6 Infiltratie

 

Caelis wees.

Erik knikte en gaf zijn ploeg het teken zich achter hem te verspreiden. Gebukt liepen de mannen door de geul, hun hoofden lager dan de rand van de greppel waardoor ze hun tegenstanders naderden.

Erik was doodziek van het oefenen, maar ook benauwd dat het nog lang niet genoeg was. Na de zes maanden sinds hij de eerste groep soldaten mee de bergen in had genomen, was hij van oordeel dat de twaalfhonderd soldaten onder zijn bevel degelijke, betrouwbare mannen waren die, indien op zichzelf aangewezen, wisten te overleven. Nog eens zeshonderd mannen kwamen al redelijk in de buurt, doch hadden nog wat onderricht nodig. De groep die hij nu aanvoerde, bestond uit de jongens van wie hij vreesde dat ze nooit de soldaten zouden worden die ze nodig hadden om de komende oorlog te winnen.

Alfred tikte hem op de schouder en Erik keek om. De sergeant wees naar een man aan de andere kant van de geul, die niet liep zoals hem was opgedragen, maar zich door het ongemak in zijn knieën tot roekeloosheid liet overhalen.  

Erik knikte en Alfred dook op de man af en trok hem naar de bodem van de geul. Beiden schaafden zich aan scherpe stenen, maar Alfred drukte stevig een hand tegen de mond van de soldaat om te voorkomen dat diens kreet door nabij staande schildwachten werd opgemerkt. 'Zo, Davy,' hoorde Erik zijn sergeant fluisteren, 'met je zere knieën heb je zojuist jezelf en je kameraden de dood in gejaagd.'  

Een klein stemmetje zei Erik dat de hele oefening een mislukking was, en alsof Caelis zijn gedachten kon lezen, stond hij op en zei: 'Zo is het wel genoeg.'

Ook Erik en de anderen kwamen overeind en met één krachtige ruk trok Alfred de soldaat genaamd Davy op de been. 'Lamlendige houtekop!' brulde hij, nu hij zijn razernij de vrije loop kon laten. 'Armzalig stuk ellende van een mestkruier die je bent! Je zult de dag nog betreuren dat je vader naar je moeder keek voordat ik met je klaar ben!'  

Caelis hoorde iemand roepen hun identiteit bekend te maken, draaide zich om en riep het wachtwoord terug. Hij wenkte Erik en de sergeant-majoor liep met zijn kapitein bij de mannen vandaan. 'Sergeant, stuur de mannen terug naar het kamp,' zei Caelis.

'Jullie hebben de kapitein gehoord!' schreeuwde Alfred. 'Terug naar het kamp! Voorwaarts!'  

In ongelijke looppas gingen de soldaten op weg, bij iedere stap door de sergeant bestookt.

Zwijgend keek Caelis hen na tot de mannen uit het zicht verdwenen. 'We zitten met een probleem,' zei hij.

Erik knikte. In het westen ging de zon al onder. Hij zei: 'Iedere dag rond deze tijd heb ik het gevoel alsof we weer een stap achter zijn geraakt. We krijgen die zesduizend man nooit op tijd in goede vorm.'

'Ik weet het,' zei Caelis.

Kijkend naar zijn kapitein zocht Erik naar een hint betreffende diens stemming. Na alle jaren die hij met Caelis had doorgebracht kon hij hem nog net zo min doorgronden als op de eerste dag dat ze elkaar hadden ontmoet. Hij was een raadsel voor Erik, even ondoorgrondelijk als die buitenlandse teksten die Wiliam in zijn bibliotheek had staan.

Caelis glimlachte. 'Maar dat is het probleem niet. Maak je maar geen zorgen. Als het Zover is, hebben wij onze zesduizend man in het veld staan. Ze zullen niet zo goed zijn opgeleid als we allebei graag zouden willen, maar de kern zal solide zijn en die ruggengraat van waarlijk gedegen soldaten zal de anderen helpen overleven.' Een tijdlang keek hij zijn jonge sergeant-majoor onderzoekend aan. 'Het enige dat we hun niet kunnen leren is de ervaring die je krijgt in de strijd. Sommigen van wie jij denkt dat ze in vorm zijn, komen in de eerste minuten al om, terwijl anderen van wie je had durven wedden dat ze meteen zouden sneuvelen overeind blijven, zelfs floreren temidden van de slachting.' Zijn glimlach verdween. 'Nee, het probleem dat ik bedoel is dat we zijn geïnfiltreerd.'  

'Geïnfiltreerd?' zei Erik. 'Een spion?'  

'Verscheidene, vermoed ik. Het is een gevoel, meer niet. Onze tegenstanders zijn soms wat onhandig, maar nooit dom.'

Erik achtte de tijd rijp om zijn eigen ongemak te ventileren. 'Is dat de reden waarom de wachters van de prins ervoor zorgen dat niemand ziet dat de Koninklijke Genieën aan de andere kant van de Nachtmerriekam een toevoerweg aan het aanleggen zijn?'  

'De Nachtmerriekam?' vroeg Caelis. Zijn gelaatsuitdrukking was duidelijk: hij hield zich niet van de domme, maar de naam zei hem niets.

'Zo noemen we die heuvelrug in Ravensburg,' antwoordde Erik. 'In het noorden heet hij waarschijnlijk weer anders.' Hij keek rond. 'Ik ben met een compagnie verder noordwaarts gegaan dan gebruikelijk. We liepen een groep Padvinders en wat paleiswachters van prins Patrick tegen het lijf. Van de andere kant van de rug achter de vallei die we hadden genomen, hoorde ik geluiden komen van zware arbeid: bomen die werden geveld, hamers op aambeelden en pikhouwelen op steen. Het geniekorps van de prins legt daar een weg aan. De bergen lopen helemaal van de Tanden van de Wereld dwars door Zwartheide tot halverwege Kesh. Waar geen weg ligt, is oversteken vrijwel onmogelijk en vaak genoeg is er een reiziger dood aangetroffen. Daarom noemen we die rug de Nachtmerriekam. Als je daar met koud weer verdwaalt, ben je er geweest.'

Caelis knikte. 'Dat is de plek. Daar had je niet mogen zijn, Erik. Kapitein Subai was niet blij en prins Patrick evenmin. Maar ja, dat is de reden waarom niemand daar mag komen, voor het geval dat de vijand inderdaad spionnen buiten Krondor heeft rondlopen.'  

'Jullie laten de stad leeg achter,' flapte Erik eruit.  

Caelis zuchtte. 'Ik wou dat het zo simpel was.' Zwijgend keek hij naar de zonsondergang. Het heldere oranje en roze tegen de zwarte wolken in de verte, boven zee, verleende de naderende avond een irreële kwaliteit, alsof zoiets moois niet mocht bestaan in dezelfde wereld waarin het kwaad naderde. Uiteindelijk keek hij Erik aan. 'We hebben verscheidene plannen klaar. Jij hoeft je alleen maar zorgen te maken over de plaatsing van de soldaten onder jouw bevel. Je krijgt vanzelf te horen waar je ze heen moet brengen en wat je mogelijkheden zijn. Eenmaal met je mannen in de bergen moet jij de beslissingen nemen, Erik. Jij zult moeten oordelen wat het beste is voor je mannen en voor de campagne in het algemeen en er hangt een hoop af van jouw oordeel. Maar totdat de prins en de Ridder-Maarschalk je hebben ingelicht over de gehele operatie, krijg je van mij geen bijzonderheden die je er tegen de verkeerde uit kunt flappen.'  

'De infiltranten?'

'Die, of voor het geval je wordt ontvoerd en een mannetje van de Pantathiërs je drogeert met een middeltje om je te laten praten, of indien ze gedachtenlezers zoals vrouwe Gamina in dienst hebben. We hebben geen idee wat er kan gebeuren. Daarom dien je alles wat je hoort strikt voor je te houden en wordt jou uitsluitend verteld wat je per se moet weten.'  

Erik knikte. 'Ik maak me zorgen...'

'Over het meisje?'

Verrast keek Erik hem aan. 'Weet u daarvan?'

Met een gebaar gaf Caelis aan dat het tijd werd de vertrekkende soldaten te volgen. 'Wat voor een kapitein zou ik zijn als ik niets wist over het leven van mijn sergeant-majoor buiten de kazerne?'

Daar had Erik geen antwoord op. 'Natuurlijk maak ik me zorgen over Kitty,' zei hij. 'En ook over Ru en zijn gezin. Ik maak me zorgen over iedereen.'

'Nu begin je al net zo te praten als Bobby, al zou hij het nooit op die manier hebben verwoord.' Caelis glimlachte. 'Hij zou hebben gezegd: ''We hebben veel te veel te doen, en maar de helft van de tijd die we daarvoor nodig hebben, en bovendien zitten we opgescheept met een stelletje verrekte idioten die dat werk moeten verrichten.'"  

Erik begon te lachen. 'Dat is 'm precies.'

'Ik mis hem, Erik. Jij ook, dat weet ik best, maar Bobby was een van de eersten die ik had uitgezocht. De eerste van mijn "radeloze mannen".' 'Ik dacht dat u hem bij de grensbaronnen had weggehaald om voor u te komen werken,' zei Erik.

Caelis lachte. 'Zo zou Bobby het hebben gezegd, ja. Maar dan liet hij onvermeld dat hij zou worden opgehangen voor het doden van een andere soldaat in een knokpartij. Ik heb hem zes keer een pak slaag moeten geven om hem zelfbeheersing bij te brengen.'

'Een pak slaag?' vroeg Erik, over een flinke kei stappend om de geul omlaag te blijven volgen.

'Iedere keer wanneer hij kwaad werd, zei ik tegen hem, zou ik het bovenlijf ontbloten zodat we het uit konden vechten. Als hij daarna nog op zijn benen stond en ik niet, was hij vrij om te gaan. Ik heb die domoor zes keer vreselijk op zijn donder gegeven voordat hij eindelijk besefte dat ik een stuk sterker ben dan ik er uitzie.'

Erik wist dat dat waar was. De vader van de kapitein, ene Tomas, was een heer ergens in het noorden. Volgens de geruchten was zijn moeder de elfenkoningin. Maar wie zijn ouders ook werkelijk mochten zijn, nog nooit had Erik iemand ontmoet die Caelis' kracht kon evenaren. En de voormalige smid uit Ravensburg was zelf de sterkste uit zijn dorp geweest, en van alle soldaten met wie hij had gediend op die eerste reis naar Novindus was alleen de enorme bruut Biggo zijn gelijke geweest. Maar Caelis had dingen gedaan die Erik niet eens voor mogelijk had gehouden. Eén keer had de kapitein met gemak een wagen opgetild zodat Erik het wiel kon vervangen, terwijl Erik uit ervaring wist dat hij de hulp van minstens twee anderen nodig zou hebben om dat staaltje te evenaren. Denkend aan Bobby de Loungvilles karakter zei hij: 'Het verbaast me dat u hem niet hebt hoeven doden.'  

Caelis schoot weer in de lach. 'Dat heeft ook niet veel gescheeld, tot tweemaal toe. Bobby was er niet de man naar om zich makkelijk gewonnen te geven. Toen ik terugkwam van die eerste reis samen naar Novindus en we als geslagen honden Krondor binnen kwamen hinken, noemde prins Arutha me de Adelaar vanwege de banier op ons schip.'  

Erik knikte. Net zo goed als ieder ander wist hij dat Caelis in dat verre land de rol van huurlingenkapitein had gespeeld, en zijn korps heette de Vlammende Adelaars.

'Wel, Bobby verkoos het zichzelf de Hond van Krondor te noemen. Prins Arutha scheen daar helemaal niet blij mee te zijn, maar hij zei niets.' Ineens bleef Caelis staan en hield Erik tegen. 'Geen woord over je vermoedens tegen wie dan ook, Erik. Het zou je dood kunnen worden, en ik wil je niet kwijt. Bobby mocht het dan leuk hebben gevonden zichzelf als hond te beschouwen, maar hij was een trouwe en een taaie. Jij bent net zo trouwen net zo taai, al weet je het nog niet.'

Met een hoofdknik nam Erik het compliment in ontvangst. 'Bedankt, kapitein.'

'Ik ben nog niet klaar. Ik heb geen zin om nog een sergeant-majoor kwijt te raken doordat hertog Robert hem ophangt om hem het zwijgen op te leggen.' Hij keek Erik recht aan. 'Is dat begrepen?'

'Luid en duidelijk.'

'Kom mee, dan. We moeten dit zooitje terugbrengen naar Krondor en overdragen aan Wiliam, zodat hij er kazerneratten van kan maken. Als ze per ongeluk toch in de bergen verzeild raken, zullen ze het misschien iets langer volhouden dan de gemiddelde soldaat, en dan hebben we ze een dienst bewezen, maar geen van deze knullen zal op hun beurt ons van dienst kunnen zijn.'  

'Dat is zeker zo,' zei Erik.

'Ga meer mannen voor me zoeken, Erik. Radeloze mannen als het moet, maar zorg voor rekruten die we kunnen opleiden.'

'Waar haal ik ze vandaan?' vroeg Erik.

'Ga naar de koning voordat hij Krondor verlaat,' antwoordde Caelis. 'Als je het hem vriendelijk vraagt, geeft hij je misschien een volmacht zodat je de grensbaronnen van hun beste mensen kunt beroven. De baronnen zullen er niet blij mee zijn, maar als we deze oorlog verliezen, hoeven we ons hoe dan ook geen zorgen meer te maken over een invasie vanuit het Noordland.'

Zich de landkaart van het Koninkrijk uit Wiliams kantoor voor de geest halend zei Erik: 'Dat betekent een reis naar Noordwacht, IJzerpas en Hoogstein.'

'Begin bij IJzerpas,' droeg Caelis hem op. 'Je zult snel moeten zijn, en als je hen meeneemt naar het zuiden, trek dan door het Schemerwoud en laat Sethanon links liggen. Breng hen hier zo snel je kunt.' Met wat Erik was gaan beschouwen als Caelis' gemene grijns voegde hij eraan toe: 'Je hebt twee maanden.'  

Erik onderdrukte een gekreun. 'Ik heb er minstens drie nodig!'

'Jakker desnoods de paarden af om er te komen, maar je krijgt er maar twee. Ik heb nog zeshonderd goede mannen nodig, tweehonderd uit elk van die garnizoenen, over twee maanden hier in Krondor.'

'Dan houden ze nog niet de helft van hun staande garnizoen over! Alle drie de baronnen zullen heftig protesteren.'

'Natuurlijk zullen ze dat,' zei Caelis met een lach. 'Daarom heb je die volmacht van de koning ook nodig.'

Na een korte aarzeling vertrok Erik op een holletje, een verraste Caelis achterlatend, die hem nariep: 'Waar ga je zo gauw heen?'

'Naar Krondor,' zei Erik. 'Ik heb geen moment te verliezen en ik moet eerst nog van iemand afscheid nemen.'

Met iedere stap die Erik nam, verdween Caelis' gelach verder naar de achtergrond. Hij rende nog steeds toen hij een verbaasde Alfred en de terug naar het kamp marcherende mannen passeerde.

 

Erik had een moeilijke dag gehad, eerst met de koning en daarna met Kitty. Al had de koning er niet zulke grote bezwaren tegen zijn noordelijke garnizoenen te ontdoen van soldaten die hard nodig waren om zijn rijk te beschermen tegen plunderende gnomen en onzalige elfen, het idee van Caelis om het selecteren van die mannen toe te vertrouwen aan een sergeant-majoor stond hem beduidend minder aan. Hij bracht Erik in herinnering dat hij nu een rang aan het hof bekleedde en zich door geen van de baronnen het recht diende te laten ontzeggen die bevelen uit te voeren, maar in stilte vroeg Erik zich af hoe hij een edelman met bijna vierhonderd bewapende, aan hem gehoorzame mannen moest dwingen te doen wat hij wilde, mocht de volmacht van de koning onvoldoende blijken.

Nadat hij tegen Jadow had gezegd dat Caelis later terugkwam met de mannen die werden ingedeeld bij het garnizoen van de prins, was hij Kitty gaan opzoeken.

Van buiten kalm hoorde ze het nieuws over Eriks afwezigheid in de komende twee maanden aan, maar Enk kende haar inmiddels goed genoeg om te zien dat ze van streek was. Het liefste had hij nog één dag met haar doorgebracht, maar Caelis' tijdslimiet was bijna onmogelijk.  

Ze glipten de herberg uit en brachten samen een emotioneel uur door, en uiteindelijk was Erik bijna op het punt gekomen waarop hij zijn belofte aan Caelis om niets te vertellen over zijn vermoedens had gebroken. Hij zei haar echter slechts dat ze, mocht hij niet in de buurt zijn wanneer dat 'groots' dat volgens haar stond te gebeuren daadwerkelijk plaats ging vinden, de stad uit moest glippen om naar Ravensburg te gaan. Wanneer het nieuws van de aanval de stad bereikte, zou er nog enige tijd zijn om te vluchten voordat de prins de stad liet verzegelen. Kitty was slim genoeg om te begrijpen wat hij bedoelde. Ze zei dat ze naar herberg De Pijlstaart in Ravensburg zou gaan om te schuilen bij Freida, Eriks moeder, en Nathan, zijn stiefvader. Hij beloofde dat hij daar naar haar toe zou komen.

Twee uur voor zonsondergang ging Erik op pad. Onderweg zou hij in een herberg moeten overnachten, maar ieder uur dat hij kon winnen was de extra kosten waard. En trouwens, het was het goud van de koning dat hij uitgaf, niet dat van hemzelf.

Met zonsondergang was hij nog op een uur rijden van de dichtstbijzijnde herberg. De kleine maan stond aan dè hemel, zodat het niet helemaal donker was, en de Koningsheerbaan was een duidelijk aangegeven weg, maar Erik liet zijn rijdier liever stapvoets gaan dan het gevaar te lopen dat het dier zich verwondde door te struikelen.  

Zijn paard was een kleine, taaie voskleurige ruin die hij zelf had uitgezocht. Hij was niet zo sterk of groot als de meeste andere paarden in de stallen van de prins, maar had waarschijnlijk een groter uithoudingsvermogen dan de andere dieren die Erik had kunnen kiezen. Op deze reis zou hij vaak van rijdier verwisselen en hij zou bijna twee weken van zonsopgang tot na het vallen van de avond in het zadel moeten zitten voor hij IJzerpas bereikte, en zelfs dan moest hij de paarden tot het Ulterste dwingen, maar het was mogelijk.  

In stilte zijn kapitein vervloekend reed Enk verder de nacht in.

 

Nakur wees. 'Daar, alweer!'

Sho Pi knikte. 'Net als de vorige keer, meester.'

Nakur weerstond de impuls om deze jongeman te zeggen hem niet langer meester te noemen. Het was even zinloos als een hond vertellen niet meer te krabben naar vlooien. 'Keshische patrouilles langs de zuidkust van de Dromenzee,' merkte hij op. 'De vorige keer heeft Caelis de garnizoenscommandant op de hoogte gebracht, maar nu zien we alweer Keshische lansiers met wapperende kleuren rijden.' Even later begon hij te lachen.

'Is er iets leuks, meester?'

Met de rug van zijn hand gaf Nakur de jongeman een klap op de schouder. 'Nou snap ik het, jongen. Heer Arutha heeft het op een akkoordje gegooid.'

'Op een akkoordje gegooid?' vroeg Sho Pi.

'Wacht maar af,' zei het mannetje. Samen met zijn volgeling had hij in Kro~dor een schip genomen dat door de inham naar de waterweg tussen de Bltterzee en de Dromenzee zeilde. De rivierboot waarop ze nu zaten, begon aan te meren in Shamata Haven, waar ze paarden zouden kopen om naar Sterrewerf te rijden. Nakur had documenten voor heer Arutha en bevelen van prins Patrick en hertog Robert bij zich. Hij had het sterke vermoeden dat... hij al wist wat er in die documenten stond, want op verscheidene prijkte het zegel van de koning en niet dat van de prins.  

De rels verliep ruStig en uiteindelijk stapten Nakur en Sho Pi op het vaartuig dat passagiers en goederen over het Grote Sterremeer vervoerde naar het eiland Sterrewerf, waar de leefgemeenschap van magiërs was gevestigd. Arutha, heer Vencar, graaf aan het hof van de koning en zoon van hertog Robert, wachtte hen op bij de steiger. 'Nakur, Sho Pil Blij jullie weer te zien.' Hij begon te lachen. 'Onze vorige ontmoeting was veel te kort.'

Ook Nakur lachte. Hij was nog geen twee minuten in het bijzijn van de pas gearriveerde graaf geweest voordat hij met Sho Pi en Puc naar Elvandar was vertrokken. Met een sprong overbrugde hij het smaller wordende gat tussen de schuit en de kade. 'Ik heb berichten van uw vader.'

'Kom maar meteen mee dan,' zei Arutha.

'Hoe wist u dat wij aan boord waren?' vroeg Nakur.

Terwijl ze op weg gingen naar het gigantische gebouw van de Sterrewerfse academie, zei de man die door de koning was gezonden om het eiland der magiërs te besturen: 'Niets bijzonders. Onze uitkijk zag jullie van daarboven.' Hij wees naar een van de ramen in een hoge toren. 'Hij stuurde me bericht.'  

'Zal wel een van mijn leerlingen zijn,' zei Nakur, knikkend.

Binnengekomen liepen ze door een lange gang naar Arutha's kantoor, hetzelfde dat Nakur zelf had betrokken toen hij door Caelis aan het hoofd van het eiland was geplaatst. 'Zijn Chalmes, Kalied en de anderen nog tot last geweest?' vroeg hij.

Bij het horen van de naam van de in Kesh geboren traditionalist die zich verzette tegen het idee dat dit eiland was onderworpen aan de Koninkrijkse wet, schudde Arutha zijn hoofd. 'Niets noemenswaardigs,' zei hij. 'Zo nu en dan mopperen ze wat, maar zolang ze vrij zijn om les te geven en onderzoek te doen, klagen ze niet te veel over mijn bestuur.'

'Ze zullen vast wel plannen aan het smeden zijn,' zei Nakur.

'Ongetwijfeld,' beaamde Arutha, de deur van zijn kantoor openhoudend voor de anderen, 'maar zonder hulp van buitenaf zal het niet veel om het lijf hebben. Zelf zijn ze veel te slap om zich zonder een sterke bondgenoot af te scheiden van het Koninkrijk.'

Eenmaal binnen het kantoor deed Arutha de deur dicht. 'En daar zijn we op voorbereid.' De graaf nam het pakket met documenten van zijn vader in ontvangst. 'Een momentje, alsjeblieft,' zei hij en verbrak het zegel van de bovenste, een persoonlijk bericht van de hertog.

Terwijl hij las, keek Nakur naar hem. Hij was even lang als zijn vader, maar leek meer op zijn moeder met zijn fijne gelaatstreken en welhaast vrouwelijke mond. Maar zijn ogen, dacht Nakur, waren die van zijn vader: even gevaarlijk. En ook zijn haar had hij van zijn vader, dezelfde dikke donkerbruine krullen uit de tijd dat Robert nog jong was.

Korte tijd later vroeg Arutha: 'Weet je wat hier in staat?'

'Nee,' antwoordde Nakur, 'maar ik kan ernaar raden. Erland is net terug uit Kesh. Is hij hier langs geweest?'

Arutha begon te lachen. 'JOU ontgaat ook niet veel, hè?'  

'Als je al zo lang op allerlei manieren aan de kost hebt moeten komen als ik,' zei Nakur, 'dan leer je overal op te letten.'

'Ja, Erland is op weg naar huis hier een nachtje blijven slapen.'

'Dus jullie hebben het met Kesh op een akkoordje gegooid.'

'Laten we zeggen dat we overeenstemming hebben bereikt,' zei Arutha.

Als Sho Pi het gesprek niet meer kon volgen, dan liet hij er niets van blijken. Hij vond het schijnbaar best om zijn meester en de graaf ongestoord te laten spreken.

Nakur lachte weer. 'Uw vader is de gevaarlijkste en gemeenste man die ik ooit heb ontmoet. Het is maar goed dat hij aan onze kant staat.'

'In dat opzicht zul je van mij geen tegenspraak horen,' zei Arutha met een wrang gezicht. 'Nog geen dag van mijn eigen leven heb ik zelf kunnen leven.'  

Nakur nam het bericht aan dat Arutha hem over de schrijftafel heen aanreikte. 'Dat schijnt u anders niet bepaald te storen,' merkte de voormalige gokker op.

Arutha haalde zijn schouders op. 'Ik had hetzelfde rebelse karakter dat de meeste jongelieden hebben, maar de dingen die mijn vader me liet doen waren meestal erg interessant, een uitdaging zelfs. Mijn zoons, zoals je wellicht al hebt begrepen, waren een totaal ander geval. Mijn vrouw is heel wat genadiger voor "avontuurlijke" karakters dan mijn moeder is geweest.' Terwijl Nakur het bericht van de hertog las, stond Arutha op. 'Ik heb er vaak over nagedacht hoe mijn vaders leven moet zijn geweest, om letterlijk als dief op te groeien in het riool van Krondor.' Hij keek uit een raampje dat uitzicht bood op de kustlijn. 'Ik heb voor de rest van mijn leven mijn buik vol van verhalen over "Robbie de Hand".'

'Ik wist niet dat uw vader zo'n opschepper was; merkte Sho Pi op terwijl Nakur verder las.

'Niet van mijn vader, maar van anderen,' reageerde Arutha. 'Mijn vader heeft de geschiedenis van het Koninkrijk veranderd.' Een tijdlang bleef hij bedachtzaam zwijgen. 'Het kan knap lastig zijn om de zoon van een groot man te zijn.'

'Mensen hebben hoge verwachtingen van de zoon van een groot man' zei Nakur. Hij legde het document op de tafel. 'Wilt u dat ik blijf?'

'Voorlopig,' antwoordde Arutha. 'Ik heb hier iemand nodig die ik kan vertrouwen als de hel losbreekt. Ik heb enige zekerheid nodig dat Chalmes en de anderen niet op een verkeerde manier reageren.'  

'O, verkeerd reageren zullen ze zeker als ze zien wat uw vader en prins Erland hebben bekokstoofd,' zei Nakur met een lachje, 'maar ik zal ervoor zorgen dat niemand gewond raakt.'

'Mooi. Ik vertrek volgende week, nadat ik voor een paar noodzakelijke bijzonderheden heb gezorgd.'

'Moet u terug naar Krondor?' vroeg Nakur.

Arutha knikte. 'Ik ken mijn vader.'

Nakur slaakte een zucht. 'Ik begrijp het.'

'Jullie krijgen dezelfde kamers als eerst,' zei Arutha. 'Ga wat rusten, dan zie ik jullie bij het avondmaal.'  

Sho Pi begreep dat ze werden weggestuurd. Hij stond op en maakte de deur voor Nakur open. Zodra ze het kantoor van de graaf hadden verlaten, vroeg hij: 'Meester, wat bedoelde u met de vraag of heer Arutha terug moest?'

'Zijn vader stuurt hem naar Rillanon, met als doorzichtigvoorwendsel dat hij berichten naar de koning moet brengen,' zei Nakur terwijl ze de hoek om sloegen naar de kamers die voor hen in gereedheid waren gebracht. Een trap beklimmend vervolgde hij: 'Arutha weet dat het zeer onwaarschijnlijk is dat zijn vader Krondor verlaat als de oorlog wtbreekt. Hij wil ervoor zorgen dat zijn zoons niet bij hun grootvader blijven.'  

'Ik weet dat een oorlog gevaarlijk is,' zei Sho Pi, die zelf soldaat was geweest, 'maar waarom zouden de kleinzoons van de hertog een groter risico lopen dan een ander?'

'Omdat iedereen die nog in Krondor is als de vloot van de koningin arriveert het waarschijnlijk niet overleeft,' antwoordde Nakur op vlakke toon.  

Sho Pi zei niets meer tot ze hun verblijfplaatsen bereikten.

 

Erik gebaarde en de ruiters hielden halt. Een van zijn verkenners kwam naar hem teruggereden. Al bijna twee maanden was hij bezig geweest om de grens baronnen van hun beste mensen te beroven en nu reden er bijna zeshonderd mannen verdeeld in drie rijen achter hem aan, verspreid over twintig mijl. Het was een uitputtingsslag geweest en bij vrijwel iedere afgelegde mijl had hij Caelis wel eenmaal vervloekt, maar hij had zijn mannen.

Alle grens baronnen die hij had bezocht, hadden de volmacht van de koning gelezen met een mengeling van ongeloof en verontwaardiging. Stuk voor stuk waren de grens baronnen uniek in die zin dat ze direct ressorteerden onder de Kroon en verantwoording verschuldigd waren aan een graaf of hertog. En dat een doodordinaire sergeant-majoor van het prinselijk garnizoen zomaar kwam binnenlopen met het bevel om de beste mannen eruit te pikken en af te voeren terwijl de beloften van vervanging op zijn best gezegd vaag waren, was meer dan ze konden verdragen.  

Baron Noordwacht had zelfs overwogen Erik vast te houden tot het bevel was bevestigd, maar inmiddels had Erik toen al een gewapende compagnie van bijna tweehonderd man bij zich, zodat de baron zich maar had bedacht.

In Hoogstein had de baron alleen maar gekeken alsof er weer een extra gewicht was gestapeld op de immense last die hij reeds te torsen had, en zich met een minimum aan klachten geschikt. Erik vermoedde dat de compagnie van vierhonderd man uit Noordwacht en IJzerpas hem overtuigend genoeg was voorgekomen.

De weg terug had hen door de enorme grasvlakten van Hoogwold gevoerd, het woongebied van de nomadische stammen die daar hun schapen hoedden en handel dreven met de baronnen en de kleine dorpjes die zich zo dicht bij het Noordland nog staande wisten te houden. Verscheidene malen waren ze gestuit op pas verlaten kampen, alsof bandieten bij het zien naderen van zoveel gewapende mannen de wijk hadden genomen naar de heuvels.

Na voor de derde maal op zo'n kamp te zijn gestuit had Erik twee van de mannen uit IJzerpas vooruit gestuurd om te verkennen. Erik vond het idee van problemen zo ver binnen de grenzen van het Koninkrijk niet echt verontrustend, maar van alle gebieden tussen de Verre Kust en de Koninkrijkszee was het terrein tussen de Tanden van de Wereld - de grote bergketen in het noorden - en de grenslijn van het Schemerwoud een van de vijandigste. In de jaren voor de Oorlog van de Grote Scheuring hadden bendes gnomen en onzalige elfen zich helemaal tot bij Sethanon gewaagd, en hoe vaak er in deze gebieden ook werd gepatrouilleerd, het bleef er woest en onherbergzaam.  

Inmiddels reden ze door open bosgebied in de richting van het veel dichtere Schemerwoud, en Erik was de tel kwijtgeraakt van alle plekken die zich uitstekend hadden kunnen lenen voor een hinderlaag.

De eerste verkenner hield in. 'Een bewoond kamp, sergeant-majoor. Minstens honderd gewapende mannen.'

'Wat?' zei Erik. 'Hebben ze je gezien?'

'Nee, ze hadden geen schildwachten uitgezet en schenen zich nergens zorgen over te maken. Volgens mij gaan ze ervan uit dat ze hier alleen zijn.'

'Kon je hen ergens aan herkennen?'

'Er was nergens een vlag te zien en ze droegen geen uniformen of wapenkleden. Ze zien eruit als struikrovers.'

Erik liet de verkenner inrukken en draaide zich om naar de man die hij tot waarnemend korporaal had benoemd, een sergeant uit IJzerpas met de naam Garret. 'Ik wil een tirailleurslinie op vijftig el achter ons, de helft van de mannen. Bij het eerste teken van onraad moeten die langs beide kanten aan komen stormen. De rest kan zich voorbereiden om hard door het midden aan te vallen als het nodig is, in rijen van twee. Kies vier van je beste mannen en rijd met me mee.'

Ondanks het feit dat hij minstens tien jaar ouder was dan Erik aarzelde de man geen moment het bevel van de jongere sergeant-majoor te gehoorzamen. Erik stelde zijn houding en zijn discipline zeer op prijs en was van plan hem zo spoedig mogelijk tot sergeant te promoveren, want in Garret bespeurde hij iemand die zijn mannen in leven kon houden.

Dat was het enige aan Caelis' plan wat Erik aanstond, moest hij met tegenzin toegeven: de mannen die hij had moeten halen waren gehard door het jarenlange vechten tegen gnomen, zwarte elfen en bandieten. De meesten waren ervaren bergstrijders en het zou maar weinig moeite kosten om hen te doen opgaan in de strijdmacht die Erik reeds onder zijn bevel had staan.

Als de geoefende soldaten die ze waren, namen de eerste twintig man achter Erik hun posities in. 'Maak je klaar voor narigheid,' zei hij tegen Garret.

De bevelen werden doorgegeven, en samen met Garret en de vier mannen die hij had uitgekozen reed Erik voorwaarts.

Langzaam zochten ze zich een weg tussen de bomen door en kregen kampvuren in zicht. Zo'n tachtig mannen lagen te luieren of stonden te praten op een open plek in het bos. Een stuk of twintig tenten stonden schots en scheef verspreid en in het midden werd bij de kookvuren proviand verzorgd. Aan de andere kant van het kamp zag Erik bagagewagens en paarden staan. 'Dit is geen bende vogelvrijen,' zei Erik zachtjes tegen Garret.

De oudere soldaat knikte zwijgend. 'We kunnen maar beter meteen hard toeslaan.' Inmiddels twijfelde hij er niet meer aan: er ging gevochten worden.

Erik was verbaasd. Al was het nog niet eens middag, veel van de mannen lagen te slapen. Hij hield zijn hand omhoog en zei zacht: 'Ze wachten op iemand.'

'Hoe weet u dat, sergeant-majoor?' vroeg Garret.

'Ze vervelen zich en ze zitten hier al minstens een week.' Hij wees naar een geul rechts van hen, die als latrine werd gebruikt.

'Ik ruik het,' zei Garret. 'U hebt gelijk. Ze zitten hier al een tijdje.' 'En als ik me niet deerlijk vergis, is er hier niets om op te wachten, dus wachten ze tot iemand anders komt opdagen.'

'Dat ben ik van plan uit te gaan zoeken.' Hij gebaarde de mannen voorwaarts en ze voerden de paarden aan de hand mee tot ze in het zicht van het kamp kwamen.

Een soldaat die verveeld zijn zwaard zat te poetsen, keek op toen Erik en de anderen in het zicht verschenen. Zijn ogen werden groot en hij schreeuwde.

Zodra Erik 's mans stem hoorde, ging het haar achter in zijn nek recht overeind staan en hij riep naar achteren: 'Aanvallen!'

Zonder erbij na te denken werden de zwaarden getrokken en het geluid van snel naderende ruiters weergalmde door het bos. In het kamp renden de mannen naar hun bedrollen om een wapenrusting aan te trekken als ze konden, of ze grepen naar schilden en zwaarden, dan wel pijlen t:n bogen, en de strijd begon.

Geheel volgens Eriks plan reed de colonne achter hem twee aan twee het midden van het kamp binnen terwijl de tirailleurslinie het terrein omsingelde. Mannen gilden, pijlen suisden door de lucht en staal sloeg op staal toen de ruiters de open plek bestormden. Veel van Eriks mannen waren bereden boogschutters, die vlot hun doelen kozen onder de mannen die nog haastig bezig waren een wapenrusting aan te trekken.

Twee mannen omver rijdend, haastte Erik zich naar het midden van het kamp, want daar bevond zich vast en zeker de leider van deze groep en Erik was van plan hem te vinden voordat een overijverige Koninkrijkse schutter hem aan een pijlschacht reeg.

Erik zag hem.

De man was een oase van kalmte te midden van mannen die alle kanten op renden. Bevelen schreeuwend, trachtte hij zijn mannen met pure wilskracht tot een doelmatige verdediging te brengen. Erik gaf zijn paard de sporen en stormde op hem af.

De leider zag Erik niet eens aankomen, zo gericht was hij op het bevelvoeren over zijn mannen, maar alsof hij het voelde, draaide hij zich op het laatste moment om, zag paard en ruiter vlak voor hem opdoemen en dook opzij, Eriks aanval ontwijkend.

Erik keerde zijn paard en zag dat de man nu gewapend was met zwaard en schild, die hij vlug van de grond had opgeraapt. Meteen wist hij dat dit een taaie tegenstander was, want de man was weggedoken in de richting van zijn wapens. Hij liet zich niet van de wijs brengen.

Erik wist wel beter dan hem nogmaals aan te vallen, want daarmee liep hij het gevaar dat de man onder zijn aanval door dook en zijn paard kreupel maakte. Waarschijnlijk was hij kalm en zelfverzekerd genoeg om zo'n gevaarlijke manoeuvre te proberen.

Eriks soldaten eisten een verschrikkelijke tol onder de mannen in het kamp en hijzelf cirkelde rond zijn tegenstander, afwachtend. Behoedzaam hield de man hem in de gaten, klaar voor de aanval die niet kwam, en Erik riep: 'Hou er zo veel mogelijk in leven!'

Toen het duidelijk werd dat de mannen in het kamp geen schijn van kans hadden tegen de ruiters te paard begonnen ze de wapens neer te gooien, roepend om genade.

Al gauw was de kwestie in Eriks voordeel beslist. Toen er uiteindelijk geen twijfel meer bestond, wierp ook de leider zijn wapen neer. In Novindus, wist Erik, was dat voor huurlingen het algemeen aanvaarde teken van overgave.

Erik keek rond en zag een banier op de grond liggen waarvan het embleem hem bekend voorkwam. Langzaam reed hij naar de man. Garret en de andere soldaten keken stomverbaasd toe toen de sergeant-majoor van de prins de man toesprak in een vreemde taal.

'Duga en zijn Krijgshonden, als ik me niet vergis,' zei Erik tegen de man.

De leider knikte. 'Wie ben jij?'

'Ik reed met Caelis' Vlammende Adelaars.'

Kapitein Duga, huurlingenleider over honderd zwaarden, slaakte een zucht. 'Jullie moesten ter plekke worden gedood, en dat was aan de andere kant van de wereld.'  

'Jullie hebben een lange reis achter de rug,' merkte Erik op.  

'Zeg dat wel.' Hij keek rond en zag dat zijn mannen door die van Erik werden ontwapend. 'En nu?'

'Hangt ervan af Als je meewerkt, krijg je de kans te blijven leven. Zo niet...'

'Ik weiger mijn eed te breken,' zei Duga.

Erik bestudeerde hem. De man was een typische huurlingen-kapitein uit Novindus. Slim, zij het niet intelligent, maar verstandig genoeg om zijn mannen in leven te houden, een belangrijke vereiste voor een kapitein. Hard genoeg om een bende stuurse halzensnijders in het gareel te houden en eerlijk genoeg om zijn afspraken na te komen, want anders zou niemand hem inhuren.

'Dat is ook niet nodig,' zei Erik. 'Je bent onze gevangene, maar we kunnen je moeilijk op parool vrijlaten om naar huis terug te gaan.'  

'Ik weet niet eens waar dat is,' zei de man op wrange toon.

Erik wees in zuidwestelijke richting. 'Die kant op - aan de andere kant van de wereld, zoals je zelf al zei.'

'Zin om ons een bootje te lenen?' vroeg Duga met bittere ironie. 

'Misschien wel. Als je ons wat dingen vertelt, krijgen jullie wellicht nog een kans om terug naar huis te gaan.' Erik zei er niet bij hoe klein die kans was.

'Zeg op,' zei Duga.

'Om te beginnen: hoe komen jullie hier?'

'Via een van die magische poorten die de slangmensen maken.' Hij haalde zijn schouders op. 'Ze boden een bonus aan iedere kapitein die zijn mannen erdoorheen leidde.' Rondkijkend voegde hij eraan toe: 'Al mogen de goden weten waar ik het geld uit kan geven.'  

'Hoelang zijn jullie al hier?'

'Drie weken.'

'Op wie wachten jullie?'

'Dat weet ik niet,' zei de aanvoerder van de huurlingen. 'Het enige wat ik weet, zijn de bevelen van generaal Fadawah, en die waren simpel. Stap door die scheuring, zoek een plek in de buurt om kamp op te slaan en wacht.'  

'Waarop?'

'Dat weet ik niet. Ik weet alleen dat we moesten wachten.'

Even voelde Erik een steek van onzekerheid. Totdat het volgende element van zijn colonne arriveerde, had hij bijna evenveel gevangenen als mannen om die te bewaken, en er konden ieder moment nieuwe vijanden verschijnen. Hij dacht vlug na en zei: 'Beperkt parool. We doen jullie niets, maar we laten jullie niet wegrijden. Zodra we in het kamp zijn, bespreken we betere voorwaarden.'  

Daar dacht de huurling even over na. 'Akkoord,' zei hij toen en met zichtbare opluchting riep hij naar zijn mannen: 'De strijd is gestaakt! We gaan eten!' .

Andermaal stond Erik versteld van de houding van deze huurlingen uit Novindus, die oorlog en strijd zagen als een baan, waarbij je de ene dag tegenover mensen stond die het jaar daarvoor misschien nog bondgenoten waren geweest en dat op een dag weer konden zijn, met als gevolg dat ze weinig tot geen wrok koesterden. Hij wenkte Garret. 'Als het wat rustiger is geworden, slaan we kamp op en kunnen de mannen eten.'

De sergeant uit IJzerpas salueerde en begon bevelen uit te vaardigen. Zittend in het zadel rekte Erik zich uit. Hij voelde zich alsof ieder botje in zijn lichaam uit het lid was geraakt. Zijn achterste was als van hout en hij kon zich niet herinneren dat hij ooit eerder zo moe was geweest. Inwendig kreunend steeg hij af. Toen rook hij het eten boven de kookvuren en besefte hij dat hij rammelde van de honger.

Voordat hij de gevangenen ging ondervragen, nam hij nog even een moment om zijn paard te verzorgen, en om stilletjes Caelis te vervloeken.