11 Alarm

 

Erik rende.

Terwijl buiten de trommels roffelden, stoof hij door de gangen van het oude kasteel te Tannerus tot hij aankwam bij de openstaande deur boven aan de trap naar de binnenplaats. In één snelle blik overzag hij het hele tafereel: de soldaten, verzameld om de executie bij te wonen; de vier mannen, staande op de houten kisten, de stroppen reeds om hun halzen gelegd.

'Nee!' brulde Erik en hij sprong over de leuning naar de omloop onder de trap, maar in het tromgeroffel ging zijn stem verloren. Hij vloog de volgende trap omlaag naar de binnenplaats. De trommels zwegen en kisten werden onder de veroordeelden vandaan geschopt. Toen hij de laatste twintig el had afgelegd die hem nog scheidden van zijn in de houding staande soldaten, zag hij dat drie van de mannen op slag waren gestorven door een gebroken nek en dat de vierde net ophield met kronkelen.

Erik bleef staan. 'Verdomme!' vloekte hij.

Het bevel om de formatie te verlaten werd gegeven en de troepen van het garnizoen van Tannerus verbraken de gelederen en repten zich terug naar hun bezigheden. Niemand bleef langer dan strikt noodzakelijk in de omgeving van een opgehangen medesoldaat.

Bijna buiten adem keek Erik naar zijn mannen, bungelend aan de geïmproviseerde galgen. De kapitein had weinig tijd verspild met het ter dood te brengen van de veroordeelden. Had hij een enigszins redelijk galgenblok laten opstellen, dan zou Erik nog op tijd zijn geweest. Hij bekeek de gezichten van de doden. Hij kende hen wel, maar nog niet bij naam. Niettemin waren het zijn mannen.

Kapitein Simon de Beswick keerde zijn paard en zag Erik staan. 'Is er iets mis, sergeant-majoor?'

Erik bekeek de fatterige officier, die vanuit het Oosten was gestuurd om iemand te vervangen. Toen Erik met een andere compagnie soldaten van de prins het veld in was gestuurd, had hij ontdekt dat De Beswick met hem mee naar Tannerus zou rijden. De Beswick was tijdelijk overgeplaatst naar het prinselijk hof en ingezet bij het garnizoen in het noorden. De twee mannen hadden ogenblikkelijk een hekel aan elkaar gehad. De enige tegen wie De Beswick beleefd deed, was Owen Grijslok, die vanwege zijn rang De Beswicks meerdere was. Hij weigerde ieder gesprek met gewone soldaten, behalve dan plichtshalve, en was onveranderlijk grof en onbeschoft tegen de mannen. Met grote opluchting had Erik de helft van de soldaten voor een week mee het veld in genomen terwijl de andere helft achterbleef om te oefenen in het verdedigen van het garnizoen. Erik was nog maar net teruggekeerd toen hij bij de poort hoorde dat vier van zijn mannen werden opgehangen. Hij balde zijn rechterhand tot een vuist. 'Waarom zijn die mannen geëxecuteerd?'  

'Stelen uit de voorraden,' zei De Beswick, zijn wenkbrauwen optrekkend alsof hij verbaasd was over de vraag.  

'Dat waren mijn mannen,' zei Erik met dreigende stem, bijna grommend.  

'Let er dan beter op, sergeant-majoor. En in het vervolg spreekt u mij aan met kapitein.'

Hij wilde voorbij rijden, maar Erik greep de teugels van zijn paard. 'U had het recht niet mijn mannen op te hangen. We staan niet eens onder uw bevel!'

'Ik had alle recht, als commandant van het garnizoen hier te Tannerus, en ik hoef mijn daden niet aan u te verantwoorden, sergeant-majoor.' Langzaam trok De Beswick zijn zwaard en zei: 'Wees nu zo goed om mijn paard los te laten, of ik zie mij genoodzaakt u te doden voor het belagen van een officier.'  

Inmiddels had Owen Grijslok Erik ingehaald en zei: 'Stop dat zwaard weg, De Beswick!'

'Ridder-Kapitein?' zei de garnizoenscommandant.

'Dat is een bevel,' zei Grijslok kalm.

Met tegenzin borg De Beswick zijn zwaard op.

Owen legde een hand op Eriks schouder en zei: 'Sergeant-majoor, zorg voor uw mannen. Ik handel dit wel af' Hij wachtte tot Erik was vertrokken, draaide zich om, greep De Beswick bij een been en gaf er zo'n duw tegen dat De Beswick uit het zadel tuimelde en met een smak op het harde zand van de binnenplaats belandde. Zijn paard galoppeerde weg.

Met een enkele stap was Owen bij hem. Hij greep de jongeling bij de kraag, trok hem overeind en keek hem in de ogen met een blik die alleen maar moorddadig kon worden genoemd. 'Er staat een oorlog op het punt van uitbreken, en jij bent onze soldaten aan het afmaken?'  

'Het waren dieven!' zei de nu angstige De Beswick.

'De helft van de mannen in dit leger zijn dieven, idioot.' Met een duw liet Owen hem los en De Beswick belandde opnieuw op zijn achterste. Owen boog zich over hem heen en wees in de richting waarin Erik was vertrokken. 'Die man is misschien wel de beste soldaat die ik ooit heb gekend, en ik leid al dertig jaar mannen op. Als deze oorlog uitbreekt, incompetent mietje, is hij je beste hoop dat je het overleeft. Als je de hersens hebt die de goden aan een vlo hebben geschonken, doe je je best alles te leren wat hij je te leren heeft met betrekking tot het overleven in deze bergen. Als je hem nog één keer dwars zit geef ik hem permissie om jou uit te dagen, en als jij tegenover hem staat met een zwaard in de hand is het afgelopen met je. Heb je dat goed begrepen?'

'Ja,' zei de jongere kapitein en het was duidelijk dat wat hij hoorde hem niet aanstond.

'En nou terug naar je onderdeel, De Beswick, terwijl ik besluit wat ik in mijn volgende rapport aan Ridder-Maarschalk Wiliam ga melden.' Toen de kapitein zich uit de voeten wilde maken, zei Grijslok: 'Nog één ding, De Beswick.'

'Ridder- Kapitein?' vroeg de man.

'Als kapitein Caelis hier was geweest, zou hij je zeker hebben gedood, twijfel daar geen moment aan.'

Nadat de jonge garnizoenscommandant was vertrokken, ging Owen Erik zoeken. Hij vond hem in het soldatenkwartier, pratend met de mannen onder zijn bevel om erachter te komen wat er was gebeurd.  

'Het was niets,' zei een man, genaamd Gunther. 'Het was een geintje, puur en simpel, sergeant-majoor. We waren moe na een lange dag paraderen -'  

'Paraderen?' vroeg Erik.

'Ja, staande formaties, op en neer marcheren, rechtsom, dan linksom, dat soort dingen.'

Een andere man, Johnson, een oudere soldaat, zei: 'Van die dingen die ze in het Oosterse Leger altijd doen, sergeant-majoor. Niet vechten, maar marcheren in gelederen en zo.'

'Maar goed, die vier jongens wilden gewoon een beetje bier bietsen uit de bierkeet, niks misdadigs.'

Erik kon zien dat de mannen flink de pest in hadden en hij kon het hen niet kwalijk nemen. Indien betrapt hadden de mannen voor straf extra wacht moeten lopen of hooguit geranseld moeten worden, maar dat ze waren opgehangen ging alle perken te buiten. Hij wilde net iets zeggen, toen Grijslok sprak. 'Erik, heb je even?'

Erik liep naar de voormalige zwaardmeester uit Zwartheide. 'Ik weet het,' zei hij, 'ik had me er niet mee moeten bemoeien.'

Toen ze buiten gehoorsafstand van de soldaten waren zei Owen: 'Misschien had je hem beter meteen koud kunnen maken, maar daar gaat het me nu niet om. Blijf bij hem uit de buurt. Wellicht is hij erop uit je te provoceren.'

'Hoezo?'

'Hij komt uit een familie met goede betrekkingen in Bas-Tyra. Zijn vader is een neef van de Hertog van Ran.'

Ineens begon Erik het te begrijpen. 'Wat inhoudt dat zijn familie waarschijnlijk verwant is aan de Von Zwartheides.'

'Zou kunnen. Ze kennen elkaar wel, maar hoe goed weet ik niet precies. Maar hij zou een van Mathilda's mannetjes kunnen zijn.' Peinzend wreef de slankgebouwde Owen over zijn kin. 'Of anders gewoon een idioot die denkt bij de moeder van de baron in een goed blaadje te kunnen komen door haar te verlossen van iemand die mogelijk gevaar betekent voor de titel van haar zoon.'  

Erik slaakte een zucht. 'Hoe vaak moet ik de wereld nu nog laten weten dat mijn vaders titel me geen bal interesseert?'

'Hoe vaak je dat ook zegt,' zei Owen, 'Mathilda zal pas tevreden zijn als jij dood bent.'

'Wat kan ik het beste doen?'

'Ik stuur wel een briefje naar hertog Robert, opdat hij Wiliam zover krijgt die idioot over te plaatsen naar een post waar hij roemrijk voor koning en vaderland kan sterven. Ik weet al een prima plek. Ik ga hem aanbevelen als commandant van de katapults op de zeewering die ze in Krondor aan het bouwen zijn.'

Erik kromp ineen. 'Ik dacht dat die door vrijwilligers zou worden bemand.'

'Klopt. Maar we zorgen er gewoon voor dat jongeheer De Beswick zich als vrijwilliger opgeeft.' Owen glimlachte. 'Neem je andere compagnie bij het eerste licht mee naar buiten. Blijf hier niet langer dan strikt noodzakelijk is. Ik moet verder naar Eggly om daar voor de verdedigingswerken te zorgen. We zullen een overtuigende strijd in deze heuvels moeten leveren om het leger van de Smaragden Koningin te kunnen sturen waarheen we willen.'  

Nogmaals zuchtte Erik. Zo veel te doen en zo weinig tijd voor de voorbereidingen. De vloot was al uit Novindus vertrokken. Iedereen die overzee onder Caelis had gediend wist dat. 'En Krondor?'

Owen haalde zijn schouders op. 'Geruchten. De bangeriken zijn de stad al aan het verlaten. Maar nog geen echte paniek. Er is een hoop beweging langs de Keshische grens, dus veel mensen denken dat we weer oorlog in het zuiden krijgen.'

'Het zal nog moeilijk worden de stad in de hand te houden als de vloot eenmaal door de Straat is,' zei Erik.

'Ik weet het. Maar Robert en Wiliam zullen daar al wel een oplossing voor hebben bedacht.'

Erik deed er het zwijgen toe. De Novindische vloot zou over nog geen maand tijd door de Straat komen, op het Midzomerfestival. Hij vreesde dat de stad zou gaan dienen als offer voor het welzijn van het Koninkrijk, maar het probleem voor hem was dat het meisje van wie hij hield in die stad woonde.

Hij nam afscheid van Owen en gaf het bevel dat de compagnie in het garnizoen morgen vroeg zou vertrekken, zich ondertussen afvragend of hij Ru ertoe kon brengen Kitty te helpen uit Krondor weg te komen.

 

Ru keek naar de boeken. 'Ik snap het niet.'

Daaruit maakte Jason op dat hij onduidelijk was over de rekenmethoden en begon opnieuw met uitleggen.  

'Nee,' onderbrak Ru, 'de cijfers en de berekeningen ken ik wel. Wat ik bedoel is dat ik niet snap waarom we geld verliezen.'

Jason, de vroegere ober bij Barrets die de hoofdboekhouder van Ru's financiële imperium was geworden, zei: 'Dat komt omdat er te veel schulden niet aan ons worden voldaan en wij te veel rekeningen op tijd betalen. We lenen geld voor dingen die we horen te betalen uit de kasreserves.'  

'Die er niet zijn,' zei Ru. Hij had iedere beschikbare gouden soeverein aan hertog Robert geleend. 'En ik kan nog eerder leren vliegen dan dat ik een terugbetaling van de Kroon kan verwachten.' Hij zuchtte en stond op van de tafel in zijn kantoor. 'Heb je nog een goed voorstel?'

Jason, die er nog steeds uitzag als de jongen met wie Ru drie jaar geleden vriendschap had gesloten, zei: 'U zou de minder winstgevende bedrijven kunnen verkopen.'

'Ja, maar ik heb er een hekel aan om vaste activa af te stoten.' Hij geeuwde. 'Ik ben moe.' Hij wierp een blik uit het raam en zag dat de avond al was gevallen. 'Wat zegt de klok?'

Jason draaide zich om en keek de gang door naar de plek waar het sjieke Keshische uurwerk stond opgesteld. 'Bijna zeven uur.'

'Karli zal woest zijn,' zei hij. 'Ik heb beloofd om zes uur thuis te zijn.'

'Is de familie in de stad?'

'Ja,' zei Ru, greep vervolgens zijn mantel en haastte zich de gang door. Gelukkig trof hij thuis Karli in gesprek verwikkeld met Helen Jacoby. Na de dood van Randolf Jacoby hadden de twee vrouwen behoedzaam vriendschap gesloten, niet helemaal op hun gemak met elkander, aangezien Randolfs broer verantwoordelijk was geweest voor de dood van Karli's vader. Maar over het algemeen schenen ze elkaars gezelschap op prijs te stellen en de vier kinderen konden het samen goed vinden. En Ru had gemerkt dat hij altijd genoot van de avonden waarop de beide gezinnen bijeen waren.  

'Daar ben je dan,' zei Karli. 'Het eten wordt zo opgediend.'

'Pappie!' en 'Ome Rupert!' galmde het door de gang toen de kinderen op hem af kwamen stormen. Lachend baande Ru zich door de wirwar van benen en grijpende handen een weg naar de trap.

Toen Abigail met hem mee liep naar boven, zei hij: 'Ik kom straks weer naar beneden, lieverd.'

'Nee!' sprak ze gebiedend. 'Ga weg!' Met een koninklijke houding draaide ze zich om en liep naar de andere kant van de gang, waar ze bleef staan met haar armen over elkaar.

Vanaf de trap keek Ru naar de twee vrouwen in de salon. Helen lachte, terwijl Karli verbaasd keek.

'Zo'n tijd maken ze allemaal een keer door,' zei Helen.

Ru knikte en rende naar de slaapkamer, waar hij zich waste en een schoon hemd aantrok. Toen hij terugging naar de eetkamer, werden de kinderen naar de ene kant van de lange tafel gebracht, terwijl Ru en Karli met Helen aan de andere kant plaatsnamen.

Het was Ru opgevallen dat Helen tegenwoordig haar haren opstak in de nieuwe stijl, met krulletjes rond het voorhoofd en pijpenkrullen die neerdaalden vanuit een vreemdsoortige kam. Hij vroeg zich af of het onbeleefd was te vragen waar die kam van was gemaakt en besefte toen dat hij vrijwel geen idee had hoe de laatste mode in de prinsestad eruitzag. Sylvia zou dat vast wel weten, maar toen besefte hij dat hij Sylvia zelden nog aangekleed zag en daarbij was het toch wat ongepast om aan haar te denken waar zijn vrouwen Helen bij zaten.

'Nee maar, Ru,' zei Helen, 'je bloost.'

Ru veinsde een kuchje. 'Iets in mijn keel,' zei hij, begon toen vreselijk te hoesten en veegde met zijn servet niet-bestaande tranen uit zijn ogen.

Helen moest erom lachen en het verbaasde Ru dat ze er dan zo lief uitzag. Hij had haar altijd gezien als een mooie vrouw - lang niet zo'n schoonheid als Sylvia, maar in haar avondkleding, met haar haren opgestoken, zag ze er best aantrekkelijk uit.  

'Helen zegt dat ze erg tevreden is met hoe jullie haar bedrijf leiden,' zei Karli.

Ru haalde zijn schouders op. 'Dat gaat allemaal zo'n beetje vanzelf. Tim Jacoby -' Hij wilde net zeggen dat de man een zwijn was die zijn zaakjes goed voor elkaar had, maar aangezien zijn schoonzuster bij hem aan tafel zat, veranderde hij dat in: '... was een ordelijk mens.'

'Ja, dat was hij,' beaamde Helen.

Vervolgens kwam het gesprek op kleine onderwerpen die betrekking hadden op de kinderen en de mijlpalen van hun groei. De jongens begonnen zich steeds meer te gedragen als jongens en de meisjes werden meisjes, doch de geheimen van het kinderschap waren voor Ru nog steeds onverkend terrein. Terwijl hij naar zijn kinderen keek, besefte hij dat hij vrijwel niets over hen wist. Hij besteedde nauwelijks aandacht aan hen en ineens vond hij dat erg vreemd. Maar misschien hadden ze hem iets interessants te zeggen wanneer ze wat ouder werden. Zijn blik dwaalde terug naar Helen Jacoby en na een tijdje keek ze hem aan. Toen hij bemerkte dat hij haar aanstaarde, zei hij: 'Heb je zin in een cognacje?'  

Verrast keek Karli op. In hun huis had hij nog nooit cognac aangeboden aan iemand anders dan zijn zakenrelaties.  

'Nee, dank je,' zei ze. 'Tegen de tijd dat we thuis zijn is het al bedtijd voor de kinderen.'

Het gezin Jacoby vertrok in een van Ru's koetsen en Karli bracht de kinderen naar bed. Een tijdlang zat Ru alleen in zijn werkkamer, drinkend van een cognac die hij maar amper proefde. Zijn hoofd liep over van de zorgen. De oorlog kwam en het werd tijd zijn gezin over te brengen naar het Oosten, of in ieder geval alvast naar zijn landgoed, klaar om daarvandaan te vluchten. Uit de gesprekken met Erik,Jadow Shati en anderen die hem vertrouwden, was gebleken dat er al indringers binnen de grenzen van het Koninkrijk waren. De meeste waren buiten gevecht gesteld, maar als de strijd losbarstte, kon niemand weten hoe gevaarlijk de reis naar het Oosten zou worden.

Karli kwam de trap af en vroeg: 'Kom je naar bed?'

'Ja,' zei Ru, 'over een paar minuutjes.' Toen zijn vrouw zich alweer omdraaide, merkte hij op: 'Je schijnt Helen en haar kinderen wel aardig te vinden.'

'Ja, zeker,' zei Karli. 'Haar familie en de mijne kwamen uit hetzelfde dorp en we hebben veel gemeen. En ze heeft lieve kinderen.'

Ru kreeg een idee. 'Als het Midzomerfestival is geweest, wat dacht je er dan van de Jacoby's voor een paar weekjes op het landgoed uit te nodigen? Dan kunnen de kinderen zwemmen in de beek en paardrijden.' 'Ru, ze zijn te klein om paard te rijden.'

'Nou, dan zorgen we voor een paar ponywagens.' Hij stond op. 'Het is daar dan een stuk prettiger met dat beestachtig warme weer.'

Op argwanende toon zei Karli: 'Je probeert me toch niet uit de buurt te houden, hè, Rupert?'

Bang dat ze iets vermoedde over zijn verhouding met Sylvia nam Ru haar in zijn armen. 'Dat niet. Ik dacht alleen een tijdje rustig door te brengen met mijn gezin, meer niet.'

'Vier kinderen in huis in plaats van twee is anders niet bepaald wat ik rustig zou willen noemen,' zei Karli.

'Je weet best wat ik bedoel,' zei hij, haar plagerig een klap op haar billen gevend. Hij kuste haar.

Ze zei: 'Laten we naar bed gaan.'

Hoewel hij enigszins was afgeleid door alle zorgen, wist hij Karli toch te behagen, en na hun liefdesspel viel ze in slaap in zijn armen. Een vreemde verwarring maakte zich van hem meester, want zoals vaak het geval was, had hij aan iemand anders gedacht terwijl hij de liefde met zijn vrouw bedreef, alleen was het deze keer niet Sylvia Esterbeek geweest, maar Helen Jacoby. Denkend aan Gwen, het serveerstertje uit Ravensburg, aan wie hij zijn maagdelijkheid had verloren, zei hij stilletjes in zichzelf: 'Je had toch gelijk, Gwen. We zijn allemaal zwijnen.'  

Het moment van helderheid werd door vermoeidheid verdreven en Ru viel diep in slaap.

 

Erik las zijn instructies. 'We worden teruggeroepen naar Krondor.'

De korporaals Harper en Reed salueerden en liepen weg, bevelen uitvaardigend aan de soldaten die tussen de bomen verspreid zaten.

Erik veegde zijn voorhoofd af en maakte een berekening. De meeste mannen in de heuvels waren de laatsten in opleiding, de laatsten die in aanmerking kwamen voor de cruciale taak om de indringers te beletten hun front ergens anders uit te breiden dan daar waar prins Patrick en zijn raadslieden het toestonden. De meesten van hen zouden worden ingezet bij het verdedigen van de stad, en als Erik zich niet vergiste, zouden de garnizoens-eenheden die in de heuvels gingen vechten weldra verder trekken in kleine groepjes, ogenschijnlijk op patrouille, zodat de spionnen van de Smaragden Koningin weinig te melden zouden hebben.  

Erik had bewondering voor Ridder-Maarschalk Wiliams plannen, want het leek nu alsof de door het Westen verspreid liggende eenheden werden teruggeroepen voor de verdediging van de stad.

Met toegeknepen ogen tuurde hij naar de zon. Over nog geen twee weken was het Midzomerdag, dus de vloot van de Smaragden Koningin moest de Straat der Duisternis al naderen. Het was warmer dan normaal voor de tijd van het jaar en dat betekende dat het hoogstwaarschijnlijk een beroerde zomer zou worden.

Terwijl de mannen zich verzamelden, bedacht hij dat welk weer het ook was, het hoe dan ook een beroerde zomer zou worden. Maar toch, tegen de tijd dat de aanvallers in deze bergen arriveerden was het laat in de herfst, en als ze hen konden tegenhouden totdat de eerste sneeuw viel, was het Koninkrijk gered.

Harper kwam terug met de woorden: 'Het bevel is gegeven, sergeant-majoor. Binnen het uur zijn we klaar voor de mars.'  

'Uitstekend,' zei Erik. 'Heb je de afgelopen uren kapitein Grijslok nog gezien?'

'Die kant op, ongeveer een uur geleden,' zei de korporaal, de weg af wijzend.

'Als ze klaar zijn, wacht dan niet op mij, maar vertrek vast naar Krondor.' Hij keek in het rond. 'We hebben nog vier uur daglicht te gaan, dus ik wil zeker tien mijl hebben afgelegd voordat we erover denken kamp op te slaan.'  

'Ja, sergeant-majoor.'

Erik steeg op zijn paard, reed de weg af en vond Grijslok langs de kant, een landkaart bestuderend. 'Owen,' zei Erik, dichterbij rijdend.

'Erik,' zei Owen terug. 'Zijn jullie klaar voor de mars?'

'Wordt aan gewerkt,' antwoordde Erik en steeg af. 'De korporaals laten de manschappen aantreden en met een kwartier of zo gaan ze op pad.' Hij liet zich neerploffen langs de kant van de weg. 'Dus dan zijn we klaar hier, denk ik.'

'Met de opleiding,' zei Grijslok. Hij nam naast Erik plaats. 'De volgende keer dat we hier zijn, is het menens.'  

'Al duizend keer heb ik de goden gevraagd om nog een paar dagen, een week, wat dan ook om de mannen beter in vorm te krijgen.'

'Je hebt anders wonderen verricht, Erik,' zei Grijslok. 'Nee, eerlijk, ik kan me niet voorstellen dat iemand anders meer uit de mannen zou hebben kunnen halen dan jij hebt gedaan. Caelis niet en Bobby de Loungville ook niet.'  

'Dank je, Owen.' Erik zuchtte. 'Maar ik maak me nog steeds zorgen dat het niet genoeg is.'

'Dan ben je lang niet de enige, mijn jonge vriend.'

'Heeft heer Wiliam je verteld wat we gaan doen?'

'Ja,' zei Grijslok. Met een hoofdknik gebaarde hij de weg langs. 'Ons deel ervan, tenminste. De rest kan ik raden.'

'Krondor gaat vallen, hè?'

'Vermoedelijk wel,' zei Grijslok. 'Je hebt gezien wat er gebeurt met steden die zich tegen de koningin verzetten, maar we moeten haar in Krondor lang genoeg tegenhouden, zodat Ze pas laat de bergen bereikt.' Erik keek op naar de lichtblauwe hemel waarin heel hoog wat vage, streperige wolken dreven. 'Als het weer zo blijft kon het wel eens een lange zomer worden.'

Ook Grijslok slaakte een zucht. 'Ik weet het. Prins Patrick heeft verscheidene magiërs met zicht op het weer geraadpleegd en die zeggen allemaal dat een lange zomer zeer waarschijnlijk is.'  

'Wat ik me maar steeds afvraag over die magiërs: de koningin maakt gebruik van hen, maar waarom wij niet?'

Owen glimlachte. 'Ik vermoed dat we wel een paar magische verrassingen voor hen in petto hebben. Maar weet je nog wat Nakur zei over het gebruik van magiërs in een oorlog? Dat heeft hij vaak genoeg herhaald.'  

Erik begon te lachen. 'Ja, dat weet ik nog. ''Eerste magiër gooit spreuk in de strijd, tweede magiër doet tegenspreuk, derde magiër helpt eerste magiër en vierde magiër helpt tweede, dan komt leger en hakt ze allemaal aan mootjes terwijl ze druk met magie bezig zijn,'" bootste hij na.

'Een afgrijselijke imitatie van Nakur,' zei Grijslok lachend.

Erik haalde zijn schouders op. 'Maar het punt is, als we niet iets doen tegen haar magiërs, geven we hun een verschrikkelijke voorsprong.'

Grijslok stond op. 'Ach, mijn botten worden te oud voor al dat rijden door de provincie.' Een beverige oude man nadoend trok hij zijn paard weg van het gras in de berm. Erik lachte. Grijslok legde de teugels over de hals van zijn rijdier, zette een voet in de stijgbeugel en steeg op. Eenmaal in het zadel zei hij: 'Erik, hoe meer je praat, des te meer je gaat klinken als een Ridder-Generaal in plaats van een sergeant-majoor. Dus zorg dat je dat soort vragen niet stelt waar de prins bij is, of hij kon je wel eens promoveren.'

Erik schoot in de lach. 'Met andere woorden: ik moet mijn mond houden.'

'Zoals ik al zei,' vervolgde Grijslok, 'de prins heeft vast wel een paar verrassingen achter de hand.'

Ook Erik steeg op. 'Ik zie je wel weer als ik de mannen terug naar de stad heb gebracht.'

'Mooi,' zei Grijslok. 'O, en dan nog iets.'

'Wat dan?'

'De plaatselijke bevelhebbers worden teruggeroepen voor een allerlaatste vergadering. Een en ander onder het mom van Banapis vieren met de prins, maar wij weten wel beter. Dus dat betekent dat De Beswick in Krondor is.'  

'Ik zal mijn ogen openhouden.'

'Mooi zo. Het festival in Krondor is heel anders dan je gewend bent.'

Erik knikte. Sinds hij in dienst van de prins was, had hij het telkens voor elkaar gekregen met Banapis de stad uit te zijn. Nog nooit had hij Krondor het Midzomerfestival zien vieren. 'Ik zal proberen me niet te veel te laten afleiden.'

Hij reed terug naar de plek waar zijn mannen zich verzamelden. Sinds hij met de tweede compagnie de bergen in was gegaan, was hij De Beswick niet meer tegengekomen. Maar de waarschuwing dat hij een van Mathilda von Zwartheides mannetjes kon zijn, had Erik goed in zijn oren geknoopt. En trouwens, ook wanneer de man dat niet was, had Erik vier goede redenen om hem in het oog te houden.  

 

Erik stond wat ongemakkelijk achter in de kamer, als enige niet-officier in de ruimte. De kapiteins Caelis en Grijslok, de enigen die hij goed kende, stonden aan de overkant bij Ridder-Maarschalk Wiliam, de Hertog van Krondor en de prins, de enige anderen met wie hij vertrouwd was.  

Hij herkende verscheidene leden van de prinselijke hofhouding, paleis-officiers en plaatselijke edellieden, al had hij maar weinigen van hen ooit gesproken, en dan alleen een paar woorden. Over een uurtje of zo kon hij inrukken, zodat hij nog wat tijd voor zichzelf zou hebben voordat hij terug moest voor de bevelen die hem ongetwijfeld wachtten.

Patrick stond op. 'Mijne heren, het doet mij deugd u allen hier te zien. In selecte groepjes krijgt u volledige instructies. Het is geen geheim dat er een vijandig leger onze kant op komt en we hebben de afgelopen maanden doorgebracht met de voorbereidingen op deze naderende invasie. Sommigen van u weten beduidend meer dan anderen en om redenen van staatsveiligheid beveel ik u niet onder elkaar te speculeren of informatie uit te wisselen. U neemt gewoon aan dat ieder ander even goed geïnformeerd is als u, niets meer of minder weet en dus niets kan toevoegen aan hetgeen u al weet. Dus stel geen vragen.'  

Sommige edellieden schenen een weinig verrast te zijn door het bevel, maar niemand leverde commentaar. Een paar keken de kamer rond in een poging de reactie van anderen in te schatten.

'Nu dan, de algemene situatie. Die moet u allemaal weten voordat de vijandelijkheden beginnen.' De prins gebaarde naar twee jonkers, die een groot gordijn van de muur haalden. Achter het gordijn hing een enorme landkaart van het Westelijke Rijk, van de Verre Kust tot aan Malachskruis.

De prins pakte een aanwijsstok en liep meteen naar de linkerzijde van de kaart. 'Hier,' zei Patrick, wijzend naar de Straat der Duisternis, 'verwachten we de komende week de vijandelijke vloot.'  

Een paar edelen mompelden wat tegen elkaar, maar al gauw viel de kamer stil. 'Tussen dan en het moment dat ze hier zijn,' - zijn aanwijsstok prikte ten noorden van de stad Nes - 'moeten we volledig gemobiliseerd zijn. Daartoe brengt u de komende week, vóór Banapis, door met vergaderen, instructies ontvangen en voorbereiden. We vieren allemaal het Midzomerfestival alsof er niets aan de hand is - we mogen de bevolking niet alarmeren, bovendien doen er al geruchten de ronde. Heer Robert?'  

'Ik heb al mensen in de stad om die geruchten te helpen verspreiden,' zei de Hertog van Krondor. 'We doen geen enkele poging te ontkennen dat er mogelijk oorlog in Krondor komt, maar we geven de indruk dat de problemen uit Groot Kesh komen. Aangezien Krondor al meer dan tweehonderd jaar geen Keshisch leger heeft gezien, maakt de bevolking zich momenteel meer zorgen over verhoogde belastingen en de mogelijkheid dat het reizen naar Shamata en Landreth wordt beperkt dan over onmiddellijk gevaar.' Roberts gezicht betrok. 'Maar daar zal snel verandering in komen. Als er vanwege de invasievloot geen schepen meer uit de Vrijsteden en de Verre Kust binnenvaren, zal het bericht zich snel vanuit de haven tot aan de omliggende boerderijen verspreiden dat er iets vanuit het westen nadert. Als dat gebeurt, zullen we Krondor moeten verzegelen.'  

'Staat van beleg?' vroeg een van de plaatselijke edellieden.

'Ja,' antwoordde prins Patrick.

'Onze vijand is veel gevaarlijker dan velen van u zich kunnen voorstellen,' zei hertog Robert. 'Tegen de tijd dat we deze week al onze vergaderingen hebben afgerond, zult u een beter begrip hebben van dat gevaar, maar tot die tijd zult u mij op mijn woord moeten geloven als ik zeg dat Krondor nog nooit zo'n zware beproeving als deze te doorstaan heeft gehad. We stellen een avondklok in en staan, indien mogelijk, een ordelievende evacuatie van de stad toe voordat die wordt omsingeld. Maar zodra de vijand aan land is, sluiten we de poorten en zal Krondor stand moeten houden.'  

'Standhouden?' vroeg een andere edelman. 'Komt er dan geen hulp uit het Oosten?'

Patrick hief zijn hand op. 'Stilte. Zoals ik al eerder zei: we vertellen u uitsluitend wat u moet weten. En u gehoorzaamt.' Uit zijn toon bleek duidelijk dat er geen ruimte voor discussie was. Als een van de aanwezige edellieden zich gekleineerd voelde, dan hield hij dat goed verborgen.

'Dus de bevelstructuur is duidelijk,' zei de prins. 'Als eerste is Ridder-Maarschalk Wiliam nu bevelhebber over de Legers van het Westen.' Hij hield een document omhoog. 'In opdracht van de koning.' Een paar edellieden keken belangstellend op, maar niemand scheen geschokt. Volgens de traditie was de rang van Ridder-Maarschalk van Krondor even hoog als die van een hertog en in het verleden was het voorgekomen dat de Hertog van Krondor beide functies bekleedde.  

Vervolgens wees Patrick naar Caelis. 'Kapitein Caelis heeft de rang van waarnemend Ridder-Generaal van het Koninkrijk.' Hij hield nog een document omhoog. Even drong het belang van wat hij zei niet door, maar toen vielen de monden van verscheidene edelen van verbazing open. Ook Erik stond perplex. Als Ridder-Generaal van het Westen zou hij onderbevelhebber over de Vorstendomstroepen zijn geweest. Maar als Ridder-Generaal van het Koninkrijk was hij alleen verantwoording verschuldigd aan Ridder-Maarschalk Wiliam en daarmee de meerdere van alle hertogen in het Koninkrijk.

'Maar ik word liever aangesproken als kapitein,' zei Caelis. Hij wees naar Erik. 'Mijn onderbevelhebber is sergeant-majoor Erik von Zwartheide. Ondanks zijn bescheiden rang mag u aannemen dat hij met mijn stem spreekt wanneer hij met bevelen bij u komt.'  

Dit veroorzaakte een verontwaardigd gemompel in de kamer. Patrick verspilde geen tijd met daar een einde aan te maken. Hij sloeg met de aanwijsstok op de tafel, de edellieden met de scherpe klap het zwijgen opleggend. 'Deze bijzondere eenheid opereert onafhankelijk van de traditionele orde binnen de Legers van het Westen, maar als u zich, wanneer dan ook, in een situatie bevindt waarin u moet besluiten of u de bevelen van een officier van die bijzondere eenheid dient op te volgen, laat ik dan nu vast duidelijk zijn: u gehoorzaamt alle bevelen van alle officieren van welke rang dan ook uit die bijzondere eenheid alsof ze afkomstig zijn van de Kroon zelf. Ben ik zo duidelijk genoeg?'

Dat liet geen ruimte voor misverstanden. 'Ja, Hoogheid,' zeiden verscheidene edelen.  

'De eenheden van het Bijzonder Commando onder heer Caelis, de Koninklijke Krondoriaanse Padvinders alsmede andere bijzondere hulptroepen zijn onder die bevelen inbegrepen. U ontvangt nog een volledige lijst van die eenheden voordat u vertrekt naar uw eigen onderdeel.'

Erik keek de kamer rond. Verscheidene hertogen waren razend over deze bevelen en wisten dat maar slecht te verhullen. Patrick toonde zijn kaderopleiding door zo hard met de stok op de tafel te slaan dat hij brak. 'Mijne heren!' zei hij met luide, doch beheerste stem.

Op zachtere toon sprak hij verder. 'Als dit achter de rug is, zult u begrijpen waarom er bijzondere eenheden zijn opgericht en waarom het noodzakelijk is dat die opereren buiten de traditionele organisatie van de Legers van het Westen om. Ik hoef u niet in herinnering te brengen wat de geschiedenis ons tijdens de Oorlog van de Grote Scheuring heeft geleerd: dat een verenigd commando onontbeerlijk is. Aangezien ik maar één Ridder-Maarschalk heb, moet ik het aan hem overlaten hoe de troepen onder zijn bevel worden gerangschikt.'  

Alsof hij reageerde op een teken, nam Wiliam nu het woord. 'We organiseren de verdediging van het gebied rond Krondor met gebruik van de meeste soldaten onder uw bevel, mijne heren. Degenen van u die het bevel voeren over garnizoens in de omgeving, keren daarnaar terug op de dag na Banapis. Degenen van u die vanuit verder gelegen garnizoens zijn geroepen, kunnen verwachten dat hun troepen worden toegewezen aan het garnizoen van de prins, onder mijn rechtstreekse bevel. Enkelen van u worden gevraagd als vrijwilligers voor de risicovollere taken. Welnu, opnieuw waarschuw ik u buiten deze kamer niet te spreken over zaken waarover u in de komende week wordt geïnformeerd. Onze vijand is listig en heeft overal spionnen, wellicht zelfs onder uw eigen bevel. Vertrouw niemand buiten deze kamer. Pas wanneer we elk van u afzonderlijk hebben gesproken, krijgt u permissie te vertrekken.'

Erik keek naar de heren van het Westelijke Rijk die de kamer verlieten, velen nog steeds amper hun woede bedwingend. Toen alleen nog Patrick, Robert, Wiliam, Caelis, Erik en een handjevol hoffunctionarissen aanwezig waren, zei Patrick: 'Nou, dat ging beter dan ik had verwacht.'  

Eriks verbazing lag duimendik op zijn gezicht.

'Hij bedoelt dat we geen openlijke rebellie hebben gehad,' zei Caelis tegen hem.

Wiliam schoot in de lach. 'We hebben hun pas op het allerlaatste moment verteld dat ze zijn gedegradeerd tot een ondergeschikte rol, maar we konden het niet langer uitstellen.'

'Ik geloof niet dat ik het helemaal begrijp,' zei Erik.

'Dat hoeft ook niet,' zei Caelis. 'Heb ik uw permissie te vertrekken?' vroeg hij de prins.

'Ja, je kunt maar beter voortmaken,' antwoordde Patrick Erik wierp een blik op Wiliam, die zei: 'Een speciale missie.'

In zijn tijd als diens sergeant-majoor was Erik al gewend geraakt aan Caelis' speciale missies. 'Ja, maarschalk,' zei hij, zijn nieuwsgierigheid bedwingend.  

'Ik heb een hoop voor je te doen, sergeant-majoor,' zei Wiliam, 'maar daar hoef je pas mee te beginnen als ik klaar ben met de edellieden die zojuist zo humeurig zijn vertrokken. Neem vanavond vrij om je te ontspannen. Vanaf morgenmiddag zul je het tot Banapis iedere dag van zonsopgang tot zonsondergang nog druk genoeg krijgen.'  

'Ja, maarschalk,' zei Erik. 'Is er verder nog iets?'

'Niet op dit moment, maar denk er vast over na wie van die laatste groep rekruten in de bergen wat waard zijn. Zorg dat er morgen tegen het middaguur een lijst met de beste vijftig op mijn schrijftafel ligt.'

'Ja, maarschalk.'

'Ik heb al driehonderd van je beste mannen op pad gestuurd,' zei Wiliam. 'Ze vertrekken morgenochtend onder Colwin en Jadow Shati. De meesten uit jouw onderdeel vertrekken deze week in kleine groepjes. Morgenmiddag breng ik je volledig op de hoogte. Tot het middaguur heb je de tijd aan jezelf.'

Erik salueerde, wenste de prins, de hertog en de anderen een goede dag en vertrok. Vlug ging hij naar zijn eigen verblijf en nam plaats, starend naar een lijst van de mannen met wie hij zojuist uit de bergen was teruggekomen.

Een ogenblik voelde hij zich verslagen. De namen zeiden hem niets. Hoe moest hij de vijftig mannen uitkiezen van wie hij de overlevingskansen hoger inschatte? Toen viel zijn oog op een naam: ene Reardon. Hij kon zich de man herinneren vanwege een bepaalde grappige, schuine opmerking die hij op een moeilijk moment had gemaakt, terwijl iemand anders juist zijn geduld zou hebben verloren. De mannen om hem heen waren in de lach geschoten, waardoor de spanning was verminderd en de mannen de taak die Erik hun had opgedragen naar behoren hadden kunnen uitvoeren.  

Zodra hij het gezicht van dc man voor zich zag, herinnerde hij zich de mannen uit diens groep en ook die van een andere groep. Binnen enkele ogenblikken had Erik twaalf namen op papier staan. Een uur later had Erik een lijst met vijftig mannen aan wie hij de uitzonderlijke dienst in de bergen durfde toe te vertrouwen. Nu die taak achter de rug was, besloot hij zich te ontspannen. Hij bezocht het soldatenbadhuis, waar verscheidene soldaten het vuil van hun lichaam aan het schrobben waren. Terwijl hij zich verfriste, luisterde hij naar de laatste kazernenieuwtjes en tegen de tijd dat hij schoon was, begreep hij dat het in het hele garnizoen gonsde van de geruchten over een naderende strijd.  

Nadat hij schone kleren had aangetrokken, ging hij zo snel hij kon naar herberg Het Gespleten Schild. Het was er vrij druk, maar dat weerhield Kitty er niet van bijna over de tapkast heen te duiken om hem in de armen te springen. Terwijl het tengere meisje hem kuste, zei hij lachend: 'Kalm aan, vrouw. Moeten de mensen soms denken dat je geen fatsoen hebt?'

'Wat kan mij het nou schelen wat de mensen denken,' zei Kitty. Verscheidene bezoekers die haar opmerking hoorden begonnen te lachen. Een van de hoeren die door hertog Robert daar te werk was gesteld, zei: 'Mij ook niks, hoor, moppie!'

'Hoe is het geweest?' vroeg Erik.

Plagerig kneep ze in zijn wang. 'Eenzaam,' zei ze. 'Hoelang heb je voordat je teruggaat naar het paleis?'

Erik glimlachte. ' Ik hoef er morgen met het middaguur pas weer te zijn.'

Kitty kraaide bijna van genoegen. 'Ik heb vandaag geopend, dus over twee uur ben ik vrij. Eet wat en drink niet te veel met die platvloerse maten van je, want ik heb plannen met je.'

Erik bloosde en de mensen binnen gehoorsafstand moesten lachen om Kitty's opmerkingen.

In een hoek van de herberg zaten sergeant Alfred en wat andere mensen uit Eriks eenheid. Erik trok een stoel bij en een van de andere serveersters kwam langs met een schenkkan vol bier en een schone kroes voor hem. Nadat ze de andere kroezen had bijgevuld, liet ze de mannen alleen.

'Waarom zo somber?' vroeg Erik.

'Bevelen,' zei Alfred.

Een andere soldaat, Miguel, een korporaal uit Rodez, zei: 'We vertrekken morgen met zonsopgang.'  

Erik nam een ferme teug van zijn bier. 'Juist, ja.'

'Het gaat beginnen,' zei Alfred daarop.

De andere soldaten knikten.

Erik, een van de weinige mannen in de gelagkamer die onder Caelis had gediend op diens reizen naar Novindus, zei: 'Nee, het is een hele tijd geleden al begonnen.' Even staarde hij in de verte, toen keek hij zijn kameraden aan. 'Maar nu is het hier.'

 

Kitty nestelde zich in de holte van Eriks schouder. 'Wat vreselijk dat je morgen weg moet.'

'Ja,' zei Erik.

'Is er iets?'

'Waarom vraag je dat?'

Ze lagen in de betrekkelijke afzondering van haar kamer. Als hij had gewild, had Erik best een kamer kunnen huren, maar aangezien hij zijn jeugd op een gelijksoortige vliering had doorgebracht, vond hij de geur van hooi, dieren, leer en ijzer geruststellend vertrouwd.

'Ik ken je toch, Erik,' zei Kitty. 'Je maakt je zorgen.'

Erik overwoog zijn woorden. 'Weet je een manier om de stad uit te komen?' vroeg hij uiteindelijk.

'Je bedoelt waar de poort is?' zei ze bij wijze van grap.

'Nee, ik bedoel als de stad zou zijn verzegeld. Denk je dat je er dan nog uit zou kunnen komen?'

Kitty kwam overeind en leunend op een elleboog keek ze haar minnaar aan. 'Hoezo?'

'Geef nou gewoon antwoord: ja of nee?'

'Zonder de Snaken tegen te komen waarschijnlijk niet.'

Erik dacht diep na over zijn volgende woorden, want wat hij ging zeggen grensde aan hoogverraad en was op zijn minst een directe ontduiking van zijn bevelen. 'Zou je iets voor me willen doen?'  

'Zeg het maar.'

'Als volgende week het festival ten einde loopt, vlak voor zonsondergang...'  

'J a?' drong ze aan.

'Zorg dan dat je de stad uit komt. Loop mee met de boeren die terug naar de omliggende dorpen gaan.'

'Wat?' vroeg ze in opperste verbazing.

'Ik kan je niet precies vertellen waarom, maar ik wil dat je na Banapis niet meer in Krondor bent.'

'Je bedoelt dat je het niet wilt vertellen. Waar gaat dit allemaal over?'
'Hertog Robert heeft vast en zeker spionnen bij alle stadspoorten staan en behalve uitkijken naar vijandelijke spionnen hebben ze volgens mij ook het bevel jou, en verder iedereen die hij in dienst heeft genomen, tegen te houden.'
 

'Maar waarom moet ik uit Krondor weg?' vroeg Kitty.

'Omdat ik niet weet of je het anders overleeft. En meer kan ik er niet over zeggen.'

'Je maakt me bang,' zei ze.

Erik had haar nog nooit horen toegeven dat ze ergens bang voor was, zodat haar woorden extra zwaar wogen. 'Dat is maar goed ook, want je dient banger te zijn voor hetgeen waarover ik niet kan spreken, dan voor hertog Roberts lange arm. Ga de stad uit en verberg je op Ru's landgoed. Ik spreek met hem af dat hij je het Westen uit helpt. En zeg er tegen niemand ook maar één woord over.'

'Wat ga jij doen terwijl ik me in het Oosten schuilhoud?'

'Oorlog voeren.'

Erik voelde haar terugvloeien in zijn armen en haar hete tranen vielen op zijn borst. 'We zien elkaar zeker nooit meer terug, hè?'

Hij drukte haar dicht tegen zich aan, streelde haar haren en kuste haar wang. 'Dat weet ik niet, maar aan mij zal het zeker niet liggen, mijn lief.'

Ze kuste hem terug. 'Ik wil vergeten wat je hebt gezegd.'

'Dat mag, tot Banapis,' zei Erik.

'Tot Banapis.'