8 Evolutie
Miranda sprak. 'Waar zijn we?'
Puc hoorde de woorden, al wist hij dat het projecties vanuit haar geest waren. Even verbaasde hij zich over dat merkwaardige aspect van het menselijk brein, dat altijd bezig was de dingen in zijn eigen waarnemingskader te passen, ongeacht de ware aard van die dingen.
'Op weg naar de hemel,' antwoordde hij.
'Hoelang zijn we al onderweg?' vroeg ze. 'Het lijkt wel jaren.'
'Grappig,' zei Puc. 'Voor mij is het nog maar eventjes. De tijd loopt niet synchroon.'
'Acaila had gelijk,' merkte ze op.
'Zoals gewoonlijk.'
De omgeving waardoor ze reisden was een veelkleurige vervormde ruimte - dat was tenminste zoals Puc het zag. De sterren zweefden door draaikolken van felle kleuren in plaats van de leegte van de nacht die hij had verwacht. En vaak waren ze ook kleurloos.
'Ik heb nog nooit zoiets gezien,' zei Miranda en in Pucs geest klonk het als gefluister vol ontzag. 'Hoe weet je waar we heen moeten?'
'Ik volg de draad,' antwoordde hij, met een gedachte wijzend naar de broze energiebundel die ze volgden vanaf Midkemia.
'Die houdt nooit op,' zei ze.
'Dat betwijfel ik, maar ik denk dat Macros de Zwarte een heel lange reis heeft gemaakt toen hij Midkemia voor het laatst verliet.'
'Maken wij diezelfde reis?'
'Kennelijk,' zei Puc.
Ze togen door de kosmos en uiteindelijk daalden ze af naar een wereld, een groen-met-blauwe bol die rond een ster cirkelde. Eromheen draaiden drie manen.
'We zijn weer terug bij het begin,' zei Miranda.
Puc richtte zijn aandacht op de wereld beneden en het was inderdaad Midkemia. 'Nee,' zei hij. 'Ik denk dat we veel vroeger zijn dan toen we gingen.'
'Tijdreizen?'
'Ik heb het al eens gedaan.'
'Daar moet je me toch eens over vertellen.'
Puc projecteerde geamuseerdheid. 'Ik heb die gebeurtenissen nooit helemaal in de hand gehad. En ik heb altijd gevonden dat de risico's veel groter waren dan de voordelen.'
'Denk je niet dat het een aardig idee zou zijn om terug in de tijd te gaan en die Smaragden Koningin in haar wiegje te smoren?' vroeg ze en Puc bespeurde haar vertrouwde droge humor in de vraag.
'Dat kan niet, want anders hadden we dat wel gedaan.'
'Altijd die paradox, nietwaar?'
'Meer nog, er zijn wetten waar we het bestaan niet eens van vermoeden.' Hij viel stil en Miranda kon niet bepalen of het een tel of een jaar later was toen hij opnieuw sprak. 'Heel de werkelijkheid zoals wij die kennen is slechts een illusie, een droom van een onzichtbare macht waar we ons geen voorstelling van kunnen maken.'
'Het klinkt zo onbeduidend als je het zo stelt.'
'Maar dat is het niet. Het kon wel eens het meest diepgaande zijn dat de mensheid in staat is te bevatten.'
Ze zweefden omlaag naar een tafereel dat Puc bekend voorkwam. Nabij de puinhopen van de stad Sethanon stond een leger, aangevoerd door koning Lyam. Geroerd door vreemde emoties keek Puc naar zichzelf, vijftig jaar geleden, afscheid nemend van Macros.
'Wat zegt hij?' vroeg Miranda.
'Luister,' zei Puc.
Een jongere Puc sprak: 'Ja, maar moeilijk is het wel.'
Een lange magere man in een bruine mantel met een zweepkoord rond zijn middel en sandalen aan zijn voeten zei: 'Aan alles komt een eind, Puc. En dit is het einde van mijn tijd op deze wereld. Met het verdwijnen van de Valheru van deze wereld zijn mijn krachten volledig teruggekeerd. Ik ga nu verder naar iets nieuws. Gadhis gaat met me mee en voor de anderen op mijn eiland wordt gezorgd, dus staat mij hier niets meer te doen.'
'Gadhis is nooit weggegaan!' riep Miranda uit.
'Weet ik,' zei Puc.
Toen ze haar aandacht op haar minnaar richtte voelde ze iets vertrouwds. 'Vind je dat grappig?'
'Ironisch misschien.'
Macros de Zwarte, de legendarische tovenaar, nam afscheid van een jongere Tomas, die er schitterend uitzag in zijn goud-met-witte wapenrusting.
'Hij doet het alweer, hè?' zei Miranda.
'Wat?' vroeg Puc.
'Liegen tegen jullie.'
'Nee, deze keer niet,' antwoordde Puc. 'Hij gelooft werkelijk wat hij zegt over de Pantathiërs en Murmandamus.'
'... de macht, toegekend aan degene die zich uitgaf voor Murmandamus, was een niet geringe keur aan illusionaire kunsten,' sprak Macros. 'Hij was een kracht. En het vereist veel om zo'n personage te creëren en de harten van een duister ras als de moredhel te winnen en te manipuleren. Maar zonder de Valheruaanse invloed van achter de barrières van ruimte en tijd wordt het serpentenvolk misschien net als de andere volkeren: gewoon één van de vele intelligente rassen.' Even staarde hij voor zich uit. 'Maar misschien ook niet. Wees op je hoede voor hen.'
'Op dat punt had hij gelijk,' zei Miranda. 'De Pantathiërs konden nooit worden gered. Van hun Valheruaanse afkomst kunnen ze niet worden verlost.'
'Nee,' zei Puc, 'het is iets anders. Iets veel groters.'
Samen keken ze weer naar het vaarwel van Macros. Puc voelde oude emoties opkomen. 'Het was een moeilijke tijd,' zei hij tegen Miranda. Hij voelde haar begrip. Meer dan ieder ander was Macros de centrale figuur in Pucs ontwikkeling. Puc droomde nog steeds van zijn tijd in de Assemblee der Magiërs op de wereld Kelewan, en in die dromen was Macros een van zijn leraren. Puc wist dat er nog steeds dingen in zijn hoofd voor hem verborgen waren, dingen die alleen Macros of de tijd voor hem konden ontsluieren.
Ze zagen Macros zich omdraaien en wegwandelen van het verzamelde leger, van Puc en Tomas. Terwijl hij liep, verdween hij langzaam uit het zicht.
'Goedkoop theater,' zei Miranda.
'Nee, meer dan dat,' was Puc van oordeel. 'Kijk.'
Zijn waarnemingsvermogen aanpassend zag hij dat Macros niet uit het zicht verdween, maar veranderde. Zijn lichaam liep nog steeds verder, maar het werd ontastbaar, als van nevel en rook. Een krachtige magie steeg opwaarts toen Macros sprak tot een onzichtbare macht.
'Wat is dit nou?' vroeg Miranda.
'Dat weet ik niet precies,' antwoordde Puc, 'maar ik heb een vermoeden.'
'Meester,' zei Macros tegen de onzichtbare macht, 'wat is uw wil?'
'Kom, het is tijd,' zei de stem.
Zowel Miranda als Puc voelden een grote vreugde in de tovenaar toen hij opsteeg op mystieke energie, wegvliegend in de leegte, bijna zoals Miranda en Puc in Elvandar hadden gedaan.
'Kijk!' zei Miranda. Beneden zagen ze zijn lichaam liggen op de grond. 'Is hij overleden?'
'Niet echt,' zei Puc, 'maar zijn ziel gaat ergens anders heen. En die moeten we volgen.'
Door jaren en over enorme afstanden vlogen ze in achtervolging, op de hielen van het diepste wezen van Macros de Zwarte. Weer was tijd van generlei betekenis terwijl ze voortgingen door de immense afgrond tussen de sterren, om uiteindelijk terug te keren naar Midkemia, waar een nieuw panorama zich voor hen opende toen ze vanuit de hemelen neerdaalden naar een punt hoog boven de enorme pieken van de Ratn'gari.
'Hier zijn we al geweest!' zei Miranda.
'Nee,' zei Puc. 'Ik bedoel: ja, we zijn hier geweest, maar nu nog niet.'
'Kijk, daar is de Hemelstad die je had gecreëerd.'
'Nee, dit is de echte.'
Over de met sneeuw bedekte toppen van de bergen spreidde zich een stad van ongelooflijke schoonheid uit. Kristallen pilaren ondersteunden daken als reusachtige diamanten, waarin de glasheldere facetten schenen te fonkelen van een innerlijk vuur.
'Beneden,' zei Puc, 'duizenden ellen onder de wolken, ligt de Necropolis. Daar heb ik jou naar toe geleid, en de illusie die ik voor je had gemaakt, leek hierop, maar was hierbij vergeleken een schim.'
Dat moest Miranda beamen. 'Hier heerst vastheid, terwijl jouw illusie van rook en schaduw was. Maar tegelijkertijd doet het minder echt aan.'
'Wat ik toen heb gemaakt, was om jouw fysieke zintuigen te bedriegen. Dit is iets van de geest. We ervaren het door middel van direct contact, zonder tussenkomst van een waarnemingsinstrument.'
'Ik begrijp het,' zei ze, 'maar het is wel desoriënterend.'
Ineens veranderde Puc voor haar ogen en was hij weer zoals ze hem kende, een man van vlees en bloed, zijn lichaam even vertrouwd als dat van haarzelf. 'Zo beter?' vroeg hij en de woorden schenen uit zijn mond te komen.
'Ja.'
'Je kunt het zelf ook doen. Je hoeft het alleen maar te willen.'
Ze concentreerde zich en plots voelde ze zichzelf vast worden. Ze hield een hand voor haar ogen en zag ze wat ze had verwacht: vaste vorm. 'Het is maar een illusie,' zei Puc, 'maar wel een die je wat vastere grond onder je voeten geeft.'
De zaal waarin ze stonden leek precies op de illusie die Puc had opgeroepen om Miranda bij hun eerste ontmoeting te misleiden. Op zoek naar Puc was ze door hem van hot naar her gelokt en uiteindelijk terechtgekomen in de Ratn'gari, op slechts korte afstand hiervandaan. Daar had hij een illusionaire versie van deze zaal gemaakt om zich voor haar verborgen te houden.
'Hij lijkt er precies op, maar hij is zoveel meer,' zei ze. Het plafond was een heus hemelgewelf: de lichtjes die daar schenen waren sterren. In Pucs illusie waren er kleine vakken apart gehouden voor de verering van elk der goden, maar hier waren die vakken zo groot als steden.
In de verte kwam de draad van energie die ze van de tijd van Macros' vertrek naar het heden hadden gevolgd in een brede boog omlaag uit het plafond, verdwijnend buiten hun blikveld.
Op hun weg ernaar toe passeerden ze een kruising van twee paden en bleven staan waar de gebieden van vier goden samenkwamen. Vreemde roerselen in de lucht deden Miranda zeggen: 'Voel je dat?'
'Pas je waarnemingsvermogen weer aan.'
Miranda experimenteerde en ineens was de zaal gevuld met schaduwachtige gedaanten. Evenals de energiewezens die ze in de contemplatiehof van Elvandar waren geworden, misten deze wezens karaktertrekken en andere uiterlijke kenmerken. Maar in tegenstelling tot de lichtgevende wezens die Puc en Miranda waren geweest, waren dit schaduwgedaanten, nauwelijks waarneembaar bij een zwakke verlichting.
'Wat zijn dat?'
'Gebeden,' antwoordde Puc. 'Iedereen die bidt tot de goden wordt gehoord. Wij zien nu dat gebed als een afbeelding van de biddende persoon.'
Miranda liep het pad langs en keek omhoog. Op een azuurblauwe troon zetelde een kolossaal standbeeld van vele malen de grootte van een mens, in de gedaante van een man, stil en wit, met een vaagblauwe ondertoon. Zijn ogen waren gesloten. Slechts enkele van de schaduwgedaanten bevonden zich bij dit standbeeld.
'Wie is dit?' vroeg ze.
'Eortis, de dode god van de zee. Kilian ontfermt zich over zijn domein tot hij terug is.'
'Hij is dood, maar hij komt toch terug?'
'Straks zul je er meer van begrijpen, maar voorlopig is het voldoende om te zeggen dat als mijn vermoedens juist zijn, er veel meer gemoeid is met deze oorlog dan slechts het verslaan van krankzinnigen die zich een zinloze verwoesting tot doel hebben gesteld.' Hij nam haar mee naar een andere kruising. Wijzend naar een muur in de verte zei hij: 'Richt nu je geestesoog eens op dat vergezicht en zeg me wat je ziet.'
Ze deed wat haar was gezegd en uiteindelijk verscheen er een reusachtig symbool op de muur. Schijnbaar zeer lange tijd was het haar volstrekt onduidelijk, tot ze er een patroon in begon te ontdekken. 'Ik zie een Zevenpuntige Ster van Ishap boven een veld van twaalf punten in een cirkel.'
'Kijk aandachtiger.'
Ook dat deed ze en even later verscheen er nog een patroon. 'Nu zie ik vier felle lichtjes over de bovenste vier punten van de ster heen. En er zijn heel veel vage puntjes tussen de twaalf heldere.'
'De drie punten van de ster onder de helder verlichte punten, wat valt je daaraan op?'
Miranda concentreerde zich erop en zag wat Puc bedoelde. 'Eén ervan brandt zwak! De middelste. Die rechts daarvan...' Ze aarzelde.
'Wat is daarmee?' vroeg hij.
'Die is niet zwak! Die is... geblokkeerd. Er zit iets voor zodat ik hem niet kan zien!'
'Dat had ik er ook uit opgemaakt,' zei Puc. 'En het andere licht?'
'Dat is dood.'
'Dan denk ik dat ik misschien al heel dicht bij de waarheid ben.' De toon die hij in haar geest projecteerde, deed haar vermoeden dat hij niet blij was met die waarheid.
Ze gingen verder. In de verste hoek van de Zaal der Goden bleven ze staan tussen twee standbeelden. Het ene was volkomen levenloos. Puc zei: 'Wodar-Hospur, de dode god van de kennis. Wat we allemaal zouden weten als hij terugkwam...'
'Is er dan niemand meer die kennis vereert?'
'Enkelingen,' zei Puc, 'maar macht en rijkdom schijnen de mensheid meer bezig te houden dan iets anders. Van iedereen die ik ooit heb ontmoet, schijnt alleen Nakur werkelijk te willen weten.'
'Wat dan?'
'Alles,' antwoordde hij geamuseerd.
Ze draaiden zich om en bekeken het andere standbeeld. De dunne draad van Macros' geest daalde af in het hoofd ervan. Miranda keek naar het gezicht en snakte naar adem. 'Macros!'
'Nee,' zei Puc. 'Kijk maar eens naar de naam op het voetstuk van zijn standbeeld.'
'Sarig,' zei ze. 'Wie is dat?'
'De toch lang niet zo dode god van de magie.'
'Macros de Zwarte!' flapte ze eruit en voor het eerst sinds Puc haar had ontmoet, zag hij op haar gezicht heuse verwarring en zelfs iets van angst. 'Macros is een god?' vroeg ze en voor de allereerste keer bespeurde Puc een zweem van oprechte bezorgdheid in haar stem. De spottende, droge humor was verdwenen.
'Ja,' antwoordde hij, 'en nee.'
'Wat is het nou: ja of nee?'
'Dat weten we beter als we met hem hebben gepraat,' antwoordde Puc. 'Ik denk dat ik het antwoord al weet, maar ik wil het van hem horen.' Met een wilsbevel verhief Puc zich in de lucht tot hij voor het gezicht van het reusachtige, roerloze standbeeld hing. 'Macros!' riep hij hard.
Stilte.
Miranda kwam naast Puc 'staan' en zei: 'Wat nu?'
'Hij slaapt. Hij droomt.'
'Wat is dit allemaal?' vroeg ze. 'Ik snap er niets van.'
'Macros de Zwarte tracht op te klimmen tot de status van godheid,' legde Puc uit. 'Hij probeert de leegte op te vullen die is achtergebleven na het vertrek van Sarig. Of Sarig heeft Macros de Zwarte geschapen opdat die hem op een dag kon vervangen. Zoiets.' Hij wees naar de energiebundel. 'Die draad is er nog steeds en aan het andere uiteinde bevindt zich het sterfelijke lichaam dat we kennen als Macros, maar de geest, de essentie de ziel - die is hier in dit wezen dat zich aan het vormen is. Ze zijn één en tegelijkertijd verschillend, verbonden en tegelijkertijd apart.'
'Hoelang duurt zoiets, dat opklimmen tot de status van godheid?' vroeg Miranda, zonder een enkele poging het ontzag in haar stem te verhullen.
'Eeuwen,' antwoordde Puc zacht.
'Wat doen we nu?'
'Hem wakker maken.'
De illusie die Puc was, sloot zijn ogen en richtte zijn aandacht naar binnen. Miranda voelde dat er zich energie ophoopte in de tovenaar, die een krachtige magie aan het smeden was. Ze wachtte af, maar toen ze een energie stoot verwachtte, bleef het ophopen doorgaan. Vol ontzag keek ze toe, want al had ze gemeend de magische kunsten en de beperkingen van Pucs talenten te kennen, ze zag nu dat ze zich op beide punten had vergist. En met het toenemen van de verzamelde magie steeg haar verbazing mee, want al was haar eigen kennis van magie bij lange na niet gering, dit staaltje ging haar capaciteiten ruim te boven.
Ineens werd het beeld voor hun ogen verscheurd door een explosie. Een kabaal als van duizenden bekkenslagen deed een aanslag op hun zintuigen. Licht ontplofte buitenwaarts en Miranda zag iets, heel even maar: de ogen van Macros, geopend, kijkend naar hen.
Wegvallend in duisternis was het laatste wat ze hoorde een zacht smekend: 'Nee!'
Pucs geest raakte de hare aan. 'Dit wordt moeilijk. Ik ga hem proberen te volgen naar waar hij heen vlucht. Onze lichamen verschijnen daar waar we dat willen, dus volg me terwijl ik Macros volg.'
'Ik weet hoe' antwoordde ze en voelde hem vertrekken.
Plots was het overal zwart en even werd Miranda bang, want ze had geen referentiepunt.
Toen deed ze haar ogen open.
Ze had het koud. De stenen vloer van de kamer scheen alle warmte aan haar lichaam te onttrekken en huiverend kwam ze overeind. Ze zat in Pucs werkkamer op Sterrewerf. De Machtswevers van de elfen hadden gezegd dat hun lichamen zouden verschijnen waar ze die nodig hadden wanneer ze terugkeerden van hun spirituele reis, maar ze had verwacht nog steeds in Elvandar te zullen zijn. Nu zat ze honderden mijlen daarvandaan.
Puc lag bewusteloos naast haar, nauwelijks ademend. Ze had geen idee hoelang ze al buiten de zorg van Acaila en Tathar hadden verkeerd, maar het was haar duidelijk dat Puc nog maar een paar minuten te leven had als hij niet snel bijkwam. Ze probeerde zich te concentreren op een lokaliseringsbezwering, want hij kon ieder moment verdwijnen en als ze de bezwering dan niet had voorbereid, kon het heel moeilijk worden hem terug te vinden.
Zich tot helderheid dwingend, wilde ze net aan de spreuk beginnen toen Puc rechtop ging zitten. Hijgend zoog hij lucht in pijnlijke longen, toen nogmaals.
Ze brak de bezwering af. 'En?'
Knipperend met zijn ogen haalde Puc nog een paar maal adem. 'Weet ik niet. De draad die Macros aan Sarig bond, werd doorgesneden en het stuk dat terugsloeg, vloog naar Midkemia. Toen ik Macros' geest volgde, was ik ineens weer hier.'
Miranda stond op en Puc volgde haar voorbeeld. Beiden waren koud en stijf, en het was eerst moeilijk om te bewegen. Puc begon te ijsberen om de bloedcirculatie weer op gang te brengen. 'Dit is de tweede keer dat ik dit heb gedaan en het was net zo onprettig als de eerste keer.'
'Waar is Macros?' vroeg Miranda.
'Hier in de buurt. Dat kan niet anders.' Hij liep naar de deur van het werkvertrek, maakte hem open en rende de torentrap af. Beneden duwde hij de deur open en liep bijna een jonge student omver, die grote ogen opzette en uitriep: 'Meester Puc!'
Puc en Miranda liepen, zonder acht te slaan op de verraste leerling, naar de hoofdingang van de Academie. De leerlingen en de docenten die ze voorbijliepen bleven staan staren, en tegen de tijd dat ze bij de grote dubbele deuren kwamen, was het roepen van zijn naam bijna een spreekkoor geworden: 'Puc! Puc!'
Puc was ademloos van opwinding. 'Ik voel hem! Hij is vlakbij.'
'Ik voel hem ook,' zei Miranda.
Ze gingen naar buiten en keken rond. Puc wees. 'Daar!'
Aan de rand van het meer had zich een groep opgewonden studenten verzameld en Puc hoorde Nakur roepen: 'Achteruit!'
Er hing een man stil in de lucht en Puc voelde de energie die om hem heen wervelde. Zo te zien was het een bedelaar, smerig, in slechts een lendendoek gekleed, met vieze klitten in zijn haar en baard, maar hij straalde macht uit. De lucht fonkelde en hij scheen omhoog getrokken te worden langs de draad van energie die Puc vanuit de Hemelstad had gevolgd.
Met Miranda op zijn hielen rende Puc naar de groep studenten. 'Opzij,' gebood hij.
Een van de leerlingen keek over zijn schouder. 'Meester Puc!' Op het horen van zijn naam maakten de anderen plaats.
Aan de waterkant zaten Nakur en Sho Pi geboeid te kijken naar de in de lucht zwevende man. 'Zie je dat?' zei Nakur toen Puc naar hem toe kwam. 'Hij probeert op te stijgen, maar die andere kracht, daar in de lucht, die valt terug hierheen, naar het water.' Mocht Nakur al verbaasd zijn over Pucs verschijning op Sterrewerf, dan liet hij daar niets van merken. 'Er is iets prachtigs gebeurd, en straks zullen we er meer van weten.' Hij wierp een blik op Puc. 'Maar misschien weet je het al.'
De bedelaar zweefde omlaag naar het water, waarin hij tot aan zijn middel bleef zitten. Puc zag de energiedraad vanuit de hemel naar beneden krullen en uiteindelijk schijnbaar verdwijnen in het water rondom de man.
De bedelaar zat te huilen.
Puc liep het water in en knielde naast hem neer. 'Macros?'
Een ogenblik later keek de magere man Puc aan. Met hese fluisterstem zei hij: 'Heb je enig idee wat je hebt gedaan? Ik stond op het punt een god te worden.' Hij deed zijn ogen dicht en een snik deed zijn schouders schokken. Toen haalde hij diep adem. 'De kennis, het begrip ... het vloeit allemaal weg, als water uit een vat dat te ondiep is om het vast te houden.' Hij wees naar zijn hoofd en sloot opnieuw zijn ogen, alsof hij een vervagend beeld probeerde vast te houden. Uiteindelijk sprak hij verder. 'Het was alsof ik het heelal in zijn geheel overzag, maar dan als door een opening in een hek, en nu je me bij dat hek vandaan hebt getrokken, zie ik steeds minder en minder ... Nog maar een paar tellen geleden zou ik je de geheimen van het universum hebben kunnen vertellen! Nu, terwijl ik het me probeer te herinneren, ontglippen de concepten me en het enige wat me rest, is het besef van wat ik kwijt ben! Jaren werk ongedaan gemaakt.'
'We konden niet anders,' zei Puc zacht.
'Mijn tijd hier was voorbij!' volhardde Macros. Op onvaste knieën kwam hij overeind en keek zijn opvolger aan. 'Het was niet aan jou om me terug te roepen. Mijn volgende missie ging jouw begrip te boven.'
'Kennelijk toch niet,' merkte Miranda op.
Macros keek haar aan en scheen haar iets toe te willen bijten, maar plots kneep hij zijn ogen tot spleetjes. 'Miranda?'
'Hallo, papa,' zei de vrouw: 'Tijdje geleden, hè?' Stomverbaasd draaide Puc zich om.
Nakur schaterde het uit en herhaalde: 'Papa?'
De blik van Macros de Zwarte, de legendarische tovenaar, ging van Puc naar Miranda. 'We moeten praten.' Hij haalde diep adem. 'Ik geloof dat ik mezelf weer een beetje in de hand heb.'
'Mooi,' zei Miranda, 'want we staan op het punt je nog een schok te bezorgen.'
Zwijgend keek Macros haar aan, zich kennelijk schrap zettend. 'Goed dan,' zei hij uiteindelijk, 'wat is het?'
'Mama,' antwoordde Miranda. 'Ze wil de wereld vernietigen.'
Zelfs Nakur kon zijn verbazing maar amper bedwingen bij het horen van die opmerking. Uiteindelijk zei Macros: 'Ik moet iets te drinken hebben.'
Miranda trok haar neus op. 'Eerst moet je in bad.'
Terwijl Macros een bad nam, zaten Miranda, Puc en Nakur in Pucs werkkamer. Sho Pi was de tovenaar op zijn wenken aan het bedienen en Puc trok een fles uitzonderlijk goede wijn uit Zwartheide open.
'Jij hebt me nog iets uit te leggen,' zei Miranda.
Puc keek zijn minnares aan. 'Jij mij ook, naar het schijnt. ''Papa"?'
Grinnikend zei Nakur: 'Ik denk dat ik dan eigenlijk jouw stiefvader ben, alleen was ik Jorna's eerste man en Macros haar tweede.'
'Ze noemde zich Jania toen ik werd geboren,' zei Miranda. Ze scheen niets te merken van de verrukking van het mannetje over dit alles, maar toonde zich eerder zo woest dat ze zich maar amper kon beheersen. 'Dat kunstje van jou,' zei ze tegen Puc, 'in de Hemelstad, toen je Macros losmaakte uit het bewustzijn van Sarig -'
'Wat?' zei Nakur met grote ogen. 'Vertel me er alles over!'
'Hoezo?'
'Ik kon voelen wat je deed.'
'En?'
'Al die macht, al die energie die jullie hebben gebruikt... Daarmee hadden jullie die Smaragden Koningin en haar armzalige troepje Pantathiërs net zo makkelijk van de wereld kunnen vegen als ik op een mierenhoop kan gaan staan!' Hij wendde zich tot Puc. 'Waarom duurt deze oorlog al zo lang, Puc? Waarom heb je er nog geen einde aan gemaakt?'
Puc slaakte een zucht. 'Omdat de overlevenden, net als die mieren, zich dan alleen maar in het donker terug zouden trekken om opnieuw te beginnen. En dan is er nog iets.'
'Wat dan?' vroeg Miranda.
'Daar kunnen we hier niet over praten,' zei Macros vanuit de deuropening. 'Nog niet, Puc, het gevaar is te groot.'
Puc gebaarde naar een lege stoel. De fris gewassen tovenaar nam plaats en pakte de beker die daar voor hem klaarstond. Macros droeg een geleende mantel, zwart in plaats van zijn gebruikelijke bruine. Na een diepe teug zei hij: 'Uitstekend. Het heeft dus toch zijn voordelen om nog te leven.'
'Ik ben Nakur,' zei Nakur.
Macros kneep zijn ogen tot spleetjes en bestudeerde een tijdlang Nakurs gezicht, tot de herkenning daagde. 'De Isalani! Ik ken jou. Jij hebt me een keer bedonderd met kaarten.'
'Dat ben ik.' Emotioneel genoeg om bijna tranen in zijn ogen te krijgen gaf Nakur toe: 'Jij was mijn grootste uitdaging.' Hij keek Puc aan. 'Ik heb me dus vergist toen ik zei dat Macros me zich niet meer zou herinneren.'
'Die schurk,' zei Macros, naar Nakur wijzend, 'die deed het enige wat hij kon: mij laten denken dat hij magie gebruikte, zodat hij, terwijl ik mijn verdediging optrok, met een ordinaire goocheltruc de kaarten kon schikken.'
'Ordinaire goocheltruc?' vroeg Puc.
'Hij heeft de kaarten gestoken!' zei Macros met een lach.
'Niet echt,' zei Nakur bescheiden. 'Ik had de kaarten verwisseld voor een gemerkt spel.'
'Hou toch eens op!' Miranda sloeg met haar hand op de tafel. 'Dit is geen vrolijk weerzien van goede vrienden. Dit is...'
'Wat?' vroeg Puc.
'Weet ik niet. We proberen de wereld te redden en jullie zitten doodleuk herinneringen op te halen aan kaartspelletjes.'
Puc zag Sho Pi in de deuropening en beduidde de jongeman de deur te sluiten om hen vieren alleen te laten. Sho Pi knikte, stapte de gang op en trok de deur dicht.
'Eerst zou ik wat willen vragen over jullie onderlinge relatie,' zei Puc. 'Naar het schijnt hebben jullie familiebanden waar ik helemaal niets van wist.'
'Met jullie allemaal,' zei Macros.
Geschrokken keek Puc hem aan. 'Ga me nou niet vertellen dat ik jouw niet-erkende zoon ben.' Hij keek naar Miranda en zag zijn zorgen weerspiegeld op haar gezicht.
'Maak je niet druk,' zei Macros, 'jullie zijn geen broer en zus.' Hij zuchtte. 'Maar ik meende het wel toen ik zei dat je als een zoon voor me was.' Hij nam een slokje van zijn wijn en dacht even na. 'Toen jij werd geboren, bespeurde ik grote macht in jou, jongen. Je was de zoon van een dienstmeisje in Schreiborg en een zwervende soldaat. Maar zoals de Tsurani macht in kinderen bespeuren en hen opleiden aan de Assemblee, zo zag ik dat jij macht had, misschien zelfs meer dan welke magiër dan ook op deze wereld.'
'En toen?' vroeg Nakur.
'Ik heb ervoor gezorgd dat die magie werd ontsloten. Hoe had Puc anders tot de Grotere Magie moeten komen?'
'Sarig?' vroeg Puc.
Macros knikte. 'Ik ben zijn werktuig.'
'Sarig?' zei Nakur. 'Ik dacht dat die een legende was.'
'Is hij ook,' zei Miranda, 'en een dode god op de koop toe. Alleen is hij kennelijk niet zo dood als er wel wordt gedacht.'
'Waarom begin je niet bij het begin?' zei Puc.
'En deze keer de waarheid,' voegde Miranda eraan toe.
Macros haalde zijn schouders op. 'Het verhaal dat ik jou en Tomas heb verteld om de tijd te verdrijven toen we in de Tuin van de Eeuwige Stad zaten, was veel onderhoudender dan de waarheid, Puc. Als kind stelde ik niets voor. Een stadsjochie uit een ver, vreemd land -'
'Hou op!' zei Miranda. je doet het weer, pal'
Macros zuchtte. 'Goed, goed. Ik ben geboren in de stad Kesh. Mijn vader was een kleermaker en mijn moeder een schat van een vrouw die mijn vaders boekhouding deed, het huis schoon hield en een eigenzinnige en ongehoorzame zoon opvoedde. Mijn vader telde veel rijke kooplieden onder zijn clientèle en we hadden het vrij goed. Tevreden?' vroeg hij zijn dochter.
Ze knikte.
'Maar ik ontwikkelde een voorkeur voor het avontuur, of in ieder geval voor slecht gezelschap. Toen ik nog maar een knul was, ging ik met een paar vrienden op reis, zonder medeweten of de zegen van mijn ouders. We hadden een kaart gekocht, die ons moest wijzen naar een verborgen schat.'
Nakur knikte. 'Slavenhandelaars.'
'Ja,' zei Macros. 'Het was een valstrik om domme jongetjes te lokken naar het slavenblok in Durbin.'
'Hoelang is dit geleden?' vroeg Puc.
'Bijna vijfhonderd jaar,' zei Macros. 'Op het hoogtepunt van de macht van het keizerrijk. Ik wist aan de slavenhandelaars te ontsnappen en hield me verborgen in de bergen, maar verdwaalde. Bijna dood van de honger vond ik een oeroude verlaten tempel. Half ijlend stortte ik in op het altaar en bad tot de god van dat heiligdom, wie het ook mocht zijn, me te redden. In ruil daarvoor beloofde ik hem te dienen.' Macros knipperde met zijn ogen, alsof hij groef in zijn geheugen. 'Ik weet niet precies meer wat er toen gebeurde. Maar ik denk dat ik tot Sarig sprak en dat ik ofwel doodging en hij me vlak voor de ingang van het paleis van Lims-Kragma wist weg te kapen, of dat hij me te pakken kreeg vlak voordat ik stierf, maar vanaf dat moment was ik van Sarig. Wellicht was mijn gebed het eerste dat sinds de Chaosoorlog tot hem werd gericht, al moet iemand die kapel hebben gebouwd. Misschien dat ik het op een dag zal weten. Maar wat het ook was, dat laatste gebed opende een weg, een kanaal als je wilt, en toen ik uit die tempel stapte, was ik niet langer een jochie, maar een man met macht. Ik wist dingen alsof ik me ze kon herinneren, al wist ik dat het niet mijn herinneringen waren. Sarig huisde in mij en een deel van mij huisde in Sarig.'
'Geen wonder dat je zo machtig was,' zei Puc.
Macros keek van de een naar de ander. 'Om te begrijpen wat ik nu ga vertellen, moeten jullie al je vooroordelen, meningen en vaste overtuigingen opzij zetten.' Even zweeg hij, om zijn volgende woorden te benadrukken. 'De goden zijn zowel echt als een illusie. Ze zijn echt in die zin dat ze bestaan en kracht uitoefenen op deze wereld en onze levens. Ze zijn illusies in die zin dat ze volkomen anders zijn dan wat wij van hen denken.'
Nakur lachte zijn kakelende lach. 'Dit is schitterend!'
Puc knikte.
'In de natuur zijn krachten,' vervolgde Macros, 'en wij staan daarmee in wisselwerking. Als wij aan die krachten denken, worden sommige daarvan wat wij denken.'
'Wacht heel even,' zei Miranda. 'Ik kan je niet meer volgen.'
'Denk eens aan de oermens, ineengedoken in een grot, zich verwonderend over het verschijnsel vuur. Op een koude, natte nacht is het zijn vriend en een bron van leven. Hij geeft dat vuur een persoonlijkheid en na een tijdje begint hij die te aanbidden. Daaruit ontwikkelt zich de verering van de geest van het vuur, die zich op zijn beurt ontwikkelt tot de god van het vuur.'
'Prandur,' zei Puc.
'Precies,' reageerde Macros. 'En als er genoeg mensen zijn om die te aanbidden, begint de energie die wij Prandur noemen bepaalde aspecten te manifesteren, bepaalde eigenschappen die overeenkomen met de verwachtingen van de aanbidders.'
Nakur was bijna buiten zichzelf van vreugde. 'De mens schept de goden!' riep hij uit.
'In zekere zin,' zei Macros. Zijn ogen verrieden een diepgaande pijn. 'Het grootste deel van mijn leven ben ik deel geweest van Sarig, zijn werktuig op Midkemia en elders, zijn ogen en oren, en ik dacht dat mijn uiteindelijke lot zou zijn om met hem te versmelten, om zijn mantel te gaan dragen en de magie in al haar glorie op Midkemia te herstellen.' Met een blik op Puc zei hij: Jij was een van mijn betere experimenten. Jij hebt de Grotere Magie terug naar Midkemia gebracht.'
'Dit is allemaal heel interessant,' zei Miranda, 'maar hoe zit het met moeder?'
'Ik denk dat Jorna dood is,' zei Nakur, zonder grijns ditmaal.
'Wat?' zei Miranda. 'Hoe weet je dat?'
'De laatste keer dat ik haar zag, merkte ik dat haar lichaam door een ander werd bewoond en dat hetgeen wij kenden als je moeder afwezig was. Ik kan alleen maar aannemen dat ze dood is, of anders ergens verborgen.'
'Hoe pas jij in dit verhaal?' vroeg Puc.
'Toen ik jong was,' vertelde Nakur, 'ontmoette ik een meisje dat Jorna heette. Mooi, slim en kennelijk geïnteresseerd in mij.' Hij grijnsde. 'Ik ben niet bepaald een knappe man en dat was ik evenmin toen ik nog jong was. Maar als iedere jongeman wilde ik graag dat er een mooie vrouw was die van me hield. Maar ze hield niet van mij. Ze hield van macht en ze hunkerde naar wat jullie magie noemen. Ze wilde eeuwig jong en mooi blijven. Ze was bang voor de dood en nog banger om oud te worden. Dus leerde ik haar trucjes. Ik liet haar zien hoe je kunt omgaan met "spul", zoals ik het noem, en toen ze alles had geleerd wat ik haar kon bijbrengen, ging ze bij me weg.'
'En kwam naar mij,' zei Macros. Hij keek naar Miranda. 'Ik heb je moeder ontmoet in Kesh en ze was precies zoals Nakur haar omschreef, een mooie jonge vrouw die me met grote vurigheid achternazat. Ik negeerde haar dorst naar macht. Ik was verblind door jeugdige verliefdheid. Ondanks mijn leeftijd en kunnen gedroeg ik me als een dom knulletje. Pas later ontdekte ik haar bedrog, nadat jij was geboren, Miranda, maar nog voordat ze alles kon leren wat ik haar te leren had - dat zou nog eeuwen hebben kunnen duren, al wist ze dat niet eens - en ik weigerde haar meer te laten zien.'
'Dus toen heb je mij bij haar weggehaald en bij vreemden achtergelaten,' zei Miranda. 'Ik was tien jaar oud!'
'Nee,' zei Macros. 'Ik ving je op toen ze ons allebei verliet en vond goede mensen om je op te voeden. Ik weet dat ik je maar weinig heb bezocht, maar... dat ging moeilijk.'
'En ben je toen de ''Zwarte Tovenaar" geworden?' vroeg Puc.
'Ja,' zei Macros. 'Het was me veel te pijnlijk om op dat niveau met de mensheid om te gaan en ik wist het toen nog niet, maar Sarig had plannen met mij. De wegen der goden zijn vaak ondoorgrondelijk, dus meestal werd ik gedreven door een diepe drang of een wens. Een duidelijk doel had ik zelden voor ogen. Ik vond dat eiland, verlaten door degenen die er hadden gewoond, de mensen die die schitterende villa hadden gebouwd. Ik nam aan dat het een Keshische familie was geweest, waarschijnlijk edelen uit Queg, daarheen gevlucht toen de afscheiding begon. En toen heb ik het zwarte kasteel gebouwd, om reizigers af te schrikken. Sindsdien is het leven geweest zoals het was toen jij voor het eerst naar het eiland kwam, Puc. Wanneer was dat? Vijftig, zestig jaar geleden?'
Puc knikte. 'Al lijkt het me soms net gisteren toen Kulgan en ik op het strand jouw boodschap lazen.' Onderzoekend keek Puc de tovenaar aan. 'Maar zoveel dingen die je hebt gedaan of aan mij hebt verteld waren allemaal leugens en bedrog.'
'Ja, maar veel ervan was ook waar. Ik was me bewust van mijn toekomst, die kon ik soms zelfs duidelijk zien. Dat is nooit een leugen geweest. Mijn leven werd me getoond in ongerichte gedachten, willekeurige dromen en visioenen die me onverwachts overkwamen. Had hij nog ten volle geleefd, dan zou Sarig me meer hebben kunnen geven, maar als hij nog leefde zoals wij over dat soort dingen denken, dan zou hij me ook niet nodig hebben gehad.'
'Dus toen je me zei dat ik jouw plaats moest innemen,' zei Puc, 'dacht je werkelijk dat je hier klaar was?'
'Ja,' zei Macros. 'Dat verhaaltje dat ik jullie toen heb verteld, over het raadgeven aan koningen en het beïnvloeden van oorlogen, was ook alleen maar een verhaaltje, om je aandacht van mij af te wenden, zodat ik mijn eigen weg kon zoeken zonder dat jullie me kwamen zoeken wanneer je om raad verlegen zat!'
Puc zag dat Macros weer boos aan het worden was. 'Als het de bedoeling was geweest dat jij één werd met Sarig, dan zou ik nooit in staat zijn geweest jou terug te roepen, Macros. Dat zou hij niet hebben toegestaan.'
De woede verminderde, doch verdween niet helemaal. Puc zag het smeulen onder de oppervlakte, als een getemperd vuur. 'Dat is zo,' gaf Macros toe. 'Het probleem is alleen dat ik weet hoeveel ik ben vergeten.' Zijn ogen werden weer vochtig. 'Ik... kan het niet uitleggen.'
'Maar was jij het wel?' vroeg Nakur, zijn ogen tot spleetjes toegeknepen.
'Hoe bedoel je?' vroeg Macros.
'Was jij degene die al die dingen wist of was het deze god van magie?'
Even was het stil. 'Dat weet ik niet,' zei Macros toen.
'Hoe bedoel je dat?' vroeg Puc.
'Als ik me vergis, moet je het maar zeggen,' zei Nakur, 'maar naarmate je meer god werd, verminderde daarmee niet ook je "zelf"-gevoel? Raakte je niet meer onthecht van wie je was?'
Macros knikte. 'Dat is waar. Mijn leven werd een droom, een vage herinnering.'
'Ik heb het vermoeden dat je, als je het godenschap had bereikt, het niet eens zou hebben geweten, want jij, de essentie die we Macros noemen, zou dan hebben opgehouden te bestaan,' legde Nakur uit.
Daar dacht Macros over na. 'Dat zou ik eerst eens moeten overpeinzen.'
'En de koningin?' vroeg Miranda. 'Waarom is ze mijn moeder niet?'
Nakur haalde zijn schouders op. 'Weet ik niet. Misschien heeft ze zich vergist in haar afspraken met de Pantathiërs. Toen ze vrouwe Anaïs was, hunkerde ze naar eeuwige jeugd en beoefende ze zeer kwalijke necromantie praktijken. Niet goed voor een mens en ze zat er tot over haar oren in. Dat is nu twintig jaar geleden, dus wie weet wat er sindsdien allemaal is gebeurd? Misschien is ze wel gestraft na het mislukken van haar plannetjes met de opperheer van de Stad aan de Serpentrivier en zijn magiër, of anders kwam het datgene wat haar in zijn macht kreeg goed van pas om haar op deze manier te gebruiken. Ik weet het niet. Maar de vrouw die eens met ons allebei getrouwd is geweest, is hoogstwaarschijnlijk dood.'
Puc keek Miranda aan. 'Als het toch tijd is om schoon schip te maken, waarom vertel je ons dan niet meteen jouw rol hierin?'
'Toen ik sporen van macht begon te vertonen, hield ik dat verborgen voor mijn pleegouders,' zei Miranda. 'Die probeerden me te koppelen aan een van de plaatselijke kooplieden, dus toen ben ik weggelopen.' Ze wierp een woeste blik op Macros. 'Dat was tweehonderdvijftig jaar geleden, als je de moeite had genomen te komen kijken!'
Het enige wat Macros wist te zeggen was: 'Het spijt me.'
'Ik liep een oude magiër tegen het lijf, een oude vrouw, genaamd Gurt.' Met een glimlach vervolgde ze: 'Als het moet, kan ik op haar lijken, en gezien de reactie die de gemiddelde man vertoont bij het zien van een knap gezichtje en een gevulde boezem, is dat goed om te weten.'
'Een heel goed trucje,' beaamde Nakur.
'Ze was een gruwel om te zien, maar ze had de ziel van een heilige van Sung en ze ontfermde zich over me. Al gauw herkende ze mijn vermogens en leerde me wat ze wist. Na haar overlijden zocht ik anderen die me konden onderwijzen. Zo'n vijftig jaar geleden werd ik gearresteerd door de Keshische geheime politie. Ene Raouf Manif Hazara-Khan, een vos van een man, zag een groot wapen in mij, dus nam hij me in dienst.'
'Hazara-Khan is een bekende naam in Krondor,' zei Puc. 'Was dat niet de broer van de Keshische ambassadeur in Krondor?'
'Klopt. Zijn broer had een paar hoogst merkwaardige dingen gerapporteerd over de slag om Sethanon, niet op de laatste plaats de verschijning van drakenruiters aan de hemel, een reusachtige ontploffing van groen vuur en de totale verwoesting van een van 's Koninkrijks bescheidenere steden. Zodoende kreeg ik de taak om uit te zoeken wat er precies aan de hand was.'
'En toen?' vroeg Puc.
'Toen ben ik gedeserteerd.'
Nakur kakelde van de pret. 'Schitterend!'
'Zodra ik de waarheid begon te ontdekken, besefte ik dat we betrokken waren bij veel belangrijkere kwesties dan de trouw aan het ene of het andere land.'
'Dat is zeker zo,' zei Puc. 'We hebben wat interessante problemen op te lossen en wat keuzes te maken.'
'En het belangrijkste,' zei Nakur, 'we moeten nog uit zien te vinden wie achter al deze dingen zit die er gebeuren.'
Miranda knikte. 'De derde partij.'
'Ik weet wie het is,' zei Macros.
Miranda keek hem aan. 'De demonenkoning.'
'Nee,' zei Puc, met een blik op Macros. 'Als het is wie ik denk dat het is, kunnen we er niet eens veilig over spreken.'
'Niet hier, in ieder geval,' beaamde Macros. 'En we zouden de hulp van een deskundige van de orde van Ishap op het gebied van een zekere leer goed kunnen gebruiken.'
'Wat inhoudt dat we naar Sarth moeten,' zei Puc.
Macros geeuwde. 'Alles best, maar eerst ga ik een dutje doen.'
Nakur stond op. 'Ga maar mee naar mijn verblijf. Dat heeft extra slaapkamers.'
Ook Puc kwam overeind. 'Pas op dat hij je niet de hele nacht wakker houdt,' riep hij naar Macros, toen die met Nakur vertrok.
'Nou,' zei hij vervolgens, zich omdraaiend naar Miranda, 'het ziet ernaar uit dat we eindelijk doordringen tot de kern van de zaak.'
'Misschien,' zei Miranda. 'Mijn vader heeft zelf gezegd dat hij een grote leugenaar is, weet je nog?'
'En jij?'
'Ik heb nog nooit tegen je gelogen,' zei ze verdedigend.
'Maar je hebt wel dingen voor me verborgen gehouden.'
'En jij dan?' kaatste ze terug op beschuldigende toon. 'Jij hebt me nog steeds niet verteld waarom je niet gewoon over de oceaan vliegt en de vloot van de koningin laat zinken. Ik heb gezien wat je hebt gedaan. Ik kon niet eens geloven hoeveel macht je wist aan te wenden.'
'Dat kan ik allemaal uitleggen,' zei Puc, 'maar niet voordat we op een veilige plek zijn.'
'Veilig waarvoor?'
'Dat kan ik ook dan pas uitleggen.'
Miranda schudde haar hoofd. 'Soms kan je knap irritant zijn, Puc.'
Hij schoot in de lach. 'Dat zal best. Maar jij bent ook niet direct een van de makkelijksten.'
Ze stond op, liep naar hem toe en bleef vlak voor hem staan. Terwijl ze haar armen om hem heen sloeg zei ze: 'Eén ding is echt waar: ik hou van je.'
'Ik ook van jou,' zei hij. 'En ik had na Katala's dood nooit gedacht mezelf dat nog eens tegen een andere vrouw te horen zeggen.'
'Nou, dan werd het tijd.'
Hij aarzelde. 'En Caelis?'
'Van hem hou ik ook.' Toen ze Puc voelde verstijven zei ze: 'Maar op een andere manier. Caelis is een vriend die me zeer dierbaar is. En hij heeft veel nodig en vraagt zo weinig. Als we dit allemaal overleven, denk ik dat ik hem kan helpen zijn geluk te vinden.'
'Betekent dat dat je voor hem kiest?' vroeg Puc.
Miranda duwde zich een eindje van hem af, zodat ze hem recht aan kon kijken. 'Nee, leeghoofd. Dat betekent dat ik een paar dingen van hem weet, waaronder wat echt goed voor hem is.'
'Zoals?'
'Dat vertel ik je allemaal wel als we dit hebben overleefd.'
Hij glimlachte en kuste haar. Geruime tijd bleven ze elkaar omhelzen, tot ze hem stevig tegen zich aandrukte en in zijn oor fluisterde: 'Misschien.'
Puc sloeg haar op de billen en ze begon te lachen. Toen kuste hij haar weer.