18 Belemmeringen
Er klonk een luid gerommel door de vloer.
'Ben je van plan de hele stad op te blazen, Robbie?' vroeg Lysle.
Robert keek de anderen in het donker van het pakhuis aan en zei rustig: 'Als het nodig is.' In het zwakke schijnsel van een enkele lantaren keek hij naar zijn broer. Al twee dagen waren zijn soldaten er in het riool op uit geweest om informatie te verzamelen teneinde de voortgang van de gevechten boven de grond te bepalen en de verdediging van de stad te coördineren.
Een van de dingen die Robert had geweten, was dat de demon met behulp van zijn magie waarschijnlijk al gauw Krondor binnen zou zijn. In plaats van alles op de verdediging van de muren te zetten en niets in de stad, had hij het leven van honderden soldaten opgeofferd om bij de vijand de indruk te wekken dat de stad zwaar verdedigd werd. Maar pas als de indringers waren zouden ze merken dat de strijd nog maar net was begonnen.
Tijdens het coördineren van de verdediging vanuit zijn ondergrondse commandopost, slechts onderbroken door maaltijden en korte momenten van slaap, had hij de gelegenheid gekregen zijn broer te leren kennen. Hij vond het triest te ontdekken dat hij in de zeventig jaren van zijn bestaan slechts enkele uren met zijn broer had doorgebracht. Lysle was dan wel een moordenaar, beroepsdief, smokkelaar en souteneur, en als zodanig schuldig aan evenveel misdaden als er vliegen op een mesthoop rond kropen, maar in Lysle herkende hij hoe hijzelf zou zijn geweest wanneer hij al die jaren geleden niet toevallig prins Arutha tegen het lijf was gelopen. Hij had Lysle verteld over die ontmoeting, toen hij de prins op straat zijn best zag doen uit handen van Jocko Radbrands geheime politie te blijven, en ook dat hij later Arutha had gered van een moordenaar op de daken. Die daad had ertoe geleid dat Robbie de Hand, straatdief, was veranderd in jonker Robert, die hier vijftig jaar later zat als Robert, Hertog van Krondor.
Hij zuchtte. 'Ik had je in die jaren vaak goed kunnen gebruiken als ik had geweten dat ik je kon vertrouwen.'
Lysle schoot in de lach. 'Robbie, in de korte tijd dat ik je ken - wat, drie bezoekjes in veertig jaar? - ben ik van je gaan houden als de broer die je bent, maar je vertrouwen? Je maakt een grapje.'
Ook Robert begon te lachen. 'Ik denk het. Als je de kans had gekregen, zou je mij hebben laten ophangen wegens hoogverraad om zelf Hertog van Krondor te worden.'
'Waarschijnlijk niet. Dergelijke ambities heb ik nooit gehad.'
De twee mannen hoorden nog een doffe dreun en een van de soldaten zei: 'Dat zal het verlaten pakhuis in de molenbuurt zijn, langs de rivier. Daar hebben we tweehonderd vaten in opgeslagen.'
Al ruim voor het beleg hadden Roberts mannen overal in de stad op strategische punten grote hoeveelheden vaten met Quegse petroleum geplaatst. 'Je had de verdediging van Armengar moeten zien,' zei Robert tegen de soldaat. 'Die stad was de droom van iedere verdediger en de nachtmerrie van iedere aanvaller.' Hij maakte een kronkelende beweging met zijn hand, als een slang die door het gras kroop. 'Geen straat langer dan een boogschot zonder een bocht erin. Nergens ramen op de begane grond, alleen zware eikenhouten deuren die alleen van binnen konden worden afgesloten, en alle daken plat.'
De soldaten glimlachten en knikten. 'Boogschutters platforms,' zei een van hen.
'Reken maar,' zei Robert. 'De verdedigers konden van het ene naar het andere dak gaan via lange planken die ze daarna introkken, terwijl beneden de aanvallers bij iedere stap bloot stonden aan schuttersvuur. En toen Murmandamus en zijn troepen in de stad waren, heeft Gys van Bas-Tyra vijfentwintigduizend vaten nafta -'
'Vijfentwintigduizend?' zei Lysle. 'Je overdrijft.'
'Absoluut niet. En toen die de lucht in gingen...' Hij leunde achterover tegen de muur. 'Ik kan het niet onder woorden brengen. Maar stel je een toren van vuur voor die tot in de hemel reikt en je krijgt enig idee. En het kabaal! Ik werd er bijna doof van. Mijn oren piepten na een week nog.'
Er werd op de deur geklopt en de mannen trokken hun wapens. De klop werd in hetzelfde patroon herhaald en de enkele lantaren werd afgedekt om de patrouille binnen te laten. De zes soldaten kwamen vlug binnen, gevolgd door drie burgers. 'Die liepen beneden rond te dwalen,' zei de leider van de patrouille.
Lysle Rigger wierp een blik op hun gezichten en zei: 'Ze zijn van mij.'
'En wie ben jij dan?' vroeg een van de drie mannen.
Robert begon te lachen. 'Anonimiteit heeft zo zijn nadelen.' Tegen de drie dieven zei hij: 'Dat is jullie baas. Dit is de Oprechte Man.'
De drie keken elkaar aan en een van hen zei: 'En dan ben jij zeker de Hertog van Krondor.'
Iedereen in de ruimte schoot in de lach, behalve de drie mannen. Een jonge vrouw, een van Lysle's dievegges, kwam hun uitleggen hoe de vork in de steel zat. Toen duidelijk werd dat ze het meende en een van de zwaar bewapende soldaten ook zei dat het waar was, werden de drie mannen stil. De hertog en de leider van het dievengilde mochten dan in een kelderruimte van het riool zitten, maar het waren nog steeds de twee machtigste mannen van de stad.
Met regelmatige tussenpozen vertrokken er verkenningsgroepjes die terugkwamen met nieuws over de gevechten boven in de stad. De verdedigers lieten de indringers zwaar boeten voor iedere straat en ieder huis, maar de uitkomst stond al vast.
Lysle, die er genoeg van kreeg dat hij nu al dagenlang opgesloten zat, vroeg: 'Als de slag toch al verloren is, waarom stuur je je jongens dan niet de stad uit?'
'Omdat ik hen onmogelijk kan bereiken, tot mijn spijt,' zei Robert en op zijn gezicht was zijn oprechte leedwezen zichtbaar. 'En om ons plan te laten slagen, moeten de indringers denken dat we ons hele leger hier hebben ingezet.'
'Allemachtig, wat een kouwe kikker ben jij!' riep Lysle uit. 'Ik weet niet of ik wel zoveel jongens de dood in zou kunnen jagen.'
'Natuurlijk wel,' zei Robert op zakelijke toon. 'Als het jouw taak was het Koninkrijk te redden, zou je daar ook een stad voor opofferen, ook die van de prins.'
'Wat is het plan dan?'
Robert legde het uit. 'Ik heb een paar duizend vaten Quegse petroleum hier beneden, klaar om leeg te laten lopen in het riool. Vroeg of laat komen die schoften hierboven op het idee dat er nog mensen in het riool moeten zitten en als ze komen, heb ik een verrassing voor ze.'
'Een paar duizend?' Lysle floot waarderend. 'Dat is lelijk spul. Het blijft gewoon branden op het water.'
'En dat is nog niet alles,' zei Robert. Hij wees naar een ketting, zo te zien nog vrij nieuw; die langs de ene muur hing, voortdurend bewaakt door een van de soldaten.
'Ik vroeg me al af wat dat was.'
'Iets wat ik heb opgestoken van die oude Gys van Bas-Tyra toen we Armengar ontvluchtten. Als je aan die ketting trekt, verspreid een nevel van nafta zich in de tunnels. Er is een systeem van kleine, afgesloten afvoerbuizen, pijpen en kanalen -'
'Die ken ik. Dat is het eerste riool van de stad. Maar dat werd afgesloten toen honderd jaar geleden het dieper gelegen riool werd gebouwd.'
'Nou, het stelsel is opnieuw in gebruik genomen.' Hij leunde weer tegen de muur. 'Het is een groot voordeel als je beschikt over alle plannen die er ooit zijn gemaakt voor alle gebouwen en openbare voorzieningen in de stad. Als die buizen eenmaal vol zitten met naftagas, loopt het over in de grote riool-tunnels. Daar mengt het zich met het bestaande rioolgas, en daar komt dan nog de petroleum boven op het slijk bij, plus de vaten die we hier open kunnen maken. Eén vonkje en de hele stad zegt boem.'
'Boem?'
'De lucht in,' zei Robert. 'Als het stof neerdaalt, staan er in heel Krondor geen twee stenen meer boven op elkaar.'
'Krijg nou wat,' zei Lysle.
'Het gaat me aan het hart. Deze stad is mijn thuis, riool of paleis, dief of edelman. In Krondor ben ik geboren.'
'Nou, dat is natuurlijk allemaal erg mooi, van dat thuis en zo, maar zou je mij de gelegenheid willen geven op enige afstand te geraken voordat je aan die ketting trekt?'
Robert begon te lachen. 'Tuurlijk. Als we aan die ketting trekken hebben we nog ongeveer een uur, tenzij er al brand is in deze kant van het riool.' Hij haalde zijn schouders op. 'Ik weet niet hoeveel tijd ons dan nog rest.' Wijzend naar een deur in de oostelijke muur van de kelder zei hij: 'Er loopt daar een tunnel helemaal naar een gebouw in de buitenstad. Zoals ik al zei, dit was de route die Gregor Tromp en de Snaken gebruikten om hun smokkelwaar van en naar Krondor te vervoeren.'
'Dus je stuurt iedereen vooruit, trekt aan die ketting en zet het op een lopen?'
'Zoiets,' zei Robert grijnzend.
Lysle Rigger leunde naast zijn broer achterover. 'Nou, erg veel zin om op klaarlichte dag omhoog te klimmen om te worden omsingeld door een invasieleger heb ik niet, maar ik doe dat toch liever dan hier te blijven zitten en levend te worden gebraden.'
Geluid van boven deed hen allen opkijken naar het plafond, de vloer van de kelder van de oude molen. De ruimte eronder was verborgen, maar de soldaten liepen toch zachtjes naar het klapluik, de wapens in de aanslag.
'Zo te horen hebben ze dit deel van de stad al bereikt,' zei Robert zacht.
'Of iemand probeert zich te verstoppen,' fluisterde Lysle. 'Misschien nog wat van mijn mensen.'
Robert gaf een van zijn wachters een teken en de man knikte, legde zachtjes zijn zwaard en schild neer en beklom de korte trap naar het luik in de vloer erboven. Hij duwde het een klein stukje open, gluurde naar buiten en stapte toen achteruit, duidelijk verrast.
'Mijn vrouwe,' zei hij.
Met een ruk keek Robert op en zag zijn vrouw de trap af komen. 'Wat doe jij hier?' riep hij uit.
Gamina hief haar hand op. 'Niet zo'n toon tegen mij, Rob.'
Robert wist zijn woede maar amper te beheersen. 'Jij hoort allang in Zwartheide te zitten, met Arutha en de jongens. Hoe ben jij in hemelsnaam hier gekomen?'
Ze was met modder besmeurd en ook haar gezicht was vies. Haar haren zaten in de war en vol roet. 'Je was vergeten dat Puc je een van die Tsuranese transportbollen had gegeven. Ik niet.'
'Hoe wist je waar je me kon vinden?' vroeg hij, met nog steeds sissende stem.
Ze raakte haar mans wang aan. 'Domme oude man,' zei ze, 'dacht je nou echt dat ik je gedachten niet van mijlenver kon horen?'
Zijn woede ebde weg. 'Waarom ben je hierheen gekomen? Je weet dat de kans bestaat dat we hier niet levend vandaan komen.'
Haar ogen werden vochtig van emotie. 'Ja, dat weet ik, maar denk je dat ik na al die jaren samen nog zou kunnen leven zonder jou?'
Robert nam haar in zijn armen en drukte haar tegen zich aan. 'Je moet terug.'
'Nee, ik ga niet,' zei ze ferm. 'En ik kan ook niet. De energie van dat apparaat is uitgeput. Ik kon nog net op de markt bij de muur komen en daar heb ik hem ergens in de modder gegooid. Ik moest hier lopend naar toe.' Ze ging dicht tegen hem aan staan en fluisterde in zijn oor: 'Als jij niet kunt leven zonder deze stomme stad, dan moet je ook maar weten dat ik niet kan leven zonder jou.'
Zwijgend hield hij haar vast. Na meer dan dertig jaar huwelijk wist hij dat het geen zin had haar tegen te spreken. Het was zijn bedoeling geweest als laatste de stad te verlaten, en als het lot bepaalde dat hij met Krondor ten onder zou gaan, dan moest dat maar zo zijn. Sinds het ontwerp van het plan om de vijand te verslaan, had hij voortdurend geworsteld met de verschrikkelijke prijs die de burgers van de hoofdstad van de prins moesten betalen. Ze konden niet van tevoren worden gewaarschuwd, noch geordend geëvacueerd, want als de vijand dacht dat er in de stad niets te plunderen of te eten viel, zouden ze die links hebben laten liggen. Bovendien moest de vijand in de waan blijven dat het overgrote deel van het Koninkrijkse leger in Krondor was gesneuveld.
Robert kon het idee nauwelijks verdragen dat hij zoveel mensen en zoveel van wat zijn leven was geweest zou moeten achterlaten terwijl hij zelf bleef leven. Wellicht was het de vrees voor de geesten van degenen die de prijs moesten betalen opdat Robert tijd kon winnen voor het Koninkrijk, hij wist het niet. Maar op een bepaald punt tijdens de voorbereidingen van de verdediging van het Koninkrijk had Robert besloten dat hij, als het zover was, desnoods samen met zijn stad - prins Arutha's stad - ten onder zou gaan. Maar nu moest hij zijn plannen wijzigen, want hij wist dat Gamina niet zonder hem zou vertrekken.
'Is dit je vrouw?' vroeg Lysle.
Robert knikte, Gamina's hand vasthoudend. 'Dit is de enige vrouw van wie ik ooit heb gehouden, Lysle.' Hij glimlachte naar haar.
Met grote ogen keek ze Robert aan. 'Je broer?' Toen hij knikte, zei ze tegen Lysle: 'Ik heb van je gehoord, maar had geen beeld van je.' Ze keek van de een naar de ander. 'Het is duidelijk te zien.'
Robert beduidde zijn vrouw te gaan zitten en zei: 'Ik zal je vertellen over de keer dat ik deze kerel voor het eerst heb ontmoet, toen ik in Tannerus steeds ruziezoekers tegen het lijf liep omdat ze dachten dat ik hem was.'
Lysle begon te lachen. 'Dat is een mooi verhaal.'
Robert begon met het uitleggen van de vreemde missie waarop prins Arutha hem had gestuurd, samen met de jongste zoon van een plaatselijke edelman die toevallig een leerling-magiër op Sterrewerf was, een gevluchte hoofdman van de moredhel, en zijn oude vriend Joolstein. Gamina kende het verhaal net zo goed als Robert zelf, aangezien ze het al tien keer had gehoord, maar ze maakte het zich gemakkelijk naast haar man, leunend met haar hoofd op zijn schouder, en liet het hem vertellen. Het bood de soldaten en dieven die zich in het donker ophielden afleiding van het verschrikkelijke lot dat hun wachtte, en een poosje hoorden Ze van betere tijden, toen de helden nog wonnen en de kwade krachten versloegen. En trouwens, bedacht ze, zoals Lysle al zei, het was een mooi verhaal.
Caelis keek ingespannen toe. Er bewoog iets in de Levenssteen. Hij had al zitten turen vanaf het moment dat Puc de Levenssteen in de tijd had verschoven zodat ze hem allemaal konden aanschouwen. Hij kon er binnenin energie voelen, en nadat hij er urenlang naar had gekeken, meende hij die te kunnen zien.
Wanneer de begeleiders van het orakel hun mystieke lessen onderbraken, kwamen ze naderbij om een tijdlang samen met hem te kijken. Ze deelden hun voedsel met hem, al was hij zich maar amper bewust van wat hij at. Hij werd geheel in beslag genomen door het juweel.
Terwijl hij zich ontspande, liet hij zijn gedachten de vrije loop, en van tijd tot tijd zag hij flitsen van beelden. Wezens die sterk op zijn vader leken; gebeurtenissen op plaatsen onmogelijk ver hiervandaan; schepsels en wezens uit een andere tijd. En hij ontwaarde sporen van krachten achter die beelden, en die waren het meest fascinerend.
De uren vergleden tot dagen en terwijl Caelis alle gevoel voor tijd verloor, dook hij dieper en dieper in het geheim van de Levenssteen.
Erik riep bevelen en zijn mannen begonnen aan een beheerste aftocht. Nog geen halve mijl verderop naderde de vijand, in groten getale, en Grijslok had bericht gestuurd dat de volgende uitwijk-positie in stelling was gebracht.
De beste manier om de tijd die met de val van Krondor verloren was gegaan terug te winnen, had Erik besloten, was van dag tot dag te leven, in plaats van er voortdurend aan te denken dat ze werden geacht de opmars van de vijand drie weken tegen te houden. Volgens het oorspronkelijke strijdplan hadden ze de eerste positie zeven dagen moeten vasthouden - het waren er negen geworden.
Er waren nog zeven verschansingen voordat ze in de bergen de pas naar Zwartheide namen, en als hij bij ieder bolwerk drie of vier dagen kon winnen, hadden ze de verloren tijd grotendeels ingehaald. Maar erg optimistisch was Erik niet over het bereiken van dat doel. Het plan voor de verdediging van het Westen ging ervan uit dat de noordelijkste en zuidelijkste posities standhielden terwijl Eriks centrumpositie zich als zwak voordeed en zich terugtrok om de vijand mee te lokken. De beide flanken in het noorden en zuiden vormden een trechter voor het Novindische leger, dat hierdoor niet verder dan vijf mijl aan weerszijden van de Koningsheerbaan kon afwijken. Het probleem met het plan was dat er met het verstrijken der dagen steeds meer vijandelijke soldaten op Eriks positie werden afgestuurd.
Meer dan eens in de eerste week van gevechten had Erik de wens uitgesproken dat Caelis niet was weggeroepen en dat Grijslok het centrale element had geleid. Erik had veel liever zijn oorspronkelijke opdracht gehad om de noordelijke flank vast te houden. Vechten vanachter een goed verdedigbare positie was veel makkelijker dan deze vertragingsactie.
Inmiddels hadden zijn verkenners strijdbanieren omhoog zien komen, dus de vijand bereidde zich voor op een grootschalig offensief op zijn positie. Hij had al minstens een mijl verderop willen zijn voordat de vijand arriveerde. Met handsignalen beval Erik zijn mannen het gebied te verlaten, en hij gaf de boogschutters opdracht zich terug te trekken. Eigenlijk hadden zij de vijand op diens mars moeten bestoken, maar de berichten wezen erop dat de aantallen van de indringers te groot waren. Onderweg zou hij wel zoeken naar een geschikte plek voor een hinderlaag, zodat de boogschutters de vijand konden beschieten en toch ook een goede kans hadden om weg te komen.
De moeilijkheid was dat ze maar weinig tijd hadden om zich voor te bereiden als de vijand al tijdens de eerste fase van de aftocht aanviel. Als ze het Novindische leger Ver genoeg voor konden blijven, hadden ze de mogelijkheid om zich vlug te verschansen wanneer ze werden ingehaald, maar als ze werden aangevallen terwijl ze zich aan het terugtrekken waren, zouden de overweldigende aantallen van de vijand voor Eriks onderdeel een ramp zijn.
Hij moest zijn mannen de weg af sturen naar de volgende opgeworpen verschansing, waar Grijslok met zijn onderdeel wachtte. Gezamenlijk zouden de twee eenheden die positie verdedigen tot de vijand zich terugtrok, op welk punt Grijsloks mannen de wijk namen naar de volgende verdedigbare positie. Dat was het patroon voor de komende drie maanden, of tot ze in Zwartheide kwamen. Naarmate de vijand zich verwijderde van de voorste noord- en zuidlinies, zouden die eenheden achter de gelederen langs trekken om de soldaten in het centrum te verversen, maar die fase van de operatie ging pas over een maand van start en als de vijand zich niet terugtrok van de flanken, kwam er helemaal geen steun.
Terwijl de manschappen zich op weg begaven, bleef Erik nog even achter met zijn laatste gelid tirailleurs, die hier zouden blijven tot de vijand in zicht was. Hij keek naar het westen, naar de late middagzon, en zag de rook oprijzen van het brandende Krondor. Erik vroeg zich af hoe het Wiliam, Robert en de anderen verging. In stilte bad hij tot Ruthia, de Vrouwe van het Geluk, vragend om een kans dat zij er heelhuids uitkwamen.
Toen wendde hij zijn paard en galoppeerde weg om de kop van zijn onderdeel in te halen. Hij had ruwweg drie uur om bij de volgende positie te komen en dan nog een uur om zich in te graven voordat de avond viel. Hij kon onmogelijk weten of de vijand doormarcheerde tot de avond en dan aanviel, of zou wachten tot de ochtend, maar op beide gevallen wilde Erik voorbereid zijn.
Zelfs onder in de riool-kelder klonken de geluiden van de veldslag door. De wachters waren naar de verscheidene buitenposten in het riool geweest en Robert had een redelijk idee van de plaatsing van de vijandelijke troepen in de stad. Het centrum van Krondor stond in brand en in het oostelijke deel werd sporadisch gevochten.
De grote legermassa wachtte achter de vlammenzee tot het vuur was uitgewoed. De enige verkenner die een blik had gewaagd, meldde dat er duizenden gewapende mannen wachtten tussen de uitgebrande ashopen van het westelijke deel van de stad. Het paleis was een bult geblakerd steen die nog steeds rookte. Robert begreep dat zijn zwager dood moest zijn; Gamina had bevestigd dat ze Wiliam met haar gedachtenspraak niet kon bereiken. Normaal gesproken had die een beperkte reikwijdte, maar in het geval van haar familie was dat bereik veel groter. Ze had haar man van mijlenver kunnen vinden.
Met zijn armen rond zijn vrouw geslagen zat Robert zwijgend op de stenen vloer van de vochtige, donkere ruimte. Ook de anderen waren stilgevallen. Het ontsnappingsplan vereiste een hoop geluk, en iedereen had het idee dat dat van hen allang op was.
Robert gaf instructies aan de verkenner die een weg naar het westen had gevonden en de man spoedde zich heen om te doen wat hem was gezegd. Gamina dommelde in tegen de schouder van haar echtgenoot terwijl ze wachtten. Toen het naar Roberts gevoel zonsondergang was, kwam de verkenner terug. Iets in zijn houding deed iedereen in de kelder opkijken en allen luisterden aandachtig toen hij zei: 'Mijn heer!'
'Rapport,' gelastte Robert.
'De indringers worden aangevallen door schepen.'
Gamina sloot haar ogen. 'Valentijn is er niet bij.'
'Dan is het heer Vykors vloot uit de Baai van Shandon,' zei Robert.
Hij klopte zijn vrouw op de schouder en stond traag op. 'Ik ben te oud om op die koude vloeren te zitten.' Nadat hij Gamina overeind had geholpen, zei hij: 'Het is zover.'
'Wat gaan we doen?' vroeg Lysle.
'Ons vege lijf zien te redden,' antwoordde hij, zijn vrouw aankijkend. 'Heer Vykor hield zich met een vloot verborgen in de Baai van Shandon en zijn opdracht was zich aan te sluiten bij wat er over was van Valentijns vloot nadat die door de Straat was gevaren om de indringers te volgen. Zodra de invasievloot voor anker lag, moesten ze de aanval openen en zo veel mogelijk vijandelijke schepen in brand schieten terwijl wij de stad in lichterlaaie zetten. Zoals je hebt gezien, is het niet helemaal volgens plan verlopen. Maar we weten dat het grootste deel van het vijandelijke leger, hun keurcorps, in het westelijke deel van de stad zit te wachten tot het vuur is uitgewoed. Wel, als we de nafta in het oude rioolsysteem loslaten, vliegt de hele stad onder hen de lucht in. En als hun schepen al in de fik staan, kunnen ze nergens heen.'
'Je zegt dat met een zekere opgewektheid,' merkte Lysle op.
'Het is mijn stad,' siste Robert tussen opeengeklemde tanden door. 'Goed, wat eerst?'
'Let op mijn mannen en loop niemand in de weg,' zei Robert. Hij gaf zijn soldaten een teken.
Met stille doelmatigheid liepen er zes naar de grote dubbele deur van de opslagplaats waar de vaten nafta lagen en maakten die open, terwijl twee anderen de deuren daar tegenover, die naar het riool leidden, openzetten. Terwijl de deuren naar het riool openzwaaiden, begonnen de zes mannen aan de andere kant de vaten naar buiten te rollen. Twee andere soldaten zwoegden om een stokoude roestige ijzeren hefboom om te zetten.
'Zeg je jongens dat ze zich nuttig maken en wat extra gewicht in de strijd gooien,' gebood Robert, wijzend naar de halsstarrige hefboom.
Lysle zwaaide met een hand en vier van zijn dieven kwamen overeind om te helpen. Toen de hefboom in beweging kwam, hoorden ze water stromen.
'Achter die muur zit een oud waterreservoir,' zei Robert. 'Met die hefboom laat je het leeglopen zodat er een sterke stroming naar de haven ontstaat.'
Gefascineerd keek Lysle naar de zes in het zwart geklede soldaten die de vaten nafta langs de helling naar het water rolden. De stroming in het riool was al merkbaar sneller en de vaten dreven in redelijk tempo bij hen vandaan.
Een van de omlaag rollende vaten sloeg tegen de zijkant van de deur en barstte open. De geur van Quegse petroleum steeg op. 'Een beetje op het wateroppervlak doet de boel alleen maar beter fikken,' zei Robert met een grimmige glimlach.
'Als jij het zegt,' zei Lysle. 'Maar vertel me nog eens over dat ontsnappings-gedeelte van dat plan van jou.'
'Zodra de vaten allemaal naar de haven drijven,' zei hij. 'We hebben nog een uur of zo. Laten we hopen dat de vloot doet waarvoor hij gekomen is.'
Heer Karoyle Vykor, Admiraal van de Koninkrijkse Vloot van het Oosten, schreeuwde: 'Vuur!'
Nog eens twaalf katapults van de dichtstbij liggende schepen wierpen hun brandende lading hoog in de lucht om die neer te laten komen op de schepen in de haven.
'Meneer Devorak,' zei de admiraal.
'Heer?'
'Was het niet erg behulpzaam van die schoften dat ze al hun schepen aan elkaar vast hebben gebonden, zodat we ze onmogelijk kunnen missen?'
'Ja, admiraal, dat was het zeker.'
De oude admiraal was van Roldemse afkomst, geboren in Rillanon, en had nog nooit voet in het Westen gezet tot hij laat in het voorjaar zijn vloot door de Straat der Duisternis had gevaren. Bij de doorvaart had hij twee schepen verloren, een aanvaardbare prijs voor de tijd van het jaar, en hij had het geluk gehad slechts één vreemd oorlogsschip tegen te komen op weg naar de Baai van Shandon, een Keshische kustvaarder die al was ingehaald en tot zinken gebracht voordat hij het bericht kon verspreiden dat de Oosterse Vloot des Konings nu in de Bitterzee lag.
Het bericht van admiraal Valentijns dood was tragisch nieuws voor Vykor geweest, want al had hij de man maar tweemaal ontmoet bij officiële gelegenheden in de hoofdstad, zijn reputatie en wapenfeiten waren alom bekend. Wel prees Vykor zich gelukkig dat hij tenminste eenmaal in zijn leven op een vijand af kon zeilen met vurende krijgsmachines en zijn bemanning klaar voor een man-tot-mangevecht als het nodig was. Want het grootste deel van zijn loopbaan had hij gejaagd op haveloze piraten, zijn kleuren getoond aan weerspannige buren uit de Oosterse Koninkrijken, of in het paleis van de koning staatsbijeenkomsten bijgewoond. Nu deed hij tenminste waar hij zijn hele leven voor had geoefend. En als het waar was wat hem maanden geleden bij zijn vertrek uit Rillanon· was verteld, hing het lot van het Koninkrijk af van deze slag.
'Bevelen aan de vloot, meneer Devorak.'
'Heer?' vroeg de kapitein.
'Zet de aanval door. Geen enkel vijandelijk schip dient te ontkomen.'
'Tot uw orders, admiraal.'
'Tegen zonsondergang wil ik geen enkel vreemd schip zien drijven tussen hier en Ylith. Dit is Valentijns zee, verdomme, en ze hebben hier niets te zoeken.'
De vlootonderdelen uit de Bitterzee en de Avondroodeilanden zeilden weg in noordelijke richting, op zoek naar de schepen waarmee de indringers tussen Krondor en Sarth aan land waren gegaan, terwijl andere schepen verder noordwaarts trokken. De schepen die tussen Nes en Krondor hadden aangelegd, hadden ze in het voorbijgaan al in brand gezet en al die schepen waren tot de waterlijn afgebrand of gezonken.
Met stijgend genoegen zag de admiraal dat zijn plan ging slagen. Hij had al het vuur laten richten op de voorste rij schepen, die binnen enkele tellen in een vlammenzee waren veranderd, voordat ze zich konden losmaken van de schepen die verder inwaarts lagen. Nu lekten de vlammen verder naar binnen, in de richting van de stad, het ene na het andere schip aantastend. De projectielen die onverminderd neerregenden op de massa schepen maakten de verwoesting nog groter.
'Let op iedereen die zich los probeert te maken,' zei Vykor.
'Tot uw orders, admiraal,' zei kapitein Devorak.
Heer Vykor keek naar de Koninklijke Draak, die onder bevel van kapitein Reeves een flottielje naar het noorden leidde om alle schepen die ze konden vinden tot zinken te brengen. 'Sein naar de Koninklijke Draak,' zei de admiraal. 'Goede jacht.'
'Tot uw orders, heer,' zei de kapitein, het bevel doorgevend aan de seiner.
Vykor wist dat Valentijn een zeemansgraf had gekregen, op weg naar de Avondroodeilanden, waar het eskader verse voorraden had ingeslagen en de schade had hersteld, om daarna in recordtijd terug te varen. Maar de admiraal had het gevoel dat iedere oude zeeman zou hebben, namelijk dat Valentijn toch op een of andere wijze op het halfdek van dat schip stond. Zijn saluut was gericht tot het schip en de nagedachtenis aan een van de twee beste zeelieden die hij ooit had gekend, leraar en leerling, Emus Trask en Valentijn conDoin.
Hij richtte zijn aandacht weer op het heden en zag een klein schip nabij de kade afmeren en in hun richting varen. 'Dat schip, kapitein Devorak. Breng het tot zinken alstublieft.'
'Tot uw orders, admiraal.'
Terwijl ze afstormden op het vijandelijke schip keek admiraal Karoyle Vykor naar de prinsestad en zag de hoofdstad van het Westelijke Rijk branden. Een diepe droefenis welde in hem op bij het zien van de verwoesting van deze grootsheid. Toen schudde hij de gevoelens van zich af, ze bewarend voor later, want hij had nog een zeeslag te winnen.
Robert trok aan de ketting. Een rommelend geluid van boven zei hem dat het mechanisme werkte. 'De nafta loopt omlaag door de afvoerpijpen en buizen, en druipt dan verder naar het riool. Met wat geluk hebben we ongeveer een uur om hieruit te komen.'
'Laten we dan maar gaan,' zei Lysle.
Vlug gingen de soldaten de trap op naar de bovengelegen kelderruimte. Een van hen liep naar een andere korte trap, rende naar boven en gluurde door het luik. Nadat de soldaat het teken had gegeven dat de weg vrij was, haastten ze zich de avond in.
Buiten was het donkerder dan normaal, want de lucht was gevuld met zwarte rook. Enkele mannen hoestten en de soldaten haalden doeken te voorschijn die ze voor hun neus en mond bonden. De dieven scheurden een reep stof van hun hemd om hun voorbeeld te volgen en een van hen gaf een lap aan Gamma.
Overal rondom hen hoorden ze gevechten, maar strijders waren nergens te zien. Een van Roberts verkenners repte zich vooruit, om de hoek glurend. Hij zwaaide hen terug en iedereen die kon dook uit het zicht. Anderen lieten zich voorover op straat vallen of drukten zich zo dicht mogelijk tegen de muren in de hoop dat ze opgingen in de rokerige schemering van de avond.
Er snelden ruiters voorbij, bloedend, hun kleding gescheurd - doodsbange soldaten van het Koninkrijk, duidelijk op de vlucht. 'We moeten een andere weg zoeken,' fluisterde Robert naar degenen om hem heen. 'Hun achtervolgers zijn straks hier.'
Nog terwijl ze zich terugtrokken naar de ingang van hun ondergrondse schuilplaats, bleken Roberts woorden profetisch: met dreunende hoeven reed een groep Saaurse ruiters voorbij. Het was de eerste keer dat Robert de hagedismensen zag en hij zei: 'Goden, Caelis' verslagen deden hun geen recht.'
Het hele gezelschap kwam zonder te zijn ontdekt terug in het toevluchtsoord, en toen ze weer veilig in de rioolkelder zaten zei Lysle: 'Wat nu?'
'Wat is de enige andere riooluitgang die waarschijnlijk niet wordt bewaakt?'
'De lozing bij de noordpoort,' antwoordde Lysle, 'maar dan zitten we ten noorden van de stad en niet ten oosten.'
'Dat is zo,' zei Robert, lopend naar de laadhelling die omlaag liep naar het riool, 'maar we hebben nog geen uur en die poort is een half uur lopen hiervandaan. Ik zit liever buiten de stad als die de lucht in gaat, dan binnen te kniezen over wie we buiten kunnen tegenkomen. Als we het redden naar de bossen ten noorden van Krondor, vinden we misschien een weg oostwaarts.'
Kijkend naar de dertig soldaten en twaalf dieven wist hij dat het hoogstwaarschijnlijk zinloos was.
Maar je moet het proberen.
Robert keek Gamina aan. 'Ja, we moeten het proberen.' Hij ging hen voor door het riool.
Heer Vykors ogen werden groot van verbazing. Het wezen scheen uit het niets te verschijnen, met grote stappen over de brandende dekken van de vijandelijke vloot lopend. Onderweg naar Krondor hadden ze vijftig aangemeerde schepen aangetroffen, die ze allemaal met flessen petroleum, geworpen vanaf de snelle kustvaarders, of de blijden en katapults aan boord van de grotere schepen, in brand hadden gestoken. Bijna twintig waren er geënterd, veroverd of tot zinken gebracht, en samen met de verwoesting van de schepen in de haven was nu meer dan de helft van de Novindische vloot vernietigd. Naar ruwe schatting lagen er nog eens honderdvijftig tot tweehonderd schepen verspreid langs de noordkust van de Bitterzee, die onder vuur genomen werden of gingen worden door het flottielje van kapitein Reeves.
Maar nu kwam er uit die vuurzee in de haven van Krondor een demon doelbewust op hen af gebeend, dwars over de dekken van de brandende schepen. Kalm trok de admiraal zijn zwaard en zei: 'Ik denk dat dit wezen ons wil komen enteren, meneer Devorak.'
'Vuur!' riep de kapitein en de blijden en de katapults op de boeg losten hun ladingen op het monster.
Er werd wat schade aangericht en het wezen jankte toen de pijlen insloegen in zijn vijftien voet hoge lijf, maar eerder geërgerd dan gewond liep hij gewoon verder door het vuur.
'Boeg wenden, meneer Devorak.'
'Tot uw orders, admiraal.'
De vloot trok zich terug, maar Vykors vlaggenschip, de Koninklijke Glorie, lag het dichtst bij de brandende vloot. Het wezen bereikte het buitenboord van het laatste brandende schip in de haven en stapte op de reling. Met een verbazingwekkende sprong en een schreeuw van woede ontvouwde het beest zijn enorme vleugels en zeilde over het water tussen de vloot en Vykors schip.
'Bevel aan de vloot,' zei Vykor terwijl de dood op zijn schip af zweefde. 'Topsnelheid!'
Nooit zou hij weten of het bericht was doorgekomen, want Jakan, de zelfbenoemde Demonenkoning van de Legers van Novindus, dook op hem af en plukte hem van het dek, zijn ruggengraat verbrijzelend terwijl hij hem het hoofd afbeet. Toch genoot de admiraal nog de korte genoegdoening zijn zwaard diep in de zij van het monster te steken, maar het gejank van pijn hoorde hij niet meer, want hij was al dood voor dat Jakan de verwonding voelde. Met weinig resultaat vuurden de boogschutters in het want op het wezen, terwijl de minder dappere bemanningsleden over de reling doken.
De twee bevelhebbers van de koninklijke marine waren dood en iedere kapitein moest voorlopig zijn eigen beslissingen nemen, tot de bevelstructuur kon worden hersteld, maar in ieder geval was de vloot van de indringers grotendeels verwoest.
Jakan doodde en verslond alle mannen die hij maar kon vinden, tot hij merkte dat het schip afdreef naar het noordwesten. Hij haatte contact met zeewater - het onttrok energie aan hem - al kon hij er een tijdlang tegen. Het schip verlatend, sprong hij de lucht in, trachtend terug te vliegen naar de vlammenzee van zijn vloot en de stad. Vuur deed hem geen pijn, al was het een verschrikkelijke verspilling van levensenergie en vlees.
Toen werd hij geroepen. Vanuit een onbekende plaats hoorde hij een stem komen die zei dat hij dit leger dat hij in bezit had genomen niet zomaar kon laten vernietigen, maar moest gebruiken om naar het oosten te trekken en op zoek te gaan naar de stem die hem riep.
En van enorme afstand, vanuit een duistere bron, kwam een woord, een plaats, een bestemming: Sethanon.
Robert zag de voorste wachter zijn hand omhoogsteken. Iedereen bleef staan. Onderweg waren ze anderen tegengekomen, zowel vluchtelingen als indringers. Tot dusver toonde zich echter niemand gretig de strijd in het donkere riool aan te gaan. Maar als de indringers bezig waren de mensen die zich ondergronds verborgen hielden naar buiten te jagen, betekende dat dat ze de stad al in handen hadden.
In zijn hoofd had Robert de tijd bijgehouden, dus hij wist dat hun nog hooguit tien minuten restten. Ze waren nog maar een paar stappen verwijderd van de noordpoort, de zogenaamde zeepoort, die door smokkelaars en dieven het meest werd gebruikt om de stad in en uit te komen.
Lysle stuurde een van zijn dieven naar voren, een jonge vrouw die behendig omhoog klom en berichtte dat de weg vrij was. Robert gaf het teken en de evacuatie begon.
'Naar buiten met jou,' zei Lysle.
'Nee,' reageerde Robert. 'Ik ga als laatste.'
'Kapiteins en zinkende schepen en zo?' vroeg de broer van Robbie de Hand.
Met een glimlach waaruit slechts vermoeidheid en smart sprak, zei hij: 'Zoiets.'
'Ik wacht samen met jou,' zei Gamina. 'Dat heb ik eigenlijk liever niet.'
In zijn hoofd hoorde Robert haar zeggen: Je wilt helemaal niet weg, hè?
Ik wil niet sterven, maar ik heb zoveel dood en verwoesting veroorzaakt. Hier heb ik me altijd thuis gevoeld, Gamina, en nergens anders. Ik weet niet hoe ik met dit verlies kan leven.
Dacht je dat ik dat niet begreep? vroeg ze. Ik hoor je gedachten en ik voel jouw pijn. Het is onmogelijk dat ik niet zou begrijpen wat jij zegt.
Glimlachend keek hij haar in de ogen en deze keer was zijn glimlach er een van liefde en volmaakt vertrouwen.
Toen ontplofte de wereld rondom hen. De zes mannen aan de andere kant van de poort werden tegen de grond geslagen, bewusteloos. De drie die nog in de opening stonden, schoten erdoorheen als kurken uit een fles en vlogen door de lucht. Een van hen brak zijn nek toen hij twintig el verderop terechtkwam en de andere twee liepen gebroken botten op.
In de tunnel werd de lucht zelf veranderd in een helse vlammenzee. In het korte ogenblik voor het vuur hen bereikte, versmolten Gamina's en Roberts geesten met elkaar, en de herinneringen die ze deelden ontrolden zich voor hen beiden, vanaf het eerste moment van hun ontmoeting in het meer van Sterrewerf, toen Robert de liefde van zijn leven voor de eerste keer zag.
Hij was toen bijna verdronken, maar gered door deze vrouw, die in zijn geest schouwde en zag hoe hij was en alles wat hij was geweest, en van hem hield, toen en nu nog steeds, ondanks alles wat hij sindsdien had gedaan, ondanks de dingen die hij haar had gevraagd te doen die haar zoveel pijn en verdriet bezorgden.
Alles om hen heen werd tot ijle schaduwen in vergelijking tot de diepgaande liefde die ze deelden, de liefde die hun een zoon had gebracht, nu ver weg in veiligheid, en twee aanbiddelijke kleinzoons. In dat ene laatste moment herleefden ze hun gezamenlijke leven, van de reis naar Groot Kesh tot aan de terugkeer naar Krondor. Terwijl de vlammen het vlees van hun botten scheurden, ervoeren hun geesten diep binnenin alleen hun liefde voor elkaar en voelden ze geen pijn.
'Gamina!' riep Puc uit.
'Wat is er, magiër?' vroeg Hanam.
Met een diep bedroefd gezicht zei Puc: 'Mijn dochter is dood.'
Het wezen durfde de magiër niet aan te raken om hem te troosten. De honger was te sterk en bij het voelen van mensenvlees kon hij zich mogelijk niet meer beheersen. 'Het spijt me,' zei het monster.
Puc haalde diep adem en blies de lucht met een hoorbare zucht weer uit. 'Mijn zoon en dochter zijn allebei dood.' Twee dagen geleden had hij Wiliams dood gevoeld en nu, met Gamina's heengaan, was een deel van zijn leven ab gesloten. 'Ik wist dat ik hen beiden zou overleven Hanam, maar iets weten en ervaren zijn twee verschillende dingen.'
'Zo gaat het altijd,' zei de Saaurse leermeester vanuit het demonenlichaam. 'Ons ras kent een zegening die wordt uitgesproken wanneer een jongen een man wordt en zijn eerste wapen krijgt: "Grootvader sterft, vader sterft, zoon sterft." Iedere Saaur herhaalt die zegening wanneer hij zich voorbereidt om de strijd in te gaan, zoon naast vader, want geen lot is zo wreed als dat van een ouder die zijn kind overleeft.'
'Macros noemde lang leven een vloek, en nu snap ik waarom. Toen mijn vrouw jaren geleden overleed, was dat iets waarbij ik me neer kon leggen, maar dit...' Een tijdlang huilde hij, tot hij zijn tranen bedwong en zei: 'Ik wist dat Wiliam gevaar liep, want hij koos voor een leven als soldaat. Maar Gamina...' Zijn stem brak en weer huilde hij.
De tijd verstreek. 'We moeten voortmaken, magiër,' zei het demonenwezen. 'Ik voel mijn greep verslappen.'
Puc knikte. Hij stond op en ze verlieten de grot. Macros en Miranda moesten inmiddels al op hun plaats van bestemming zijn aangekomen.
Puc zei een spreuk en ineens waren ze onzichtbaar. Meteen begreep hij waarom Macros' hiermee problemen had gehad, want het was altijd lastig om twee dingen tegelijk te doen. En in combinatie met de spanning elk moment te kunnen worden aangevallen, bleek het een van de moeilijkste dingen te zijn die Puc ooit had gedaan.
Puc sprak weer een bezwering uit, en ze stegen langzaam op. Toen ze eenmaal over de eerste angst om los te komen van de grond heen waren, bleek het in feite makkelijker om naar de stad Ahsart te vliegen dan te lopen.
Zes gevleugelde wezens snelden in het zuiden door de lucht. Als de Saaurse leermeester en Puc niet onzichtbaar waren geweest, zouden de wezens omlaag zijn gedoken en de aanval op hen hebben geopend. Zoals reeds voorspeld zou al het leven op deze wereld al gauw volledig verslonden zijn. De eens weelderige graslanden waren nu bruin en verdord, en de afwezigheid van leven was zo onmiskenbaar dat niemand die zou hebben kunnen verwarren met de latente slaaptoestand van de winter.
De bomen die in het landschap verspreid stonden waren zwart en knoestig, en het water in de rivieren en beken was zo helder dat het voor Puc duidelijk was dat er niet eens algen in leefden. Geen insect zoemde door de lucht en nergens was de roep van een vogel te horen. Het enige geluid dat er klonk, was dat van de wind.
'Hier is het 't ergst,' zei Hanam, alsof hij Pucs gedachten las. 'Hier zijn ze onze wereld binnengekomen.'
'Maar binnenkort is alles zo?'
'Ja,' zei de stem van de onzichtbare Hanam.
'Nu snap ik waarom ze zo naarstig op zoek zijn naar nieuwe werelden. Hoe komt het dat ze deze wereld wel konden bereiken, maar de onze niet?'
Puc hoorde het blaffende geluid dat hij was gaan herkennen als Hanams lach, gevolgd door zijn stem. 'In hun haast om naar deze voedselrijke wereld te komen, hebben de demonen de priesters van Ahsart verslonden, en zij waren de enigen op deze wereld die de poort konden bedienen. Naar wat u hebt verteld over de Pantathiërs op uw wereld, geloof ik dat de demonen daar geen bondgenoten hebben die hen binnen willen halen.'
'En Jakan staat niet te trappelen om de weg voor zijn broeders te openen,' zei Puc terwijl ze Ahsart naderden.
'Laat me u deze waarschuwing geven, Puc van Midkemia: kennis komt met het gevangen houden en verslinden van zielen. Deze demonenkoning in spé weet wellicht van de Galerij en het vermogen van uw mensen om controleerbare scheuringen te maken. Als hij genoeg van uw land heeft veroverd om zich zeker te voelen, zal hij beginnen met het binnenvallen van andere werelden.'
'Tot die conclusie was ik ook gekomen,' zei Puc.
'Dan weet u dus dat u, ook wanneer we hier winnen, terug moet om Jakan te verslaan.'
'Als ik het niet doe, doet Tomas het wel,' zei Puc.
Aangekomen in de uitgebrande stad gingen ze op zoek naar de grote tempel, de ingang waardoorheen de demonen waren gekomen. Binnen vonden ze beenderen van Saaurs, dode priesters, jaren geleden door de binnen dringende demonen aan stukken gescheurd.
'Hij is er niet!' riep Puc uit.
'Wie?'
'Nee, wat. De poort. De scheuring vanuit het demonenrijk naar deze wereld. Hij is er niet.' Puc liet hen weer zichtbaar worden. 'Waar is hij dan?'
'Er kan maar één antwoord zijn,' zei Hanam. 'En dat is?'
'Ze hebben de poort met magische middelen verplaats naar de omgeving van de scheuring naar uw wereld. Dat betekent dat ze de weg naar uw wereld voor Maarg aan het voorbereiden zijn! Hij moet op het punt staan over te komen!'
'Waar is dat?'
'Aan de andere kant van de wereld.'
'Ik kan ons niet rond de halve wereld laten zweven terwijl ik ons onzichtbaar houd!' zei Puc. 'En ik kan ons ook niet transporteren naar een plek die ik nog nooit heb gezien.'
'Dan moeten we vliegen,' zei de demon met de geest van de leermeester, 'en vechten met eenieder die ons in de weg komt.' Met iets wat klonk als een strijdkreet sprong hij de lucht in en Puc volgde.