13 Improvisatie

 

Caelis knielde neer.

'Hoelang is hij al zo?' vroeg hij in de subtiele spraak van zijn moeders volk.

'Al weken,' zei Caelin tegen zijn halfbroer.

Puc lag bewusteloos in het midden van de contemplatiehof, nog altijd op de plek waar hij was neergelegd, terwijl de Machtswevers rondom hem zwoegden voor zijn leven.

'Tathar?' vroeg Caelis.

'We denken dat hij heel langzaam weer op krachten komt. Zijn lichaam zat onder de korsten en littekens en hele stukken dode huid lieten los, alsof hij door de zon was verbrand. Daaronder had zich echter al nieuwe roze huid gevormd. Zijn haren, baard en wenkbrauwen waren grotendeels weggeschroeid, zodat hij er nog jonger uitzag dan gewoonlijk.'  

'We hebben getracht zijn geest te peilen,' zei Acaila, 'zo voorzichtig mogelijk, maar niemand kon bij hem komen.'

Caelis stond op. 'We gingen ervan uit dat hij op het laatst pas in actie zou komen.'

'Ik vind dat hij onverstandig heeft gehandeld,' zei Caelin, 'maar dat is achteraf natuurlijk makkelijk gezegd. Op het moment dat hij de risico's nam, vond hij dat de uitkomst waard.'

Caelis knikte. 'Als de Novindische vloot op het diepste deel van de oceaan was gezonken, zou dat veel van onze problemen hebben opgelost.' Spijtig schudde hij het hoofd. 'Maar ik had hem liever gezond in Sethanon gehad.'  

'Tomas gaat naar Sethanon,' zei Caelin.

'En de draken?'

Bezorgd keek Caelin hem aan. 'Die twijfelen aan Tomas. Niet aan zijn woord, maar aan zijn inschatting van het gevaar. Ondanks al hun wijsheid hebben er maar weinig draken enig idee van de magie die, zoals wij weten, in het spel is.'

Geruime tijd keek Caelis zijn halfbroer aan en vroeg toen: 'Kan ik je even alleen spreken?'

Instemmend gebaarde Caelin met zijn hand, aangevend dat de jongere man hem kon volgen. Nadat ze een eindje zwijgend gelopen hadden, bleef Caelis staan en vroeg: 'Miranda?'

'Geen bericht van Miranda noch Macros sinds ze Puc terug hebben gebracht. Ze zijn met Tomas aan het zoeken naar informatie over de demonen onder de bergen waar jij ze hebt aangetroffen.'

Caelis' blik zwierf langs de bomen van Elvandar. Lange tijd was hij stil en zijn halfbroer zweeg eveneens. Naar elfengebruik wist Caelin dat de ander zou zeggen waar hij aan dacht als hij daaraan toe was.

Na verscheidene minuten stilte zei Caelis: 'Ik mis haar.'

Caelin legde een hand op zijn schouder. 'Hou je van haar?'

'Zo'n beetje,' zei Caelis. 'Niet zoals de eledhel onderling. Het voelt heel anders dan wat me over de herkenning is verteld. Maar toen dit allemaal begon, heeft ze mij gevonden en sindsdien vult ze een koude donkere leegte zoals niemand anders dat ooit heeft kunnen doen.'

'Als het nog steeds koud en donker is wanneer ze niet bij je is, is die leegte niet werkelijk opgevuld.' Caelin nam plaats op een rotsblok. 'Toen jouw vader je moeder voor het eerst zag, was ik erbij. Ik vond hem maar een jochie dat verliefd was op iemand wier schoonheid geen gelijke kende, een jochie dat geen benul had van de gevoelens tussen man en vrouw.' Hij zuchtte. 'In ieder geval had ik geen benul van wat de toekomst inhield.'  

Caelis kende het verhaal van zijn moeders eerste bezoek aan Kasteel Schreiborg, toen de Tsurani nog maar pas de Verre Kust bedreigden. Bij dat bezoek had zijn vader zijn eerste glimp van de elfenkoningin opgevangen.

'Je bent nog steeds jong, mijn broertje,' zei Caelin. 'Je hebt dan veel gezien en veel ervaren, maar je moet jezelf nog leren begrijpen. In vele opzichten ben je een mens, maar in vele andere een van ons. Geduld is in de meeste zaken onontbeerlijk. Je vader besefte dat al snel toen hij bij ons kwam, en voor een mensenkind heeft hij in de jaren die hij hier heeft doorgebracht veel geleerd.'

'Vader is uniek. Hij beschikt over tienduizenden jaren oude kennis.'

'Is dat zo?' vroeg Caelin.

Caelis keek zijn halfbroer aan. 'Asschen-Sukar?'

'Macros heeft me er een paar dagen geleden wat van verteld, voordat hij wegging. Hij zei dat Tomas dan wel Asschen-Sukars herinneringen had, maar dat alle herinneringen verdacht zijn.'

Caelis slaakte een zucht. 'Alles aan deze hele kwestie is verdacht.'

Daar was Caelin het mee eens. 'Ik ben gestopt met zoeken naar redenen die onze vijand zou kunnen hebben.' Er verscheen een verre blik in zijn ogen. 'Toen je vader hier nog maar net was, na de Oorlog van de Grote Scheuring en de jaren daarop, was ik zo naïef om te denken dat we het ergste achter de rug hadden. De oorlog met de Tsurani was afgelopen, en aan de dreiging van de moredhel en de open scheuring waardoorheen de Valheru terug konden komen was een einde gemaakt.' Hij toonde de halve glimlach die Caelis herkende als een afspiegeling van de zijne. 'Inmiddels ben ik tot het besef gekomen dat er krachten in het spel zijn die veel groter en veel raadselachtiger zijn dan ik me had kunnen voorstellen.'  

'Hoe bedoel je?' vroeg Caelis, met gekruiste benen plaatsnemend aan de voeten van zijn halfbroer.

'Er zijn hier oerkrachten aan het werk, krachten waarbij vergeleken de Valheru slechts kleine ergernissen zijn. Ook zijn er andere krachten in beweging om die oerkrachten tegen te houden en ik vrees dat jij en ik en iedereen van wie we houden tussen die krachten verpletterd zullen worden.'  

'Hebben die krachten namen?'

'Vele,' zei Caelin. 'Ik heb het over de goden.'

'De goden strijden met elkaar?' vroeg Caelis.

'Dat is de enige verklaring die van toepassing kan zijn op alles wat we weten,' zei de nog jeugdig ogende elf. 'Tomas en ik hebben vaak gesproken over zijn herinneringen. Hij rekent mij tot zijn oudste vrienden, nog uit de tijd van dat eerste bezoek aan Schreiborg. Veel van wat Tomas zich herinnert, is gekleurd door Asschen-Sukars zienswijze op het universum en zijn plaats daarin - weliswaar gedeeltelijk getemperd door de magie die Macros gebruikte om zijn geest in verbinding te stellen met die van Asschen-Sukar, eeuwen geleden. Maar Tomas moet toch veel van wat hij voor waar aannam, opnieuw in overweging nemen.'  

'De Chaosoorlog?'

Caelin knikte. 'Vanavond kunnen we hier uitgebreid over praten, nadat we met moeder hebben gegeten.'

Caelis stond op en ook zijn broer kwam overeind. 'Ik mag inderdaad wel eens wat meer tijd met haar doorbrengen,' zei Caelis.

'Het is jaren geleden sinds we je hier hadden,' zei Caelin, geenszins beschuldigend, doch duidelijk met spijt. 'Gezien het erfgoed van ons volk is het makkelijk te denken dat we tijd genoeg hebben, maar we weten allebei hoe broos het leven is.'

'Klopt,' beaamde Caelis. 'Als we dit hebben doorstaan, beloof ik dat ik terugkom voor een lang bezoek.'

'Waarom blijf je niet?'

Caelis haalde zijn schouders op terwijl hij samen met zijn halfbroer terugliep naar de hof van de elfenkoningin. Onderweg kwamen ze een groepje elfen tegen die nog niet in de gelegenheid waren geweest hem te begroeten. Ze heetten de jongste zoon van de koningin welkom, en Caelis beantwoordde iedere groet, maar zodra de halfbroers weer alleen waren, zei hij: 'Ik weet niet of dit wel mijn plaats is. Ik ben noch mens, noch elf, noch Valheru.'

'Een nakomeling van magie,' zei Caelin. 'Je zult zelf moeten ontdekken wie je werkelijk bent, want niemand anders heeft de wijsheid om dat voor je te doen.' Een ogenblik dacht hij na. 'Eigenlijk net zoals je vader heeft moeten doen. Zolang hij nog onder de invloed van de Valheru staat, zal hij nimmer boven een zekere verdenking verheven zijn.'

'Ik begrijp wat je bedoelt,' zei Caelis.

Ze kwamen op een open plek waar kinderen luidkeels aan het spelen waren. Zes elfenkinderen renden achter een bal aan en trapten hem heen en weer.

'Voetbal?' vroeg Caelis. 'In Elvandar?'

Caelin begon te lachen. 'Zie je die twee daar?' Hij wees naar een tweeling, jongetjes die Caelis nog nooit had gezien.

'Ja?'

'Die hebben het de anderen geleerd. Ze komen van overzee. Miranda heeft hen samen met hun moeder hierheen gebracht. Hun vader is nu op de Gezegende Eilanden.'

 'Hoeveel overzeese lieden hebben ons weten te bereiken'  

'Veel te weinig,' zei Caelin terwijl hij verder liep.

De bal werd in hun richting geschoten en behendig ving Caelis hem op met de binnenkant van zijn linkerlaars. Lachend schopte hij de bal omhoog, stapte eronder en liet hem een paar maal op zijn hoofd stuiteren voordat hij hem terugtikte naar een van de tweelingbroertjes, die hem opving op zijn knie en hem enkele keren hoog hield terwijl de andere kinderen bewonderende geluiden lieten horen. 'Ik weet nog dat ik in Schreiborg op zesdag altijd met Markus speelde wanneer ik bij oma en opa op bezoek ging,' zei Caelis.

Het jongetje dat de bal op zijn knie had opgevangen, schopte hem naar zijn tweelingbroertje, die hem doorspeelde naar een derde kind. Met enige argwaan keken de twee jongens Caelis aan.

'Wat kijken jullie ernstig,' zei hij.

Toen ze geen antwoord gaven, zei Caelin: 'Ze worstelen nog met hun natuurlijke taal.'

Caelis knikte en sprak in het dialect dat werd gesproken in het Rivierenland van Novindus: jullie kunnen goed met een bal overweg.' 

Ogenblikkelijk spleten beide gezichtjes in een brede glimlach. 'Wilt u ons leren hoe we de bal op ons hoofd moeten laten stuiteren?' vroeg de een.

Caelis liet zich op een knie zakken. 'Morgenvroeg moet ik weer weg, maar op een dag kom ik terug en dan leer ik het jullie.'

'Heus?' vroeg de ander van de tweeling.

'Dat beloof ik jullie,' zei Caelis. De jongens renden weg om hun spel te hervatten. Caelis keek zijn halfbroer aan. 'Ze vroegen me of ik de waarheid sprak.'

'Ze zijn bij mensen opgegroeid. Het is erg zwaar geweest voor de ocedhel. Ze hebben moeite met dingen die ons natuurlijk afgaan. Het valt niet mee als je je onze gewoonten eigen moet zien te maken.'

'Daar weet ik alles van,' merkte Caelis droogjes op.

'Jij leert het ook nog wel,' zei Caelin, zijn halfbroer beduidend door te lopen naar het hof van de koningin, 'op een dag.'

Caelis knikte en voegde er in gedachten aan toe: Als ik zo lang leef.  

 

Bij het aanbreken van de ochtend stonden er al schepen in brand. Na zonsondergang de vorige avond had Valentijns vloot het noordelijke eskader van de Smaragden Koningin uit het zicht verloren en was vervolgens met alle zeilen die de scheeps-ra's konden dragen naar het zuiden gevaren. Twee uur later was de hele vloot afgezwenkt naar het oosten, in de richting van de Straat der Duisternis. Nog voor het licht werd, waren ze beloond met het uitzicht op diverse brandhaarden en ontmoetten ze rokende scheepsrompen, tot de waterlijn afgebrand en zinkend, zowel Novindische als Keshische. De uitkijken meldden verder naar het westen nog meer vuurhaarden.  

Toen de zon opkwam, zag Valentijn de enorme marine die nog wachtte om door de Straat heen te gaan. Hij kon niet bepalen hoeveel schepen de lastige doorvaart al hadden gemaakt, maar vermoedelijk was het al een derde.  

In het zuiden werd er nog steeds gevochten tussen Keshische schepen uit Elarial en een even groot aantal oorlogsbodems van de koningin.

'Waar is de rest van haar escortes?' vroeg kapitein Reeves.

'We hebben haar!' riep Valentijn en schreeuwde naar de uitkijk boven: 'Alle schepen: aanvallen!'

Terwijl de bevelen werden doorgeseind, zei Valentijn tot Reeves: 'We zijn de schepen waarvan we gisteren last hebben gehad voorbij gevaren.' Hij rekende. 'We hebben misschien een uur om zo veel mogelijk schade aan te richten voordat ze in zicht komen. Wat ze nog heeft, is in strijd verwikkeld met de Keshiërs en de rest zit al aan de andere kant van de Straat!' Vlug liep hij naar de reling van het halfdek en riep: 'Katapults gereed!'

De bemanning van de werptuigen renden naar de voorplecht van het schip, waar twee kruisboogachtige machines stonden opgesteld. Met elk ervan kon een projectiel met een ijzeren punt worden gelanceerd dat driemaal zo groot was als een mens en bedoeld was om in te slaan ter hoogte van de waterlijn of om de tuigage te vernielen. Maar in plaats van met de gebruikelijke projectielen waren de wapens nu geladen met speciaal voor dat doel ontworpen vaten die gevuld waren met het dodelijke Quegse vuur. Het gebruik van petroleum was gevaarlijk, want de kleinste fout kon resulteren in een tot de waterlijn afgebrande Koninklijke Draak.  

Achter hem spreidde de vloot, zevenenveertig van de oorspronkelijk zestig schepen waarmee hij Tulan had verlaten, zich uit in aanvalsformatie. Valentijns schip minderde vaart zodat de twee flanken van het flottielje van weerskanten kon aanstormen om zo veel mogelijk schade aan te richten onder de enorme massa schepen die bijna stillagen in het water, wachtend op het bevel de zeestraat in te varen.  

'Wapenmeester!' riep Valentijn. 'Vuren bij de eerste gelegenheid!'

'Tot uw orders, admiraal!' riep de officier op de boeg terug.

Twee van de grotere schepen achter in de vijandelijke vloot wendden de steven naar hen toe, waarbij ze gevaarlijk ver overstag gingen. Maar de dreiging die Ze uitstraalden was reëel. De uitkijk schreeuwde: 'Ze hebben katapults, admiraal!'

'Ik zie het,' zei Valentijn toen een gigantische machine op het achterdek van het dichtstbij liggende schip zijn lading afschoot: een enorm net vol stenen. 'Roer bakboord, kapitein Reeves.'  

'Tot uw orders, admiraal,' klonk het kalme antwoord.

Het net ontvouwde zich op het hoogste punt van de boog en liet een regen van stenen los, elk minstens zo groot als het hoofd van een volwassen man. Het wendbaardere Koninkrijkse schip zwenkte naar links en zonder enige schade aan te richten plonsden de stenen rechts van Valentijn in zee.  

'Dat zou een flinke troep van de tuigage hebben gemaakt, admiraal,' zei kapitein Reeves.

'Terug naar stuurboord,' zei Valentijn.

De roerganger gehoorzaamde en de boeg van het oorlogsschip zwaaide terug naar de oude koers, in de richting van de bakboordzijde van het grote schip. Ze waren nu zo dichtbij dat Valentijn de bemanningsleden kon zien, verwoed bezig de blijde te herladen. 'Foute keus,' zei Valentijn. 'Herladen duurt te lang en de mannen stellen zich bloot.'  

Alsof ze zijn gedachten konden lezen, begonnen de boogschutters in het want te vuren op de katapult-bemanning van het vijandelijke schip. De Koninkrijkse Koninklijke Mariniers bestonden weliswaar uit grondtroepen, maar de mannen waren ervaren in het vechten aan boord van schepen en maakten doeltreffend gebruik van hun korte bogen.  

Toen gaf de wapenmeester het bevel de stuurboord-katapult af te vuren en met een vurige explosie sloeg het projectiel midden op het dek van het vijandelijke schip in. Het gegil en geschreeuw van mannen klonk over het water en Valentijn zag dat het middendek volgepakt was met soldaten, van wie er velen ziek uitzagen vanwege de maanden op zee. Minstens twintig soldaten vielen overboord, geheel of gedeeltelijk in vlammen gehuld. Anderen deden verwoede pogingen de vlammen uit te slaan, maar ontdekten tot hun afgrijzen het geheim van Quegs vuur: eenmaal ontbrand kon het alleen maar worden gesmoord met zand. De emmers water die erop werden gegooid, verspreidden de brandende petroleum alleen maar, waardoor het vuur des te sneller om zich heen greep.

Met moeite maakte Valentijn zijn blik los van het verschrikkelijke schouwspel en keek naar hun koers. 'Hard bakboord,' zei hij. 'Van dichtbij is het lastig en ik heb geen zin daar vast te raken zonder ruimte om te draaien. We blijven knabbelen aan de randen.'  

Zijn bevelen werden doorgegeven en de andere schepen in het smaldeel deden hetzelfde, hun brandende lading afvurend en scherp afzwenkend om niet verstrengeld te raken met de schepen die ze aanvielen.  

'In het midden van die brandende schepen zijn twee krijgsgaleien die achteruitroeien, admiraal,' riep de uitkijk van boven.

'Ze willen komen vechten,' zei Valentijn, 'maar ze hebben geen plaats om te manoeuvreren. Laten we iets anders in brand gaan steken voordat ze toch een weg naar buiten vinden.' Hij bracht de vloot op een zuidelijke koers, in de richting van de plek waar de Keshiërs met de indringers hadden gevochten. De rook begon Valentijns zicht te belemmeren. 'Uitkijk!'

'Admiraal?'

'Let op dat noordelijke eskader van hen. Zodra je het ziet, wil ik het onmiddellijk weten!'

'Tot uw orders, admiraal!'

Een uur lang bleven ze op jacht. Keer op keer zaaiden ze dood en verderf, maar zonder dat de invasievloot in omvang scheen af te nemen. Valentijn had zelf vier schepen in brand geschoten en naderde het vijfde toen de uitkijk riep: 'Schepen in het noorden, admiraal!'

'Hoeveel?'

'Ik tel minstens twintig zeilen... Ik tel er dertig... Veertig!'

'Dat is hun noordelijke vlootdeel, dat terugkomt om te ontdekken dat ze zijn ingehaald,' zei kapitein Reeves.

Valentijn vloekte. 'Moet je al die logge schommelende schuiten zien! Die zouden we op ons gemak de grond in kunnen boren.'

'Admiraal!' schreeuwde de uitkijk. 'Die twee krijgsgaleien zijn gedraaid en hebben zich losgemaakt van de zinkende schepen!'

'Nou, dat kan nog interessant worden,' zei Reeves.

Valentijn knikte. 'Ik zou wel wat meer tijd kunnen gebruiken. Wapenmeester!'

'Admiraal?'

'Hoe staat ons arsenaal ervoor?'

'We hebben nog veertig projectielen, admiraal.'

'Hoe ver zijn die twee schepen nog weg?' riep Valentijn naar de uitkijk. 'Minder dan een mijl, admiraal.'

'Reeves, wie zit er ten noorden van ons?'

Reeves wist dat de admiraal net zo goed als hij op de hoogte was van de positie van de vloot, maar het van een ander wilde horen om zijn gedachten te kunnen ordenen. 'Sharpe's eskader, Wells' eskader, wat er over is van Turners groep en een derde van de snelle kustvaarders.'

'Bevelen!' zei Valentijn. 'Sharpe en Wells gaan noordwaarts om te onderscheppen. Bestoken ter afleiding, maar niet aanvallen!'

'Begrepen,' riep de uitkijk en begon te seinen.

'En laat de kustvaarders die galeien in brand schieten!' Daarmee stuurde hij beslist een aantal van die snelle kleine schepen naar de kelder. Hun aanvals-capaciteit was beperkt, maar als er twee of drie dicht genoeg konden naderen, zouden ze die krijgsgaleien onder vuur kunnen nemen terwijl de Koninkrijkse oorlogsbodems onder ideale omstandigheden elk dertig tot veertig troepenschepen tot zinken konden brengen.  

'Bevestigd, admiraal!' riep de uitkijk nadat het eerste bevel was ontvangen.  

De hele ochtend duurde de slachting voort. Een uur voordat de zon zijn hoogste punt had bereikt, kwam het bericht dat de vijandelijke oorlogsschepen te talrijk werden. Het noordelijke element van de Novindische vloot had de eskaders van Sharpe en Wells genegeerd toen het duidelijk werd dat ze niet tot de aanval overgingen, en nu stormden ze op het middelpunt van de strijd af.  

Valentijn zag dat de kustvaarders een van de enorme krijgsgaleien in brand hadden geschoten en de andere hadden omsingeld. De concentratie van boogvuur van de galeien was ongelooflijk, een ware regen van pijlen, en ook deze schepen beschikten over katapults. Met beheerste precisie werden die herladen en afgevuurd, waarna er weer een van de kleine kustvaarders beschadigd raakte of zonk.  

Na een laatste blik op de schade die hij had aangericht, zei Valentijn: 'Kapitein Reeves, het is tijd om de wijk te nemen naar Vrijpoort!'

Kapitein Reeves aarzelde geen moment, want hij zag een derde gigantische krijgsgalei, die de eerste twee uit de wanorde van troepenschepen was gevolgd, met grote vaart recht op hen af komen roeien. Hij begon bevelen aan de roerganger te geven, en Valentijn riep: 'Wapenmeester!' 'Admiraal,' klonk het antwoord, schor na het urenlange inademen van de stinkende walm van brandende olie.  

'Zodra we er goed voor liggen, zou ik het op prijs stellen wanneer u een kogel door de strot ramt van dat galeischip dat op ons af komt stormen.'

'Tot uw orders, admiraal.'

Terwijl het schip draaide, werd de katapult afgevuurd en het brandende projectiel trof de voorplecht van de naderende galei. Meteen vloog het bovenste deel van de scheepsboeg in brand, maar alleen de mannen aan dek werden gedood. Beneden bleef de horator in strak ritme op zijn trom slaan en bleven de galeislaven aan de riemen trekken. Meedogenloos stevende het schip op de Koninklijke Draak af.  

Na een snelle berekening kwam Valentijn tot de slotsom dat ze waarschijnlijk niet aan het schip konden ontkomen. 'Uitkijk!'

'Admiraal?'

'Hebben ze een ram?'

'Met een ijzeren kop, admiraal, op de waterlijn.'

'Wel, Reeves,' zei Valentijn, 'als er niet snel een bries opsteekt, ben ik bang dat ik je schip heb laten zinken.'

'Dat gevaar is er altijd, admiraal,' was het onbewogen antwoord. Kalm stonden de mannen te kijken naar het gigantische oorlogsschip dat op hen af kwam stormen, de boeg nu één grote vlammenzee. Reeves keek omhoog en riep: 'Bramzeilen brassen, meneer Brooks.'

Zijn eerste officier gaf luidkeels het bevel door en onmiddellijk begonnen de mannen met het losmaken van touwen om de ra's te verzetten.  

Nog steeds draaide de Koninklijke Draak hard naar bakboord, overhellend terwijl de galei steeds dichterbij kwam. Valentijn voelde de hitte van de vlammen al op zijn gezicht. Zijn mariniers begonnen te vuren op het dek van het vijandelijke schip.  

'Wapenmeester!' riep Valentijn.

'Admiraall'

'Kijk eens of uw mariniers hun roerganger af kunnen leiden!'

'Tot uw orders, admiraal!'

Zonder te wachten tot het bevel werd doorgegeven, begonnen de boogschutters in het want het achterdek van het vijandelijke schip met pijlen te bestoken. Valentijn wist niet of ze de roerganger konden zien, maar achtte het waarschijnlijk dat die het roer losliet om voor het spervuur weg te duiken. En een koersafWijking van enkele graden kon al genoeg zijn om de Koninklijke Draak te missen.  

Sprakeloos van fascinatie keek Valentijn naar het vijandelijke schip dat meedogenloos op het zijne af bleef komen. Vaag hoorde hij het dreunen van de trom benedendeks van ritme veranderen, en hij begreep dat het bevel voor ramsnelheid was gegeven. 'Ik denk dat u zich maar beter aan iets stevigs kunt vasthouden, kapitein Reeves.'

'Tot uw orders, admiraal.'

Toen kwam er een lichte verandering in de bewegingen van de Koninklijke Draak, die nog verder overhelde toen de wind aantrok. Wellicht kwam het door het spervuur of de verblindende rook van de brandende boeg, maar de stuurman op de galei stemde zijn koers niet af op de veranderde snelheid van zijn doel.  

Het knarsen van staal op staal klonk toen de ram van het andere schip zich in het roerblad van de Koninkrijkse oorlogsbodem trachtte te boren. De Koninklijke Draak schoot naar voren alsof het schip werd voortgeduwd. De roerganger werd van zijn grote wiel weggeslagen en bleef bewusteloos liggen. Meteen kwam een matroos aangerend om zijn plaats in te nemen. Het diepe knarsen en kraken van metaal en splijtend hout hield aan en de vlammen van de galei bereikten de bezaan van de Draak.  

'Brandweer-posten, kapitein Reeves,' zei Valentijn vlak.

'Admiraal,' zei de kapitein en begon bevelen te schreeuwen, waarop de bemanningsleden zich naar de emmers met zand repten. In het want sneden de mannen de tuigage door om het brandende zeil los te maken.

'Nou, Reeves,' zei Valentijn, 'kennelijk is de voorzienigheid nog even

aan onze kant.'

'Admiraal,' zei de kapitein, met een opgelucht gezicht kijkend naar de groter wordende afstand tussen de beide schepen. 'Ik hoop dat we voorlopig niet meer zo dichtbij komen.'  

'Inderdaad,' zei Valentijn. Toen stokte zijn stem en zijn ogen werden groot. Hij keek omlaag en zag de schacht van een pijl uit zijn buik steken. Het bloed liep omlaag langs zijn witte broek. 'O, verdomme,' zei hij, vlak voordat zijn knieën het begaven.

Boven hun hoofden scheerde een pijlensalvo voorbij van een van de vijandelijke schepen dat in het wilde weg op de Draak vuurde, in de hoop iemand te raken. 'Topsnelheid!' riep kapitein Reeves en de mannen schoten door het want terwijl de Koninkrijkse vloot zich losmaakte uit de strijd. 'Breng de admiraal beneden!'  

Korte tijd later lag Valentijn in zijn kooi en werd zijn wond verzorgd door de scheeps-chirurgijn. 'Hoe is het met hem?' vroeg kapitein Reeves toen hij binnenkwam.

'Slecht, kapitein,' zei de chirurgijn. 'Ik vrees het ergste. Als we hem in leven kunnen houden tot we in Vrijpoort zijn, kan hij misschien nog door een genezingspriester worden gered, maar met mijn povere talenten kan ik niets meer voor hem doen.'

De kapitein knikte en ging terug naar het halfdek, waar zijn eerste officier stond te wachten. 'Meneer Brooks?'

'We zijn de Prins van Krondor, de Koninklijke Gier, Zwaluw en twintig kustvaarders kwijt. Naar schatting hebben we minstens dertig vrachtschepen en zes krijgsgaleien laten zinken.'  

Reeves wierp een blik op de achtersteven, waar de vijandelijke vloot nu zichtbaar was als een lage zwarte massa aan de horizon. 'Komt er geen einde aan hun aantallen?'

'Kennelijk niet, kapitein,' zei de eerste officier. 'Hoe is het met de admiraal?'

'Kantje boord.'

'Kunnen we draaien naar Tulan?'

'Nee, we moeten op topsnelheid naar Vrijpoort. Dat zijn de bevelen.'

'En de admiraal dan?'

'Dat zijn zijn bevelen,' zei Reeves. Hij slaakte een zucht. 'We wachten een week in Vrijpoort en dan vertrekken we naar Krondor.' Op zachte toon voegde hij eraan toe: 'Dat zijn de bevelen.'  

'En dan?'

'Weet ik niet. Tot heer Valentijn herstelt, ligt alles in de handen van heer Vykor in Krondor.'

De eerste officier zag de bezorgdheid van de kapitein en voelde zich net zo. Prins Valentijn, de jongste zoon van prins Arutha, was al sinds ze zich konden heugen admiraal van de prinselijke vloot en opperbevelhebber van de koninklijke marine van het Westen. Hij was degene die de vloot bijeen had gehouden en daarenboven was hij van koninklijken bloede, de jongste broer van de koning. Als hij stierf op de wacht van een kapitein was dat al erg genoeg, maar als hij· stierf wanneer het Koninkrijk de vloot het hardste nodig had, was dat een tragedie.  

Reeves, die Valentijns onderbevelhebber was, zei: 'Bevelen aan de vloot. Ik neem het commando. Maak bekend dat de prins gewond is en verordonneer topsnelheid naar Vrijpoort.'

'Tot uw orders, kapitein.'

 

Nakur keek naar Puc.

'Duurt het nog lang voordat hij bijkomt?' vroeg Caelis.

'Misschien wel, misschien niet. Wie zal het zeggen?' antwoordde de Isalani terwijl zijn leerling verderging met het verdelen van genezende energie, bijgestaan door de Machtswevers van Elvandar. De vorige avond had Nakur gegeten met Caelis, Caelin en hun moeder. Tijdens de maaltijd hadden ze besproken welke koers het beste kon worden gevolgd. Nakur had ermee ingestemd met Caelis naar Schreiborg te rijden, waar ze met behulp van het Tsuranese verplaatsingstoestel naar Krondor zouden gaan. Sho Pi bleef achter in Elvandar om Puc te helpen genezen.

'Ik wou dat ik wist wat er daarin omgaat,' zei Nakur.

'Waarin?' vroeg Caelis.

'In Pucs hoofd. Er gebeurt daar iets, en de goden mogen weten wat het is.'

 

Puc zweefde door de leegte, andermaal gescheiden van zijn lichaam. Doch deze keer miste hij de referentiepunten die hij had gehad toen hij was geholpen door de Machtswevers der elfen. Hij wist niet eens hoe hij in de leegte terecht was gekomen. Het laatste wat hij zich kon herinneren, was de aanval op de vloot van de Smaragden Koningin. Toen was er een verblindende flits geweest, en nu zweefde hij hier. Ook had hij het gevoel dat er tijd was verstreken, maar hoeveel kon hij met geen mogelijkheid zeggen. In de leegte kon hij zich nergens op oriënteren, in ruimte noch in tijd.

Toen klonk er een stem. Gegroet.  

Wie is daar? sprak Puc met zijn geest.  

Ineens was hij ergens anders, in een rijk van schaduwen, maar nog steeds zonder enig referentiekader. Rondom hem bevonden zich gigantische gedaanten, waarbij hij in het niet verdween. Ze waren zo dichtbij dat hij kon voelen hoe groot ze waren, maar toch zo ver weg dat hij alleen hun algemene vorm kon waarnemen. Ruwweg menselijk van gestalte waren ze, maar daar was dan ook alles mee gezegd. En stuk voor stuk zaten ze op een reusachtige troon. Puc voelde dat ze leefden, al leken ze nog het meest op standbeelden, gehouwen uit een donker gesteente van een onbekende soort. Hij probeerde hen scherp te zien, maar het was alsof zijn geest zich niet kon richten op hetgeen hij zag. Hij keek van de ene naar de andere gestalte, en als hij dacht een detail te kunnen onderscheiden, ontglipte die hem weer.  

'Wie sprak daar?' vroeg hij hardop, maar er klonken geen woorden in de lucht. In zijn eigen geest hoorde hij zijn stem, maar geluid was er niet.

Vanuit de hem omringende duisternis dook iets op, een gedaante in een zwart gewaad en met een sluier voor. Geduldig wachtte Puc tot de gedaante was genaderd en de sluier had afgedaan, een vrouwelijk gezicht onthullend.

'Ken ik u?' vroeg Puc.

'Wij hebben elkander reeds eenmaal gesproken, magiër,' zei ze. Haar stem klonk ijzig, en Puc ervoer een lichamelijke pijn, alsof er een ijskoud mes door hem heen sneed.

'Lims-Kragma!' riep hij uit.

De godin knikte.

Puc keek rond. 'Maar dit is niet uw rijk.'

'Mijn rijk is overal - uiteindelijk,' zei de godin des doods. 'Maar dit is inderdaad niet de plek van onze vorige ontmoeting, magiër.'

'Wie zijn deze giganten?'

De godin strekte haar hand uit. 'Dit zijn de Zeven Regulerende Goden.'

Puc knikte. 'Waar zijn we?'

'Wij zijn in het rijk der goden,' antwoordde de godin. 'Dit is wat u meende te zien toen u Macros de Zwarte kwam losscheuren uit de geest van Sarig.' Ze zwaaide met een hand en er verscheen een vaag beeld van de Hemelstad, die de onderste drie van de zeven kolossale hogere goden omringde. 'Maar evenals dit was dat slechts een ander niveau van perceptie. Ondanks uw macht, vrijwel ongeëvenaard voor een sterveling, hebt u niet het vermogen onze realiteit waarlijk te bevatten.'  

Nogmaals knikte Puc. 'Wat doe ik hier?'

'U bent hier om een besluit te nemen.'

'Welk?'

'Leven of sterven.'

'Is dat een te nemen besluit?' vroeg Puc.

'Voor u wel, magiër.' Ze legde haar hand op zijn schouder en in plaats van ongemak, ervoer hij een merkwaardige geruststelling. 'Nimmer zult u mijn rijk onvrijwillig betreden, want aan u is een vloek toegevallen.'

'Een vloek?'

'Eerst zult u dat niet beseffen, maar uiteindelijk zult u het als zodanig herkennen.'

'Dat begrijp ik niet.'

Met lichte druk op Pucs schouder liet de godin hem een paar stappen voorwaarts doen. Er kwamen andere gedaanten in zicht, de meeste roerloos, met de ogen dicht. Slechts een paar hadden de ogen open en bekeken hem in het voorbijgaan.  

'Dichter bij het zien van de goden mag een sterveling niet komen, Puc van Schreiborg.'

Puc wierp een blik op de godin en zag dat ze er weer uitzag als toen Tomas en hij haar jaren geleden hadden opgezocht in haar paleis, maar dan kleiner. Bij dat bezoek had ze hoog boven hen uitgetorend. 'Hoe komt het dat we ditmaal even groot zijn?'

'Dat lijkt maar zo,' zei ze en deed een stap bij hem vandaan. Ogenblikkelijk torende ze hoog boven hem uit, zoals destijds. 'Aanschouw nu de regulerende goden.'  

Dat deed Puc, maar al wat hij zag, waren de voetstukken van hun tronen. De goden zelf kwamen hem voor als een verre bergketen, hun toppen verloren in de duistere hemel. Toen bracht de godin Puc terug naar de grootte die hij had in het begin van hun ontmoeting.

'Wat hebt u mij te zeggen?' vroeg hij.

'U bevindt zich op een nexus. U hebt de keuze uit drie mogelijkheden. U kunt nu uw greep op het leven loslaten en mijn rijk betreden. U wordt dan beloond voor het goede dat u hebt gebracht. Of u kunt kiezen voor het eeuwige leven.'

'Net als Macros?'

'Niet alle veronderstellingen die Macros ten aanzien van zijn bestaan heeft zijn juist. Het lot van de tovenaar is anders dan hij denkt.'

'U zei dat ik drie mogelijkheden heb?'

'De derde is dat u aan de vloek kunt ontsnappen en kunt terugkeren naar uw leven. Maar aan het einde van dat leven zullen het verlies van uw geliefden, de pijn van duizenden onschuldigen en de kwelling van bittere mislukking uw deel zijn. U zult sterven in nutteloosheid.'

'U schetst mij drie moeilijke alternatieven,' zei Puc.

'Dit zal ik u zeggen, Puc,' zei de godin. 'Uw positie in ons universum is uniek. Macros heeft uw potentieel ontsloten toen u nog maar net was geboren, voordat hij u achterliet waar u zou worden gevonden. Hij nam het op zich de loop van uw leven zodanig te wijzigen dat u uiteindelijk de Grotere Magie terug naar Midkemia zou brengen, en hij zorgde er ook voor dat u de Oorlog van de Grote Scheuring overleefde. Vanwege de bemoeienissen van de tovenaar door de eeuwen heen speelt u een veel belangrijkere rol dan uw geboorte zou hebben voorspeld. U bevindt zich in de positie dat u de steunpilaren van het godendom kunt laten schudden. Doch Macros heeft met zijn ingrijpen eveneens andere situaties veroorzaakt, situaties waar u niets van weet. En ten gevolge daarvan moet u uiteindelijk de prijs voor zijn bemoeizucht betalen. En aan het einde van uw leven zal die prijs verschrikkelijk zijn.'  

'U laat mij geen keus,' zei Puc zonder aarzelen. 'Een afschuwelijke vijand staat op het punt alles wat mij lief is te verwoesten. Ik moet blijven leven.'

'Dan zal ik u helpen. U zult bepaalde dingen weten en daarnaar moeten handelen.' Ze legde een hand op zijn gezicht, zijn ogen af dekkend.  

Ineens voelde Puc de leegte rondom hem scheuren en er vlamde een hevige pijn door zijn lichaam. Met een schorre schreeuw uit een droge keel schoot hij overeind.

Nakur hield hem vast. 'Drink op.'

Zijn lippen werden beroerd door een bitter kruidenbrouwsel en Puc dronk met diepe teugen, knipperend met zijn ogen tegen het licht. Zijn hele lichaam bonkte van de pijn.

'Dit zal je lijden verlichten,' zei Nakur.

Puc richtte zijn geest en de pijn werd minder. 'Met pijn kan ik omgaan,' zei hij en zijn stem was die van een vreemde. 'Help me overeind.'

Onder de toeziende blikken van Sho Pi, Caelis, Caelin en Aglaranna ging de magiër staan op een paar benen die bibberden van zwakheid.

Er werd een mantel gebracht en Puc zei: 'Ik ben geloof ik nogal gehavend.'

'Dat geneest wel,' zei Nakur. 'Een goede genezingspriester kan je zelfs van je littekens afhelpen.' Hij raakte Pucs wang aan. 'Al schijn je het er in je eentje goed van af te brengen. Op een dag moeten we toch eens praten over je vermogens.'

Puc glimlachte en zijn gezicht deed pijn. 'Soms denk ik precies zo over jou.'

Ook Nakur glimlachte. 'We kwamen nog een laatste keer naar je kijken voordat we afscheid namen.'

'Mooi. Waar gaan jullie heen?'

'Nakur en ik vertrekken naar Schreiborg,' zei Caelis. 'Anthonie heeft zo'n oude Tsuranese transportbol en daarmee gaan we naar Krondor.'

'Laat me vandaag nog rusten,' zei Puc, 'dan gaan we morgen met zijn drieën rechtstreeks naar Krondor.' Hij keek rond. 'Hoelang heb ik hier gelegen?'

'Twee maanden,' antwoordde Nakur.

'Welke dag is het?'

'Twee dagen na Banapis,' zei Caelis.

'Dus de vloot van de Smaragden Koningin...'

'Door de Straat der Duisternis,' antwoordde de jongste zoon van de elfenkoningin. 'We hebben gekeken door een vergrotingslens die Anthonie gemaakt had van lucht.'  

'En Miranda? Macros?' vroeg Puc. Hij keek de groep rond. 'Tomas?'

'Nadat je gewond was geraakt, zijn ze onder de Ratn'gari naar antwoorden gaan zoeken,' zei Caelis. 'Ga je naar hen toe?'

'Ik denk van niet,' zei Puc. 'Jij en ik moeten ergens anders heen.'

'Naar Krondor?'

'Als eerste. En daarna moeten we naar Sethanon.'

'Ik heb nog veel te doen voordat ik voet zet in Sethanon,' reageerde Caelis afwijzend.

'Nee,' zei Puc, 'je moet met me mee naar Sethanon.'

'Hoe weet je dat?' vroeg Caelis.

'Daar heb ik geen antwoord op,' zei Puc. 'Ik weet alleen dat het zo is.' Hij keek de elfenkoningin aan en maakte een buiging. 'Vrouwe, wanneer uw man terugkeert, laat hem dan alstublieft weten dat wij daar zijn.'

Aglaranna knikte. 'Maar eerst moet je eten en uitrusten. Je bent met magische kunsten in leven gehouden en je lichaam is nog niet zo sterk.'

'Een feit waar ik me pijnlijk bewust van ben,' zei Puc. Zijn ogen rolden omhoog en hij viel in Nakurs armen.

 

Langzaam keerde het bewustzijn terug en toen Puc uiteindelijk wakker werd, bleek Sho Pi de wacht bij hem te houden. 'Hoelang?' vroeg Puc.

'Een dag, een nacht en het grootste deel van vandaag.'

Puc kwam overeind naar een zittende positie. Zijn huid jeukte en zijn spieren protesteerden, maar al was hij nog steeds zwak, hij had het idee dat hij nu wel kon functioneren. Wankel stond hij op en keek om zich heen. Met een hand over zijn kin strijkend voelde hij de stoppels van een terugkerende baard. Hij was verplaatst naar een kleine kamer, uitgehold in de stam van een enorme eik, en toen hij een zwaar gordijn opzij schoof, kwam hij tot de ontdekking dat die grensde aan de privétuin van de koningin en Tomas. Aglaranna en haar twee zoons zaten er zachtjes te praten. Ze keken op.

'Welkom,' zei Caelin.

Voorzichtig ging Puc op een bank zitten, waarbij hij zich door Sho Pi liet helpen. 'Mijn dank voor alles wat jullie hebben gedaan.'

'Wij helpen slechts degenen die vechten om dit te behouden,' zei de koningin, met een handgebaar duidend op heel Elvandar.

'En nog iets meer,' zei Nakur, de tuin betredend. 'De hele wereld.'

'Voor de eledhel is Elvandar de wereld,' zei de elfenkoningin.

Nakur nam plaats naast Puc en keek hem aan. 'Je blijft leven.'

'Dank je,' zei Puc droog, 'die geruststelling had ik nodig.'

Nakur schoot in de lach. 'Wanneer vertrekken we naar Krondor?'

Met een blik op het tanende licht zei Puc: 'Het is daar al avond. Morgenvroeg meteen maar.'

'Een extra nacht rust zal u goed doen,' zei Sho Pi.

'Trouwens, Nakur,' zei Puc, 'jij en ik hebben een paar dingen te bespreken.'  

'Zoals?' vroeg Caelis.

'Sommige dingen moeten tot mijn spijt tussen Nakur en mij blijven,' zei Puc.

Caelis haalde zijn schouders op. 'Dat is niet meer dan terecht. Maar ik zal blij zijn terug te kunnen gaan naar Krondor. Er is nog steeds een hoop te doen.'

'Je moet naar Sethanon,' zei Puc.

Caelis' ogen vernauwden zich. 'Ik heb verplichtingen.'

'Dat kan wel zijn, maar je moet naar Sethanon.'

'Mijn vader?' vroeg Caelis.

'Misschien dat hij ermee te maken heeft, maar ik denk dat het iets betreft wat jij als enige kunt bewerkstelligen.'

'Wat dan?' vroeg de koningin.

Puc slaakte een zucht. 'Dat weet ik niet.'

Nakur begon te lachen, lang en schaterend. 'Dat zou ik hebben kunnen zeggen.'  

'Ik kan niet zeggen hoe ik het weet, Caelis,' zei Puc schouderophalend, 'maar aan het eind moet jij in Sethanon zijn. En we mogen niet het risico lopen dat je er niet komt, wat inhoudt dat je niet kunt deelnemen aan de strijd. Je moet meteen naar Sethanon, nu en rechtstreeks.'

Caelis stond in tweestrijd. Puc en zijn vader waren welhaast legendarische personages, mannen wier wijsheid en macht boven alle twijfel verheven waren, maar hij was even verantwoordelijk voor de verdedigings-bolwerken van de prins als Wiliam, Robert en de anderen. 'Maar er is nog zoveel voor me te doen.'  

'Er zijn genoeg anderen om die dingen te doen,' zei Nakur, 'maar als Puc gelijk heeft, is er maar één die in Sethanon moet zijn als de strijd ten einde loopt'

'Waarom?' vroeg Caelis.

'Dat weten we als het zover is,' zei Nakur met zijn welhaast eeuwige grijns. 'Alles wordt vanzelf bekend gemaakt.'

'En de anderen dan?' vroeg Caelis. 'Mijn vader, Macros, Miranda?'

Nakur haalde zijn schouders op. 'Die hebben vast en zeker hun eigen beslommeringen.'

 

'Telkens wanneer ik denk dat ik alles al een keer heb gezien, doet er zich weer iets nieuws en verbazingwekkends voor,' zei Macros.

Miranda en Tomas moesten het daarmee wel eens zijn.

De demon verplaatste ongemakkelijk zijn gewicht van zijn ene poot op de andere. Ze hadden er voortdurend mee overlegd. De demon zelf bleek vrijwel hersenloos, maar werd door een andere intelligentie bestuurd. Het probleem was dat deze intelligentie beperkt was in de mate waarin hij de aard van de demon kon indammen. Tweemaal hadden Macros en Miranda het monster in toom moeten houden, en dagenlang hadden ze naar diens gebrul moeten luisteren.  

Maar aan het einde van een maand van geven en nemen waren alle partijen tot een duidelijke overeenkomst gekomen.

De demon werd bezeten door een wezen genaamd Hanam, een leermeester afkomstig van Shila, de thuiswereld van de Saaurs. Gevieren - Macros Hanam Miranda en Tomas - hadden ze een schets van de gebeurtenissen kunnen samenstellen.  

Een duistere macht, vaag bekend aan Macros en Miranda, al was zijn naam voor hen verborgen, had de priesters van de stad Ahsart zodanig beïnvloed dat ze de oeroude barrière tussen hun wereld en het demonenrijk hadden geopend. Eenmaal op de wereld Shila beland, hadden de demonen het eeuwenoude wereldrijk en bijna al haar inwoners vernietigd. Op wonderbaarlijke wijze waren de Pantathiërs opgedoken om de nog levende Saaurs een toevluchtsoord te bieden op Midkemia, in ruil voor de belofte van de Saaurs hen dertig Midkemische jaren lang te dienen. In de helft van die tijd waren de Saaurs op het vasteland van Novindus een macht van betekenis geworden. Ze hadden de Smaragden Koningin bijgestaan in het veroveren van het hele continent, ter voorbereiding op de aanval op het Koninkrijk  

Miranda zuchtte. 'Dan hebben we naar mijn idee twee mogelijkheden.'

'En die zijn?' vroeg Tomas.

'Bekendmaken dat de Saaurs door de Pantathiërs zijn verraden en hun daarmee een eervolle wijze bieden om zich uit de oorlog terug te trekken, of op zoek gaan naar die doorgang naar het demonenrijk en hem sluiten.'

'We moeten beide doen,' zei Tomas.

'Het staat me helemaal niet aan, maar Tomas heeft gelijk,' zei Macros.

'Kunnen we eerst het een doen en dan het ander?' vroeg Miranda.

De stem van de demon klonk nog steeds als knarsend gesteente, maar Hanam zei: 'De demonenkoning Maarg is woedend en heeft uit pure frustratie al velen gedood. Hij weet niet dat de Pantathiërs als mogendheid niet meer bestaan.' Met een klauwhand wijzend naar een tunnel verderop zei hij: 'De scheuring tussen Shila en deze wereld is hiervandaan maar een halve dag lopen. Maar aan de andere kant van die scheuring wachten Tugor en zijn onderdanen.' De demon spreidde zijn armen, een afstand van negen voet van klauwnagel tot klauwnagel. 'Ik ben maar half zo groot als hij en ik ontbeer zijn sluwheid.'  

'Een demonenleider kan ik best verslaan,' zei Tomas.

'Denk om de aantallen,' zei Macros. 'Maar je hebt gelijk Behalve de demonenkoning zelf kan niemand uit dat rijk in een rechtstreekse confrontatie tegen een van ons op.' Hij wierp een blik op zijn dochter. 'Ook niet tegen jou, denk ik, als je je hoofd erbij houdt.'  

'Bedankt voor het compliment,' zei ze droog.

'Maar tien of meer tegelijk... ' Macros schudde zijn hoofd. 'Dat is een ander verhaal.'

'De tijd verstrijkt, en met iedere dag die we hier blijven praten wordt dit karwei moeilijker.'

'De ene keer zijn we gebaat bij kracht en de andere keer bij een list,' zei Macros. Hij stak een vinger omhoog. 'Tomas, jij bent van vitaal belang voor de verdediging van Sethanon. Ik stel voor dat Hanam en jij gaan proberen de Saaurs af te leiden.'

'Kunnen we een beetje in de buurt komen van die...' Tomas keek Hanam aan, zoekend naar een naam.

'Jatuk, zoon van Jarwa.'

'... van die Jatuk om hem te laten weten van het verraad?'

'Denk je dat hij een demon en een Valheru op hun woord zal geloven?'  

Macros haalde zijn schouders op.

'Als ik hem zover kan krijgen dat hij naar mij luistert, kan ik hem dingen vertellen die alleen de leermeester van de Saaurs kan weten,' zei Hanam. 'Als ik kan spreken met Shadu, de leerling die mijn plaats heeft ingenomen, kan ik hem ervan overtuigen dat het zijn oude meester is die in dit lichaam verblijft.'

'En jullie?' vroeg Tomas.

'Mijn dochter en ik moeten de doorgang van het demonenrijk naar hier gaan sluiten,' antwoordde Macros. 'Uiteindelijk zal Maarg tot de conclusie komen dat hij is verraden door een van de hoofdmannen die hij hierheen heeft gestuurd, al zal hij niet weten door wie.'

'Zodra Maarg beseft dat hij verraden is, zal zijn razernij geen grenzen kennen,' zei Hanam. 'Dan zal hij een blinde aanval door de scheuring doen, ongeacht hoeveel dienaren er bij die poging zullen sterven, en als hij deze wereld eenmaal heeft bereikt zal de uitkomst dezelfde zijn als op Shila. Uiteindelijk gaan jullie allemaal naar de vreetkuilen.'

'Hebben ze enig vermoeden van wat ze in Sethanon zullen aantreffen?' vroeg Tomas. Een van de langste discussies die hij met Macros had gevoerd, betrof de mate waarin ze de Saaurse leermeester op de hoogte zouden brengen. Uiteindelijk was het noodzakelijk gebleken hem alles te openbaren.  

'Nee,' antwoordde Hanam. Jakan weet alleen dat hij een leger heeft overgenomen dat zich al jarenlang bezighoudt met verovering en vernietiging. Dat sluit goed aan bij zijn eigen aard. Om op krachten te blijven verslind hij iedere avond een van zijn eigen soldaten, hoewel zijn mannen nog steeds denken dat ze naar het bed van de Smaragden Koningin gaan. Ik vermoed dat het zijn plan is deze wereld te verzwelgen en uiteindelijk terug te gaan om Maarg uit te dagen. Mocht hij deze Levenssteen vinden, dan zal hij waarschijnlijk trachten die in bezit te nemen. En wie weet wat er dan gebeurt?'  

Macros slaakte een zucht. 'Dat geeft de doorslag. Tomas, jij neemt onze geklauwde vriend hier mee om zijn voormalige leerling zover te krijgen dat hij naar hem luistert.'

'Er is nog één ding,' zei de leermeester in demonenvorm. 'Wat dan?'

'Zodra Jatuk is overtuigd, moeten jullie me onschadelijk maken. Het is een voortdurende strijd om dit lichaam en deze geest onder de duim te houden en ik weet niet hoeveel langer ik mijn dominantie kan handhaven. Het heeft even geduurd voordat ik eenmaal zover was, maar het kan ook zo weer over zijn.'

'Geweldig,' zei Miranda en ze stond op. 'Alsof we nog niet genoeg zorgen hebben.'

'Eerst zoeken we de scheuring naar Shila,' zei Macros, 'daarna gaan we naar die wereld om de ingang in de stad Ahsart te zoeken. En te sluiten.'

'Helaas is er nog één ding dat jullie wellicht over het hoofd zien,' zei Hanam.

'En wat is dat?'

'Maarg kan al op Shila zijn. In dat geval zullen jullie eerst de demonenkoning moeten doden voordat de ingang naar het demonenrijk kan worden afgesloten.'  

Macros keek zijn dochter aan en geen van beiden wist iets te zeggen.