23 Aftocht

 

Erik schreeuwde.

Het was een ongearticuleerd gebrul van smart en vermoeidheid die slechts diende voor het richten van de razernij die hij nodig had om de strijd voort te zetten. Het was een dierlijk geluid, zonder betekenis. Het was een geluid dat gedurende de nacht was herhaald door duizenden mannen. Voor het eerst sinds de val van Krondor was de hoofdmacht van het invasieleger in strijd gewikkeld met het Koninkrijk. De hele nacht was de aanvalsgolf onverminderd doorgegaan. Tot de ochtend zich aandiende in het oosten, waar de hemel van doods zwart werd verzacht tot een dofgrijs, was er gestreden om het bezit van een tiental ellen terrein. Waar Erik en Harper als rotsen in de branding stonden, lagen de doden aan weerskanten van de barricade hoog opgestapeld.  

Driemaal was er die nacht een luwte geweest en waren er emmers water gebracht terwijl de jonge jongens uit de bagagekaravaan de doden, stervenden en gewonden weg kwamen slepen. Maar het grootste deel van de nacht was het een bloedige slachtpartij geweest, die vrijwel geen behendigheid vergde, alleen een simpel opheffen en laten neerkomen van het zwaard, eigenlijk zoals Erik vroeger op staal had gehamerd. Maar zelfs staal zwichtte uiteindelijk voor de smidshamer. Deze zee van manschappen echter, deze oneindige voorraad lichamen die zich zomaar lieten doorklieven en stukhakken, kende geen ophouden.  

In een helder ogenblik, nadat hij de zoveelste had neergemaaid die over de barricade trachtte te klimmen, wierp Erik een blik achterom. Over nog geen twee uur kwam de zon op. 'Hou hen nog een paar minuten tegen,' pufte hij tegen Harper.  

De sergeant gromde slechts ten antwoord toen Erik zich uit het gevecht terugtrok. Hij strompelde nog een paar stappen verder, tot zijn benen het begaven. Overeind krabbelend zag hij dat hij was uitgegleden  

over een afgehakt been. Waar de rest van de man lag kon Erik niet zien.

Hij was dankbaar voor de duisternis. Als de zon opkwam, zou de aanblik van de slachting onbeschrijfelijk zijn. Het allersmerigste abbatoir van het Koninkrijk zou op het naaiatelier van een keurige dame lijken, vergeleken bij wat de twee legers die nacht hadden aangericht.

Vlakbij stond een boodschappenjongen met een emmer water. Erik liet zich op zijn knieën vallen, pakte de emmer op en goot het water uit over zijn gezicht en in zijn mond. Het water liep zijn verdroogde keel in en verkwikte hem. Toen hij klaar was, zei hij tegen de jongen: 'Ren naar achteren en zoek luitenant Hammond. Ken je die?'

De jongen knikte.

'Hij zit bij de reservecompagnie. Zeg hem dat ik hem meteen nodig heb. En laat hem fakkels meebrengen. En olie, als die er is.'

Moeizaam kwam Erik overeind. Zijn benen waren zo zwaar dat hij ze nauwelijks op kon tillen, maar toen hij terugging naar Harper, werd hij meteen weer gedreven door opleiding en reflexen en voelde hij weer de gloed van het vuur om te vechten, de vijand te doden, te overleven.

Tijd bestond slechts uit een opeenvolging van woeste zwaardslagen, keer op keer herhaald. Gedurende de nacht was hij zijn schild kwijtgeraakt en sindsdien hield hij zijn zwaard vast met twee handen, Harpers krachtige hakbewegingen imiterend. Wie trachtte onder het lange zwaard door te duiken, werd begroet met een schop in het gezicht of een neerwaartse, rugbrekende of koppensnellende slag.  

'Hammond, kapitein,' klonk er ineens een stem achter Erik. 'Wat zijn de bevelen?'

Erik wierp een blik over zijn schouder, wat hem bijna het leven kostte. Slechts een glimp aan de rand van zijn gezichtsveld deed hem wegduiken voor de zwaardpunt die op zijn zij was gericht. Meteen sloeg hij achterwaarts met zijn zwaard, voelde het neerkomen en hoorde tegelijkertijd het kraken van bot en het gillen van een man. Erik maakte zich los van de gevechten. 'Heb je olie meegebracht?' vroeg hij Hammond.  

'Twaalf vaten is alles wat we hebben.'

'Steek de barricade in brand!' beval hij en zei toen tegen sergeant Harper: 'Zodra die vlam vat, blazen we de aftocht.'

'Ja,' zei Harper terwijl hij een man zo diep in de borst sneed dat Erik het wit van de ribben kon zien.

Erik rook de dampen toen achter hem olie langs de voet van de barricade werd gegoten. 'Klaar?' klonk de stem van luitenant Hammond.

'Ja!' riep Erik terwijl hij nog een man doodde.

Harpers bulderstem schalde boven het strijdgewoel uit. 'Terugtrekken!'  

De trompetten bliezen de aftocht en op het moment dat Erik en de anderen de barricade verlieten, werden er tientallen fakkels in het hout gestoken. De indringers die over de barricade kwamen, werden ofwel verbrand door de snel om zich heen grijpende vlammen, ofwel gedood door de soldaten van de koning.

Half strompelend, half rennend vertrokken de uitgeputte verdedigers naar de tweede barricade, waar water en voedsel wachtten. Wie kon, dronk en at, terwijl degenen die daar te moe voor waren zich lieten zakken waar ze stonden. Een paar vielen flauw van vermoeidheid, terwijl anderen hun ogen sloten, de kans aangrijpend wat te slapen, al was het maar voor een paar minuten.

Verse troepen liepen langs de barricade, op de uitkijk voor het geval de vijand toch de achtervolging inzette, maar naarmate het vuur in de eerste barricade verder oplaaide, werd het steeds duidelijker dat er het komende uur niemand over die brandende massa heen kon komen.

'U bent zo link als een deur, kapitein, maar het was een geweldig idee,' zei Harper.

Erik zat rechtop, met zijn rug tegen de barricade. Nadat hij zijn derde pollepel water had geleegd, nam hij een natte doek in ontvangst waarmee hij het vuil, zweet en bloed van zijn gezicht en handen veegde. 'Dank je, sergeant. Het levert ons een uur respijt en een open schootsveld op.' Hij keek naar het oosten, waar de zon weldra boven de bergen zou uitkomen. 'Als we hier vandaag en vannacht nog stand kunnen houden, moeten we met de meeste mannen veilig in Zwartheide kunnen komen.' Hij stond op en riep een koerier. 'Zoek iemand anders van je compagnie,' zei Erik tegen de jongen. 'Er moet bericht naar het noorden en naar het zuiden dat het bevel om terug te trekken binnenkort komt. Zeg allebei de flankcommandanten dat ze, zodra ze de vijand naar het centrum zien trekken, moeten doen alsof ze gaan aanvallen. Laat het maar op een tegenoffensief lijken. Maar zodra de vijand zijn posities verlaat, moeten ze meteen en zo snel mogelijk naar Ravensburg.'  

De koerier rende weg en Erik liet zich weer zakken achter de barricade. 'Ik heb wat slaap nodig.'  

'Een uurtje hebt u wel, kapitein,' zei Harper, kijkend naar het vuur verderop. Toen er geen antwoord kwam, keek hij naar Erik en zag dat die zijn ogen al had gesloten.

'Goed plan, kapitein,' zei de uitgeputte sergeant en hield een reservist aan. 'Ik ga even een tukkie doen, dus wees zo vriendelijk om de boel hier voor de kapitein en mij in de gaten te houden, wil je?' Zonder op antwoord te wachten, zakte Harper naast Erik neer en sliep al voordat zijn kin zijn borst had geraakt. Elders langs de linie probeerden de mannen die de hele nacht hadden gevochten ook wat te slapen, terwijl de reservisten de waak hielden over de brandende barricade.  

 

Puc kreunde.

'Lig stil!' zei Miranda. Puc lag op een tafel met een schoon wit tafelkleed en zijn rug werd door haar gemasseerd. Je bent net een klein kind,' zei ze berispend.  

'Het doet zeer,' zei Puc.

'Natuurlijk doet het zeer,' reageerde ze. 'Eerst word je helemaal zwartgebrand door een demon, en zodra je een beetje bent hersteld sla je weer met een tweede demon aan het vechten.'  

'Eigenlijk waren het er zeven,' zei Puc.

Ze ging wijdbeens op zijn rug zitten en zette haar massage voort. 'Er loopt er hier ook nog eentje rond, maar daar mag je niet eens aan dénken tot je weer in conditie bent.'

'Zoveel tijd hebben we niet,' protesteerde Puc.

'Tomas zal binnenkort in Sethanon arriveren en als er niet nog meer verrassingen zijn, moet hij die Jakan wel aankunnen, dunkt me.'

'Weet ik niet,' zei Puc. 'Dat beetje wat ik gezien heb toen jouw vader vocht met Maarg en wat ik me ervan herinner toen Jakan mij aanviel, doet me geloven dat we allemaal in Sethanon moeten zijn als de demon daar uiteindelijk komt.'

Miranda kwam van hem af en Puc keek bewonderend naar haar lange benen, voordelig uitkomend onder een kort rokje in Quegse stijl. Hij ging zitten en rekte zich uit. 'Dat was heerlijk.'

'Mooi,' zei ze. 'Laten we gaan eten. Ik rammel.'

Ze verlieten de kamer in Villa Beata, Pucs huis op het Tovenaarseiland, en trokken zich terug in de eetkamer. Er verscheen een bediende, een Jikoraanse realiteitsmeester. Het wezen zag eruit als een grote, rechtop lopende pad. Een jaar geleden was hij spontaan verschenen en had gesmeekt Pucs leerling te mogen worden, waarmee Puc had ingestemd. Evenals de andere studenten op het Tovenaarseiland betaalde hij zijn studie met dienstbaarheid. 'U eten?' vroeg hij.  

'Graag,' zei Puc, en het lelijke wezen beende weg naar de keuken. Het middagmaal was een genot, wat het dagelijks was geweest sinds ze waren teruggekeerd uit de Pantathische mijnen. Dat was nog maar een week terug, maar het leek wel eeuwen geleden dat ze wakker waren geworden in het donker, gedesoriënteerd en uitgeput. Het had Miranda al haar energie gekost om een magisch licht te maken zodat ze wat konden zien.  

De gehalveerde demon was gaan rotten, dus vermoedden ze dat ze minstens twee of drie dagen bewusteloos hadden gelegen. Met zijn laatste reserves had Puc hen overgebracht naar het Tovenaarseiland, waar Gadhis hen onmiddellijk had verzorgd. Ze waren naar hun kamer gebracht en in bed gestopt, waar ze nog een dag hadden geslapen. Na het opstaan hadden ze gegeten en waren terug naar bed gegaan om de hele dag weer slapend door te brengen. Het was inmiddels een dikke week geleden dat ze terug waren gekomen en Puc voelde zich inmiddels weer redelijk op krachten.  

Na de maaltijd kwam Gadhis naar hen toe en vroeg: 'Mag ik u even spreken?'

Miranda stond op. 'Ik laat jullie wel even alleen.'

'Nee, alstublieft,' zei het gnoomachtige wezen, 'dit gaat u eveneens aan, meesteres.'

Ze ging weer zitten en Gadhis zei: 'Zoals ik u eens heb gezegd, had ik een band met de Zwarte.' Hij keek Miranda aan. 'Uw vader, meesteres.' Ze knikte.

'Toen Macros aan het einde van de Oorlog van de Grote Scheuring Midkemia verliet,' zei Gadhis tegen Puc, 'heb ik u gezegd dat ik het zou weten wanneer hij was gestorven.'

'Denk je dat hij dood is?' vroeg Puc.

'Ik weet zeker dat hij dood is,' antwoordde Gadhis.

Puc wierp een blik op Miranda, wier gezicht een ondoorgrondelijk masker was. 'Van ons alledrie ben jij degene die hem het beste heeft gekend,' zei hij toen tegen Gadhis. 'Het verlies moet zwaar voor je zijn. Het spijt mij.'

'Uw medeleven wordt zeer op prijs gesteld, meester Puc, maar ik denk dat u mij verkeerd begrijpt.' Hij beduidde hen beiden hem te volgen. 'Er is iets wat ik u moet laten zien.'

Ze stonden op en volgden hem door een lange gang. Hij ging hun voor naar buiten, over het weiland achter het huis, en omhoog langs een vlakke heuvelhelling. Halverwege de heuvel zwaaide Gadhis met een hand, waarop er een grot zichtbaar werd.

'Wat is dit?' vroeg Puc.

'Dat zult u dadelijk zien, meester Puc,' zei Gadhis, hun voorgaand de grot in.

Binnen zagen ze een klein altaar, waarop een klein standbeeld stond. Het was een beeld van een man, zittend op een troon, en hij kwam zowel Puc als Miranda bekend voor.

'Vader,' fluisterde Miranda.

'Nee,' zei Puc, 'Sarig.'

Gadhis knikte. 'Het is inderdaad de verloren god van de magie.'

'Wat is dit voor een grot?' vroeg Miranda.

'Een gedenkplaats,' zei Gadhis. 'Toen de Zwarte mij vond, was ik de laatste van een ras dat eens een belangrijke positie op onze wereld had bekleed.'

'Je zei dat jullie verwant waren aan gnomen zoals de elfen familie zijn van de moredhel,' zei Puc.

'Dat is te eenvoudig uitgedrukt. Elfen en Onzalige Broeders zijn leden van hetzelfde ras, die echter een verschillend pad hebben bewandeld. De leden van mijn volk waren veel meer dan gnomen, al waren we er wel verre verwanten van. Wij waren een ras van wetenschappers, leraren, kunstenaars en musici.'

'Wat is er dan gebeurd?' vroeg Miranda.

'De Chaosoorlog duurde eeuwen. In de geest van de goden was hij in een oogwenk voorbij, maar voor mindere wezens duurde hij verscheidene generaties lang. Aan het einde van de Chaosoorlog kwamen er mensen, gnomen en dwergen naar Midkemia. Mijn volk bleef op onze geboortewereld. Andere rassen verging het goed, maar het mijne niet. Macros vond mij - de laatste van mijn ras - en bracht me hierheen.'  

'Wat vreselijk,' zei Miranda.

Gadhis haalde zijn schouders op. 'Zo gaat dat nu eenmaal in het universum. Niets is eeuwig, misschien niet eens het universum zelf. Maar behalve de zojuist genoemde dingen waren mijn rasgenoten ook priesters.'  

Pucs ogen werden groot. 'Jullie waren een priesterschap van magiërs!'

'Precies,' zei Gadhis. 'Wij vereerden Sarig, zij het onder een andere naam.'

Puc keek rond en vond een rotsrichel om op te zitten. 'Vertel verder, alsjeblieft.'

'Als de laatste van mijn ras was ik wanhopig op zoek naar iemand om de verering van de god van magie voort te zetten. Voor mijn sterven wilde ik datgene bewerkstelligen dat wij beschouwden als een hoogst belangrijk doel: de terugkeer van magie op Midkemia.'

'Maar er is altijd al magie op Midkemia geweest,' zei Miranda.

'Ik denk dat hij de Hogere Magie bedoelt,' zei Puc.

'Meer nog,' zei Gadhis. 'De terugkeer van magie in de bedoelde orde.'

'Bedoeld door wie?' vroeg Miranda.

'Door de aard van de magie zelf.'

'Er bestaat geen magie,' zei Puc lachend.

'Precies,' zei Gadhis. 'Nakur gelooft dat er een oerwerkelijkheid in het universum is die door iedereen kan worden gemanipuleerd en gebruikt, goedschiks dan wel kwaadschiks, als hij het maar probeert. Gedeeltelijk heeft hij daarin gelijk. Wat bij de mensen bekend staat als de Mindere Magie is een intuïtieve magie, een magie van poëzie en zang, van gevoelens en gewaarwordingen. Om die reden kozen Mindere Magiërs totems en elementen om zich mee te vereenzelvigen. De priesters van de andere orden geloven dat magie niets anders is dan verhoorde gebeden. Dat is juist, zij het niet op de manier zoals zij denken. Het zijn niet hun goden die hun gebeden verhoren, maar eerder de magie zelf die reageert in overeenstemming met de aard van hun bijzondere clericale roeping. Dat is ook de reden dat de hogepriesters en de andere vergevorderde leden van verschillende orden magie kunnen bedrijven die veel op elkaar lijkt, terwijl mindere beoefenaars zulke overeenkomsten zouden verafschuwen. Maar het is allemaal hetzelfde.'  

'Dus je bedoelt dat magiërs in werkelijkheid Sarig vereren?' vroeg Miranda.

'In zekere zin, maar niet precies. Telkens wanneer er een bezwering van Hogere Magie wordt gedaan, wordt er een gelegenheid voor gebed gecreëerd, voor een heel klein beetje verering waarmee Sarig zich kan

voeden, waardoor zijn terugkeer een klein stukje dichterbij wordt gebracht.'  

'Maar waarom ben je dan niet op Sterrewerf, druk bezig met bekeren?' vroeg Miranda.

Puc schoot in de lach. 'Politiek.'

'Precies,' zei Gadhis weer. 'Kunt u zich voorstellen wat er zou gebeuren als iemand als ik daar verscheen en beweerde wat ik u zojuist heb verteld?'  

Miranda knikte. 'Ik snap het. Ik heb genoeg meegemaakt om te weten dat je daar hoogstwaarschijnijk gelijk in hebt, want zelfs ik vind het maar moeilijk te geloven.'

'Dat komt omdat je een product van je opleiding bent, net als ik dat was,' zei Puc. 'Maar daar moeten we boven uitstijgen.'

'Wat heeft dat met ons te maken? Ik bedoel, waarom vertel je ons dit nu?'

'Totdat meester Puc terugkeerde van Kelewan, was Macros de Zwarte de allermachtigste meester in de magie op Midkemia,' zei Gadhis. 'Het is mijn missie om zo lang ik leef zo dicht mogelijk in de buurt te blijven van die desbetreffende persoon. Zolang de Zwarte er nog was, had ik een band met hem, ongeacht hoe ver weg hij was. Maar nu hij er niet meer is, dien ik mijn missie ten behoeve van Sarig voort te zetten.'

'Dus je wilt een gelijksoortige band met mij?' vroeg Puc.

'In zekere zin, maar eerst moet u begrijpen wat dat met zich meebrengt. U weet van de band tussen Macros en Sarig. Sarig beschouwde Macros als zijn eigendom, zijn instrument op Midkemia, en voorzag hem van zijn macht. U was degene die de band tussen hen beiden verbrak.'  

'Maar op het laatst heeft Macros toch Sarigs macht gebruikt om Maarg te verslaan,' merkte Puc op.

'Wellicht,' zei Gadhis. 'Daar ben ik geen getuige van geweest, maar als het gegaan is zoals u het mij beschreef toen u was teruggekeerd, dan betrof dat Sarigs laatste geschenk aan Macros, de macht om zichzelf samen met de demon te vernietigen in plaats van ten prooi te vallen aan wat er achter de demon stond.'

'Wat er achter de demon stond?' vroeg Miranda en ineens was ze zich weer gewaar van de kennis die in haar geheugen was afgesloten. 'Ik geloof dat ik het begrijp.'

Gadhis knikte. 'Dat denk ik ook. Maar u, meester Puc, hebt geen verbintenis met Sarig. Uw macht is u niet eens op deze wereld gegeven. Door uw banden met het Tsuranese erfgoed en hun praktijken, en uw bindingen met de wereld van uw geboorte, bent u een soort neutrale kracht in deze. En om die reden hebt u nu de keus.'

'Waaruit?'

'U weet inmiddels dat er een eeuwenoud conflict wordt uitgevochten tussen machten die zo immens en oud zijn dat onze sterfelijke breinen het nauwelijks kunnen bevatten. In dat grote conflict kunnen wij slechts onze kleine rol spelen. Uw keus is deze: u blijft optreden als onafhankelijke kracht voor al wat u belangrijk acht, of u kunt zich wijden aan Sarig en de plaats van Macros innemen. Als u dat doet, verkrijgt u een veel grotere macht dan u reeds bezit, want behalve uw kennis van Kelewan beschikt u dan tevens over de volledige macht en kennis van de goden van Midkemia.'  

'Dus jij beweert dat ik ben verkozen en opgeleid om Macros' opvolger te worden?'

Een tijdlang keek Gadhis hem zwijgend aan. 'Over de goden ben ik het volgende te weten gekomen,' zei hij uiteindelijk. 'Vaak handelen we om redenen die ons niet geheel bekend zijn. Wie kan zeggen dat wat Macros in zijn leven heeft gedaan ooit zonder Sarigs invloed is geweest? Macros vond u als zuigeling en wekte iets zeldzaams en machtigs in u op. Ik weet niet of hij toen begreep waar u vandaag zou staan. Ik kan niet zeggen dat hij u als zijn opvolger heeft uitgekozen, maar wel dat u nu op de plaats staat om daarvoor te kiezen. Het hangt van uzelf af.'

'Wat raak ik er mee kwijt?' vroeg Puc.

'Vrijheid,' antwoordde Gadhis. 'U zult merken dat u dingen moet doen zonder precies te weten waarom. Macros beweerde in de toekomst te kunnen schouwen en dat was gedeeltelijk waar, maar voor een deel was het ook toneelspel, theater van een ijdel man die iedereen wilde laten denken dat hij veel meer betekende dan hij in werkelijkheid deed. En dat is ironisch, want hij was de machtigste man die ik ooit heb ontmoet, tot ik u tegenkwam, meester Puc. Maar zelfs de machtigste van uw ras heeft gebreken, heb ik door de eeuwen heen ontdekt. In ieder geval zult u merken dat u niet langer uw eigen leven kunt leiden.'

'Je biedt veel,' zei Puc, 'maar je eist ook een heleboel.'

'Niet ik, meester Puc, maar hij.' Gadhis wees naar het standbeeld van de god.

'Hoeveel bedenktijd heeft hij?' vroeg Miranda.

'Zolang hij nodig heeft,' antwoordde Gadhis. 'De goden volgen een gestage koers, in hun eigen ritme, en de levens van stervelingen zijn voor hen slechts vluchtige momenten.'

'Je hebt me een hoop gegeven om over na te denken,' zei Puc. 'Wat gebeurt er als ik nee zeg?'

'Dan wachten we tot er iemand anders verschijnt wiens aard en macht zodanig zijn dat de goden hem de mantel van Sarigs instrument willen geven.'

Puc keek Miranda aan. 'Nog iets wat we moeten bespreken.'

Ze knikte.  

'Ik laat u alleen,' zei Gadhis. 'Misschien zal de god zelf uw gedachten leiden. Als u iets nodig hebt, ben ik in de villa.' De groengeschubde hofmeester van het landhuis vertrok.

'Wat zal ik doen?' vroeg Puc.

'Een god worden? Lijkt me moeilijk af te slaan.'

Puc trok haar naar zich toe, drukte haar tegen zich aan en zei: 'Het lijkt me ook moeilijk te aanvaarden.'

'Och, we hebben nog tijd genoeg,' zei Miranda, hem eveneens omhelzend.  

'O ja?' vroeg Puc, met zijn gedachten bij de kwestie van de oorlog.

 

Erik schreeuwde instructies. De slag naderde een kritiek stadium. Al twee dagen hadden ze gevochten langs de tweede barricade, waar eenmaal een bres was geslagen, die Erik met behulp van alle reservekrachten die hij tot zijn beschikking had ternauwernood had weten te dichten. Hij had de vereisten om deze positie te kunnen verdedigen met succes ingeschat en een schema opgesteld om zijn soldaten in en uit het gelid te plaatsen, zodat degenen die het langst hadden gevochten het eerst konden rusten.

De gewonden werden nu met de bagage-karavaan naar Zwartheide vervoerd. Het was nog maar een kwestie van enkele minuten voordat Erik het bevel zou geven terug te trekken en hij zijn geboortedorp in brand moest steken.

Op voorhand had hij die daad al maanden betreurd, sinds hij Caelis' oorspronkelijke strijdplan had vernomen, maar op dit punt aangekomen, was hij zo uitgeput dat hij niets meer voelde. Misschien veranderde dat nog wanneer hij herberg De Pijlstaart, het Wijnbereidersgebouw en alle andere vertrouwde dorpsgezichten daadwerkelijk in vlammen op zag gaan, maar voorlopig maakte hij zich uitsluitend druk over een geordende aftocht.

Er scheen geen einde aan de vijand te komen. Naar Eriks ruwe schatting was de vijand zesduizend man bij de twee barricaden kwijtgeraakt, terwijl hij er nog geen vijftienhonderd had verloren. Maar een verlies van vier op één was voor de Smaragden Koningin aanvaardbaar, terwijl een dergelijke verhouding desastreus was voor het Koninkrijk. Hij moest meer dan zes tegen één voor het Koninkrijk zien te behalen om hun kans op overleven veilig te stellen.  

Erik blokkeerde een slag van een uitzonderlijk gespierde man met een strijdbijl en doorstak hem met zijn zwaard. Hij stapte achteruit, zich losmakend van de strijd, en liet zijn plaats innemen door een soldaat. Rondkijkend achtte hij het tijd voor de aftocht. Wanneer ze in Zwartheide arriveerden, zou de avond al vallen. Hij verwijderde zich ver genoeg van de gevechten om zich geen zorgen te hoeven maken over iets anders dan een verdwaalde pijl en wenkte koeriers. Vier soldaten kwamen tegenover hem staan, saluerend. 'Verspreid het bericht langs de linie,' zei hij. 'Algehele aftocht op mijn bevel.'  

De soldaten renden weg en Erik zag de magiër Robert d'Lyes naar hem toe komen. 'Kan ik iets doen om te helpen?' vroeg de magiër.

'Alleen als je een manier weet om die schoften aan de andere kant zich een paar minuten te laten terugtrekken zodat we hier veilig vandaan kunnen, want voor de rest zou ik het niet weten.'

'Hoeveel minuten?' vroeg de magiër.

'Tien, vijftien. Langer zou nog beter zijn, maar in die tijd kan ik in ieder geval de laatste gewonden naar de wagens krijgen en de rest van de bereden infanterie in het zadel. De boogschutters te paard kunnen de vijand op afstand houden terwijl de voetsoldaten op weg gaan. Als ons dat lukt, kunnen we wellicht allemaal ontkomen om in Zwartheide verder te vechten.'

'Ik heb wel een idee,' zei Robert. 'Ik weet niet of het werkt, maar misschien wel.'

'We gaan ervandoor, dus probeer het maar.'

'Hoelang nog voordat u het bevel geeft?'

'Nog vijf minuten,' zei Erik, iemand wenkend om zijn paard.

Terwijl er een soldaat met Eriks rijdier aan kwam rennen, zei d'Lyes: 'Dat moet genoeg zijn.' De magiër rende naar een plek vlak achter de gevechten, het risico lopend door een pijl te worden getroffen. Hij deed zijn ogen dicht, begon een spreuk op te zeggen, stak toen een hand in zijn hemd en haalde er een lederen buideltje uit. Wat hij er precies uithaalde kon Erik niet zien, maar hij maakte verscheidene bewegingen met zijn handen en ineens verscheen er een wolk zwart-groene rook pal boven de barricade. Ogenblikkelijk begonnen de indringers in de wolk hevig te hoesten en te kokhalzen. De rookwolk breidde zich uit, de bovenkant van de barricade volgend, en aan beide zijden deinsden de mannen terug.

'Vergif!' schreeuwde d'Lyes.

Verbaasd knipperde Erik met zijn ogen en schreeuwde toen in het dialect van de indringers: 'Vergif! Vergif! Terugtrekken! Terugtrekken!' De kreet werd langs de hele linie herhaald en aan beide kanten renden de mannen weg. Erik liet geen tijd verloren gaan en riep: 'Blaas de aftocht!'  

Links en rechts langs het gelid weerklonk het bevel en het Koninkrijkse Leger trok zich terug van de barricade. Robert d'Lyes rende terug naar Erik en zei: 'Erg lang laten ze zich niet voor de gek houden. Zodra de mannen klaar zijn met overgeven komen ze terug.'  

'Wat heb je gedaan?'

'Een handig bezwerinkje om muizen, ratten en ander ongedierte in schuren te verdelgen. Als je de rook inademt, ben je ongeveer een uur lang kotsmisselijk, maar daarna mankeer je niets meer.'

Erik was onder de indruk. 'Bedankt dat je eraan hebt gedacht.' 'Graag gedaan. Het zou nog beter zijn als ik een manier kon verzinnen om de werking van dat spul te versterken, zodat de vijand werkelijk vergiftigd werd.'

'Alleen als je dan meteen ook een manier bedenkt om dat spul aan de goede kant van het slagveld te houden.'

'Ja,' zei de magiër, 'ik zie het probleem. Wat doen we nu?'

'Er als de bliksem vandoor gaan,' zei Erik.

'Goed,' zei d'Lyes, en hij rende zo snel als hij kon naar de plek waar zijn paard stond vastgebonden.

Opgelucht zag Erik dat de mannen die zelf niet konden lopen naar de achterste bagagewagens werden gedragen. Anderen renden naar gereedstaande paarden. De boogschutters op de rotsen klommen zo snel mogelijk naar beneden en stegen ook op of voegden zich bij het voetvolk, afhankelijk van de eenheid waaronder ze dienden. Erik zag de vijand westwaarts vluchten. Velen rolden over de grond en grepen naar hun buik, kampend met wat ze voor doodsstuipen hielden. Zijn eigen mannen die door de rook waren uitgeschakeld, werden door hun kameraden in veiligheid gebracht.  

Nadat Erik tien minuten had afgeteld, riep hij: 'Terugtrekken!'

De lichte cavalerie, met de speren in de aanslag, zou als laatste vóór de boogschutters te paard vertrekken. Erlangs rijdend zag Erik vermoeide, bebloede mannen, maar met een blik in de ogen die zijn borst deed zwellen van trots. Hij bracht hun een saluut en reed in galop naar Ravensburg.  

Onder het rijden zag hij in de heuvels de gloed van het vuur waarmee de genie de katapults en blijden verbrandden. De krijgsmachines, te groot en te log om te vervoeren zonder ze helemaal te moeten ontmantelen, werden vernietigd opdat de vijand er niets aan had.

In Ravensburg zag hij mannen met fakkels klaar staan. Hij keek zijn geboortedorp rond, en naar de bagagewagens die door het centrum reden om de gewonden en de voorraden naar de volgende verdedigingspositie te brengen. Erik steeg af en maakte de zadelriem wat losser om zijn dier wat rust te gunnen. Daarop voerde hij het aan de teugels mee naar een trog en liet het wat drinken terwijl hij wachtte op het signaal van de achterste verkenner dat de achtervolging was ingezet en hij het stadje van zijn jeugd in brand moest steken.  

Maar de tijd verstreek zonder dat de vijand naderde. Erik bedacht dat ze wellicht de plek waar d'Lyes hen had 'vergiftigd' pas durfden te naderen als ze beseften dat het een list was geweest. Dat extra uur gaf hem een kostbare voorsprong. Toen hij van oordeel was dat zijn manschappen veilig op weg waren, riep hij: 'Laat de schutters en lansiers zich terugtrekken!'  

Er reed een boodschapper westwaarts om de laatste Koninkrijkse verkenners te berichten dat ze konden vertrekken. Erik reed naar herberg De Pijlstaart. Daar stond al een soldaat klaar om de brand te steken in het hooi dat lag opgetast langs het hek en de buitenmuur. 'Geef hier,' zei Erik, zijn hand uitstekend naar de fakkel.

De soldaat voldeed aan het bevel en Erik wierp de fakkel in het hooi. 'De enige die mijn huis in brand steekt ben ik,' zei hij grimmig. Toen draaide hij zich om en riep: 'Aansteken!'

Overal liepen of reden soldaten door het stadje, gooiend met honderden fakkels. Erik kon niet aanzien hoe het vuur de herberg verwoestte, dus gaf hij zijn paard de sporen en reed terug naar het centrum. Waar de lichte cavalerie reed, grepen de vlammen aan alle kanten al snel om zich heen. De schutters te paard vertrokken als laatsten en Erik was vastbesloten met hen mee te rijden.  

De bereden schutters kwamen aangestormd in een manoeuvre die Caelis hun had geleerd, waarvan hijzelf zei dat die afkomstig was van de Jeshandi, het ruitervolk van Novindus. De ene helft van de compagnie reed terwijl de andere helft dekkingsvuur leverde, waarop het deel dat reed, halt hield om voor dekking te zorgen voor de groep die zojuist had geschoten. Het vereiste veel oefening en precisie, maar Caelis had deze bereden schutters uitstekend opgeleid en hun aftocht verliep vrijwel vlekkeloos. Slechts enkele vijandelijke pijlen vlogen hen na, maar de meeste waren blindelings afgevuurd en kwamen met een hoge boog van achter de dekking van rotsen om zonder schade aan te richten op de grond terecht te komen.  

Toen het vijandelijk boogvuur toenam, vond Erik het tijd worden om te gaan en riep: 'Zo is het genoeg! Aftocht!'

De boogschutters te paard keerden om, gaven hun rijdieren de sporen en galoppeerden naar het oosten. Erik volgde hen. Ze reden als bezetenen tot ze er zeker van waren dat de vijand hen niet op de hielen zat, waarop ze het tempo vertraagden tot een relatief ontspannen galop om de paarden zo veel mogelijk te sparen.  

De gebruikelijke reistijd naar Wolverton was drie uur op een stapvoets lopend paard. Erik bereikte het dorp in nog geen uur. Gedurende de hele rit had hij gezien hoe de bagagewagens in Wolverton aankomen, vaart minderden en afsloegen langs een gebouw aan de rand van het dorp. Jadow en iemand anders uit zijn compagnie stonden daar te zwaaien en Erik reed naar hen toe. 'Wat is er?'

'Het grootste deel van je cavalerie en infanterie is hier zo'n tien, vijftien minuten geleden langs gekomen. Het draaide bijna uit op een ramp toen ze de wagens wilden inhalen.'

'En toen besloot jij het verkeer te gaan regelen?'

Grijnzend keek Jadow hem aan. 'Niet alleen dat. Ik heb voor wat verrassinkjes gezorgd, degene waar jij om had gevraagd. Als er een paar afgaan, zou dat de vijand wel een beetje moeten ophouden.'

Ze bleven wachten tot de wagens voorbij waren. Weer liet Erik zijn paard uitrusten. Jadow en hij waren te bezorgd over de mogelijkheid dat de vijand de achterste wagens zou inhalen om een praatje te maken. Twee uur lang bleven de wagens langsrijden, tot er plots een compagnie ruiters verscheen: Eriks achterhoede. Jadow wees naar hen. 'Zijn dat de laatsten?'  

Erik knikte. 'Mocht je hier nog langer willen blijven, dan raad ik je aan de eerstvolgende ruiter die de weg af komt neer te schieten.'

Jadow wuifde naar twee paarden die aan een kapot hek stonden vastgebonden. 'Ik denk dat ik toch liever met je meerijd,' zei hij. Samen met de soldaat liep hij naar de dieren toe, steeg op en reed naar Erik terug. 'Als je rijdt waar ik zeg dat het kan, is er niets aan de hand.'  

Erik beduidde Jadow voorop te gaan en volgde hem het dorp binnen. 'Wat heb je allemaal gedaan?'

'Nou,' legde Jadow uit, 'je vroeg om wat nare verrassingen, dus daar hebben we voor gezorgd. Een paar kuilen hier, wat vaten olie daar, fakkels die we net in dat gebouw hebben aangestoken, wat andere kleinigheidjes. Niets wat veel schade berokkent, maar het gaat hun flink wat tijd kosten als ze alle gebouwen willen onderzoeken.'  

'Erg goed,' zei Erik, goedkeurend knikkend.

Ze reden door Wolverton. Het dorp lag aan weerszijden van de Koningsheerbaan, maar was omringd door vlak weideland en bosgebied, zodat het onmogelijk te verdedigen vieL Als Jadows verrassinkjes de vijand ophielden en rond het dorp deden trekken in plaats van er dwars doorheen, konden de gewonnen minuten levensreddend zijn. Toen ze de achterste wagen bereikten, die langzaam voortrolde over de Koningsheerbaan, zei Erik tegen Jadow: 'Jij en de bereden schutters bewaken deze en de andere achterblijvers. Ik moet vooruit.'  

'Tot uw orders, kapitein,' blafte Jadow met zijn gebruikelijke glimlach en spottende saluut.

Erik maande zijn vermoeide paard voorwaarts en passeerde de achterste wagens en wat lopende gewonden die geen plaats in de wagens meer hadden kunnen vinden. Tweemaal trof hij langs de kant van de weg uitrustende mannen aan en beval hen verder te lopen omdat ze anders te ver achterop zouden raken en worden gedood door de vijand.  

Tegen zonsondergang moest hij zijn paard laten rusten. Hier rees de weg steil op, richting top. Het pad afkijkend zag hij tot zijn verbazing hoe

lang het lint van mannen en wagens eigenlijk was. Hij was alle wagens achter hem voorbijgereden, maar tot op dit moment had hij geen flauw idee gehad hoeveel mannen er nog op de heerbaan waren. Hier en daar werden fakkels ontstoken en weldra was het alsof er een lange rij vlammen over de Koningsheerbaan kroop, zijn kant op, in een statige processie.  

Een gevoel van haast belette hem passief te blijven staan, dus steeg Erik af en voerde zijn paard aan de teugels mee. Hij passeerde een wagen langs de kant van de weg, waar de mannen verwoed bezig waren een kapotte spaak te repareren, en toen hij een bocht in de weg had gevolgd, zag hij Zwartheide. Dwars over de heerbaan stond de ommuurde stad, en langs de oostzijde van de bergen liep de Nachtmerriekam. Daar zou het lot van het Koninkrijk en de wereld Midkemia worden beslecht. De stad werd hel verlicht door lantarens en fakkels en van deze afstand was het net of er feest werd gevierd. Erik wist dat het een illusie was, want die lichtjes betekenden dat het volle gewicht van de verdediging van het Westelijke Rijk weldra in positie was.

De streek Zwartheide lag in feite ten zuiden en oosten van de stad met dezelfde naam. Het oorspronkelijke Kasteel Zwartheide was gebouwd als het meest westelijke verdedigingsbolwerk van het Koninkrijk, lang voor de stichting van Krondor. Door de jaren heen was het dorp en later de stad Zwartheide verrezen, tot ook die door een muur werd omsloten. Na Wolverton had Erik door een vrijwel leeg landschap gereden, aangezien het terrein bij de stad rotsachtig en onvruchtbaar was. Langs de weg groeiden kleine bomen, taai berggras, laag struikgewas en wat bloemen, en verderop, diep in de dalen en valleien langs de westkant, stonden ook nog wat bomen, maar verder was vrijwel het gehele gebied rondom de stad eeuwen geleden al kaalgekapt. Voedsel en andere bederfelijke waren werden vanuit de lagergelegen boerengehuchten naar Zwartheide gebracht.  

Op de hoogste top ten noorden van de Koningsheerbaan rees de oorspronkelijke veste van Zwartheide op als een baken van bescherming. Inmiddels was het een citadel, want het was in eerste instantie gebouwd als een ommuurd fort, en de muur en de slotgracht rondom het kasteel bestonden nog steeds. De stad spreidde zich uit langs de bergpas en de Koningsheerbaan liep door een immense eiken poort, in ijzer gevat en geflankeerd door torens met gekanteelde, overhangende borstweringen.

Naar Eriks idee kon niemand bij de poort komen zonder zich bloot te stellen aan boogvuur, katapults, of heet water of olie die van boven over hen werd uitgestort.

De ondergaande zon wierp een rode gloed over het kasteel en Erik keek naar het westen. In de verte zag hij de zon verdwijnen in een nevel van rook, afkomstig van de branden in Ravensburg en Wolverton.

Voorbij de stadspoort kwam hij tot de ontdekking dat de straat vol was met vluchtelingen uit het westen. Hij voerde zijn paard mee langs verhitte soldaten die hun handen vol hadden aan de mensenmassa die zich de stad in trachtte te persen.

'Welke kant op naar de veste?' riep Erik.

Een van de soldaten keek over zijn schouder, zag Eriks ranginsigne en de vlammende adelaar op zijn tuniek en zei: 'Naar het centrum van de stad en dan links de Hoogstraat in, kapitein!'

Met zijn paard aan de teugels liep Erik door de menigte, zo nu en dan iemand opzij duwend om langs groepjes verwarde burgers en vermoeide, kortaangebonden soldaten te komen. De tocht kostte hem bijna een uur.

Uiteindelijk bereikte hij de oude ophaalbrug over de slotgracht die de citadel van de rest van de stad scheidde. Een groep soldaten had de straat honderd el naar beide kanten afgezet, zodat iedereen die vlug van en naar het hoofdkwartier van de prins wilde geen hinder ondervond.

Erik liep naar de wacht en wees naar het westen. 'Is dat een vrije doorgang naar de westelijke poort?'

'Klopt,' zei de wacht. 'Hij loopt langs de muur en slaat af bij die hoek daar.'

Erik slaakte een zucht. 'Ik wou dat me dat bij de poort was verteld.' Hij wilde langs de wacht lopen, maar die liet een speer voor Eriks borst zakken.

'Ho ho, waar denk je dat je heengaat?'

'Naar de prins en generaal Grijslok,' zei een zeer vermoeide Erik.

'Zou je me dan niet even je bevelen laten zien?'

'Bevelen?' zei Erik. 'Van wie?'

'Van je officier, vooropgesteld dat je niet zomaar een deserteur bent die de generaal het kletsverhaal wil verkopen dat hij van zijn eenheid is afgesneden.'

Langzaam bracht Erik zijn hand omhoog, pakte de speer en duwde hem zonder zichtbare inspanning weer omhoog, ondanks de pogingen van de soldaat om hem te houden waar hij was, zijn kiezen op elkaar klemmend en met grote ogen naar Erik kijkend. 'Ik ben een officier,' zei Erik. 'Ik weet dat ik er wat versleten uitzie, maar ik moet de prins spreken.'

De confrontatie bemerkend kwamen andere soldaten poolshoogte nemen. 'Hé, sergeant!' riep een van hen.

Een sergeant in het uniform van Zwartheide, een geelbruin wapenkleed, versierd met een rood schild met daarop een zwarte raaf met in zijn snavel een hulsttak, kwam aangerend. 'Wat is hier loos?'  

'Die kerel wil de prins spreken,' zei de soldaat.

De sergeant, een oude vuurvreter die gewend was aan ogenblikkelijke gehoorzaamheid van zijn mannen, blafte: 'En wie denk jij dan wel niet dat je bent, dat de prins je zou willen ontvangen?'

Erik duwde de speer opzij en stapte naar voren, de sergeant strak in de ogen starend. 'Erik von Zwartheide, Kapitein van de Bijzondere Eenheid van de Prins!'  

Bij het horen van zijn naam gingen verscheidene soldaten al opzij, terwijl de anderen een blik op de sergeant wierpen. Grijnzend zei de oude veteraan: 'Zo te zien hebt u het dan een beetje moeilijk gehad, kapitein.'

'Dat kan je wel zeggen, ja. En nu opzij!'

De sergeant aarzelde niet en stapte kordaat aan de kant. Terwijl Erik voorbijliep, gaf hij hem de teugels met de woorden: 'Geef hem water en wat te eten. Hij is doodop. En laat me weten waar hij is ondergebracht. Het is een goed paard en ik wil hem niet kwijt.'

De sergeant nam de teugels aan. Terwijl hij verder liep zei Erik zonder om te kijken: 'O, en als mijn sergeant arriveert, stuur hem meteen naar me door. Het zal geen enkel probleem zijn hem te herkennen. Het is een lange Keshisch uitziende vent met een donkere huid en hij rukt je zo de kop van je romp als je het hem maar half zo lastig maakt als je het mij hebt gedaan.'

Erik stak de ophaalbrug over en keek omhoog naar de lichtjes achter de talrijke ramen van de oude veste. Kasteel Zwartheide, gesticht door een van zijn voorvaderen, was Erik onbekend. Als jongen had hij ervan gedroomd op een dag hier door zijn vader ontboden en erkend te worden en een plaats in diens huishouden te krijgen. Toen die dromen vervluchtigden, werden ze vervangen door nieuwsgierigheid, maar ook die was langzaam vervaagd. Nu bood het kasteel de onheilspellende aanblik van een oord waar het niet prettig sterven was. Toen hij door het poortgebouw liep en de oude voorhof van het kasteel betrad, besefte Erik waar dat gevoel uit voortkwam. Niet alleen was er een heel leger onderweg om hem de dood in te jagen, maar ook bevond er zich binnen een vrouw die het op zijn leven had voorzien: Mathilda von Zwartheide, de weduwe van zijn vader en de moeder van de halfbroer die hij had gedood.  

Met een diepe zucht wendde Erik zich tot een kapitein van de wacht en zei: 'Breng me naar Grijslok. Ik ben kapitein Von Zwartheide.' Zonder een woord salueerde de kapitein, draaide zich met een ruk om en nam Erik mee zijn voorvaderlijk huis in.