24 Zwartheide
Caelis keek naar het juweel.
Hij was er zo door in beslag genomen dat hij de verschijning van vier gedaanten in de grote zaal van het orakel bijna niet opmerkte. Even wierp hij een blik op de begeleiders van het orakel, en toen hij zag dat zij geen tekenen van onrust vertoonden, veronderstelde hij dat er geen gevaar was.
Kijkend naar de nieuwgekomenen herkende hij zijn vader, schitterend in zijn wit-met-gouden wapenrusting, staande naast Nakur, Sho Pi en een man in het gewaad van een monnik van Ishap. Met moeite staakte hij zijn studie van het juweel en stond op om hen te begroeten.
'Vader,' zei hij, Tomas omhelzend. Vervolgens schudde hij Nakur de hand.
'Dit is Dominicus,' zei Nakur. 'Hij is de abt van Sarth. Ik dacht dat het wel eens van pas kon komen om hem bij ons te hebben.'
Caelis knikte.
'Je was in beslag genomen door de steen toen we arriveerden,' merkte Tomas op.
'Ik zie er dingen in, vader,' legde Caelis uit.
'We moeten praten,' zei Tomas. Hij keek de anderen aan. 'Maar eerst moet ik een eerbetuiging brengen.' Hij liep naar de grote sluimerende draak en raakte haar zachtjes aan. 'Gegroet, oude vriendin.' Daarop keek hij naar de oudste van haar metgezellen en vroeg: 'Maakt ze het goed?'
De oude man maakte een lichte buiging. 'Ze droomt en in haar dromen herleeft ze een duizendtal levens, die ze deelt met de ziel die dit grote lichaam na haar zal bewonen.' Hij gebaarde naar een jonge jongen, die voor Tomas kwam staan. 'Zoals ik met mijn vervanger.'
Tomas knikte. 'Oudste aller rassen, wij hebben u van de ene ondergang naar de andere gebracht.'
'Het risico bestaat,' zei de oude man, 'maar heeft een doel. Dat weten we.'
Weer knikte Tomas en hij ging terug naar Caelis en de anderen.
Met grote ogen keek Dominicus langs Tomas heen. 'Ik zou het nooit hebben geloofd.'
Nakur begon te lachen. 'Wat ik ook zie, ik geloof nooit dat ik het allemaal gezien heb. Het universum blijft eindeloos verrassen.'
'Hoe komt het dat jullie allemaal tegelijk zijn gekomen?' vroeg Caelis.
'Lang verhaal,' antwoordde Nakur. Hij haalde een Tsuranese transportbol te voorschijn. 'Er zijn er nog maar weinig over. Eigenlijk zouden we er meer moeten hebben.'
Caelis glimlachte. 'Helaas, de scheuring naar Kelewan is op Sterrewerf en volgens de laatste berichten is het eiland nu stevig in de greep van Kesh.'
'Zo stevig nu ook weer niet,' zei Nakur met een grijns.
'Hoe bedoel je?' vroeg Caelis.
Nakur haalde zijn schouders op. 'Puc heeft me gevraagd iets te bedenken en dat heb ik gedaan.'
'Wat dan?' vroeg Tomas.
'Dat vertel ik je wel als we de komende beproeving hebben overleefd en het lot van Sterrewerf nog van betekenis is.'
'Caelis,' zei Tomas, 'wat bedoelde je met de dingen die je in de steen ziet?'
Verrast keek Caelis zijn vader aan. 'Ziet u ze dan niet?'
Tomas draaide zich om naar de Levenssteen, een voorwerp waarmee hij in zekere zin vertrouwder was dan alle andere levende wezens op Midkemia. Kijkend naar het heldergroene oppervlak ontspande hij zijn geest en even later zag hij een pulserend licht, vaag en moeilijk te onderscheiden als hij te veel zijn best deed. Na een tijdje zei hij: 'Beelden zie ik niet.'
'Vreemd,' zei Caelis. 'Die zag ik vanaf het eerste moment dat ik ernaar keek.'
'Wat zie je dan?' vroeg Nakur.
'Ik weet niet of ik er de woorden voor kan vinden,' zei Caelis. 'Maar ik denk dat ik de ware geschiedenis van deze wereld zie.'
Nakur ging zitten op de vloer. 'O, maar dat is hoogst interessant. Vertel alsjeblieft wat je denkt te zien.'
Caelis nam ook plaats, als om zijn gedachten op een rijtje te zetten. Ineens verschenen Puc en Miranda. Tomas begroette zijn oude vriend en Miranda, hun beduidend te gaan zitten.
'Wat is er?' vroeg Puc.
'Caelis gaat ons vertellen wat hij in de Levenssteen ziet,' antwoordde Tomas.
Caelis wierp een blik op Miranda en Puc en hield even de blik van de magiër vast. Toen glimlachte hij. 'Ik ben blij jullie weer te zien.'
Miranda glimlachte terug. 'En wij om jou weer te zien.'
'Ik moet jullie vertellen over de Levenssteen,' zei Caelis.
Nakur boog zich naar Sho Pi en zei: 'Prent ieder woord in je geheugen als je de mantel van discipel wilt blijven dragen.'
'Ja, meester.'
'De Levenssteen is Midkemia in de puurste vorm,' begon Caelis, 'een weerspiegeling van al het leven dat was, is en zal zijn, van het begin tot het einde van de tijd.'
Iedereen viel stil terwijl Caelis zijn woorden overwoog.
'In het begin was er niets en toen kwam het universum. Puc en mijn vader zijn getuige van die schepping geweest, zoals ik heb gehoord.' Hij glimlachte naar zijn vader. 'Verscheidene malen zelfs. Toen het universum werd geboren, was het gewaar, maar de manier waarop gaat ons bevattingsvermogen zo ver te boven dat we geen toereikende begrippen kennen om dat gewaarzijn te begrijpen.'
Nakur grijnsde. 'Net mieren, die voedsel naar hun nest dragen terwijl boven hen een draak op een bergtop zit. De mieren hebben geen begrip van de draak.'
'Meer nog,' zei Caelis, 'maar de vergelijking gaat niet geheel mank. Dit gewaarzijn is meer dan elk van ons - of wij allen tezamen - kan bevatten. Het is zo immens en zo tijdloos...' Even zweeg hij. 'Ik denk niet dat ik er meer over kan zeggen. Maar toen Midkemia werd gevormd, was het een thuisbasis voor elementaire natuurkrachten die, zonder ergens bij stil te staan, bouwden en verwoestten.'
'Rathar en Mythar,' zei Tomas, 'de Twee Blinde Goden van de Schepping.'
'Ook een goede naam voor die krachten,' stemde Nakur in.
'Toen kwam er een herschikking,' vervolgde Caelis. 'Bewustzijn rees op en de blind werkende wezens kregen een doel. Wij zijn het die de
goden kenschetsen op een manier die ons duidelijk is, maar ze zijn nog zo veel meer dan dat. De orde in het universum is als een edelsteen met talrijke facetten, waarvan wij er maar één zien: de weerkaatsing van het bestaan van onze eigen wereld.'
'Worden er ook andere werelden weerkaatst?' vroeg Puc.
'Jazeker,' zei Caelis zacht. 'Alle werelden. Dat is een van de voornaamste redenen dat wat wij hier doen van grote invloed is op alle andere werelden in de kosmos. Het is de oerstrijd tussen dat wat wij als goed beschouwen en dat wat wij kwaad noemen, en die wordt in iedere uithoek van de schepping gestreden.' Een voor een keek hij de anderen in de grote grot aan. 'Ik zou zo nog uren door kunnen gaan, maar ik zal me beperken tot wat ik meen te hebben ontdekt.' Na een moment van bedachtzaamheid sprak hij verder. 'De Valheru waren niet zomaar het eerste ras dat op Midkemia leefde. Ze waren een brug tussen onsterfelijkheid en sterfelijkeid. Ze waren, zo zou je kunnen zeggen, het eerste experiment van de goden.'
'Experiment?' zei Puc. 'Wat voor een experiment?'
'Dat weet ik niet,' antwoordde Caelis. 'Ik weet niet eens zeker of het wel waar is wat ik zeg, alleen dat ik het gevoel heb dat het zo is.'
'Het is zo,' zei Nakur.
Alle ogen wendden zich naar de kleine Isalani. Hij grijnsde. 'Logisch, toch?'
'Wat is logisch?' vroeg Puc.
'Is er behalve ik nog iemand anders die zich heeft afgevraagd waarom wij denken?' zei Nakur.
Op de schijnbaar uit het niets opdoemende vraag keken ze elkaar verbaasd aan. Puc begon te lachen. 'De laatste tijd niet, nee.'
'Wij denken omdat de goden ons de macht van het begrip hebben gegeven,' merkte Dominicus op.
Nakur schudde met een vinger naar de abt. 'U weet dat dat een dogma is en u weet ook dat de goden net zozeer de schepping zijn van de mensheid als de mensheid de schepping is van de goden.'
'Maar waar wil je dan naar toe?' vroeg Puc.
'O, zomaar wat,' zei Nakur. 'Ik dacht aan het verhaal dat je me hebt verteld, over jou en Tomas toen jullie naar Macros gingen zoeken en getuige waren van de schepping van het universum.'
'Ja, en?' vroeg Tomas.
'Nou,' zei Nakur, 'het lijkt me dat je moet beginnen bij het begin.' Puc staarde het kleine mannetje aan en barstte in lachen uit. Een ogenblik later lachte iedereen met hem mee.
'Zie je wel?' zei Nakur. 'Humor is een eigenschap van intelligentie.'
'Goed, Nakur,' vroeg Miranda, 'waar heb je het over?'
'Iets is met dit alles begonnen,' antwoordde Nakur.
'Ja,' zei Dominicus. 'Er was een oerdrang, een schepper, of zoiets.'
'Maar stel dat het een zelfschepping was,' merkte Nakur op.
'Het universum besloot gewoon op een dag te ontwaken?' vroeg Miranda.
Daar dacht Nakur een tijdlang over na. 'Er is iets wat we denk ik altijd goed in gedachten moeten houden: alles wat wij zeggen is beperkt door onze eigen percepties, door ons eigen bevattingsvermogen, in het kort, door onze eigen aard.'
'Dat is waar,' beaamde Puc.
'Dus zeggen dat het universum op een dag wakker werd, is misschien tegelijkertijd de meest treffende en de meest onvolkomen manier om het uit te drukken,' peinsde Nakur.
'Dit soort discussies worden altijd gehouden aan de hoven van de kerk,' zei Dominicus. 'De oefeningen in logica en geloof kunnen vaak frustrerend zijn.'
'Maar ik denk dat we hier iets hebben waarover maar weinigen onder uw broeders kunnen beschikken, abt,' zei Nakur. 'Ooggetuigen van de schepping.'
'Als ze die daadwerkelijk hebben gezien,' kaatste Dominicus terug.
'Aha,' zei Nakur en hij kon zijn pret nauwelijks onderdrukken. 'We kunnen nergens zeker van zijn, nietwaar?'
'"Wat is werkelijkheid?" is een veel gestelde vraag tijdens die discussiezittingen waar ik het over had,' zei de abt.
'Werkelijkheid is waar je in het donker tegenop botst,' merkte Miranda droog op.
Nakur schoot in de lach. 'Jullie hadden het toch over zo'n groot bol rond ding dat expandeerde zodat het universum ontstond, hè?' Puc knikte.
'Dan is mijn vraag: wat als alles in die bol zat?'
'Daar gaan we van uit,' zei Puc.
'Maar wat was er dan buiten de bol?'
'Wij,' zei Puc meteen. 'En de Tuin en de Eeuwige Stad.'
'Maar jullie komen uit het binnenste van die grote bol,' zei Nakur.
Terwijl de anderen naar hem keken, stond hij op en begon te ijsberen, bezield omdat hij op het punt stond ergens in door te dringen. 'Ik bedoel, jullie zijn duizenden eeuwen later dan de schepping geboren, maar uit spul uit die bol, als je begrijpt wat ik bedoel.'
'En de Eeuwige Stad dan?' vroeg Miranda.
'Misschien is die wel ver in de toekomst geschapen. Wat denk jij?'
'Door wie?' vroeg Puc.
Nakur haalde zijn schouders op. 'Weet ik niet, en voorlopig kan me dat ook niet schelen. Misschien ben jij het op duizendjarige leeftijd zelf wel die de Eeuwige Stad maakt en hem terugstuurt naar het begin van de tijd zodat jullie en Macros iets hebben om op te zitten terwijl jullie naar de geboorte van het universum kijken.'
'Pas geboren universa en duizend jaar oude magiërs,' zei Dominicus, die zichtbaar moeite had zijn geduld te bewaren.
Nakur hief zijn hand op. 'Waarom niet? We weten dat het mogelijk is door de tijd te reizen. En nu we het daar toch over hebben: wat is tijd?' Weer keken ze elkaar aan en begonnen door elkaar te praten, maar al gauw werden ze allemaal stil.
'Tijd is tijd,' zei Dominicus. 'Tijd markeert het verstrijken van gebeurtenissen.'
'Nee,' zei Nakur. 'Mensen markeren het verstrijken van gebeurtenissen. Tijd maakt zich daar niet druk over. Tijd is er gewoon. Maar wat is het?' Met een opgetogen grijns beantwoordde hij zijn eigen vraag. 'Tijd is wat voorkomt dat alles tegelijk gebeurt.'
Pucs wenkbrauwen gingen omhoog. 'Dus in die bol gebeurde alles tegelijkertijd?'
'En toen veranderde het universum!' riep Nakur verrukt uit.
'Waarom?' vroeg Miranda.
Nogmaals trok Nakur zijn schouders hoog op. 'Wie weet? Het gebeurde gewoon. Puc, jij hebt me verteld dat toen je Macros de laatste keer vond, hij zich aan het verenigen was met Sarig. Was hij Macros of was hij Sarig?'
'Allebei, voor korte tijd, maar hij was toch voornamelijk Macros.'
'Ik wou dat ik hem kon vragen: ''Toen je je met hem verenigde, verloor je toen je gevoel van Macros-zijn?'" Even keek Nakur oprecht spijtig,
maar toen kwam zijn grijns weer terug. 'Ik denk dat we het veilig als volgt kunnen stellen: hoe meer je één wordt met een god, des te minder blijf je jezelf.'
'Dan snap ik het nu,' zei Dominicus.
'Wat?' vroeg Miranda.
'Waar die gek op doelt.' De oude abt legde een vinger tegen zijn hoofd. 'Geest. Het wezen der goden, het "alles" wat hij aanduidt als "spul". Als alles vóór de schepping tegelijkertijd gebeurde, was alles alles. Zonder onderscheid.'
'Juist!' riep Nakur, opgetogen over de bemerkingen van de abt.
'Dus om redenen die ons nooit bekend zullen zijn, is de totaliteit van de schepping zich gaan onderscheiden. Deze "geboorte" van het universum was een middel voor het universum...' De ogen van de abt werden groot. 'Het was een poging van het universum om bewust te worden!'
Tomas kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Dat snap ik niet. Mensen zijn bewust, net als de andere intelligente rassen, en de goden zijn bewust, maar het universum is ... het is, meer niet.'
'Nee,' zei Nakur. 'Waarom mensen? Waarom andere denkende wezens?'
'Weet ik niet,' zei Puc.
Nakurs gezicht werd ernstig. 'Omdat sterfelijk worden het middel is waardoor het universum, dat "spul" waar ik het altijd over heb, zelfbewust, zelfgewaar wordt. Elk leven is een experiment van het heelal en ieder van ons keert ertoe terug met kennis. Macros trachtte één te worden met een god en merkte dat je, naarmate je verder verwijderd raakt van sterfelijkheid, verder afdwaalt van dat zelfbewustzijn. Mindere Goden zijn minder verbonden met dat zelfgevoel dan sterfelijke wezens, Hogere Goden zelfs nog minder, wed ik.'
Dominicus knikte. 'De Traan der Goden stelt mijn Orde in staat te communiceren met de Hogere Goden. Het is een erg moeilijke taak. We proberen het zelden en als we het doen, is het gecommuniceerde vaak onbegrijpelijk.' De oude abt slaakte een zucht. 'De Traan is een waardevol geschenk, want daarmee zijn wij in staat te werken met de magie die ons als dienaren van Ishap bewijst dat hij nog steeds leeft, zodat we kunnen bidden en werken aan zijn terugkeer. Maar de aard van de goden, zelfs van de god die we vereren, staat ver boven ons bevattingsvermogen.'
Nakur begon te lachen. 'Goed, maar als dit universum is geboren op de dag dat Macros, Puc en Tomas keken, wat zegt dat dan over het universum?'
'Geen idee,' gaf Puc toe.
'Het is nog maar een baby,' zei Nakur.
Puc schoot in de lach. Hij kon het niet helpen. 'Volgens mijn berekeningen is het heelal verscheidene miljarden jaren oud.'
Nakur haalde zijn schouders op. 'Voor zover wij weten, kan dat best een twee jaar oud heelal zijn. Maar wat wil dat zeggen?'
'En wat is het nut van die vraag?' vroeg Miranda.
'Ja,' verzuchtte Tomas. 'Hoe fascinerend het allemaal ook is, we hebben nog steeds wat problemen op te lossen.'
'Dat is waar,' zei Nakur, 'maar hoe meer we weten wat het is waarin we betrokken zijn, des te groter wordt onze kans die problemen op te lossen.'
'Akkoord, maar waar beginnen we?'
'Ik heb net al gevraagd: waarom denken we? Misschien heb ik daar een antwoord op.' Even zweeg Nakur. 'Veronderstel even dat het universum, alles erin en alles wat ooit was en zal zijn, met elkaar verbonden is.'
'We hebben iets gemeen?' vroeg Dominicus.
'Nee, meer dan dat. We zijn allemaal hetzelfde.' Kijkend naar Puc en Miranda zei Nakur: 'Jullie noemen het magie. Ik noem het trucjes.' Hij keek Dominicus aan. 'U noemt het bidden. Maar het is allemaal hetzelfde, en wat het precies is...'
'Ja?' spoorde Puc hem aan.
'Daar kom ik in de problemen. Ik weet niet wat het is. Ik noem het "spul".' Hij zuchtte. 'Het is een fundamentele bouwstof, iets waar alles van gemaakt is.'
'Je zou het ook geest hebben kunnen noemen,' opperde Dominicus.
'Je zou het ook wasgoed hebben kunnen noemen,' zei Miranda droog.
Nakur begon te lachen. 'Wat het ook is, we zijn er allemaal deel van en het is deel van ons.'
Een tijdlang was het stil. 'Om gek van te worden,' zei Puc ten slotte. 'Ik heb het gevoel alsof ik op het punt sta iets te begrijpen, maar ik kan er net niet bij. En wat heeft dit te maken met het oplossen van onze problemen?'
'Alles. Niets. Ik weet het niet,' gaf Nakur toe. 'Het is gewoon iets waaraan ik dacht.'
'Veel van wat je zegt roept herinneringen op aan dingen die ik ooit wist toen ik nog één was met Asschen-Sukar,' zei Tomas.
'Dat lijkt me wel,' zei Nakur, 'want het heelal is een levend wezen van onmogelijke complexiteit en omvang - bij gebrek aan een betere term: een god. Misschien De God. Ik weet het niet.'
'Macros noemde het het Opperwezen,' zei Tomas.
'Dat is een mooie!' riep Nakur uit. 'Het Opperwezen, de Ene Boven Al, zoals de Ishapiërs Ishap noemen.'
'Maar je hebt het niet over Ishap,' merkte Dominicus op.
'Nee, dat is een belangrijke god, maar niet het Opperwezen. Ik denk niet eens dat dit Opperwezen een naam heeft. Hij is gewoon.' Nakur zuchtte. 'Kun je je een wezen voorstellen met miljarden sterren in zijn hoofd? Wij hebben bloed en gal, maar hij heeft werelden, kometen, intelligente rassen - alles!'
Nakur was duidelijk opgewonden over dit beeld, en Puc wierp even een blik op Miranda en zag in haar glimlach zijn eigen pret om het plezier van het rare mannetje weerkaatst.
'Het Opperwezen, als je wilt, weet alles, is alles, maar Hij is nog maar een klein kind. En hoe leren kleine kinderen?'
Puc, die kinderen had opgevoed, antwoordde: 'Ze kijken, ze worden gecorrigeerd door hun ouders, ze doen na -'
'Maar als jij God bent,' onderbrak Nakur, 'en er is geen Mama God of Papa God, hoe leer je dan?'
Miranda was de draad van het gesprek kwijt en begon te lachen. 'Ik heb geen idee.'
'Door te experimenteren,' zei Dominicus.
'Juist,' zei Nakur en zijn grijns werd nog breder. 'Je probeert dingen uit. Je maakt dingen, zoals mensen, en je laat ze los om te zien wat er gebeurt.'
'Dus we zijn eigenlijk een soort kosmisch poppentheater?' zei Miranda.
'Nee,' zei Nakur. 'God zit niet naar ons op een hemels toneel te kijken, want God is ook de poppen.'
'Nou ben ik het helemaal kwijt,' gaf Puc toe.
'We zijn weer terug bij de vraag waarom wij denken,' legde Nakur uit. 'Als God alles is, geest, gedachte, daad, zand, wind,' - hij wierp een blik op Miranda - 'wasgoed, alles wat is en wat kan zijn, dan moet alles wat
Hij is een reden hebben. Waar is het leven voor?' vroeg hij retorisch. 'Het is een manier om gedachten te ontwikkelen. En waar zijn gedachten voor? Die zijn een manier om gewaar te zijn, een zone tussen het fysieke en het spirituele. En tijd? Dat is een goede manier om alles apart te houden. En ten slotte: waarom zijn er mensen, elfen, draken en andere denkende wezens?'
'Zodat geest zelfbewust kan zijn,' opperde Dominicus.
'Juist!' zei Nakur. Hij leek op het punt een dansje te maken. 'Telkens wanneer een van ons naar Lims-Kragma's paleis gaat, delen we onze levenservaringen met God. Daarna gaan we terug en doen we het nog een keer, steeds opnieuw;'
Miranda keek niet bepaald overtuigd. 'Dus je zegt dat wij leven in een universum waar kwaad net zozeer de schuld van deze God is als goed?' 'Ja,' zei Nakur. 'Want God ziet het niet als goed of kwaad. God is nog maar net aan het leren over goed en kwaad. Voor Hem is het gewoon de merkwaardige manier waarop bepaalde wezens zich gedragen.'
'Dan is Hij knap traag van begrip,' merkte Puc droog op.
'Nee, Hij is immens!' riep Nakur uit. 'Hij doet dit miljard maal een miljard maal per dag, op miljarden werelden!'
'Op een keer hebben Puc en ik aan Macros gevraagd wat het uitmaakte als in zo'n enorm en complex universum één klein planeet je bezweek onder de Valheru,' zei Tomas. 'Hij zei ons dat de aard van het universum na de Chaosoorlog was veranderd en dat de terugkeer van de Valheru op Midkemia de orde der dingen zou veranderen.'
'Dat denk ik niet,' zei Nakur. 'O, ik bedoel, het zou beslist een erg ongelukkige situatie zijn voor iedereen op Midkemia, maar uiteindelijk zou het universum zichzelf weer corrigeren. God leert. Uiteraard zouden er best eerst miljarden mensen kunnen sterven voordat er iets gebeurde om de boel weer recht te trekken.'
'Zoals jij het brengt is het allemaal zo zinloos,' zei Miranda.
'Als je er op die manier naar kijkt wel, ja,' gaf Nakur toe. 'Maar ik vind het idee wel aardig dat het erom gaat dat wij God leren wat juist is. We zijn een klein kind aan het corrigeren. We zijn Hem aan het leren dat goed de moeite waard is, dat vriendelijkheid beter is dan haat, dat scheppen beter is dan vernietigen, en nog veel meer dingen.'
'Maar voor de burgers van het Koninkrijk is het een bar schrale troost,' zei Puc.
'Nakur heeft gelijk,' zei Caelis ineens. Alle ogen werden op hem gericht. 'Door hem kan ik nu begrijpen wat er precies wordt gedaan en wat ik hier doe.'
'Wat dan?' vroeg Miranda.
Caelis glimlachte. 'Ik moet de Levenssteen ontsluiten.'
Erik dronk met diepe teugen. Het was een gekoelde witte wijn van een soort die in dit deel van het hertogdom werd gemaakt. 'Bedankt,' zei hij terwijl hij de fles neerzette.
Prins Patrick, Owen Grijslok en Manfred von Zwartheide zaten met Erik aan een tafel. In de kamer stonden nog zes edellieden, sommigen piekfijn gekleed naar de laatste mode en anderen net zo vies en met bloed besmeurd als Erik.
'U hebt het uitstekend gedaan,' zei Patrick, 'gezien de snelheid waarmee Krondor viel.'
'Dank u, Hoogheid,' zei Erik.
'Ik wou alleen dat we meer tijd hadden om ons voor te bereiden,' verzuchtte Grijslok.
'Tijd is er nooit genoeg,' zei Patrick. 'We moeten erop vertrouwen dat we genoeg hebben gedaan om hen hier, in Zwartheide, tegen te houden.' Haastig kwam er een boodschapper binnen die salueerde en een bericht aan Grijslok gaf. Die maakte het open, las het en zei: 'Slecht nieuws. De zuidelijke reserves zijn onder de voet gelopen.'
'Onder de voet gelopen?' riep Patrick uit, van frustratie op tafel slaand. 'En ik dacht dat ze zo goed verborgen zaten, klaar om de vijand van achteren aan te vallen. Wat is er gebeurd?'
Owen gaf de tekstrol aan de prins, maar ten behoeve van de anderen in de kamer sprak hij: 'Kesh. Ze zitten met hun leger ten zuiden van Dorgin. De zuidelijke vleugel van de vijand zat te strak in de tang, en met de dwergen vóór zich zijn ze, toen ze in de ene flank de Keshiërs tegenkwamen, naar het noorden afgebogen, waar ze onze verschansing onder de voet hebben gelopen.'
'Is Kesh zich ermee aan het bemoeien?' vroeg een vermoeid ogende oude edelman die Erik niet herkende.
'Dat was te verwachten,' reageerde Patrick. 'Als we deze oorlog hebben overleefd, maken we ons wel weer zorgen over Kesh.'
'En heer Sutherland?' vroeg de edelman.
'De Hertog van de Zuidelijke Marken is dood,' zei Grijslok. 'Zowel Gregory als de Graaf van Landreth zijn in de strijd gesneuveld. Mijne heren, als dit rapport correct is, bestaat onze zuidelijke reserve niet meer.' Een van de modieus geklede edellieden zei: 'Wellicht dienen we te overwegen ons terug te trekken tot in Malachskruis, Hoogheid?'
De prins wierp de man een vernietigende blik toe, maar weigerde het voorstel met enig commentaar te belonen. Erik aankijkend zei hij: 'Degenen van u die net binnen zijn, kunnen de jonkers buiten volgen naar uw onderkomens. Daar zijn schone kleren en een bad in gereedheid gebracht. Het zal mij deugd doen over een uur met u het avondmaal te gebruiken.' Hij stond op en de anderen volgden zijn voorbeeld. 'Morgen na zonsopgang zetten we dit gesprek voort. Dan beschikken we over meer informatie.' Hij draaide zich om en verliet de kamer.
Nadat de prins was vertrokken, gebaarde Manfred naar Erik en Owen om een stukje bij de deur vandaan te gaan. 'Wel, heren, we zitten met een wat pijnlijke situatie, naar het schijnt.'
Erik knikte. 'Meteen toen ik de ophaalbrug over was, begreep ik al wat ik kon verwachten.'
'Wij zijn mannen van de prins, als ik mijn heer eraan mag helpen herinneren,' zei Owen.
Manfred wuifde zijn opmerking weg. 'Zeg dat maar eens tegen mijn moeder.' Met een meewarige glimlach voegde hij eraan toe: 'Of eigenlijk beter maar niet.'
'We kunnen niet hier deze oorlog leiden en ondertussen ook nog je moeder ontlopen, Manfred,' zei Erik.
'Daar heeft Erik gelijk in,' zei Owen.
Manfred slaakte een zucht. 'Goed dan. Owen, ik heb onze huidige zwaardmeester gezegd je oude verblijf weer aan je over te dragen. Ik dacht dat je je daar wat meer op je gemak zou voelen. En om je de waarheid te zeggen, wordt het een beetje druk hier.'
Owen glimlachte. 'Ik wed dat Percy er niet blij mee is.'
'Jouw vroegere assistent is nooit een blij mens geweest. Hij is geboren met een lang gezicht.' Zich tot Erik wendend zei Manfred: Jij logeert in een kamer vlak bij de mijne. Hoe dichter je bij mij bent, des te minder waarschijnlijk is het dat mijn moeder iemand op je afstuurt.'
Erik keek bedenkelijk. 'Hertog Robert heeft toch geprobeerd je moeder op andere gedachten te brengen?'
'Niemand brengt mijn moeder op andere gedachten. Dat zul je vast nog wel merken voordat deze avond om is. Ik zal je de weg naar je kamer wijzen.' Tegen Grijslok zei hij: 'Owen, ik zie je aan tafel.'
'Mijn heer,' zei Owen.
Gedrieën verlieten ze de vergaderzaal en buiten de deur ging Owen de ene kant op en nam Manfred Erik mee in een andere richting. 'Dit is een vrij groot kasteel,' zei Manfred, 'waar je gemakkelijk in kunt verdwalen. Vraag de bedienden gerust de weg.'
'Ik weet niet hoe lang ik blijf,' zei Erik. 'Owen en de prins hebben me nog niet verteld wat mijn volgende positie wordt. Ik heb Caelis vervangen bij de aftocht, maar nu is die fase voorbij.'
'Ik verwacht iets soortgelijks,' zei Eriks halfbroer. 'Het schijnt dat je het er goed vanaf hebt gebracht.' Hij keek de oude gangen van Kasteel Zwartheide door. 'Ik hoop dat ik me net zo goed van mijn taak kwijt als het zover is.'
'Vast wel,' zei Erik.
Ze sloegen een hoek om en Erik struikelde bijna. Door de gang naderde een statige optocht van een al wat oudere vrouw in koninklijke kledij, gevolgd door twee wachters en verscheidene hofdames. Ze bleef even staan toen ze Manfred zag, maar zodra ze Erik herkende werden haar ogen groot. Jij!' zei ze, welhaast sissend van minachting. 'De bastaard De moordlustige bastaard!'
Ze draaide zich om naar de dichtstbij staande wachter en zei: 'Dood hem!'
Verbluft keek de wachter van Mathilda, de moeder van de baron, naar Manfred, die hem met een hand wegwuifde. Knikkend naar de baron stapte de wachter achteruit.
'Moeder, dat verhaal is allang afgedaan. Erik heeft gratie van de koning gekregen. Wat er in het verleden is gebeurd, is niet meer aan de orde.'
'Wel degelijk!' brieste de oude vrouw met een haat die Erik verraste. Haar afkeer van hem had hij zich voor kunnen stellen, vanwege de jaren dat zijn moeder Eriks vader wilde dwingen hem te erkennen, tot aan de moord op haar zoon. Maar nooit had hij iets dergelijks uit eerste hand ervaren. Geen van alle mannen tegenover wie hij op het slagveld had gestaan, had hem ooit bekeken met de pure, naakte haat die uit de ogen van Mathilda von Zwartheide sprak.
'Moeder!' zei Manfred. 'Zo is het genoeg. Ik beveel je op te houden!'
De vrouw richtte haar blik op haar zoon en meteen zag Erik dat haar haat niet beperkt bleef tot hem alleen. Ze deed een stap naar voren en even vreesde Erik dat ze haar zoon zou slaan. Met scherpe fluisterstem zei ze: 'Jij beveelt mij?' Ze bekeek haar zoon van top tot teen. 'Als jij net zo mans was als je broer, zou je die moordlustige bastaard doden voordat hij kon ontkomen. En als je maar half zo mans was als je vader, zou je allang zijn getrouwd en een zoon hebben gehad, zodat de aanspraken van deze bastaard niets zouden betekenen. Wil je soms dat hij jou vermoordt? Wil je in het stof liggen terwijl deze moordenaar jouw titel afpakt? Wil-'
'Moeder!' brulde Manfred. 'Genoeg!' Hij draaide zich om naar de wachters. 'Begeleid mijn moeder naar haar verblijf.' Zijn moeder weer aankijkend zei hij: 'Als je je voldoende kunt beheersen, eet dan vanavond met ons mee, maar als je je waardigheid in het bijzijn van prins Patrick niet kunt behouden, doe ons dan het genoegen de maaltijd op je kamer te gebruiken! En nu uit mijn ogen!'
Manfred liep door en Erik volgde, een blik over zijn schouder werpend. Geen moment liet haar blik hem los en bij iedere stap was Erik zich er scherp van bewust dat de oude vrouw hem dood wenste.
Zozeer was Erik door de vrouw in beslag genomen, dat hij Manfred bijna omverliep toen die de hoek om ging. 'Mijn excuses, Erik,' zei Manfred.
'Zo had ik het me nooit voorgesteld. Ik bedoel, ik dacht dat ik begreep...'
'Mijn moeder begrijpen? Je zou de eerste zijn.' Hij wenkte Erik mee. 'Jouw kamer is daar, aan het einde van de gang.'
Toen hij de deur opendeed en Erik binnenliet, volgde Manfred hem. 'Om twee redenen heb ik deze kamer voor je uitgezocht,' zei hij, en wees naar het raam. 'Dat is een vluchtweg. En dit is een van de weinige kamers in Zwartheide waar geen geheime gang op uitkomt.'
'Geheime gang?'
'Vrij veel hier,' zei Manfred. 'Dit kasteel is verscheidene malen vergroot sinds de eerste baron de oorspronkelijke vestetoren bouwde. Er waren wat vluchtwegen, voor het geval het kasteel mocht vallen, en later zijn er kamers met sluipgangetjes bijgebouwd zodat de heer midden in de nacht zijn favoriete bediende kon bezoeken. Sommige gangen zijn erg nuttig voor de bedienden, zodat ze het kasteel door kunnen zonder in de weg te lopen, maar voornamelijk zijn het verlaten oude weggetjes, alleen
bruikbaar voor wie zijn buren wenst te bespioneren. En voor moordenaars.'
Erik nam plaats op een stoel in de hoek. 'Bedankt.'
'Graag gedaan,' zei Manfred. 'Mag ik je een bad en schone kleren aanraden? Ik zal de bedienden meteen wat water voor je laten halen. De kleren in de garderobe zullen vast wel passen.' Hij grijnsde. 'Die waren van vader.'
'Vind je het leuk je moeder te ergeren?' vroeg Erik.
Manfreds gezicht gaf blijk van verholen woede. 'Meer dan je ooit zult weten.'
Erik slaakte een zucht. 'Ik heb nog eens nagedacht over de dingen die je me over Stefan hebt verteld, toen je me in de gevangenis kwam opzoeken. Ik zal wel nooit helemaal hebben begrepen hoe zwaar het voor je moet zijn.'
Manfred begon te lachen. 'Je hebt geen idee.'
'Mag ik je wat vragen?'
'Ga je gang.'
'Waarom haat ze jou? Dat ze mij haat snap ik wel, maar ze keek met dezelfde blik naar jou.'
'Dat, broer~e, is iets wat ik misschien op een dag nog eens onthul, maar laat ik voorlopig alleen zeggen dat mijn moeder nooit waardering heeft kunnen opvatten voor mijn manier van leven. Als de tweede zoon, die geen titel zou erven, gaf ik daarmee reden voor enige onmin. Sinds Stefans... verscheiden zijn de spanningen echter aanzienlijk opgelopen.'
'Het spijt me dat ik het heb gevraagd.'
'Dat geeft niets. Ik kan je nieuwsgierigheid best begrijpen.' Manfred draaide zich om naar de deur. 'En misschien vertel ik het je nog wel een keer. Niet omdat je het recht hebt het te weten, maar omdat het mijn moeder uitermate ongelukkig zou maken.'
Met wat Erik beschouwde als een gemene grijns verliet Manfred de kamer. Erik leunde achterover, wachtend tot de bedienden met het badwater kwamen. Hij was ingedoezeld toen er werd geklopt Slaperig stond hij op en deed de deur open, waarop er zes bedienden binnenkwamen met emmers dampend water en een grote metalen tobbe.
Terwijl de anderen het bad vulden, liet hij de twee mannen die de tobbe naar binnen hadden gedragen, zijn laarzen uittrekken. Zittend in het hete water kreeg Erik het gevoel alsof eindelijk alle zere plekken
werden verzacht. Even bleef hij languit zitten weken, maar schoot met een ruk overeind toen een van de bedienden hem begon in te zepen.
'Is er iets mis, mijn heer?'
'Ik ben geen heer. Zeg maar kapitein en ik was mezelf wel,' zei Erik, de washand en zeep van de man af pakkend. 'Jullie kunnen gaan.'
'Zullen we eerst nog uw kleren klaarleggen?'
'Eh, ja, dat zou prettig zijn,' zei Erik, nu klaarwakker. De andere bedienden vertrokken, terwijl de man die had gesproken kleren uit de garderobe haalde. 'Zal ik laarzen halen, kapitein?'
'Nee, ik draag mijn eigen.'
'Ik zal ze poetsen voordat u gaat, kapitein.' Hij was de deur al uit voordat Erik kon protesteren. Zijn schouders ophalend, begon hij zich uitgebreid te wassen. Hij genoot zelden de luxe van een heet bad en terwijl het water langzaam afkoelde, voelde hij zich verkwikt worden. Als de prins vanavond niet nog een vergadering belegde, ging hij na de maaltijd meteen naar bed om als een blok in slaap te vallen. Even later bedacht hij zich en besloot hij toch maar licht te slapen, ook met de deur gebarricadeerd.
Erik had geen idee van de tijd, maar wilde niet te laat zijn voor het avondmaal met de Prins van Krondor. Hij droogde zich af en bekeek de kleren die de bediende voor hem had uitgezocht. De man had een gele maillot, een lichtblauwe tuniek en een stijlvolle mouwloze mantel met een heel licht grijze, bijna witte tint klaargelegd. Erik besloot de mantel te laten liggen en trok de broek en tuniek aan. Net toen hij klaar was, maakte de bediende de deur open. 'Uw laarzen, kapitein.'
Erik was verbaasd. In korte tijd had de man al het bloed en vuil eraf weten te krijgen en het leer ook nog een redelijke glans gegeven. 'Dank je wel,' zei Erik, de laarzen in ontvangst nemend.
'Zal ik de badkuip weghalen terwijl u eet?' vroeg de bediende.
'Ja,' zei Erik en hij trok zijn laarzen aan. De bediende vertrok en Erik wreef met een hand langs zijn kin. Hij wou dat hij een scheermes en wat zeep had, die hij vast wel zou hebben gekregen als hij daarom had gevraagd, maar dat had hij niet, dus besloot hij dat een stoppelbaard niet zo erg was als een wachtende Prins van Krondor.
Hij liep de gang in, sloeg de hoek om in de richting van de raadszaal, en zag bij de deur daarvan twee wachters staan. Toen hij vroeg naar de weg naar de eetzaal, salueerde een van hen. 'Volgt u mij maar, kapitein.'
Dat deed hij en de man ging hem voor door een reeks gangen naar wat volgens Eriks vermoeden de oorspronkelijke veste of anders een iets latere aanbouw was, want de eetzaal was verrassend intiem. Tafels vormden een vierkant met plaats voor twaalf gasten per zijde, maar de stoelen stonden slechts een paar voet voor de muren, dus als er veel mensen op hetzelfde moment langs wilden, werd het wat krap. Erik knikte naar verscheidene edellieden die hij in Krondor had ontmoet en werd nadrukkelijk genegeerd door enkele anderen die druk in gesprek waren verwikkeld. Owen was er al en gaf aan dat hij naast hem kon gaan zitten.
Rond de tafel lopend, zag Erik dat de drie stoelen rechts van Grijslok leeg waren. 'Neem deze maar,' zei Grijslok, wijzend op de zitplaats links van hem en klopte vervolgens op de stoel aan zijn rechterzijde. 'Deze is van de prins.'
Plots merkte Erik dat alle edelen aan tafel naar hem keken en hij werd er verlegen van. Hertogen, graven, baronnen en jonkheren, allen zaten lager in rang dan hij. Hij wist dat ieders plaats ten opzichte van de prins serieuze gevolgen voor de hofintriges had en betreurde het dat hij er niet aan had gedacht de stoel tegenover die van de prins te nemen, aan de tafel aan de andere kant van de kamer.
Een paar minuten later ging de deur achter hem open. Erik keek om en zag prins Patrick binnenkomen. Evenals de edelen stond hij op en neeg zijn hoofd.
Daarna kwam baron Manfred, hun gastheer, gevolgd door zijn moeder.
De prins nam de plaats in het midden van de tafel aan het hoofd en Manfred liep naar de stoel rechts van hem. Mathilda ging al naar haar plek, maar toen ze Erik zag, zei ze: 'Ik eet niet aan dezelfde tafel als de moordenaar van mijn zoon!'
'In dat geval, mevrouw, eet u alleen,' zei Manfred en met een hoofdknikje gaf hij de wachters bevel zijn moeder naar haar kamer te begeleiden. Ze draaide zich om en ging zwijgend met de wachters mee.
Verscheidene aanwezige edellieden zaten zachtjes met elkaar te praten, tot de prins nadrukkelijk zijn keel schraapte. 'Zullen we beginnen?' zei hij.
Manfred neeg zijn hoofd en de prins ging zitten. De anderen volgden zijn voorbeeld.
Het eten was verrukkelijk en de wijn de beste die Erik ooit had geproefd, maar door zijn vermoeidheid viel het hem zwaar alert te blijven. Niettemin waren de gesprekken aan tafel belangrijk, want de mannen spraken over de komende strijd.
Op een bepaald moment merkte iemand op dat de noordelijke flank zo goed standhield dat het wellicht verstandig zou zijn wat van hun soldaten terug te roepen om Zwartheide te versterken. De prins hoorde het en zei: 'Zo verstandig zou dat niet zijn. We mogen er niet van uitgaan dat de vijand niet een dag later met een grote strijdmacht teruggaat.'
De tafelgesprekken kwamen op speculaties aangaande de komende strijd. Op een gegeven moment zei prins Patrick: 'Kapitein Von Zwartheide, meer dan alle andere aanwezigen bent u bekend met de vijand. Wat kunnen we verwachten?'
Alle ogen in de kamer werden op Erik gericht. Hij keek naar Grijslok, die hem even toeknikte, waarop Erik zijn keel schraapte. 'We kunnen verwachten dat er tussen de honderdvijftig- en honderdvijfenzeventigduizend soldaten voor de stadsmuren en langs de gehele lengte van de Nachtmerriekam komen,' zei hij.
'Wanneer?' vroeg een sjiek uitgedoste hoveling.
'Ieder moment,' antwoordde Erik. 'Morgen zelfs al.'
De man werd bleek bij het horen van dat nieuws en zei: 'Hoogheid, wellicht moeten we het Leger van het Oosten roepen. Dat ligt per slot van rekening al in de heuvels ten oosten van de stad.'
'Het Leger van het Oosten wordt geroepen als ik dat nodig vind,' zei Patrick. Hij keek Erik aan. 'Om wat voor mannen gaat het?'
Erik wist dat de prins ieder verslag had gelezen dat Caelis had gestuurd op zijn drie reizen naar Novindus, tijdens zijn grootvader Arutha's bewind, tijdens zijn oom Valentijns bewind, en de laatste keer. Ook had hij zelf al vijf maal over ditzelfde onderwerp met de prins gesproken, dus Erik begreep dat hij het vroeg ten behoeve van de edellieden in de kamer die nog niet in de strijd waren gehard. Even wierp hij een blik op Grijslok, die met een flauwe glimlach om de lippen weer zachtjes naar hem knikte. Erik kende Owen goed genoeg om te begrijpen wat er van hem werd verlangd. Hij schraapte zijn keel. 'Hoogheid, de vijand bestaat oorspronkelijk uit huurlingenkorpsen, mannen die tegen betaling vochten onder een ijzeren gedragscode. Sindsdien zijn ze door moord, angst en zwarte magie gesmeed tot een strijdmacht die zijn weerga in heel de krijgsgeschiedenis van het Koninkrijk niet kent.' Hij keek de kamer rond.
'Sommige soldaten hebben al een halve wereld strijdend doorgetrokken, van de val van het Westland in Novindus tot de verwoesting van Krondor. Al twintig jaar lang doen ze niets dan oorlog voeren, roven, plunderen en verkrachten.' De sjiek geklede hoveling aankijkend voegde hij eraan toe: 'Er zijn ook kannibalen bij.'
De man werd zo bleek dat het ernaar uitzag dat hij flauw ging vallen. Erik sprak verder. 'Ze komen op ons af omdat ze geen keus hebben. Wij hebben hun vloot achter hen verbrand en ze hebben niets te eten. Ook beschikken ze over zo'n tien- tot twintigduizend Saaurs - het exacte aantal is ons niet bekend.' Sommige oosterse edellieden keken op met een vragende blik bij het horen van die naam. 'Voor degenen die het nog niet weten: Saaurs zijn hagedismensen, enigszins verwant aan de Pantathiërs, maar negen voet lang. Ze berijden krijgspaarden met een schofthoogte van vijfentwintig handbreedten en als ze aanvallen, klinkt het als onweer in de bergen.'
'O, grote goden!' zei de sjieke hoveling en stond op, een hand voor zijn mond geslagen. Hij stormde de kamer uit, en na een ogenblik van stilte barstten verscheidene heren in de kamer in lachen uit.
Ook de prins moest erom lachen, maar toen de pret wat was gezakt, zei hij: 'Mijne heren. Ondanks de frivoliteit is ieder woord dat kapitein Von Zwartheide heeft gesproken, waar. Sterker nog, zijn woorden eerder aan de voorzichtige kant.'
'Wat moeten we dan doen?' vroeg een andere goed geklede heer die eruitzag alsof hij heel zijn leven nog nooit een zwaard had vastgehouden.
'Vechten, mijn heer. Hier houden we stand, in Zwartheide en langs de Nachtmerriekam. En we wijken geen duimbreed, want als de vijand ons passeert, is het Koninkrijk ten dode opgeschreven. Het is buigen of barsten, de overwinning of de dood. Een andere keus is er niet.'
De kamer viel stil.