker dat hij nu minstens een kop groter was dan een moment geleden. En op zijn rug voelde hij de vleugels, die hem op een dag door de hemel zouden dragen, weer groeien.
Iets leidde hem echter af en weer voelde hij vreemde gedachten in zijn hoofd komen. 'Kijk goed en wees op je hoede!'
Hij draaide zich om en paste zijn waarnemingsvermogen aan om de duisternis te doordringen.
In de enorme zaal lag het vol met de lijken van sterfelijke wezens. Hij zag zowel Saaurs als degenen die Pantathiërs werden genoemd, en ook nog een derde soort wezen, hem onbekend, kleiner dan de Saaurs en groter dan de Pantathiërs. Van hun levensenergieën was niets meer over, zodat hij al snel geen acht meer op hen sloeg.
De beveiligingen vormden nog steeds de barrière die de dood veroorzaakte van de demonen die er zonder hulp doorheen trachtten te breken. Toen hij ze bekeek, zag hij dat ze makkelijk te verwijderen waren geweest door de demonen die voor hem hierheen waren gestuurd.
Nogmaals de slachting in de zaal in ogenschouw nemend, besefte hij dat er krachtige magie was aangewend om te voorkomen dat de eerder gekomen demonen de beveiligingen zouden vernietigen. Toen vroeg hij zich af wat er was gebeurd met zijn broeders, want als ze in die strijd waren omgekomen, zou daar nog wat energie van te bespeuren moeten zijn geweest. Maar hij werd niets gewaar.
Vermoeid van de strijd en tegelijkertijd bedwelmd door zijn nieuwe levenskracht strekte de demon zijn hand uit om de eerste beveiliging te verwijderen. Maar de vreemde stem zei: 'Wacht!'
De demon aarzelde en pakte toen de kruik die hij om zijn hals droeg. Zonder de gevolgen te overdenken trok de pas tot grote macht gekomen demon de stop los, de ziel die eronder gevangen zat bevrijdend. Maar in plaats van weg te vliegen om zich te voegen bij de zielen van zijn voorouders, voer de ziel uit de kruik in de demon.
Die huiverde, zijn ogen sluitend toen een nieuwe mogendheid de macht overnam. Was de demon niet zo in beslag genomen door de verandering na de overwinning, dan zou hij zich niet zo makkelijk hebben overgegeven aan de eis de ziel in de kruik vrij te laten, en was hij niet zo gedesoriënteerd geweest, clan zou die andere intelligentie diens heerschappij niet hebben kunnen vestigen. De ziel die nu de baas was over de demon liet wat van zijn essentie terugstromen in de kruik en deed de stop er weer op. Er moest wat buiten de demon blijven, een soort anker tegen de eisen van demonische lusten en driften. Zelfs met dat anker zou het een onophoudelijke strijd tegen de aard van de demon zijn.
Kijkend door niet-menselijke ogen onderzocht het pas gevormde wezen nogmaals de beveiligingen, en in plaats van die te vernietigen, zong hij een oude Saaurse ontbieding van magie om ze krachtiger te maken. Het wezen kon zich slechts een voorstelling maken van de razernij waarin Tugor zou ontsteken wanneer de volgende boodschapper vlammend ten onder ging in zijn poging dit rijk te betreden. Die tegenslag zou de demonen er niet van kunnen weerhouden uiteindelijk deze wereld te bereiken, maar zou dit nieuwe wezen wel kostbare tijd opleveren.
Terwijl hij zijn klauwen bewoog, en vervolgens ook armen die plots te lang leken, verbaasde het wezen zich over het derde ras waarvan de lijken op de vloer lagen. Was het een bondgenoot of een vijand van de Pantathiërs en de door hen bedrogen Saaurs?
Het wezen zette dergelijke overwegingen van zich af. Terwijl de nieuwe entiteit, bestaande uit de kleine demon en de gevangen ziel, een eenheid vormde, ontvouwde zich kennis. Hij was zich gewaar van minstens één hersenloze demon die ronddwaalde door deze gangen en spelonken van steen. Hij wist dat de beveiligingen de kleine demon hadden beschermd toen hij op de rug van de hoofdman door de scheuring was gevallen, en dat de hoofdman verdoofd was geweest, beroofd van verstand en dierlijk gemaakt, ongeacht zijn macht. Maar dit nieuwe wezen, dat eens een demon was geweest, wist ook dat uiteindelijk, naarmate de zich reeds hier bevindende demonen zich verder voedden en wonnen aan macht en verstandelijke vermogens, hun intelligentie zou wederkeren. En met hun herinneringen zou de noodzaak weer komen om naar deze grot terug te gaan en de beveiligingen te verwijderen, teneinde de poort te kunnen openen.
Eerst moest het wezen die demonen opsporen om ervoor te zorgen dat dat niet kon gebeuren. Daarna kwam een andere zoektocht. 'Jatuk.' Het wezen sprak de naam zachtjes uit. De zoon van de laatste heerser der Saaurs op de wereld Shila zou hier de scepter zwaaien, over de restanten van het laatste leger Saaurs, en dit wezen had hem veel te vertellen. Naarmate de vermenging voortging, werd de demonische aard verder ingekapseld en vervolgens samengesmolten met die andere intelligentie. De vader van Shadu - die nu Jatuk diende - nam bezit van dit valse lichaam en liep naar een tunnel. De geest van Hanam, de laatste der grote Leermeesters van de Saaurs, had een manier gevonden om dood en verraad te slim af te zijn en ging op zoek naar de laatsten van zijn volk om hen te waarschuwen voor het grote bedrog dat, indien niet ontmaskerd, een andere wereld ten ondergang zou verdoemen.