22 Ravensburg
Erik glimlachte.
Kitty leek welhaast in zijn armen te vliegen, hem amper de tijd gunnend af te stijgen. 'Ik was zo bang dat ik je nooit meer zou zien,' zei ze.
Hij kuste haar en drukte haar stevig tegen zich aan. 'Ik ook.'
Op het stalerf van herberg De Pijlstaart wemelde het van de soldaten en door het gedrang heen naderden Nathan en Freida. Freida omhelsde haar zoon en Nathan schudde hem krachtig de hand. 'Gefeliciteerd!' zei Nathan met een grijns. 'Ridder-Kapitein en nog getrouwd ook.'
'Waarom heb je geen bericht gestuurd?' vroeg Freida. 'Toen dit meisje verscheen, dacht ik eerst dat ze gek was, getrouwd met mijn jongen.' Met een twijfelachtige blik staarde ze Kitty aan. 'Maar na een tijdje wist ze me genoeg te vertellen om me ervan te overtuigen dat ze je goed kende.'
Toen glimlachte ze.
Erik bloosde. 'Tja, het was een beetje een chaos en we moesten snel zijn.'
'Dat heeft ze me verteld: zei Freida.
'Je ziet er niet uit,' zei Nathan. 'Kom binnen, neem een bad en eet wat.'
'Doe ik,' zei Erik, 'maar eerst moet ik de evacuatie op gang brengen. Overmorgen moeten jullie allemaal op mars zijn.'
'Hiervandaan?' vroeg Nathan.
Erik knikte. 'De vijand zit nog geen vijf dagen achter ons, misschien zelfs maar drie, en sommige cavalerie-eenheden wellicht nog dichterbij. Nadat jullie zijn vertrokken, verdedigen we de stad zo lang we nog kunnen.'
'En dan?' vroeg Nathan.
Welhaast te beschaamd om te antwoorden sloeg Erik zijn ogen neer. 'Dan branden we alles plat.'
Nathan werd bleek. 'Weet je wel wat je doet?'
'Ja,' zei Erik. 'Ik heb Wilhelmsburg, Wolfsburg en zes andere dorpen ook al in brand gestoken.'
Met een hand wreef Nathan over zijn leerachtige gezicht. 'Ik had niet gedacht dat ik het nog een keer zou moeten meemaken.'
Jaren geleden had hij de verwoestende aanvallen op de Verre Kust overleefd, herinnerde Erik zich. 'Ik kan alleen zeggen dat het absoluut noodzakelijk is.'
Een hondsmoe ogende gedaante in een grijze mantel reed onhandig het erf op en hield zijn paard in naast dat van Erik. Robert d'Lyes steeg af en zijn bibberende linkerknie kon zijn gewicht bijna niet dragen. Op o-benen draaide hij zich om naar Erik. 'Wen je hier ooit aan?'
'Moeder, Nathan, dit is Robert,' zei Erik glimlachend 'Hij is pas begonnen met leren paardrijden.'
Met hem meevoelend, vertrok Nathan zijn gezicht. 'Kom maar binnen, dan schenk ik wat wijn in om je ongemakken te verlichten.' Nathan gaf Gunther, zijn leerling, een teken het paard van de magiër mee te nemen. De jongen kwam aangerend, keek glimlachend naar Erik en wierp een vragende blik naar het rijdier van de voormalige smid.
'Ik heb hem nog even nodig,' zei Erik. 'Maar ik kom later wel terug, dan kan je hem voor me verzorgen.' Hij wendde zich tot Nathan. 'Ik ben de mannen aan het inkwartieren, hier, in alle andere herbergen, in het Wijnbereidersgebouw en overal waar er maar plaats is, dus hou rekening met een aardige hoeveelheid hoefijzerwerk voordat je vertrekt. Behalve onze korpssmid ben jij de enige in Ravensburg die wapens en wapenrustingen kan repareren.' Met een spijtige blik voegde hij eraan toe: 'Verwacht niet dat je de komende dagen veel zult slapen.'
Nathan schudde zijn hoofd. 'Kom maar mee, Robert, dan drink ik een glaasje met je mee. Ik geloof· dat ik dat nodig ga hebben.'
Kitty gaf Erik een zoen. 'Kom snel terug.'
Ook Freida kuste hem en fluisterde: 'Het lijkt me een fijne meid, Erik, al doet ze soms wat raar.'
Erik grijnsde. 'Je hebt geen idee. Ik ben terug met het eten.'
Toen zijn moeder zich omdraaide, vroeg hij: 'Nog nieuws van Ru?' Ze bleef staan. 'Een paar dagen geleden zijn er twee wagens van hem
binnengekomen. Ik geloof dat ze bij Gaston staan. Maar van hem hebben we niets gehoord. Hoezo?'
'Hij was onderweg en... het is moeilijk geweest.'
Zelf moest Freida niets hebben van Ru, maar ze wist hoe dik bevriend haar zoon met hem was. Ze knikte. 'Ik zal bidden.'
Erik glimlachte. 'Bedankt, moeder.' Hij steeg weer op en reed Ravensburg in om te zorgen voor de plaatsing van de mannen en de voorbereidingen voor de verwoesting van het stadje waar hij het grootste deel van zijn leven had gewoond.
'Hoe gaat het?' vroeg Ru.
Beter,' antwoordde Luis. Hij reed naast Ru en zag er inderdaad beter uit.
Verderop draaide Jadow zich om en zei tegen Ru: 'Man, als je weet dat jij hem bijna hebt vermoord met dat kompres, dan ziet hij eruit als herboren.'
'Nou ja, ik dacht dat't het mos was dat Nakur ons had laten zien.'
De elfen hadden Ru's brouwsel verwijderd, de juiste ingrediënten voor een genezend kompres gevonden en Luis' wond opnieuw verbonden.
Jadows soldaten hadden zo veel paarden van de gedode overvallers meegenomen dat Ru, Luis en de vrouwen konden rijden. De elfen waren allen te voet en twee van hen voerden de paarden met de kinderen aan de teugels mee, terwijl Karli en Helen hun kroost goed in de gaten hielden.
Nadat ze het strijdperk hadden verlaten, hadden ze kamp opgeslagen.
Omdat de elfen zulke uitmuntende schildwachten waren, vond Jadow een complete verschansing niet noodzakelijk en besloot dat de twee extra reis uren belangrijker waren.
Tweemaal sinds ze dat kamp die ochtend hadden verlaten, kregen ze berichten over andere zuidwaarts trekkende compagnieën: Koninkrijkse troepen in het oosten en vijandelijke in het westen. Het was duidelijk dat ze recht op het volgende slagveld afstevenden. Ru wist genoeg van het omringende land om te weten dat ze in Ravensburg een tijdlang stand zouden houden om zich dan naar Zwartheide terug te trekken, want achter Ravensburg lag alleen nog Wolverton als dorp van enige omvang en de streek rondom dat gehucht leende zich niet voor een sterke verdediging.
'Hoe ver nog naar Ravensburg?' vroegJadow aan Ru.
'We zijn er binnen het uur,' antwoordde Ru.
'Mooi,' zei Luis. 'Ik lust wel een slok van die wijn waar Erik en jij altijd zo over opschepten.'
'Een teleurstelling zal het zeker niet zijn,' zei Ru. Toen bedacht hij dat er al een groot deel van het Koninkrijkse leger in Ravensburg was. 'Aangenomen dat er nog wat over is als we er arriveren.'
Tien minuten later naderden ze het eerste Koninkrijkse kamp, opgeslagen achter een goed verdedigbare helling in de weg. Ze begroetten de schildwachten en werden zonder vragen doorgelaten.
Terwijl ze verder liepen, zagen ze steeds meer regimenten van het Koninkrijkse leger die zich aan het ingraven waren. 'Zo te zien wordt er gevochten langs een front van een mijl of tien,' zei Ru.
Jadow wees over zijn schouder, naar het noorden. 'We lokken hen al weken deze kant op. We hebben genoeg manschappen achtergelaten om ervoor te zorgen dat ze geen uitval hierheen doen, gauw teruggaan en ten noorden van ons doorbreken.'
Ru kende het terrein op zijn duimpje. 'Ook al slagen ze erin langs jullie heen te komen, dan nog moeten ze naar het zuiden afslaan als ze proberen de Nachtmerriekam te beklimmen.'
'Dat is het plan,' zei Jadow:
Hoe dichter ze Ravensburg naderden, des te drukker het werd. De weg die Ze volgden liep parallel aan een lage heuvelkam, bestaande uit een reeks in elkaar overvloeiende hellingen die al jaren met wijnstokken werden beplant.
De soldaten waren de grote ranken, sommige zo groot als kleine bomen, aan het kappen om ze samen met alles wat ze verder konden vinden te verwerken tot borstweringen langs de toppen van de heuvelkam. Al was hij zelf geen wijnboer, Ru had er lang genoeg tussen gewoond om te weten hoe groot het verlies van die wingerds was. Sommige wortelstokken waren driehonderd jaar oud en konden onmogelijk worden vervangen. Hij zag arbeiders als waanzinnigen ranken afsnijden om ze later te kunnen enten, in de hoop dat ze op een dag terug naar deze wijngaarden konden keren om opnieuw te beginnen. In stilte wenste Ru hen geluk.
Halverwege de middag bereikten ze Ravensburg. Ru zag Erik toezicht houden over het oprichten van een barricade over de hoofdweg. Hij zwaaide en Erik reed naar hen toe.
'Ru! Luis! Jadow!' zei Erik met een opgelucht gezicht.
Galain wachtte tot de begroetingen waren uitgewisseld en zei: 'Kapitein Von Zwartheide?'
'Ja,' zei Erik. 'Wat kan ik voor u doen?'
Galain haalde een tekstrol te voorschijn en gaf hem aan Erik, die het bericht las en zei: 'Mooi.' Hij wees naar een herberg aan de overkant van het plein. 'Als u iets wilt eten, ga dan daarheen en zeg hun dat ik u heb gestuurd.'
'Bedankt,' zei Galain.
Erik keek naar Karli, Helen en de kinderen. 'Als jullie zo vriendelijk zouden willen zijn om die paarden mee te voeren, zou ik dat op prijs stellen.' Tegen Karli zei hij: 'Zeg mijn moeder dat ik jullie heb gestuurd en pas op dat ze de kinderen niet te veel snoepjes geeft.'
Karli glimlachte en er rolde een traan van opluchting over haar gezicht, ondanks haar pogingen zich in te houden. 'Bedankt,' zei ze.
Terwijl de twee vrouwen met de vier kinderen wegreden, vroeg Erik aan Luis: 'Wat is er met je schouder gebeurd?'
'Lang verhaal,' zei Luis. 'Vertel ik je vanavond wel.'
Erik knikte en wendde zich tot Ru. 'Waarom ga je niet met je gezin mee? Wij praten later wel. Ik heb nog een hoop te doen.'
'Kennelijk,' zei Ru. 'Tot later dan.'
Ze reden weg en Erik nam Jadows spottende saluut in ontvangst. 'Rapport, sergeant.'
'Ja, kapitein! Tot uw orders, kapitein!' zei Jadow grijnzend.
'Goed, zo is het wel genoeg.'
'Als u het zegt, kapitein!'
Erik boog zich naar hem toe. 'Zou je misschien weer korporaal willen worden, sergeant?'
'Sar me niet met beloften die je niet kunt houden, gemeen stuk vreten.'
Erik grinnikte. 'Wat heb je gezien?'
'Er zit in het noorden een taaie smeerlap die de vijand leidt. Hij heet Duko, generaal Duko. Hij blijft zitten waar hij zit, beukend op die kleine pas tussen Eggly en Tannerus. De graaf van Pemberton en de hertog van Yabon zitten daar allebei met zware infanterie, en een groep Cortesische boogschutters verdedigt de hogere bergkammen, zodat de vijand beneden in de pas blijft. Het zijn taaie rakkers die je wenkbrauwen eraf kunnen schieten met hun pijlen. Duko's manschappen blijven voornamelijk inbeuken op de barricades op het pad, keer op keer. Het gaat er bloedig aan
toe en ze krijgen er flink van langs, maar we kunnen niet voorkomen dat de vijandelijke troepen blijven oprukken.'
'Nog bericht over Fadawah?'
'Geen. Naar het schijnt blijft Heer Slechterik de Eerste lekker dicht bij de Smaragden Teef.' Jadow krabde aan zijn kin. 'Dit is een behoorlijk smerige invasie, als je begrijpt wat ik bedoel.'
'Ik begrijp precies wat je bedoelt,' zei Erik. 'Ga wat eten. En als je mannen zijn ingekwartierd kan je een nachtje slapen. Morgen ga je met je compagnie kijken wat je kunt doen in het volgende dorp, Wolverton. Als het goed is, trekt de vijand daar dwars doorheen, dus kijk of je wat nare verrassingen kunt verzinnen om ze een beetje op te houden.'
Jadow grinnikte. 'Nare verrassingen zijn mijn specialiteit, kapitein.'
'Als je klaar bent kom je terug. Je moet de vliegende compagnie aan de noordflank voor me leiden.' Erik salueerde en Jadow reed met zijn zestig mannen weg.
Erik richtte zijn aandacht weer op het werk, maar gedeeltelijk bleef hij bezig met zijn familie, voornamelijk met zijn jonge vrouw, op nog geen tien minuten rijden afstand.
Het was druk in de herberg. Milo, de herbergier, had Ru, Karli, Helen Jacoby, Erik en Kitty in de keuken gezet, allemaal rond de tafel waarop de maaltijden werden bereid. De kinderen hadden al gegeten en waren naar bed gestuurd. Ook zonder hen was het zo krap dat Kitty op Eriks knie zat, wat geen van beiden erg scheen te vinden.
Erik zat te schrokken van zijn eerste warme maaltijd sinds dagen, uit de kookpot van zijn moeder bovendien. Milo had verscheidene flessen van zijn betere wijn geopend en schonk iedereen in.
Robert d'Lyes was ondergebracht bij Gunther, Nathans leerling, en Milo wist niet waar hij iedereen moest laten. 'De kinderen kunnen vannacht onze kamer wel krijgen,' zei Freida.
'Milo heeft hen al naar boven gebracht,' zei Nathan.
'Niet Ru's kinderen, ik bedoel Erik en zijn vrouw.'
Erik begon te blozen en Nathan schoot in de lach. 'Die jongen kun je toch geen kind meer noemen, lieverd.'
'Het is mijn jongen en zij is niet veel meer dan een kleine meid,' zei Freida. 'Trouwens, ze moeten alleen kunnen zijn.'
'Nou,' zei Nathan, 'ik zal de hele nacht in de smidse bezig zijn, dus jij bent degene die een ander slaapplaatsje zal moeten zien te vinden.'
'Ik gooi wel een deken hier onder de tafel. Ik moet morgen toch vroeg op, want we hebben weer buikjes te vullen.'
Erik wist dat Nathan en zijn moeder hun intrek hadden genomen in een gebouwtje vlak naast de smederij, waar vroeger Tyndal, Eriks eerste meester, had gewoond. Toen was het weinig meer dan een smerig schuurtje geweest, maar Nathan en zijn moeder hadden het veranderd in een keurig slaapkamertje.
'Erik, moeten we echt hier weg?' vroeg Milo.
Erik knikte. 'Overmorgen bij het eerste licht. Een paar dagen daarna wordt hier strijd geleverd. We moeten hen buiten de stad houden terwijl de noord- en zuidflanken zich terugtrekken. Daarna houden die stand terwijl wij ons terugtrekken. En als alles volgens plan verloopt, verslaan we hen bij Zwartheide.'
Milo slaakte een diepe zucht. 'Deze herberg is alles wat ik heb.'
Erik knikte. 'Ik heb wat geld. Als de oorlog is afgelopen, help ik je wel met de herbouw.'
Erg overtuigd was Milo niet, maar hij schikte zich in zijn lot.
'Hoe gaat het met Rosalyn en de kleine?' vroeg Erik.
'Uitstekend,' zei Milo, plots blij gestemd. 'Zij en Rudolf hebben er nog een gekregen, een jongen, die ze naar mij hebben vernoemd.'
'Gefeliciteerd,' zei Erik.
'Ik heb hun laten weten dat je terug was, al zullen ze daar allang achter zijn met al die soldaten die hier jouw naam lopen te roepen. Het verbaast me eigenlijk dat ze nog niet hier zijn.'
'Ach, Rudolf en zijn gezin hebben een bakkerij te ontmantelen en te verhuizen,' zei Erik.
'Dat is waar. Maar toch, ik denk dat ze jou wel willen zien voordat ze evacueren.'
'Ik zou hen graag even spreken,' zei Erik.
Kitty kuste hem op de wang. 'Doe dat morgen maar.'
Erik grijnsde en begon weer te blozen. 'Goed,' zei hij zacht en keek de tafel rond. 'Nou, ik moet morgen weer vroeg op, dus...'
Iedereen schoot in de lach. Nog dieper kleurend pakte Erik Kitty's hand en nam haar mee de keuken uit.
Toen ze weg waren, zei Nathan: 'Ru, je hebt het goed gedaan.'
Ru blies zijn wangen bol en slaakte een overdreven zucht van opluchting. 'Nu ik weet dat ik nog leef, geloof ik dat ik dat wel kan zeggen, ja.' De anderen begonnen weer te lachen en ze spraken verder, bijpratend en door de vertrouwde omgeving in de tijdelijke illusie verkerend dat er niets aan de hand was.
De volgende dag zat Ru met zonsopgang al op de bok van de wagen, zijn vrouw naast hem. In de wagenbak zaten Luis, Helen en de kinderen. 'Tot gauw dan maar?' vroeg Ru glimlachend.
Erik knikte, zittend op zijn paard. 'Maar voorlopig nog niet, als jullie verstandig zijn. Tegen de tijd dat ik in Zwartheide ben, moeten jullie al halverwege Malachskruis zitten. Trouwens, heb je in het Oosten geen landgoederen of zoiets om je bezig te houden?'
Ru haalde zijn schouders op. 'Ik heb genoeg om het hoofd boven water te kunnen houden als alles achter de rug is. Maar op een rare manier vind ik het jammer om te moeten missen wat er komen gaat.'
Grijnzend keek Erik hem aan. 'Nee, dat vind je helemaal niet jammer.'
Ru grijnsde terug. 'Je hebt gelijk. Ik neem de kinderen mee naar een plek waar ze kunnen spelen en eten en dik worden.'
'Nou, maak dan dat je wegkomt!' lachte Erik.
Ru had ontdekt dat twee van zijn wagens het tot Ravensburg hadden gehaald. Zijn belofte nakomend, had hij de twee menners een jaarloon uitgekeerd, waarop hij hen liet gaan en een van de wagens overdroeg aan Milo en Nathan en de andere voor zichzelf hield.
Erik reed naar de andere wagen. Milo en Nathan zaten op de mennersbok terwijl Kitty, Freida, Rosalyn, haar man Rudolf en hun zoons Gerd en Milo achterin zaten. Erik glimlachte naar de oudste van de twee, die inmiddels al duidelijk leek op zijn echte vader, Stefan von Zwartheide. De jongen zat in de armen van zijn stiefvader, opgewonden vragen stellend in zijn eigen peuterdialect van de Koninkrijkse taal, terwijl zijn moeder de kleinste in haar armen hield.
'Als jullie in Zwartheide zijn, vraag dan naar Owen Grijslok,' zei Erik. 'Die wijst jullie wel een plek waar je veilig bent.'
Kitty stond op en Erik reed zijn paard zo dicht bij de wagen dat ze elkaar konden omhelzen. Zonder een woord hielden ze elkaar vast, tot Erik haar losliet.
Nathan schudde met de teugels om de paarden tot lopen aan te zetten, en Erik zag zijn leven bij hem vandaan rijden: zijn moeder; haar echtgenoot, een zeldzaam en bewonderenswaardig man; Milo, die in zijn jeugd nog het meest een vader voor hem was geweest; Rosalyn, evenzeer een zuster voor hem alsof zijn moeder haar had gebaard; en Gerd, zijn neefje, al waren maar weinigen op de hoogte van dat feit. En, het verbazingwekkendst van allemaal, Kitty, een tenger meisje dat meer voor hem betekende dan hij voor mogelijk had gehouden voordat hij haar had ontmoet.
Erik keek hen na tot de wagen in de drukte van het stadje was verdwenen. Andere bewoners stapelden hun eigendommen op wagens of handkarren, of bonden ze in bundels die ze op hun rug zouden dragen wanneer ze hun huizen verlieten. Alles wat voor het levensonderhoud van belang was werd meegedragen: gereedschap, zaden, stekken van de vruchtbaarste wijnranken, boeken en tekstrollen, inboedel. Rudolfs gezin had de bakkerij ontmanteld voor het redden van de ijzerwaren - de deuren van de stenen ovens, de platte ovenbodems en bakroosters - en de waardevolle voorwerpen. Alleen de lege stenen ovens en wat houten koelrekken werden achtergelaten.
Sommige families hadden werkelijk al hun bezittingen hoog opgetast op wagens of karren, terwijl anderen slechts grepen naar de dingen van waarde, de in de jaren verzamelde meubels, kleren en andere huishoudgoederen opofferend om zo snel mogelijk te kunnen vertrekken. Sommige dorpsbewoners waren al vertrokken, hun kleine kuddes schapen, geiten of koeien voortdrijvend en hun kippen, eenden en ganzen vervoerend in houten kratten.
En overal renden soldaten langs, op weg naar posities die al maanden voordat Erik hier was aangekomen waren bepaald. Erik schudde het zich aan hem opdringende gevoel van persoonlijk verlies van zich af en richtte zijn aandacht op de verdediging van zijn geboorteplaats.
Nadenkend over alles wat Grijslok hem had gezegd te doen, dankte hij de goden dat de generaal en kapitein Caelis zo grondig te werk waren gegaan, want straks zou de meest wanhopige strijd na de val van Krondor worden geleverd. Alle boeken uit Ridder-Maarschalk Wiliams bibliotheek die Erik had gelezen, hadden telkens één ding benadrukt: iedere oorlog was veranderlijk, onvoorspelbaar, en degenen die het beste op alle eventualiteiten waren voorbereid en van iedere gelegenheid gebruik konden maken, hadden de grootste kans op overleven.
En dat was precies hoe Erik er vandaag de dag over dacht: overleven.
Niet overwinnen, maar gewoon langer volhouden dan de vijand. Het enige waar hij om bad, was dat de tegenstanders als eersten zouden sneuvelen. En dat als er ook maar iets aan de voorbereidingen schortte, dat niet te wijten was aan een gebrek aan inspanning van zijn kant.
Erik keerde zijn paard en reed weg om de voorste verdedigingslinie te inspecteren.
De mannen groeven verwoed om ten westen van Ravensburg de borstwering dwars over de pas op te werpen. Bijlslagen galmden door de middaglucht waar bomen werden geveld. Erik veegde zijn voorhoofd af en wierp een blik op de hete zon. Op een dag als deze viel het zwaar om aan sneeuw te denken. Toch kon de winter hier, in de bergen van zijn geboortestreek, al over een maand intreden. Maar zijn gevoel zei hem dat het waarschijnlijk een late en zachte winter zou worden. Uit het plantenleven en het gedrag van de wilde dieren kon hij aflezen dat er nog zeker acht weken zouden verstrijken voordat er zoiets als een serieuze sneeuwbui kon worden verwacht, en drie maanden was ook goed mogelijk.
Hij dacht aan het jaar - hij was toen nog maar zes - toen er de hele winter geen noemenswaardige hoeveelheid sneeuw was gevallen, alleen maar wat natte sneeuw, en die was zo weer verdwenen.
Maar aangezien hij er toch niets aan kon veranderen, besloot hij zich niet langer zorgen te maken over het weer en zijn aandacht te richten op de dingen waar hij wel invloed op had.
Er reden twee ruiters in zijn richting, de ene vanuit het zuiden en de andere vanuit het westen. De ruiter uit het westen was als eerste bij hem en salueerde. Het wapenkleed van het Krondoriaanse garnizoen dat hij droeg was vies en met bloed besmeurd. 'Kapitein,' zei hij. 'We zijn besprongen door een compagnie Saaurs. Die groene schoften hakten ons aan mootjes voordat we ons konden groeperen.' Hij keek over zijn schouder, alsof hij verwachtte dat de vijand ieder moment kon opduiken. 'Ze schijnen ons kwalijk te nemen wat de lansiers met hen hebben gedaan en zoeken naar lichte cavalerie en bereden infanterie om wraak te nemen. Maar hoe dan ook, ik ben ontsnapt. Ik denk dat ze zich gaan hergroeperen, samen met de vooruitgeschoven eenheden, en morgen met zonsondergang of met de daarop volgende dageraad hier zijn.'
'Goed,' zei Erik. 'Ga in het dorp maar wat eten en rusten.' Hij keek rond. 'Ik denk niet dat we in de nabije toekomst nog verkenners nodig hebben, dus meld je morgenochtend bij mijn eerste sergeant, een luidruchtige bullebak genaamd Harper.' Erik glimlachte. 'Hij zal vast wel wat voor je te doen hebben.'
Toen de eerste ruiter vertrok, hield de andere tegenover Erik in en salueerde. Hij was gekleed in het uniform van de Padvinders. 'We ondervinden wat meer druk dan verwacht, kapitein. Ik weet niet hoelang we nog een geordende aftocht kunnen volhouden.'
Erik nam de troepenplaatsing in het zuiden opnieuw in ogenschouw; 'Jullie horen maar onder matige druk te staan. Wat is er gebeurd?'
'Weet ik niet, kapitein, maar de graaf van Landreth voert het bevel.'
'Wat is er met hertog Gregory gebeurd?' De hertog van de Zuidelijke Marken, een hofgouverneur in het Dromendal, had het bevel over de zuidelijke eenheden gekregen en moest zijn inspanningen coördineren met Grijsloks verdediging van het centrum. Hij had hulptroepen genoeg, aangezien de garnizoens uit Shamata en Landreth onder zijn bevel stonden.
'Dood, kapitein. We dachten dat u het al wist. Er zijn vorige week boodschappers gestuurd.'
Erik vloekte. 'Die zijn nooit bij generaal Grijslok of bij mij gearriveerd.' Ze hadden aangenomen dat de vijand een belangrijk deel van zijn leger op Kesh afstuurde, voor het geval het keizerrijk van de verwarring gebruik wilde maken om zijn territorium te vergroten, maar volgens het bericht van deze soldaat was de zuidelijke vleugel van de verdediging te snel bezweken. 'Ga in het dorp een vers paard halen en pak wat te eten,' zei Erik. 'Ik stuur twee compagnieën boogschutters om jullie wat hulp te bieden bij de aftocht.' In gedachten bestudeerde hij nogmaals de landkaarten. 'Zeg de graaf zijn front in het zuiden te laten vallen en de soldaten aan die flank rondom zich te verzamelen, links van hem terwijl hij zich terugtrekt. Laat hen zich ingraven bij het stadje Pottersville. Maar daar moet hij drie dagen standhouden, vier is beter. Tegen die tijd zijn we hier al aan het vechten en we kunnen hen niet in onze flank gebruiken. Als hij hen zo lang kan tegenhouden, mag hij langzaam noordwaarts langs het front gaan, via de weg naar het stadje Breonton. Eenmaal daar kan hij op de vlucht slaan naar Zwartheide, maar niet eerder.'
De Padvinder knikte en toonde een vermoeide glimlach. 'Ik neem aan dat u er geen bezwaar tegen heeft als ik zeg dat deze voorstellen van generaal Grijslok komen?'
Glimlachend schudde Erik zijn hoofd. 'Natuurlijk niet. Ik zou het niet in mijn hoofd halen de graaf iets op te dragen.' Ineens verdween zijn glimlach. 'Maar we hebben geen tijd om jou naar Zwartheide te laten gaan zodat je van Owen precies hetzelfde te horen krijgt en dan pas terug kunt naar de graaf. Dus als de graaf het vraagt, zeg hem dan maar dat de bevelen van de generaal afkomstig zijn, dan los ik de problemen wel weer op die mogelijkerwijs uit deze kunstgreep voortvloeien.'
De Padvinder knikte nogmaals. 'Weet u, kapitein, als we allemaal in Zwartheide zijn, zitten we met een zeer gemengd gezelschap. Veel edellieden zullen het niet op prijs stellen te worden gecommandeerd.'
'Nee,' zei Erik glimlachend, 'daarom wil prins Patrick er ook bij zijn.'
'Is de prins in Zwartheide?'
'Men zegt het. Welnu, zorg dat je wat te bikken krijgt en ga dan meteen terug naar de graaf van Landreth.'
De Padvinder salueerde en reed weg. Erik keek naar de bomen die werden versleept om de barrière over de Koningsheerbaan te verstevigen. Twee grote heuvelkammen keken uit op die positie en met muilezels werden er katapults langs de geitenpaden omhooggetrokken naar platforms die in de rotsen waren uitgehouwen. De geringste opeenhoping van vijandelijke manschappen op de heerbaan zou resulteren in zware verliezen.
Erik knikte goedkeurend. In het komende uur kreeg hij meer trekdieren om de boomstronken weg te slepen en zodra de laatste boom was geveld, zou hij zijn mannen op die taak zetten. Als Erik von Zwartheide er iets over te zeggen had, kreeg de vijand geen enkele dekking tijdens zijn opmars naar Ravensburg.
Tweemaal waren er al tirailleurs dicht bij de verschansingen buiten Ravensburg gekomen, op het laatste moment wegsprintend om terug te gaan naar het westen. Erik stond te wachten op de tweede bult in de heerbaan, hoog genoeg voor een goed uitzicht op het centrum van het slagveld en dichtbij genoeg om vlug berichten naar het front te sturen.
Een uur geleden had hij de boodschap ontvangen dat er zowel aan de zuid- als de noordzijde van zijn tien mijl lange verdedigingslinie fel werd gevochten. Dat waren de lastigste onrusthaarden, want alles hing af van hun vasthoudendheid, zodat ze de vijand konden sturen langs speciaal voor hen opengehouden routes naar het centrum, waar Erik hen bij hun pogingen om door te stoten zware verliezen kon laten lijden.
Wanneer hij uiteindelijk het bevel tot terugtrekken gaf, moesten die noordelijke en zuidelijke eenheden voor zover mogelijk alle gevechten staken en naar Zwartheide vluchten. Erik zou proberen hun één extra etmaal te geven voordat het leger zich volledig zou teruggetrokken zonder de schijn van vertragingsacties. Owen en Erik hadden Caelis' oorspronkelijke plan bekeken en aangepast. Caelis had nog een vertragingsactie gewild, maar Erik had Owen ervan weten te overtuigen dat de vijand zo gewend was geraakt om in het centrum op felle weerstand te stuiten, dat ze op hun hoede zouden zijn wanneer de verdedigers Ravensburg ontruimden, waardoor Erik de benodigde tijd kreeg om met zo veel mogelijk mannen weg te komen. Iedere soldaat die niet sneuvelde in een extra vertragingsactie zou tweemaal zoveel waard zijn bij de verdediging van Zwartheide.
Nu was het wachten. Zwaarden, speren en pijlen werden gescherpt, vallen gereedgezet, paarden rust gegund. De mannen waren stil. Sommigen inspecteerden hun wapens en wapenrusting keer op keer voor het geval ze toch nog een kleinigheid over het hoofd hadden gezien die straks fataal kon blijken. Anderen wachtten roerloos af, enkelen sliepen en sommigen baden tot Tith-Onanka om moed, terwijl weer anderen een goede verstandhouding zochten met de godin des doods, voor het geval ze haar straks zouden ontmoeten.
Steeds opnieuw nam Erik de voorbereidingen in ogenschouw; op zoek naar fouten, vergissingen, misrekeningen en mogelijke problemen. Naast hem stonden seiners, de vlaggen paraat om bevelen door te geven aan de eenheden op de heuvels in het noorden en zuiden.
Het tot slagveld verkozen gebied was een klein, vlak terrein tussen een versmalling in de heuvels, een trechter langs de Koningsheerbaan, en de voorste verdedigingslinie was een lage richel met een inkeping waar de weg doorheen liep. Dat was het punt waar Erik de eerste barricade had opgeworpen. Dwars over de weg lag een wal van boomstammen, waardoor er een vrijwel vlakke borstwering was ontstaan vanaf de heuvelkammen links en rechts. De vijand kon trachten de rotsen aan weerszijden te beklimmen, maar Erik rekende op de weerstand van zijn aldaar opgestelde boogschutters.
De borstwering was zodanig gemaakt dat hij eruitzag alsof hij in korte tijd lukraak in elkaar was geflanst, maar dat was hij niet. Erik ging ervan uit dat de vijand zich zou verslikken in het vermogen van de verdedigers om stand te houden tegen een massale bestorming.
De dag verstreek langzaam, tot aan de andere kant van de open plek het geluid van vijandelijke ruiters klonk. Twaalf mannen te paard verschenen op het hoogste punt van de Koningsheerbaan, de laatste heuvel in het westen voor het vrijgemaakte slagveld. Ze hielden in en bleven zwijgend kijken naar de verdedigers. Eén van hen, de leider, sprak, waarop twee ruiters in omgekeerde richting verdwenen. Vervolgens wees de leider naar de verdedigingsbarricade en twee andere ruiters gaven hun paarden de sporen.
'Geef bericht,' zei Erik. 'Als ze binnen twintig el van de barricade komen, zijn ze dood. Als ze buiten die afstand blijven, mogen ze voor mijn part hun paarden de grond in rijden.' Voor de barricade was een lange, smalle sleuf gegraven en zorgvuldig verborgen. Die wilde Erik niet laten verkennen door de vijand, maar hij had er geen bezwaar tegen wanneer ze teruggingen om hun leiders te vertellen dat de weg vrij was.
De koerier salueerde en rende weg in de richting van de barricade.
Daar aangekomen deelde hij het bevel mee.
Net buiten het bereik van de boogschutters op de barricade zwenkten beide ruiters van de weg af, een snelle lus makend, wachtend tot de verdedigers op hen zouden schieten. Toen er niet één pijl hun kant op kwam, hielden ze halt op de weg. Beide mannen keken over hun schouder naar hun leider. De man gaf een teken en een van de ruiters gebaarde terug. Beide paardrijders verlieten de heerbaan, één aan weerskanten van de weg. Langzaam lieten ze hun paarden verder lopen.
'Die jongens zoeken naar vallen,' klonk de bekende stem van sergeant Harper. 'Slim van ze.'
Erik had Harpers komst niet eens opgemerkt, zo ingespannen hield hij de twee ruiters in de gaten. 'Alles klaar?'
'Nog steeds net zo klaar als een paar uur geleden,' zei Harper. 'Wat gaan we doen aan die twee?'
'Niets. Laat ze maar denken dat we onze pijlen bewaren voor de eerste aanval.'
'En als ze te dicht bij de sleuf komen?'
'Dan zijn ze er geweest. Ik heb al bevel gegeven.'
Harper knikte goedkeurend. 'Het zal me deugd doen om hier wat te blijven plakken om die schoften te laten bloeden. Van al dat achteruit rennen wordt een mens alleen maar moe.'
'Wat er hier staat te gebeuren zal niemand deugd doen, sergeant.'
'Dat is precies wat ik bedoel, kapitein. Ik breng het alleen op een andere manier.'
Glimlachend schudde Erik zijn hoofd. 'Nou, als je dan zo staat te trappelen om koppen te snellen, moest ik je misschien maar helemaal naar voren sturen.'
'Och, laten we nou niet meteen zo onbesuisd zijn,' zei Harper vlug. 'Er zal vandaag vast nog wel genoeg gevochten worden.'
'Dat zit er wel in, ja,' beaamde Erik.
De vooruitgestuurde ruiters volgden de weg, en toen ze uiteindelijk nog maar een paar el verwijderd waren van de plek waarop er zou worden geschoten, keerden ze om en reden snel terug naar hun leider. Daarop bleven de ruiters roerloos staan, wachtend op de colonne van manschappen die de weg af zou komen.
Toen de dag grotendeels was verstreken, klonk vanuit het westen het gedruis van marcherende laarzen. Eerst zwak, toen steeds luider, tot Harper ten slotte zei: 'Zo te horen brengen ze deze keer de hele bups mee, kapitein.'
'Inderdaad,' zei Erik.
Aan de andere kant van de weg, waar de ruiters stonden te wachten, was er dichte bebossing aan weerszijden van de Koningsheerbaan. De geluiden van het naderende leger werden steeds luider, maar er viel geen soldaat te zien.
Toen, ineens, doken ze op uit de bossen, in een ononderbroken gelid van mannen met witte schilden, gewapend met strijdbijlen, zwaarden, speren en bogen. Ze marcheerden door tot halverwege de afstand tussen de bomen en de verdedigers en bleven staan.
'Wat krijgen we nou?' zei Harper zachtjes.
'Zo te zien hebben ze een paar dingen geleerd sinds ze aan land zijn gekomen,' zei Erik. 'Als ze de infanterie eerst sturen, raken we wat voordelen kwijt.'
Sinds de tijd dat Caelis' korps had gediend bij de strijdkrachten van de Smaragden Koningin, was het altijd de gebruikelijke tactiek geweest om wanneer maar mogelijk gewoon hun cavalerie op iedere verdedigingspositie los te laten. De infanterie werd bewaard voor een beleg en om een bres in de gelederen te bestormen.
Erik vloekte. 'Ik dacht een dag te kunnen winnen terwijl zij hun cavalerie aan mootjes lieten hakken.'
'Geef de hoop nog niet op, kapitein,' zei Harper. 'Misschien doen ze toch nog iets geks.'
Aan de top van de heuvel verscheen een stoet ruiters, die de weg af reed en iets achter de infanterie halt hield. Ook zij wachtten. Er reden officieren in zicht, die elk naar een plek langs het gelid gingen, plaats nemend vóór hun mannen.
'Als de ruiters de weg af komen terwijl de infanterie het terrein oversteekt, kan het nog interessant worden,' merkte Harper op.
Erik zei niets.
Boven aan de weg verschenen nog meer ruiters. Er klonk een trompet: drie korte stoten. Brullend rende het verzamelde voetvolk het open terrein over. 'Sein aan de katapults,' zei Erik. Hij hief zijn hand op en zijn gebaar werd door de seiner met een rode vlag herhaald.
Erik keek naar de aanvallers die zijn bolwerk bestormden. Hij had het terrein zo goed bestudeerd dat hij de afstanden zonder oriëntatiepunten kon inschatten. Toen de voorste rij aanvallers binnen bereik van de katapults kwam, wachtte hij nog heel even en liet toen zijn hand zakken. Meteen daarop ging de rode vlag omlaag en de goed verborgen krijgsmachines boven op de tweede heuvelkam vuurden hun ladingen af.
Een regen van stenen, van vuistgroot tot de omvang van een meloen, daalde op de aanvallers neer. Mannen gilden en vielen neer, dood of gewond, met gebroken botten. De soldaten achter hen konden niet stoppen en sommige gewonden werden vertrapt door hun eigen kameraden.
Alsof de keien-regen een teken was, stormde de cavalerie de Koningsheerbaan af. 'Ze willen hier zijn voordat de katapults zijn herladen,' zei Harper.
'Zwart sein!' riep Erik, zijn hand weer opheffend. Een tweede vlag ging omhoog en toen de aanstormende ruiters binnen bereik kwamen, ging Eriks hand naar beneden. De zwarte vlag kwam omlaag en er stortte een tweede salvo stenen neer. De paarden gilden en de mannen werden afgeworpen toen de tweede compagnie katapults een dodelijke regen op de aanvallers liet neerdalen.
'Groene vlag!' riep Erik en de derde vlag ging omhoog. Toen die omlaag kwam, wierpen twee speciale katapults, die blijden werden genoemd - grote houten balken met een contragewicht en een enorme mand aan het uiteinde - hun lading voetangels: metalen sterren met zes scherpe punten. De voetangels die geen aanvaller troffen, belandden op de grond, altijd met één punt omhoog. Mannen zowel als paarden stapten op de verschrikkelijke stekels, waardoor paarden kreupel werden gemaakt en mannen werden geveld. Tegen de tijd dat de aanvallers zich door de massa gewonden in de voorste gelederen hadden gewerkt, was de eerste compagnie krijgsmachines weer zover dat ze hun projectielen konden afvuren. En toen de groene vlag weer omhoog ging en neerdaalde, was het gehele aanvalsfront gebroken en op de vlucht gejaagd. Honderden mannen en paarden lagen stil in de late middagzon en niet één Koninkrijkse soldaat was gewond geraakt.
Erik draaide zich om naar een grijnzende Harper. 'Laat de randcompagnieën vast beginnen met zoeken naar hun infiltranten. Morgen willen ze die katapu1ts hebben uitgeschakeld, dus reken vannacht op een hoop ongenode gasten in de heuvels.'
'Tot uw orders, kapitein!' zei Harper, draaide zich om en ging zijn bevelen uitvoeren.
Kijkend naar de aftocht bedacht Erik dat ze er deze eerste dag zeldzaam gemakkelijk van af waren gekomen, maar tegelijkertijd wist hij dat ze het vanaf morgen stukken moeilijker zouden krijgen.
Stervende mannen kreunden van pijn, smeekten om water of huilden. Sommigen riepen hun goden, hun moeder of vrouw aan, terwijl anderen niet eens konden spreken. Erik liet zijn blik over de slachting gaan terwijl de zon wegzakte achter de westelijke heuvels.
Zijn voorspelling dat de indringers met een volgende confrontatie wilden wachten tot de katapu1ts van de verdedigers onschadelijk waren gemaakt, was juist geweest. De hele nacht kwamen er groepen infiltranten, die echter door alerte verdedigers werden geweerd, waarbij Jadows mannen als vliegende brigade fungeerden om bressen in het noorden te versterken, terwijl een andere compagnie onder ene korporaal Wallis in het zuiden hetzelfde deed.
Tegen zonsopgang werd duidelijk dat de aanvallers het zoeken naar een zwakke plek hadden opgegeven en besloten domweg meer manschappen op de barricade af te sturen. Vier keer zag Erik duizenden aanvallers aanstormen over het slagveld, de Trechter, zoals hij het in gedachten noemde, om te sneuvelen onder het verwoestende vuur van de verdedigers.
'Kapitein,' vroeg Harper, 'vragen ze om een wapenstilstand om hun gewonden te verzorgen?'
'Nee,' antwoordde Erik. 'Zo werkt het niet bij hen. Gewonden houden hen alleen maar op.'
'Dat is erg bitter. Dus we krijgen in de toekomst ook geen gelegenheid om onze jongens op te halen?'
'Nee. Als je gewond raakt, raad ik aan je dood te houden in de hoop dat ze de tijd niet nemen om zich daarvan te vergewissen, en jezelf ergens heen te slepen als ze verder zijn getrokken.'
'Daar zal ik aan denken, kapitein.'
Bij de laatste aanval waren er drie compagnieën verdedigers bij de barricade ingezet. Geen van Eriks mannen was gestorven, maar verscheidenen waren gewond geraakt bij het doden van degenen die over de barricade trachtten te klimmen.
De aanvallers hadden met Eriks vallen kennisgemaakt. De kuilen met staken en de slim gemaskeerde sleuf hadden onder de vijand tientallen doden geëist, maar nu was de route duidelijk aangegeven. Kijkend naar het schuin invallende licht achtte Erik het waarschijnlijk dat er voor zonsondergang nog één aanval zou volgen. Hij bad van niet. Hij was van plan onder dekking van de duisternis terug te trekken naar de tweede verdedigingspositie, een goed geplaatste tweede barricade waarvandaan Eriks boogschutters ongehinderd konden schieten op de aanvallers die over de eerste barricade klommen en de vijftig el open terrein erachter overstaken. Als hij hen vannacht hier kon weren en hen daarna nog een dag op afstand kon houden, zouden de vluchtelingen Zwartheide inmiddels veilig hebben bereikt.
Langs de oostelijke heuvelhellingen reden patrouilles om ervoor te zorgen dat er geen groepen indringers konden doorbreken om de verdedigers van achteren te bestoken. Erik wist dat, maar toch vreesde hij een akelige verrassing die een einde zou kunnen maken aan al zijn slimme plannetjes.
Er klonken trompetten en Erik zei: 'Verdomme! Ik had gehoopt dat ze ermee op zouden houden.'
'Erg onwaarschijnlijk, kapitein,' zei Harper, zijn zwaard trekkend, een groot anderhalfhandsgeval dat hij verkoos boven het hakzwaard met schild dat door de meesten werd gebruikt.
Uit de bosrand aan de overkant van het veld kwamen mannen aangerend, strijdkreten schreeuwend en hun kameraden aanmoedigend de barricade te bestormen en een bres te slaan. Erik begon tekens te geven, en de katapults en blijden zaaiden dood en verderf onder de aanvallers, waarop de boogschutters hun pezen lieten zoemen. Maar deze keer hield de aanval aan.
Toen de voorste mannen bij de barricade kwamen en al klimmend stierven, zag Erik nog meer mannen uit de bossen komen en de Trechter betreden, en hij begreep dat hun bevelhebber al zijn manschappen tegen hem inzette. Hij trok zelf ook zijn zwaard en zei: 'Sergeant, laat de steuntroepen klaar staan. Ik wil hen pal achter onze mannen op de barricade.'
'Kapitein!' zei Harper en begon bevelen te schreeuwen.
De steuntroepen, bestaande uit drie secties die elk honderdtachtig man telden, stonden onder leiding van een sergeant wiens taak het was geslagen bressen zo snel mogelijk op te vullen. De waarde van het terrein tussen de twee verdedigingsbarricaden zou verloren gaan als de aanvallers zich daar mengden onder de verdedigers, want dan konden de boogschutters op de rotsen erboven en op de tweede barricade niet vrijuit schieten.
Erik zag de gepluimde helm van een kapitein van het Novindische leger, die zich langs een vastberaden aanvaller trachtte te persen die de verdediger voor hem druk bezig hield. Net op het moment dat Erik de schutters wilde bevelen de officier neer te schieten, bleek dat iemand op de richel hem al had gezien en een pijl had afgevuurd.
De strijd woedde hevig langs de barricade en gefrustreerd stond Erik toe te kijken op de tweede richel, zijn zwaard in de hand, in de wetenschap dat het voordeel was verloren als hij mee ging vechten. Zich herinnerend dat hij nu officier was, met het opperbevel over het slagveld, borg hij zijn zwaard op en keek toe.
Terwijl de zon uit het zicht zakte, bleef de strijd langs de barricade gelijk op gaan. De aanvallers zwermden door de Trechter om de gesneuvelden te vervangen. Van beide flanken kwamen er berichten waaruit bleek dat er aan weerszijden al even fel werd gevochten, maar dat alle secties standhielden.
Toen de westelijke hemel donkerder begon te worden, verwachtte Erik het trompetsein om terug te trekken, maar dat kwam niet. Met het invallen van de duisternis verschenen er fakkels in het westen van soldaten die licht kwamen brengen om de strijd in het donker voort te zetten.
'Verdomme,' zei Harper. 'Ze zijn nog niet echt van plan om te gaan hè?'
'Kennelijk niet,' zei Erik. Hij moest nu een besluit nemen. Ofwel beginnen met terugtrekken, waarmee hij de aftocht over de slachtingszone niet meer kon dekken maar wel het merendeel van zijn mannen naar de tweede barricade kon brengen, waar ze het vrijwel zeker de hele nacht vol konden houden; ofwel doorgaan met vechten om hen tegen te houden tot ze zich terugtrokken. Als ze dat haalden, zou het een grote overwinning zijn, waarmee ze de vijand nog minstens een week hier in Ravensburg vast konden houden. Maar als ze bezweken en de indringers de tweede barrière onder de voet liepen voordat de Koninkrijkse troepen zich konden terugtrekken, zou de uitkomst een ramp voor het Koninkrijk kunnen zijn.
Erik aarzelde. Voor het eerst sinds hij terug was in Ravensburg, vervloekte hij Caelis om diens afwezigheid. Hij of Grijslok hadden dit besluit moeten nemen, niet een jonge soldaat die dit soort problemen alleen kende uit de boeken.
Harper stond met zijn zwaard paraat. 'Wat gaan we doen, kapitein?' Koortsachtig dacht Erik na. Hij zocht naar inspiratie en een mogelijkheid om zijn mannen voor zonsopgang achter de tweede barricade te brengen zonder de vijand te laten volgen.
'Misschien struikelen die jongens met die fakkels wel over hun eigen benen en steken ze zichzelf in de fik,' zei Harper.
Eriks ogen werden groot. 'Harper, je bent geniaal!'
'Dat weet ik, kapitein, maar daarmee weten we nog steeds niet wat we moeten doen.'
'Aanvallen,' zei Erik. 'Stuur iedereen die we hebben naar de barricade en hou hen tegen tot zonsopgang.'
'Heel goed, kapitein.' Harper draaide zich om, en op zijn bevelen sprongen de reservetroepen over de tweede barricade om de eerste te versterken.
'Nu wordt het makkelijker,' zei Erik.
'Als u het zegt, kapitein,' zei Harper. 'Blijven we hier staan kletsen of vechten we mee?'
Erik trok zijn zwaard. 'We vechten.' De twee mannen renden naar voren.