16 Strijd

 

Erik wees.

'Daar!' schreeuwde hij.

De mannen keerden hun paarden en vielen aan. Al sinds de vorige dag woedde de slag om de stad buiten de meest noordelijk gelegen poort in de oostmuur. De indringers waren wanordelijk aan land gekomen.

Tweemaal was Eriks detachement aangevallen, eerst bij zonsondergang en later in de ochtend door een grote compagnie Saaurse ruiters. Tot Eriks genoegen had hij ontdekt dat de paarden van de Saaurs, ondanks hun grootte, net zo vatbaar waren voor de ontberingen van een lange zeereis als de kleinere dieren waarop de mensen reden. Ook trokken de Saaurs, voor de allereerste keer van hun leven, niet ten strijde tegen huurlingen, maar tegen goed opgeleide Koninkrijkse lansiers, en na het treffen met een gedisciplineerde vijand, gewapend met twaalf voet lange lansen en getraind in het opzetten van een georganiseerde aanval, waren de Saaurs op de vlucht geslagen. Erik had geen idee wat dat betekende voor de campagne als geheel, maar na de gigantische hagedismensen bij hun eerste confrontatie te hebben verslagen, verkeerden zijn mannen in opperbeste stemming. Nu gingen ze de strijd aan met een compagnie menselijke huurlingen, individueel niet zo'n grote dreiging als de Saaurs, doch tezamen een lastigere tegenstander vanwege hun grote aantallen en het feit dat zij nog redelijk vers waren terwijl Eriks mannen in de afgelopen twaalf uur al tweemaal hadden gevochten.  

Maar toen er vanuit het zuiden verse Koninkrijkse troepen aan kwamen rijden, bleken Eriks eenheden in staat tot het terugdrijven van de indringers, die ten slotte vluchtten in de bossen ten noorden van de stad. Brik keek om, zoekend naar zijn onderbevelhebber, ene luitenant Gifford. Hij wenkte de man en zei: 'Rijd hen achterna, maar houd halt op schootsafstand van de bomen. Ik wil niet dat je in een hinderlaag rijdt.  

Breng de mannen dan terug om te hergroeperen. Ik ga naar de poort om te zien of er nog nieuwe bevelen zijn.' De luitenant salueerde en reed weg om zijn instructies uit te voeren.

In volle vaart reed Erik op zijn vermoeide paard over de weg naar de poort, langs dichtgespijkerde huizen die de indruk wekten dat de bewoners ze slechts tijdelijk hadden verlaten, alsof het alleen maar een zwaar noodweer was dat Krondor teisterde. Andere huizen, met nog openstaande deuren, waren overduidelijk voorgoed verlaten. In tegengestelde richting liep een gestage stroom vluchtelingen en verscheidene malen moest Erik roepen om de mensen plaats voor hem te laten maken.  

Nu al had de vlucht een paniekerig karakter en Erik begreep dat dit de laatste rit naar de poort was om nieuwe bevelen te gaan halen. Het kostte hem bijna een half uur om de afstand af te leggen die hij gewoonlijk in een derde van die tijd kon rijden en toen hij bij de poort kwam, zag hij dat er koortsachtige bedrijvigheid heerste.

Twee andere wagens waren van de weg geduwd, een in het riviertje dat langs de weg de stad in liep en via het riool uitkwam in de baai. Ergens achter in zijn hoofd vroeg Erik zich af of het een van Ru's wagens was, maar hij vermoedde dat Ru's wagens al voor de gevechten van zonsondergang de stad hadden verlaten en veilig op weg waren naar Zwartheide.  

'Sergeant Macky!' riep hij zodra zijn stem bij de poort verstaanbaar zou zijn.

De wachthoudende sergeant keek om en zag Erik. 'Kapitein?'

'Nog bevelen?'

'Nee, kapitein. Als voorheen,' zei hij slechts. Toen wendde hij zich weer naar de mensen die zich door de poort drongen.

'Veel geluk dan, sergeant!' riep Erik.

De soldaat, een al wat oudere man die een paar maal wat had gedronken met Erik en de andere leden van de Vlammende Adelaars, keek weer om. 'U ook, kapitein. Veel geluk voor ons allemaal.' Na die woorden wijdde hij zich weer aan zijn taak de orde te handhaven.  

Het liefst was Erik een vers paard gaan halen, maar hij kon het risico niet nemen de stad in te gaan. Hij zou terugrijden naar zijn commandopost en daar zien of er tijd was om van paard te verwisselen. Hij had bevolen de verse paarden zo ver bij alle mogelijke brandhaarden vandaan te houden dat ze veilig waren - maar daardoor waren ze ook niet makkelijk bereikbaar.  

Met moeite reed hij terug door de menigte die de stad ontvluchtte. Hij wist wat het plan was, maar bij het zien van deze panische zee van mensen vroeg hij zich af of hij zo wreed kon zijn als de prins en de hertog, want veel mensen die hij nu passeerde zouden door de zich langs de heerbaan verspreidende overvallers van de Smaragden Koningin worden opgejaagd en gedood. Erik kon hen onmogelijk allemaal beschermen.  

Aangekomen bij de rand van de buitenstad trof hij een paar van zijn mannen aan, uitrustend in de schaduw van een boom. 'Rapport!' gelastte hij een van hen.

De soldaat stond op. 'We zijn zojuist aangevallen door een andere patrouille, kapitein. Ze kwamen uit de bomen en waren verrast toen we hen volschoten met pijlen.' Hij wees naar de bomen in de verte. 'Luitenant Jeffrey zit daar ergens.'  

Het duurde even voordat Erik een gezicht bij de naam Jeffrey kon passen en plots besefte hij hoe groot zijn legeronderdeel was geworden. In het eerste halfjaar had hij iedereen in zijn eenheid persoonlijk gekend, maar in de afgelopen twee maanden was het leger van de prins in aantal verdubbeld, met troepen afkomstig uit de Verre Kust en Yabon of uit het Oosten. Veel van de mannen die nu van hem afhankelijk waren om te overleven kende hij niet, terwijl het grootste deel van de mannen die hij zelf had opgeleid al in de bergen ten oosten van de stad zaten.

Hij reed verder en vond korte tijd later de luitenant. De soldaat, getooid met het wapenkleed van LaReu, een wolfskop op een blauw veld, draaide zich om en salueerde. 'Kapitein, er is een patrouille op ons gestuit. Ze wisten niet dat wij hier waren.'  

Erik keek naar de lijken die ten zuiden van de bomen in het open veld verspreid lagen. 'Ze sturen de compagnieën er zonder enige vorm van coördinatie op uit,' zei hij. 'De Saaurs en de andere onderdelen waartegen we vandaag hebben gevochten hebben niet eens doorverteld dat we hier positie hadden ingenomen.'

'Mogen we verwachten dat dit lang zo duurt?'

Denkend aan zijn ervaringen in Novindus bij het leger van de koningin zei Erik: 'Tot op zekere hoogte. Ze zijn onbekend met de interne communicatie en discipline waar wij aan gewend zijn, maar ze hebben manschappen genoeg en als ze komen, komen ze allemaal tegelijk.' Hij wierp een blik op de middagzon. 'Stuur een boodschapper naar onze reserves en roep twee compagnieën om de mannen hier af te lossen.'  

Wijzend naar de in de wind wapperende standaard van de zware lansiers voegde hij eraan toe: 'En zeg de lansiers een paar uur in te rukken.'

'Denkt u dat we hen hebben afgeslagen?'

Erik glimlachte. De oudere luitenant uit LaReu wist wel beter. Hij wilde alleen zien uit welk hout deze jeugdige kapitein van wie hij bevelen aannam was gesneden. 'Vergeet het maar,' zei Erik. 'Dit is nog maar de stilte voor de storm. En daar wil ik gebruik van maken.'

'En die serpentpriesters?'

'Ik weet het niet, luitenant,' zei Erik. 'Maar zodra ze komen, zullen we het weten.'

Jeffrey salueerde en vertrok. Erik riep hem na: 'En breng me een vers paard!'

 

'Er zit iets verderop,' zei Miranda, heel zachtjes fluisterend.

Haar vader stond achter haar, met het zweet op zijn voorhoofd, zwoegend om een onzichtbaarheids-bezwering in stand te houden. Ze hadden de scheuring naar de wereld Shila gevonden en Miranda probeerde die te peilen om te zien wat ze aan de andere kant konden verwachten. Volgens Hanam liepen ze grote kans recht in de armen van een groepje danig ontstemde demonen te lopen als ze er zomaar doorheen gingen.  

Ze stapten in het zicht van de opening, die voor het gewone oog slechts een blinde muur was. Voor Macros en zijn dochter zinderde het hele gebied echter van de mystieke energie. Macros zei: 'Hij is vanaf deze kant verzegeld.'

Miranda peilde de scheuring. Aan de andere kant bespeurde ze entiteiten en in het donker deed ze een stap achteruit. 'Laat die bezwering maar. Er is niemand in de buurt.'  

Dat deed Macros.

'Wat doen we nu?' vroeg Miranda.

Met een bons liet haar vader zich op de vloer zakken. 'Stiekem door die scheuring proberen te komen, ons een weg erdoorheen proberen te vechten of zoeken naar een derde manier om op Shila te komen.'

'De eerste twee mogelijkheden komen me niet erg waarschijnlijk voor en zeker de tweede spreekt me niet bepaald aan,' zei Miranda. 'Wat vind je van de derde?'

'Als er een weg naar Shila via de Galerij is, dan moet Mustafa de waarzegger ervan weten.'

'Tabert?' opperde Miranda.

'Prima plek om te beginnen,' zei Macros. 'Ik ben moe. Kan jij ons daarheen brengen?'

Bezorgd fronste Miranda haar voorhoofd. 'Moe? Jij?'

'Tegen Puc zou ik het nooit hebben gezegd,' zei Macros, 'maar ik vermoed dat ik weer sterfelijk werd toen hij me van Sarig losscheurde. Het grootste deel van mijn macht kwam van de dode god der magie en nu die band is verbroken...' Hij haalde zijn schouders op.

'Had je dat niet wat eerder kunnen vertellen?' zei Miranda. 'We staan op het punt de strijd aan te binden met een demonenkoning, en nu ineens ben jij niet meer op je best vanwege je ouwe dag?'

Met een grimas stond Macros op. 'Ik ben nou ook niet direct toe aan havermout en een warme sjaal, dochter. Ik kan nog steeds deze hele berg afbreken als het moet!'

Met een glimlach pakte Miranda zijn hand en bracht hen over naar een herberg in LaReu. Tabert werd bezocht door de meest uiteenlopende lieden, maar die stonden tot de laatste man op en deinsden terug toen de tovenaar en zijn dochter een paar voet voor de tapkast vanuit het niets verschenen. Tabert zelf stond achter de tapkast en trok alleen een wenkbrauw op.  

'We willen even gebruik maken uw voorraadkelder,' zei Miranda.

De kastelein slaakte een zucht alsof hij wilde zeggen: wat voor verhaal moet ik nu weer verzinnen om dit mysterie te verklaren? Hij knikte echter en zei: 'Veel geluk.'

Vlug stapten ze achter de tapkast en gingen via de deur naar de achterkamer, en vandaar langs een trap omlaag en door een smalle gang. Aan het einde van de gang was een nis, van de gang gescheiden door een effen gordijn dat aan een metalen roede hing. Het was de poort die Miranda had gebruikt toen ze voor het eerst de Galerij der Werelden had betreden. Ze schoven het gordijn voor de nis opzij en zodra ze over de drempel waren gestapt, stonden ze in de Galerij der Werelden.  

'Ik weet de lange route naar Eerlijke Jan,' zei Miranda, naar links wijzend. 'Weet jij een kortere weg?'

Macros knikte. 'Daarheen,' zei hij en wees de andere kant op. Ze repten zich voort.

 

Wiliam keek naar de strijd die onder hem woedde. De verdedigers op de kade hadden het vuur geopend op de schepen die de haven in voeren. Met de slim verdekt opgestelde blijden en katapults waren al drie schepen tot zinken gebracht die te dichtbij waren gekomen, maar de vloot naderde onverminderd.

Een van Wiliams dierbaarste bezittingen was een verrekijker die hij jaren geleden van hertog Robert had gekregen. Behalve de kwaliteiten van een goede telescoop - het vergroten van dingen tot ongeveer tien maal hun normale grootte - had deze kijker nog een ongebruikelijke eigenschap: je kon er illusies mee doorzien. Hij had Robert gevraagd naar de herkomst van het ding, maar die had nooit verteld hoe hij eraan was gekomen.

Toen hij door de kijker het naderende vlaggenschip bestudeerde, zag hij de afzichtelijke demon midscheeps hurken. Ondanks de weerzin die het monster opriep, bekeek hij het wezen. Iedereen in zijn buurt werd gecontroleerd via mystieke ketenen en kraagbanden.

Het gezicht van de demon was moeilijk te doorgronden, want het bezat geen mensachtige trekken. Puc had prins Patrick, Robert en Wiliam gewaarschuwd dat de Smaragden Koningin dood was en vervangen door een demon, maar buiten een handjevol officiers wist niemand daarvan. Wiliam en Robert hadden besloten dat de mannen al genoeg aan hun hoofd hadden zonder de vrees voor de macht van een demonenleider.

Wiliam draaide de kijker negentig graden en de demon verdween uit het zicht. De illusionaire vrouw die er nu zat was met haar koninklijke schoonheid eigenlijk nog veel angstaanjagender dan de demon, wiens razernij en haat voor eenieder onmiskenbaar waren.

Zodra Wiliam de kijker terugdraaide naar de positie waarin hij door de illusie heen kon zien, keerde de demon terug. Hij liet de kijker zakken.

'Bevelen,' zei hij kalm. Een van de hofjonkers kwam naar voren. De jonkers stonden bij de verdedigers op de muren als hulpjes van de officieren en de hofjonkers deden dienst als koeriers. Heel even keek Wiliam in het gretige gezicht van de jongen die bereid was zijn bevelen te brengen waarheen hij maar werd gestuurd. Ouder dan veertien kon hij niet zijn.  

In dat korte moment bekroop Wiliam de neiging de knul te zeggen de stad te verlaten zo snel als zijn jonge benen hem konden dragen, maar in plaats daarvan zei hij: 'Zeg de kadecommandant te wachten tot ze dichtbij zijn en dan alles af te vuren op dat grote schip met de groene romp. Dat is hun vlaggenschip en dat moet tot zinken worden gebracht.'  

De jongen rende weg en Wiliam keek weer naar buiten. Vermoedelijk was het zinloos. Het schip van de demon was vrijwel zeker het best beschermd van alle schepen in de vloot. Spoedig daarna kwam er bericht dat de vijand over de hele kustlijn verspreid aan land was gekomen en dat de noordoostpoort door cavalerie-eenheden was belaagd. Wiliam overwoog even zijn mogelijkheden en riep een andere boodschapper. Zodra de jongen zich aandiende, zei Wiliam: 'Ga naar de binnenplaats en zeg een van de ruiters daar naar de oostpoort te gaan met het bevel de stad te verzegelen.'  

Toen de jongen zich omdraaide, zei Wiliam: 'Hofjonker.'

'Heer?'

'Neem een paard en ga met die ruiter mee. Verlaat de stad en zeg kapitein Von Zwartheide dat het tijd is oostwaarts te trekken. Jij blijft bij hem.'

De jongen keek verbaasd op toen hem werd gezegd weg te gaan, maar hij zei slechts: 'Ja, heer,' en vertrok.

Een kapitein van de paleiswacht wierp een blik op de Ridder-Maarschalk. Wiliam schudde het hoofd. 'Eentje mag ik er toch wel sparen?' zei hij.  

De kapitein knikte grimmig.

De vijandelijke vloot trachtte aan te meren. Vanaf de relingen werden touwen geslingerd naar de bolders op de kade. Ondertussen regende het pijlen op eenieder die zich niet beschut hield en velen van het invasieleger vielen in het water, hun lichamen doorboord door talrijke pijlschachten.

Maar uiteindelijk was er een schip, en toen een tweede, dat een lijn aan land kreeg. Langzaam trokken ze zich dichter naar de kade toe. De enige plek waar ze niet dichterbij konden komen, was waar eerder de drie schepen waren gezonken. De schepen erachter wierpen niettemin lijnen uit, en er werd geen enkele poging ondernomen de lege schepen van de kade te verwijderen. Wiliam zag wat hun plan was, en dat was niet wat hij en de anderen hadden verwacht: een langzame belegering, met een geordende troepenverplaatsing zodra dit deel van de stad was gevallen.  

Hij besefte nu dat slechts een paar schepen daadwerkelijk zouden aanmeren. Die zouden dienen als schild voor de verderop gelegen vaartuigen, die met enterhaken aan elkaar werden gelegd, zodat er zich uiteindelijk één groot vlot van schepen zou vormen, een platform dat zich helemaal uitstrekte tot in de baai en waarlangs duizenden aanvallers konden oprukken, van dek tot dek, tot ze aan land kwamen op de kade van Krondor, over de hele breedte van de waterkant. Het was een gevaarlijke tactiek, want als de verdedigers erin slaagden één van de schepen in brand te steken, liepen alle andere eveneens groot risico.  

Zodra het schip van de koningin dicht genoeg was genaderd, vuurden alle krijgsmachines binnen bereik hun lading af. Tientallen zware rotsblokken vlogen door de lucht, begeleid door minstens twaalf brandende balen van in petroleum gedrenkt hooi. Zoals Wiliam had verwacht, ketsten of gleden ze allemaal af op een onzichtbare barrière. Tot zijn genoegen zag hij dat één groot rotsblok terugstuiterde op een ander schip dat niet was beschermd en flinke schade aanrichtte onder de aan dek verzamelde soldaten.  

Wiliam keek om met de bedoeling het bevel te geven zo veel mogelijk petroleum op de voorste schepen te richten, maar op dat moment schoot er langs het hele balkon een oogverblindende muur van vlammen op. Als getroffen door een onzichtbare hand vloog Wiliam achteruit en bleef versuft liggen op de vloer van het paleis balkon. Tranen wegknipperend, kwam hij tot de ontdekking dat hij bijna niets kon zien. En het weinige wat hij zag was rood.

Een moment later besefte hij dat zijn ogen waren verbrand en dat ze bloedden. De enige reden dat hij niet volkomen blind was, was dat hij achterom had gekeken op het moment dat de aanval plaatsvond. Hij tastte om zich heen en zag naast hem vaag een gedaante, die kreunde toen hij hem aanraakte. Hij voelde twee handen die hem optilden en hoorde een stem: 'Maarschalk?'

Hij herkende het stemgeluid van een van de hofjonkers die achter in de kamer hadden gestaan. 'Wat is er gebeurd?' vroeg Wiliam schor krassend.  

'Er schoten vlammen langs de muur omhoog en iedereen... is verbrand.'

'Kapitein Reynard?'

'Ik denk dat hij dood is, heer.'

In de gang werd geschreeuwd en er kwamen mensen binnenrennen. 'Wie is daar?' Wiliam zag alleen vage schaduwen.

'Luitenant Franklin, mijn heer.'

'Water, alsjeblieft,' zei Wiliam. Hij voelde dat de luitenant hem van de hofjonker overnam en naar een stoel hielp. In zijn neus hing de geur van zijn eigen verbrande haar en huid, en hoe hij ook knipperde met zijn ogen, de rode tranen lieten zich niet verjagen.

Zodra hij had plaatsgenomen, zei Wiliam: 'Luitenant, vertel wat er gebeurt.'

De luitenant rende naar het balkon. 'Ze sturen de mannen aan wal. We nemen hen meedogenloos onder vuur, maar ze blijven komen, heer.'

De hofjonker kwam met een kom water en een schone doek, die Wiliam naar zijn gezicht bracht. Het deed ongelooflijke pijn, maar hij maakte gebruik van een trucje dat hem als kind door een van zijn leraren op Sterrewerf was geleerd om pijn te negeren. Het water bracht weinig verbetering in zijn gezichtsvermogen en hij bedacht dat hij wellicht voor de rest van zijn leven blind zou zijn, hoe kort dat ook nog maar mocht duren.

Het kabaal van versplinterend hout, gevolgd door geschreeuw en het van beneden komende geluid van vechtende mannen, deed Wiliam vragen: 'Luitenant, zou je me alsjeblieft willen vertellen wat er aan de hand is op de binnenplaats?'  

'Heer, ze hebben de koninklijke kade geramd,' zei de luitenant. 'De vijand komt aan land.'

'Jongen,' zei Wiliam tegen de hofjonker, 'zou je me overeind willen helpen?'

'Ja, mijn heer,' zei de jongen zo kalm mogelijk, maar hij was niet in staat de angst uit zijn stem te weren.

Wiliam stond op en voelde de armen van de jongen rond zijn middel. 'Draai me naar de deur,' zei hij kalm. De geluiden van het gevecht weergalmden nu ook in de gang buiten de kamer. De vijandelijke krijgers waren de trap naar Wiliams hoofdkwartier aan het beklimmen. 'Luitenant Franklin,' zei Wiliam.  

'Maarschalk?' klonk diens beheerste stem. 'Stel je links van mij op, luitenant.'

De officier deed wat hem was gezegd en langzaam trok Wiliam zijn zwaard uit de schede. 'Ga achter me staan, jongen,' zei hij zacht toen de geluiden van het gevecht in de gang luider werden.

De jongen voldeed aan het verzoek, maar hield zijn armen stevig rond het middel van de Ridder-Maarschalk om de gewonde man overeind te houden.

Wiliam wou dat hij iets kon zeggen om de jongen te bemoedigen, maar hij wist dat het zou eindigen met doodsangst en pijn. Hij hoopte maar dat het snel gedaan zou zijn. Terwijl de geluiden dichterbij kwamen en de resterende soldaten in de kamer aan kwamen snellen om de deur te verdedigen, zei Wiliam uiteindelijk: 'Hofjonker.'

'Heer?'

'Hoe heet je?'

'Terrance, heer.'

'Waar kom je vandaan?'

'Mijn vader is de Jonkheer van Belmont, heer.'

'Je hebt je kranig gedragen. Help me overeind te blijven. Het zou geen pas geven wanneer de Ridder-Maarschalk van Krondor op zijn knieën stierf.'

'Heer...' Aan de stem van de jongen hoorde Wiliam dat hij huilde. Ineens klonk er een schreeuwen Wiliam zag een schaduw op hem af komen. Hij hoorde het zwaard van luitenant Franklin zwiepen en de aanvaller deinsde terug.

Links van de eerste, aan Wiliams rechterhand, verscheen een andere schaduwen de bijna blinde Ridder-Maarschalk van Krondor haalde uit met zijn wapen. Toen voelde Wiliam, zoon van Puc de magiër en Katala van het heuvelvolk de Thuril, geboren op een andere wereld, een stekende pijn, vlug gevolgd door duisternis. 

 

Robert liep langzaam, tot aan zijn knieën wadend door rioolslib. Overal in de buizen weergalmden de geluiden van gevechten en zijn mannen liepen met getrokken zwaarden. Van tijd tot tijd openden ze de luikjes van de lantarens om zich te oriënteren, maar overwegend liepen ze in het donker bij het zwakke schijnsel dat van boven kwam, door pijpen en afvoerkanalen in de straten. 'We zijn er,' zei iemand.

'Geef het signaal,' zei Robert.

Er werd op een schril fluitje geblazen en een van de mannen trapte een deur in. Robert hoorde vlakbij andere deuren opengaan. Hij volgde de eerste twee mannen de kelder in, via een trap omhoog. Daar stormden ze een door kaarsen verlicht ondergronds vertrek binnen.

Zoals Robert had verwacht, werd er weinig weerstand geboden, maar hij werd bijna gespleten door een kruisboogschicht, afgevuurd van achter een tafel die was omgegooid om als dekking te dienen. 'Staakt het vuren!' riep hij. 'We komen niet om te vechten.'

Een ogenblik van stilte werd doorbroken door een stem die zei: 'Robert?'  

'Hallo, Lysle.'

Van achter de tafel kwam een lange, oude man overeind. 'Wat een verrassing jou hier te zien.'

'Och, ik dacht: als ik toch hierlangs kom, geef ik jou een kans hiervandaan te komen.'  

'Is het zo erg?'

'Erger,' zei de hertog tegen de man die zich bediende van de namen Lysle Rigger, Brian, Henry en nog zeker tien andere, maar die niemand anders was dan de Oprechte Man, de leider van het Krondoriaanse dievengilde, de Snaken. Robert keek rond. 'Er is hier niet veel veranderd - behalve dan dat het wat drukker was.'  

De man aan wie Robert altijd zou denken als Lysle zei: 'De meeste broeders zijn de stad uit, rennend voor hun leven.'

'En jij bent gebleven?'

Lysle haalde zijn schouders op. 'Ik ben een optimist.' Even was hij stil. 'Of een stommeling.' Hij slaakte een zucht. 'Het is maar een klein koninkrijkje, de Snaken, maar wel het mijne.'  

'Dat is waar,' zei Robert. 'Kom mee. Er is nog een plek waar we dit kunnen overleven.'

Robert en zijn soldaten namen Lysle en een sjofel stel dieven op sleeptouwen gingen terug het riool in. 'Waar gaan we heen?' vroeg Lysle terwijl ze door het slijk stapten.

'Je weet waar de rivier bij de verlaten molen de stad in komt?'

'De molen waar nu de weg overheen loopt?'

'Dat is 'm,' zei Robert. 'Die gebruikten we toen we met Gregor Tromp en zijn maten aan het smokkelen waren, te veel jaren geleden om me de details te kunnen herinneren. Als je in Krondor was geweest toen de Snaken met Tromps smokkelaars samenwerkten, zou je ervan hebben geweten. Er is daar een enorme opslagplaats waar we al maanden bezig zijn voorraden in te slaan.'

'Al maanden?' vroeg Lysle. 'Hoe hebben jullie dat voor elkaar gekregen zonder dat wij daar iets van merkten?'  

Robert lachte. 'Van bovenaf. Overdag, wanneer jij met je dieven ondergronds lagen te slapen.'  

'Waarom ben je me komen halen?'

'Nou, jij bent de enige broer waar ik van weet,' zei Robert, 'dus ik kon je niet zomaar laten sterven in die kelder.'

'Broer? Weet je dat zeker?'

'Zeker genoeg om erom te wedden.'

'Ik heb het me altijd al afgevraagd,' zei Lysle. 'Kun je je nog iets herinneren van je moeder?'

'Weinig,' zei Robert. 'Ze is vermoord toen ik nog maar een dreumes was.'

'In herberg Het Everzwijn?'

'Weet ik niet. Zou best kunnen. Ik ben van de straat geplukt en bij de Snaken grootgebracht. En jij?'

'Ik was zeven toen mijn moeder werd vermoord. Ik had inderdaad een klein broertje, maar ik dacht dat die ook dood was. Ik ben naar Romnee gestuurd, waar ik ben grootgebracht.'

'Pa wilde zijn zoons zeker niet allebei in de buurt. Misschien stonden we nog op het lijstje van degene die onze moeder heeft vermoord.'

Bij een kruising van twee enorme gewelfde buizen waar het water in het midden naar beneden viel, zei Lysle: 'Ik heb het altijd vreemd gevonden dat mijn stiefouders in Romnee me opvoedden om voor een dief in Krondor te gaan werken.'  

'Ach,' zei Robert terwijl ze om de kleine waterval heen liepen, 'we zullen het wel nooit weten. Pa is al jaren dood, dus we kunnen het hem niet vragen.'

'Ben je er ooit achter gekomen wie het was? Ik niet.'

Robert grijnsde in het donker. 'Ja, ik wel om precies te zijn. Ik heb zijn stem een keer gehoord en jaren later hoorde ik hem nog een keer. Nadat ik wat had rondgeneusd, had ik al gauw door wie de oorspronkelijke Oprechte Man was.'

'Wie dan?'

'Heb je ooit het ongenoegen gehad een bijzonder chagrijnige en boosaardige kaarsenmaker te ontmoeten die zijn winkeltje had op de zuidpunt, vlak bij het paleis?'  

'Ik kan niet zeggen dat ik me zo iemand herinner. Hoe heette hij?'

'Donald. Als je hem had ontmoet zou je het nog weten, want hij was een zeldzaam gemeen stuk vreten.'

'Niettemin een crimineel genie.'

'Zo vader, zo zoon,' zei Robert.

Op een plek in de lange tunnel waar de buis naar boven liep, vroeg Lysle: 'Komen we hier levend uit?'

'Waarschijnlijk niet,' zei Robert. 'Maar als er een weg is om hier levend vandaan te komen, dan is het deze.' Hij wees naar een deur die groot genoeg was om een paard en wagen door te laten.

'Ik zie wat je bedoelt met dat smokkelen hiervandaan,' zei Lysle toen twee soldaten de immense houten deuren opendeden. Geluidloos zwaaiden ze open, op pas gesmeerde scharnieren, en binnen scheen een helder licht op honderd soldaten, paraat met handbogen, kruisbogen en zwaarden.  

'We zijn er.'

Lysle liet een waarderend fluitje horen. 'Ik zie dat je een warm onthaal in gedachten hebt voor iedereen die deze kant op komt.'

'Veel warmer dan jij je kunt voorstellen,' zei Robert. Hij beduidde Lysle en zijn handvol Snaken naar binnen te gaan en zei: 'Welkom in het laatste bastion van Krondor.'

Toen Robert en de anderen binnen waren, sloegen de deuren dicht met een harde dreun die iets definitiefs had.

 

Erik hoorde de trompet en begon meteen bevelen te roepen. Ze hadden voortdurend gevochten tegen kleinere elementen van de invasietroepen en vernomen dat er gelijksoortige gevechten waren uitgebroken bij de zeepoort, die in het noordwesten. Voorlopig waren er nog maar weinig indringers gesignaleerd bij de zuidpoort van de stad, wat Erik uitstekend uitkwam, aangezien hij zo veel mogelijk mannen naar de noordpoort had gestuurd. Uit beide poorten kwam nog steeds een gestage stroom vluchtelingen, op weg naar de oostwaarts lopende Koningsheerbaan. En een mijl ten oosten van Erik en zijn compagnieën zouden de twee stromen mensen samenkomen in een trage brij van vermoeide, angstige en wanhopige mensen.  

Het was Eriks opdracht de achterhoede van die stoet van Koninkrijkse burgers zo lang mogelijk te verdedigen - en dat betekende tot halverwege Ravensburg, als Erik de zaken goed inschatte. Op een bepaald punt zou de vijand hen niet langer bestoken. Ze hadden een stad te plunderen en voorraden aan te leggen, en al wonnen de indringers op vele fronten, ze hadden te lijden gehad van de lange zeereis.  

Van de Saaurs had Erik weinig gezien en hij vroeg zich af waarom ze na het eerste contact werden achtergehouden. Veel tijd had hij niet om zijn tegenstanders te slim af te zijn, want hij had veel te veel aan zijn hoofd: de vijand stuurde voortdurend kleine groepen aanvallers op zijn positie af. De gevechten waren kort en hevig, en Erik had ze allemaal gewonnen, maar de mannen werden moe en de verliezen liepen op. Hij had een wagen gevorderd waarin hij zijn gewonden had geladen om hen met de vluchtelingen oostwaarts te sturen.

Nu hoorde hij de trompet blazen dat de poorten werden gesloten, en hij begon met het organiseren van de aftocht.

Er reed een jonge knul op hem toe. 'Kapitein?'

'Ja, jongen, wat is er?' Erik zag dat de jongen was gekleed in het uniform van een hofjonker. De tranen stroomden over zijn gezicht. 'Heer Wiliam heeft me bevolen u te zeggen zich terug te trekken.'

Dat wist Erik al van de trompet, dus hij had geen idee wat de jongen kwam doen. 'Verder nog iets?'

'Ik moet met u mee.'

Toen begreep hij het. Wiliam had in ieder geval één van de paleisjongens willen sparen. 'Rijd in oostelijke richting, dan kom je bij een wagen met gewonden. Voeg je bij hen en help de gewonden verzorgen.'  

'Ja, kapitein.'

De jongen reed weg en Erik richtte zich weer op het regelen van de aftocht. Alle boeken uit Wiliams bibliotheek die hij had gelezen, beweerden dat een geordende aftocht het moeilijkste onderdeel van een veldslag was. De neiging om het op een lopen te zetten was welhaast overweldigend, en zich al vechtend terugtrekken was iets vreemds voor mannen wie geleerd was voorwaarts te gaan tijdens het vechten. Maar hij had dit met Wiliam in de afgelopen twee jaar uitgebreid besproken en in het bijzonder sinds hij eerder die week zijn nieuwe rang had gekregen, en Erik was vastbesloten dat geen van zijn troepen op de vlucht zou slaan.  

De hele middag hoorde hij gevechten in de verte, al werd zijn eenheid met rust gelaten, waarschijnlijk omdat de aanvallers in de stad waren en geen behoefte hadden de aanval naar het zuiden of het oosten door te zetten. Dat zou echter veranderen zodra Robert en Wiliam hun verrassingen onthulden.  

Een doffe dreun en een ogenblik later een enorme donkere rookpluim zeiden Erik dat de eerste van die akelige verrassingen was gepresenteerd. Een grote hoeveelheid vaten met Quegs vuur was bevestigd aan de steunen van de kade, en in de kelders en lagere verdiepingen van de gebouwen ertegenover gelegd, tot drie straten ver de stad in. Zodra die werden aangestoken, werd de hele waterkant van de stad gehuld in een vlammenzee die maar weinigen zich konden voorstellen. Alle vijandelijke soldaten binnen honderd voet van een van die gebouwen zouden op slag dood zijn. En degenen die niet tot as werden verbrand, stierven door ademnood, aangezien het vuur alle lucht aan hun longen onttrok. 

Erik wierp een blik op het zuidwesten, in de richting van het paleis, vrezend dat de soldaten van de Smaragden Koningin al in de veste waren. Op dat moment klonk er een oorverdovende ontploffing en Erik wist wat er was gebeurd.

Een luitenant die Erik niet zo goed kende, genaamd Ronald Bumaris, vroeg: 'Wat was dat, kapitein?'

'Dat was het paleis, luitenant,' zei Erik.

De luitenant zei niets en wachtte slechts op bevelen. Een half uur later begon de stroom mensen vanuit de noordelijkste stadspoort sterk te verminderen. Erik gaf zijn mannen het bevel de achterhoede te vormen.

Een tijdlang volgde zijn blik de burgers, die oostwaarts trokken in de richting van de vallende avond. Toen keek hij naar het westen, waar het brandde in de verte, en wachtte af.

 

Eerlijke Jan was in zijn gewone doen. Macros en Miranda liepen door de menigte bezoekers en zwaaiden beleefd naar hun gastheer, maar sloegen zijn uitnodiging voor een drankje af. Doelbewust gingen ze naar de trap en beklommen die naar de bovenverdieping met de winkelpromenade. Bij de winkel van Mustafa gingen ze naar binnen.

De oude man keek op en zei: 'Zo, daar bent u weer.'

'Ja,' zei Miranda.

'Hebt u Puc nog te pakken gekregen?'

Miranda glimlachte. 'Dat zou je wel kunnen zeggen, ja.'

'Wat kan ik voor u doen? Een divinatie?'

Miranda nam plaats op de stoel tegenover de oude waarzegger. 'Herkent u mijn vader?'

Mustafa staarde hem aan. 'Nee, moet dat?'

'Ik ben Macros.'

'O,' zei de waarzegger. 'Ik heb gehoord dat u dood was. Of vermist. Iets dergelijks.'

'Ik heb informatie nodig,' zei Miranda.

'Daar handel ik in.'

'Ik zoek een weg naar de wereld Shila.'

'Daar zult u het beslist niet naar uw zin hebben,' zei Mustafa. 'Het wemelt er van de demonen. Een of andere idioot heeft de barrière tussen de Vijfde Cirkel en die wereld ontzegeld en nu is alles daar naar de hel.'

Macros lachte een droog lachje. 'Aardig geformuleerd.'

'Waarom wilt u daarheen?'

'Om twee scheuringen te sluiten,' antwoordde Miranda. 'De ene tussen Shila en Midkemia en de andere tussen Shila en het demonenrijk.'

'Dat is moeilijk.' De oude man wreef over zijn kin. 'Maar ik denk dat ik beschik over informatie die nuttig zou kunnen zijn. Ik weet een doorgang naar een plek niet ver van de stad Ahsart, waar u naar mijn idee naar toe wilt.'  

'Hoe weet u dat?' vroeg Macros.

'Ik zou geen goede handelaar in informatie zijn als ik dat niet wist, wel?'

'Hoeveel?' vroeg Miranda.

Mustafa noemde een prijs, de zielen van twaalf kinderen die nog nooit waren geboren, en meteen stond Miranda op. 'Misschien vraagt Querl Dagat een minder belachelijke prijs.'

'Wacht even!' zei Mustafa bij het horen van de naam van een van zijn voornaamste concurrenten. 'Doe maar een tegenvoorstel.'

'Ik ken een Woord van Macht waarmee u een grote wens in vervulling kunt doen gaan.'

Even bleef Mustafa stil. 'Maar?'

'Het werkt alleen op Midkemia.'

De oude man slaakte een zucht. 'Volgens de laatste berichten is Midkemia tegenwoordig niet meer zo'n gastvrij oord.'  

'Dat is een van de redenen waarom we die poorten moeten sluiten. Als dat is gelukt en de rommel is opgeruimd, kunt u naar Midkemia, uw wens uitspreken en alweer terug zijn voordat u het zelf in de gaten hebt.'

Met een nieuwe zucht zei de oude man: 'Ik zou best een paar jaartjes kwijt willen raken. Zoals u weet word ik hier niet ouder, maar ik heb de Galerij pas laat in mijn leven ontdekt en de meeste verjongingsmiddelen die ik heb gevonden, vereisen hoogst onaantrekkelijke maatregelen, zoals het eten van het nog kloppende hart van je minnaar of het vermoorden van zuigelingen in hun wieg. Mijn gevoel voor ethiek staat zulks niet toe.'

'Als ik u was,' opperde Miranda, 'zou ik eeuwige gezondheid wensen.

Ook als je jong bent kan je nog steeds problemen hebben.'

'Dat is geen gek idee. U heeft zeker niet twee van die wensen?'

Miranda schudde haar hoofd.

'Nou, goed, ik ga akkoord.' De oude waarzegger greep onder de tafel en haalde een kaart te voorschijn. 'Wij zijn hier,' zei hij, wijzend op een groot zwart vierkant, omringd door lijnen die na hun raakpunt met een van de zijden wegkrulden. 'Als u weggaat, zeg de deurheks dan dat u uitgang zeshonderdnegenenvijftig wilt.' Zijn vinger prikte op de kaart. 'Dan komt u hier terecht. Ga rechtsaf, tot zestien deuren aan de rechterkant - denk eraan, de deuren verspringen, dus als je links telt, kom je verkeerd uit. De zestiende deur komt uit in een grot op Shila, op ongeveer een dag paardrijden van Ahsart. Ik neem aan dat die reis geen probleem vormt als u eenmaal daar bent.'  

'Geen enkel.'

'Hou zuid aan en u ziet de stad vanzelf aan uw rechterkant. En om u enig inzicht te verschaffen in wat u daar aantreft,' zei hij, de kaart opbergend, 'zal ik u wat vertellen over demonen. In wat de mensen de hel noemen, zijn zeven cirkels. Het bovenste niveau is gewoon een erg onprettig oord, bewoond door wezens die niet al te veel verschillen van die op Midkemia. De Zevende Cirkel wordt bevolkt door de wezens die u kent als de drochten. Deze levens eters zijn wezens van een volkomen anderssoortige energie. Ze kunnen in uw wereld niet bestaan zonder alles wat ze aanraken te doden. Hun energievorm is zo strijdig met het leven zoals wij het kennen, dat ze in Eerlijke Jan niet welkom zijn.'  

En dat wilde heel wat zeggen, wist Miranda. Maar verder had ze geen idee waar de oude man het over had. Anderssoortige energieën? Maar ze had geen tijd om erover na te denken, dus besloot ze de opmerking te negeren.

'De demonen van de Vijfde Cirkel zijn lang niet zo vreemd. Van tijd tot tijd wandelt er hier een bijzonder beschaafd exemplaar binnen, en zolang hij de andere bezoekers niet probeert te verslinden, wordt hij door Jan gedoogd.'

'Wat heeft dat met ons te maken?' vroeg Macros.

'Voor een wijs en machtig tovenaar bent u behoorlijk ongeduldig, niet?' zei Mustafa. Hij hief zijn hand op toen Macros begon te protesteren. 'Stilte. Alles zal vanzelf duidelijk worden. De demonen leven van leven. Eigenlijk net zoals u planten of dieren eet, eten zij vlees en leven. Wat u verstaat onder leven, geest of ziel is voor hen als drank. Met vlees bouwen ze hun lichaam op, net als u en ik, maar met leven bouwen ze aan hun macht en hun sluwheid. Een oude demon heeft talrijke vijanden verslonden en bewaart gevangengenomen zielen voor het geval hij ze later nodig heeft.'

'Dat begrijp ik niet,' zei Miranda.

'Demonen zijn net... haaien. Zijn er haaien op Midkemia?'

'Ja,' antwoordde Miranda.

'Ze zwemmen in groepjes, maar om onbekende redenen kunnen ze zich tegen hun soortgenoten keren en elkaar aan stukken scheuren. Als ze aan het vreten slaan, kan de ene haai worden opgegeten door een andere, die op zijn beurt wordt verslonden door een derde. Zo is het met demonen ook. Ze eten elkaar als er geen andere bron van ziel en vlees is. Als ze een weg hebben gevonden naar een wereld op een hoger vlak, roven ze die helemaal leeg, zich volproppend met vlees en ziel. En hoe meer ziel of geest ze eten, des te sluwer worden ze. Maar als ze geen nieuwe bronnen vinden, worden ze dom. Zodoende hebben de machtigere demonen meer zielen nodig om niet dom te worden.'  

'Ik geloof dat ik het nu begrijp,' zei Macros.

'Ja,' zei Miranda. 'De demon die Puc verwondde, heeft waarschijnlijk zijn meester verraden opdat hij zich in onze wereld probleemloos kon volproppen!'

'Dat is zeer aannemelijk,' zei Mustafa. 'Trouw is een begrip dat ze niet kennen.'

'Bedankt,' zei Miranda, en ze stond op.

'Wacht, dat is nog niet alles.'

'Vertel verder,' zei Macros, terwijl Miranda weer ging zitten.

'Als u de demonen vastzet tussen hun eigen rijk en Midkemia, zullen ze uiteindelijk al het leven op Shila vernietigen en dan zullen ze elkaar gaan verslinden.'

'Wat kan ons dat schelen?' vroeg Macros.

'Niet voor zover het de demonen betreft. Uiteindelijk zal er nog maar één demon over zijn, waarschijnlijk hun koning Maarg, als die door de poort is gekomen, of anders Tugor, zijn hoofdman. En zonder voedselbron zal hij verzwakken en uiteindelijk sterven. Maar voordat hij een domme, verhongerende demon wordt, is hij eerst nog een zeer ontstemde, zeer machtige demon.'  

'En dat betekent?' vroeg Miranda.

'Dat betekent dat u de deur goed achter u dicht moet doen als u weggaat.'

Miranda knipperde met haar ogen en begon toen hard te lachen. 'Dat zullen we doen,' zei ze, en ze stond weer op.

'Niet alleen de deur naar Midkemia. Barricadeer de deur naar de Galerij als u terugkomt. Een in de Galerij loslopende, razende demonenkoning zou hoogst onprettig zijn.'  

'Ik zal eraan denken.'

'En mijn betaling?' vroeg Mustafa, eveneens overeind komend. Miranda glimlachte en er lag een gemeen trekje rond haar lippen toen ze zei: 'Dat vertel ik je wel op de terugweg.'

Terwijl ze het kantoortje verlieten, liet Mustafa zich weer zakken op zijn stoel en zei: 'Waarom laat ik me toch altijd beetnemen door een mooie vrouw?' Hij sloeg met zijn vuist op de tafel. 'Zorg dat ze eerst betalen!'