7 Intriges

 

Ru knikte.

De handelsattaché was al bijna een uur aan het woord geweest en na de eerste vijf minuten had Ru al geweten waar de onderhandelingen op uit zouden draaien, maar het protocol dicteerde dat hij de gehele introductie uitzat alvorens beleefd voor de gelegenheid te bedanken. Hij wou maar dat de man aan het einde van zijn betoog kwam, want deze hele vergadering was volstrekt zinloos.  

Sinds hij de graanmarkt in het Westelijke Rijk van het Koninkrijk beheerste, had Ru de positie van zijn verscheidene bedrijven zien groeien, in het bijzonder die van De Bitterzee Maatschappij, tot hij nog maar één concurrent in de handel binnen het Westelijke Rijk had: Jacob Esterbeek.  

Het enige gebied dat Jacob volledig domineerde was de handel met Kesh. De zeer rendabele handel in luxeartikelen met het keizerrijk was als een afgesloten huis voor Ru en geen enkele poging van zijn kant om vaste voet op die lucratieve markt te verkrijgen, was op meer uitgedraaid dan een klein contract of een marginaal winstgevende transactie.

Opnieuw had hij getracht een vergunning voor Kesh te kopen, maar nu werd hem zeer breedvoerig verteld dat zijn laatste poging op niets was uitgelopen.

Ten langen leste hield de man zijn mond, en glimlachend keek Ru hem aan. 'Dus om het op een andere manier te zeggen: het antwoord is nee.'

De handelsattaché knipperde met zijn ogen alsof hij Ru voor de allereerste keer zag en zei: 'O, maar dat is veel te scherp gesteld, meneer Avery.' Hij plaatste zijn vingertoppen tegen elkaar. 'Het zou een stuk dichter bij de waarheid komen als ik u vertelde dat een dergelijke overeenkomst op dit moment niet haalbaar is. Maar dat wil nog niet zeggen dat een dergelijke schikking in de toekomst niet tot de mogelijkheden zou behoren.'  

Ru wierp een blik uit het raam van de bovenverdieping van Barrets Koffiehuis. De avondschemering zou niet lang meer op zich laten wachten. 'De middag loopt ten einde, meneer, en ik heb nog veel te doen voordat ik van mijn avondmaaltijd kan genieten. Ik spreek de wens uit dat we ons volgende gesprek beduidend vroeger op de dag beginnen.'  

Aan het gezicht van de Keshiër was duidelijk te zien dat Ru's humor hem volledig ontging. Hij stond op, maakte een lichte buiging en verliet het vertrek.

Duncan Avery, Ru's neef, zat in de hoek bijna te slapen. 'Eindelijk,' zei hij, terwijl hij zich uitrekte en opstond.

'Inderdaad,' zei Luis de Savona, Ru's hoofd-bedrijfsleider, 'eindelijk.'

'Tja,' reageerde Ru, 'we moesten het proberen.' Achterover leunend in zijn stoel keek hij naar de koffie en de broodjes die al uren op de tafel stonden en allang oud waren geworden. 'Op een dag kom ik erachter hoe het mogelijk is dat Jacob de handel met Kesh in zo'n wurggreep heeft. Het is bijna alsof...' Hij liet zijn gedachte onverwoord.

'Alsof wat?' vroeg Duncan.

Luis wierp een blik op Ru's neef. De twee mannen konden het nauwelijks samen vinden, al bleven ze fatsoenlijk tegen elkaar. Luis, vroeger een wapenbroeder van Ru, werkte hard en was plichts-getrouwen nauwgezet in alle taken die hem toevielen. Duncan was lui, lette niet op details en was alleen maar bij Ru in dienst omdat hij diens neef was. Niettemin was hij charmant, grappig en een uitstekend zwaardvechter, en Ru stelde zijn gezelschap zeer op prijs.  

'Sinds wanneer ben jij geïnteresseerd in de handel?' vroeg Luis.

Duncan haalde zijn schouders op. 'Ru wilde iets zeggen. Ik vroeg me af wat. Meer niet.'

'Laat maar zitten,' zei Ru. 'Ik moet eerst een paar dingen natrekken.'

'Iets wat ik voor je kan doen?' vroeg Duncan.

Ru schudde zijn hoofd. 'Nee, maar ik moet hertog Robert spreken.' Hij stond op, liep naar de balkonrand en riep omlaag: 'Dash?'

'Ja, meneer Avery?' kwam het antwoord van beneden. Dash keek op van de tafel van De Bitterzee Maatschappij waaraan hij samen met twee van Ru's scribenten scheepslading-facturen zat door te nemen. 'Wat kan ik voor u doen?' Als Dash alleen was met zijn werkgever was hij altijd losjes in de omgang, maar bij Barrets en andere openbare gelegenheden nam hij steevast de formaliteiten in acht.

'Ik zou je grootvader graag willen spreken zodra het hem uitkomt.'

'Nu meteen?' vroeg Dash, half overeind komend.

Ru wuifde hem terug in zijn stoel. 'Morgen is vroeg genoeg.'

Vanuit de deuropening klonk een stem: 'Nu meteen komt beter uit.' Dash keek op en Ru boog zich verder over de reling om te zien wie daar sprak. 'Grootvader!' zei Dash.

De Hertog van Krondor kwam binnen, geflankeerd door twee paleiswachten. Er klonk geroezemoes op de benedenverdieping en verscheidene leden stonden op en maakten een lichte buiging terwijl het nieuws over de bezoeker zich verspreidde. Robert liep naar de balustrade die niet-leden de toegang tot de handelsvloer ontzegde, en een van de wachters maakte het hekje open, waarop Robert verder liep en de trap naar de bovenverdieping van het koffiehuis besteeg. Het was een ontzaglijke schending van het protocol wanneer een niet -lid dat deed als hij niet voor zaken was uitgenodigd, maar Ru besloot dat dit niet het goede moment was om de machtigste edelman van het Koninkrijk op die bijzonderheid te wijzen.  

'Laat ons alleen,' zei Robert tegen Luis en Duncan. Leunend over de reling zei hij: 'Dash, zorg dat we niet worden gestoord.'

Dash ging naar de voet van de trap en deed zijn best niet te grijnzen toen hij zag dat zijn grootvaders wachters zich aan weerszijden opstelden.

Met zachte stem, zodat hij beneden niet kon worden gehoord, zei Robert: 'Het is tijd dat wij eens zaken doen.'

Ru was niet blij dat te horen, maar hij haalde slechts zijn schouders op. 'Vroeg of laat.'

'Ik heb twee miljoen gouden soevereinen nodig.'

Ru knipperde met zijn ogen. Zijn nettowaarde was een veelvoud daarvan, maar niet direct beschikbaar. Om zo veel goud vrij te kunnen maken, moest hij een aantal zaken herstructureren. 'Hoe snel wilt u ze hebben?' 

'Gisteren, maar morgen volstaat.'

'En de rente?'

Robert glimlachte. 'Wat je maar wilt, mits redelijk. Je begrijpt dat we wellicht niet in de positie zullen verkeren om deze lening terug te betalen.'

Ru knikte. 'Als u niet kunt terugbetalen, betwijfel ik of ik in de positie ben om daarover te klagen.'

'Hoe snel kan ik het goud zien?' vroeg Robert.

'Morgen aan het einde van de dag kan ik een half miljoen gouden soevereinen op het paleis laten afleveren. De andere anderhalf miljoen zal een paar dagen duren. Het bedrag zal voor de meeste geldleners in de stad te groot zijn, dus zal ik ook nog wat zaken in het Oosten moeten doen.' Hij leunde achterover. 'Zou u de volgende keer zo beleefd willen zijn me iets eerder op de hoogte te stellen, Excellentie?'

'Nee,' zei Robert. 'Sommige dingen overkomen je nu eenmaal.'

'Nu u het zegt,' zei Ru, 'de Keshische handelsdelegatie heeft me zojuist weer een vergunning geweigerd. Zou u iets kunnen doen om mij dat probleem te helpen oplossen?'  

'Mogelijk,' zei Robert. 'We doen op dit moment behoorlijk wat zaken met Kesh.'

'Het goud?' vroeg Ru, een wenkbrauw optrekkend.

'Flink wat smeergeld voor verscheidene hooggeplaatste Keshische edelen.'

'Flink wat,' beaamde Ru. 'Gaan jullie proberen het keizerlijk bewind omver te werpen?'

Robert stond op. 'Het zou bij lange na niet genoeg goud zijn om daar ook maar over te piekeren. Misschien is er op heel de wereld niet eens genoeg goud om Groot Kesh omver te werpen.' Even aarzelde hij. 'Dus je weet het. We hebben een zuidgrens om in de gaten te houden.'  

Ru knikte. 'Dat had ik zelf ook al bedacht.' Hij rekte zich uit en stond op. 'Ik ben benieuwd wat u vóór de komende invasie aan Kesh wilt gaan doen.'

'Ik werk aan verscheidene mogelijkheden,' zei Robert. 'Maar één ervan is ervoor te zorgen dat er genoeg Keshische soldaten op de goede plek staan om het leger van de Smaragden Koningin aan te moedigen te blijven waar we het willen hebben.'  

Ru knikte. 'Geen uitvallen ten zuiden van Krondor, naar de bergen van het Dromendal.'

'Zoiets. Zo'n manoeuvre vereist dat de Smaragden Koningin de dwergen in Dorgin verslaat, wat nog nooit is gebeurd.' Robert glimlachte. 'Maar zelfs het leger van de oude koning Halfdan zou door deze horde op de vlucht worden gejaagd, vrees ik.'  

Ru haalde zijn schouders op. Hij had wel verhalen gehoord over de felheid waarmee de dwergen konden vechten, maar hij had er zelf nog nooit een ontmoet.

Toen Robert zich omdraaide naar de trap, stapte Ru achter zijn tafel vandaan. 'Je hoeft me niet naar de deur te brengen,' zei de hertog. 'Ik weet de weg.' Boven aan de trap bleef hij staan. 'Overigens,' zei hij, 'hou eens op met dat stiekeme wegstoppen van je rijkdommen in het Oosten en de Vrijsteden. Ik heb bijna alles nodig voor de oorlog.'

Ru deed niet eens een poging geschokt te kijken of de waarheid te ontkennen. Hij had inderdaad kleine beetjes kapitaal uit Krondor weggesluisd. 'Nou, goed dan,' zei hij met berusting in zijn stem. 'Kennelijk is het toch tijdverspilling om te proberen u te slim af te zijn.'  

Robert knikte. 'Als je het maar weet.'

Hij vertrok en Ru bleef alleen achter, zich opnieuw verwonderend over zijn zoveelste mislukte poging een handelsvergunning voor Kesh te verkrijgen. Hij had een vermoeden en moest dat nog aan een onderzoek onderwerpen, maar eerst had hij een dringender zorg aan zijn hoofd, namelijk, waar hij op korte termijn een enorme som in goud vandaan moest halen zonder dat alle geldleners in de stad hun rentetarieven verdubbelden.  

Met een zucht dacht hij aan zijn voornemen om Sylvia te bezoeken. Hij zou Duncan maar met een briefje sturen, want hij kon er pas ver na middernacht zijn. Hij ging zitten en begon te schrijven. Nadat het briefje klaar was, riep hij naar beneden. Toen Dash voor hem stond, zei Ru: 'Geef dit aan Duncan en zeg hem het naar huize Esterbeek te brengen. Hij weet wat hij moet doen.' Weer rekte hij zich uit. 'En stuur ook bericht naar mijn vrouw dat je grootvader me te druk bezighoudt om de komende dagen naar huis te komen.' In feite had Ru zijn vrouw al verteld dat hij in de stad zou blijven om te werken, maar hij was van plan geweest die nacht bij Sylvia door te brengen. Nu voelde hij zich verplicht morgenavond naar Sylvia te gaan, of anders de avond daarop, alvorens terug naar huis te keren.  

Ru keek uit het raam naar de zonsondergang en hoorde de stadsgeluiden van buiten. De dag liep ten einde en de winkels begonnen hun deuren te sluiten. 'Ik moet er even tussenuit voordat ik voor je grootvader aan het werk ga,' zei hij terwijl hij opstond. 'Ik denk dat ik Helen Jacoby en haar kinderen maar even een bezoekje ga brengen.'  

Dash knikte. 'En daarna?'

'Vanavond ga ik nog een uurtje of zo naar Avery & Zoon.' Met een zuur gezicht vervolgde hij: 'En dan weer hierheen. Waarschijnlijk zit ik hier de hele nacht.'

Weer knikte Dash. 'Verder nog iets?'

'Nee, dat was het. Kom morgenochtend meteen hier naartoe. Ik verwacht een hoop werk voor je te hebben. En laat Jason ook komen.'  

Terwijl Dash zich naar de deur repte, liep Ru de trap af. Bij de ingang van het koffiehuis overwoog hij even de straat over te steken naar zijn huis in de stad, om daar een paard te zadelen en naar Helen te rijden, maar toen besloot hij dat hij liever ging lopen.

Op straat was het druk. Het gedrang van de menigte en het lawaai van de stad wisten Ru nog altijd te fascineren. Als iemand die was geboren in een dorp, zag hij Krondor als een nimmer opdrogende bron van inspiratie. Een doodgewone wandeling kon hem verkwikken en het gevoel geven dat alles mogelijk was. Maar vandaag werd zijn waardering voor de bruisende stad verdrongen door het vage spookbeeld van de Smaragden Koningin en haar naderende horde.  

Aan de ene kant wist hij dat Krondor uiteindelijk zou worden aangevallen en waarschijnlijk met de grond gelijk gemaakt. Hij had gezien wat er was gebeurd toen de zegevierende generaal Fadawah een stad had verpletterd: hij was zelf ternauwernood ontsnapt aan de verwoesting van het verre Maharta. Hij wist dat het ging komen. Vaag hoopte hij dat het Koninkrijkse leger, veel beter opgeleid en veel gemotiveerder dan de strijdkrachten die het veroveringsleger tot nog toe was tegengekomen, de aanvallers toch nog buiten Krondor wist te houden, maar hij besefte wel dat die hoop hoogstwaarschijnlijk ijdel was.

Aan de andere kant leek het naderende onheil iets onmogelijks. Zijn rijkdom overtrof zelfs zijn hebzuchtigste jongensdromen, hij genoot de gunsten van de mooiste vrouw van de hele wereld en hij had een zoon. Geen enkel kwaad kon of mocht die volmaaktheid aantasten.

Hij bleef staan. Zo diep was hij in gepeins verzonken geweest dat hij de straat naar Helen Jacoby's huis voorbij was gelopen. Hij draaide zich om en meende iemand uit het zicht te zien springen. Vlug liep hij terug naar de hoek en keek naar weerskanten.

Winkeliers sloten hun nering en arbeiders repten zich voort om een laatste boodschap voor hun meester te doen, of op weg naar huis of naar een gezellige herberg. Maar de gedaante die hij weg had zien springen, was nergens te bekennen.

Ru schudde zijn hoofd. Het moest zijn vermoeidheid zijn, dacht hij. Maar toch kon hij het gevoel niet van zich afschudden dat hij werd gevolgd. Nog eenmaal keek hij rond en liep toen verder naar huize Jacoby. Het kwam vast door het besef dat de vloot van de Smaragden Koningin zich opmaakte voor vertrek. Rechtstreekse informatie had hij daar niet over, maar hij wist genoeg om te begrijpen dat het zover was.  

Hij had haar leger het continent Novindus onder de voet zien lopen en vergaderingen bijgewoond waar plannen werden gemaakt om het Koninkrijk tegen haar aanval te verdedigen. De tekenen waren overduidelijk. Hij kon het afleiden uit de sterk toegenomen hoeveelheid goederen die hij vervoerde. Hij wist waar de voorraden werden aangelegd en ook waar de wapens en reservepaarden naar toe werden gebracht. Hij wist dat de aanval binnenkort werd geopend.  

In Krondor was het vroeg in de herfst, wat inhield dat het aan de andere kant van de wereld lente was. Weldra zou de immense vloot voorraden gaan inslaan en aan de maandenlange reis beginnen. Keer op keer had Ru admiraal Valentijn horen praten over de gevaren van het zeilen door de Straat der Duisternis. Met zacht weer was dat al moeilijk, maar in de winter vrijwel onmogelijk. De ideale tijd om zo'n grote vloot veilig door de Straat te loodsen, was eigenlijk precies op Banapis, Midzomerdag, want dan waren tij en wind mild genoeg om de smalle doorgang tussen de Eindeloze Zee en de Bitterzee bevaarbaar te maken voor de onervaren scheepsmeesters die ongetwijfeld het bevel voerden over de enorme vloot. Gelet op de massale slachting die de koningin op Novindus had aangericht, kon Ru zich niet voorstellen dat er daar nog zeshonderd bekwame scheepskapiteins in leven waren. Overigens, vóór de algehele verwoesting die de bevolking had gedecimeerd, had Novindus zich evenmin kunnen beroemen op diepzee-vaarders. Het waren allemaal kustvaarders, kapiteins die pas begonnen te vermoeden dat er land aan de andere kant van de oceaan lag toen Valentijn en zijn bemanning daar twintig jaar geleden voet aan land hadden gezet.  

Ook had Ru het vermoeden dat Valentijn wel een paar verrassinkjes voor de bezoekers in petto had wanneer die de Straat trachtten te passeren. Ru was tenslotte niet voor niets naar Queg geweest. De enige reden waarom hertog Robert Quegse schepen nodig kon hebben als escorte voor de Koninkrijkse koopvaardij, was dat de gehele koninklijke marine elders druk bezig was. Nee, Valentijn had vast en zeker iets tegen de indringers in stelling gebracht tegen de tijd dat die door de Straat kwamen.  

Aangekomen bij huize Jacoby zette hij de kwellende gedachten aan indringers voor een tijdlang van zich af. Op zijn geklop deed Helen Jacoby de deur open. Ru zei: 'Ik hoop dat je geen bezwaar hebt tegen een onverwachts bezoek?'

Ze begon te lachen en het trof Ru dat het zo prettig klonk. 'Rupert, natuurlijk niet. Jij bent hier altijd welkom.'

Achter haar hoorde hij de kinderen al naar hem roepen, en Ru voelde zich meteen een stuk opgewekter, een gevoel dat hij ergens anders zelden ervoer. 'Oom Rupert!' riep Willem van vijf jaar oud. 'Heb je iets voor me meegebracht?'

'Willem!' zei zijn moeder. 'Zo ga je niet om met een gast.'

'Maar hij is helemaal geen gast,' sputterde Willem verontwaardigd tegen. 'Hij is ome Rupert!'

De zeven jaar oude Nataly stoof op hem af en sloeg haar armen rond zijn middel om hem te verwelkomen.

Ru moest glimlachen om de onbeschaamdheid van het joch en de genegenheid van het meisje. Helen deed de deur achter hem dicht. Toen die in het slot viel, daagde bij hem ineens het besef: als zijn berekeningen klopten, zouden de aanvallers over zeven maanden in het zicht van Koninkrijkse bodem zijn.  

 

Waarnemend korporaal Garret had bedenkelijk gekeken, maar Eriks bevelen toch zonder commentaar uitgevoerd. Na de vorige dag Duga en zijn mannen te hebben ondervraagd, had Erik een besluit genomen. Hij stuurde Garret aan het hoofd van de helft van zijn pas verworven mannen op een trage mars naar Krondor, terwijl Erik de andere helft bij zich hield. Bij het verlaten van hun grens baronie hadden ze hun wapenkleden ingeleverd, maar ze zagen er nog steeds uit als soldaten. Nadat Erik hen van kleding had laten ruilen met de gevangengenomen huurlingen, oordeelde hij de resultaten chaotisch genoeg om de illusie te wekken dat dit een heel groot huurlingen-korps was.  

'Ze zien eruit als mijn jongens,' gaf Duga zijn goedkeuring.

Heel de vorige avond had Erik met Duga zitten praten. Hij mocht de man wel, een eenvoudige kapitein, zonder flauwekul, met een korps van tachtig man die tot het besef waren gekomen dat ze tot over hun oren in de puree zaten. Het had hem de hele avond gekost, maar uiteindelijk had Erik de man ervan kunnen overtuigen dat het in zijn eigen belang was om meer dan zijn parool te geven en zelfs van partij te verwisselen. Verscheidene van zijn mannen hadden bedenkelijk gereageerd en Erik had goed opgelet wie dat waren en hen meegestuurd met Garrets sectie terwijl de rest bij Erik en Duga bleef.  

Later op diezelfde dag was het tweede contingent Koninkrijkse soldaten langsgereden en Erik had hen achter Garrets groep aan gestuurd. Toen Duga vroeg in de volgende ochtend de derde compagnie van tweehonderd soldaten voorbij had zien rijden, had hij opgemerkt dat hem en zijn mannen was wijsgemaakt dat ze een land binnenvielen van zwakke, slecht voorbereide steden.  

Geduldig had Erik daarop breedvoerig uitgelegd dat het er hier in het Koninkrijk heel anders aan toe ging dan in Novindus, het verschil in aantallen tussen de beide legers relativerend en de nadruk leggend op de opleiding en uitrusting van de Koninkrijkse soldaten. Gelukkig voor hem was hij daarbij geholpen door de aanblik van het voorbijrijden van zeshonderd van de taaiste veteranen uit het Koninkrijkse leger.  

Met groot genoegen had Duga extra rantsoenen van Eriks mannen in ontvangst genomen, die ze als ontbijt aten. 'Weet je,' merkte hij op tussen twee happen door, 'eigenlijk wordt het leger van de koningin alleen maar bijeengehouden door angst.'

Erik knikte. 'Dat heb ik in Maharta gezien.'

'Het is nog veel erger geworden.' Hij keek rond. 'Daarna, toen we te horen kregen dat we oostwaarts afsloegen naar de Stad aan de Serpentrivier, hebben verscheidene kapiteins geprobeerd te deserteren.'  

'Ik heb gehoord wat er is gebeurd,' zei Erik. Prins Patricks spionnen hadden gerapporteerd dat de kapiteins samen met wat willekeurig uitgezochte soldaten waren gespietst.  

'Het is net of we allemaal elkaar bewaken. Niemand wil er nog langer bij zijn, maar iedereen is bang om er iets over te zeggen.' Duga schudde zijn hoofd. 'Nee, als je iets fouts zegt tegen de verkeerde, krijg je meteen zo'n staak in je gat gehamerd.'

Erik dacht na over zijn volgende vraag. 'Heeft niemand ooit gevraagd waarom jullie naar de andere kant van de wereld worden gestuurd?'

'Er is thuis niets meer over,' zei hij. 'In een stad die tot de grond toe is afgebrand valt niet veel te plunderen.' Met zachtere stem sprak hij verder: 'Zelf geloof ik er niets van, maar die slangen rond de koningin zeggen tegen iedereen die het wil horen dat dit het rijkste land van de wereld is, en dat er een stad is die Sethanon heet' - hij sprak het uit als 'Zeetenon' - 'waar de straten van marmer, de deurknoppen en grendels van goud en de gordijnen van zijde zijn.' Hij zuchtte. 'Na de afgelopen tien jaar kan ik best begrijpen dat de mannen dat graag willen geloven, maar je zult jezelf toch flink voor de gek moeten houden om die onzin te slikken.' Hij ging nog zachter praten. 'Sommige kapiteins ... We hebben erover gepraat om iets te proberen, maar ... '

'Maar wat?'

'Maar ze heeft de touwtjes veel te strak in handen.'

'Vertel daar eens over,' drong Erik aan.

Duga gebaarde met zijn kin dat ze een eindje moesten gaan wandelen. Toen ze buiten gehoorsafstand van de mannen waren zei hij: 'Waarschijnlijk heb ik nu een mannetje of twee van haar in mijn korps zitten. Je weet maar nooit. Die generaal Fadawah is een vervloekt genie, met een tactisch inzicht van heb ik jou daar, die precies weet waar hij zijn mannen moet opstellen en zo, maar hij is ook een moordlustige hond. Heb je gehoord wat er met generaal Gapi is gebeurd?'  

Erik knikte. 'Naakt vastgebonden boven een mierenheuvel omdat hij een slag had verloren.'

'En bijna alle generaals en kapiteins moesten toekijken.' Hij tikte zich met zijn duim op de borst. 'Daar was ik er een van. Geen prettig gezicht, kan ik je vertellen.' Duga keek een ogenblik nors voor zich uit. 'Ze hebben ons in een wurggreep genomen,' zei hij, langzaam zijn hand sluitend ter illustratie. 'Het begon met gewone gevechten, niets bijzonders. Je tekende in bij het rendez-vous en je ging knokken, buit maken en je geld uitgeven. Toen begonnen we steden te plunderen. Ik weet nog dat Caelis' Vlammende Adelaars onze tegenstanders waren in... waar was dat ook alweer?'  

'In Hamsa,' zei Erik. 'Dat was voordat ik erbij was, maar ik heb het verhaal over het beleg gehoord.'

'Toen begon het lelijk te worden. Tweehonderdzestig en nog wat dagen heeft de koningin die arme donders uitgehongerd. Ze stuurde die Saaur-ruiters achter de lui aan die vluchtten.'

Erik had gehoord hoe de overlevenden van Caelis' korps uiteindelijk een veilig toevluchtsoord hadden weten te vinden bij de Jeshandi, de nomadische ruiters van Novindus.

'We begonnen het maar een rare toestand te vinden. De kapiteins kwamen bij elkaar en sommigen besloten dat ze er genoeg van hadden en gingen naar generaal Gapi. Die nam drie van onze kapiteins mee naar de koningin en ze zijn nooit meer teruggekomen. Toen wisten we het zeker. We zaten eraan vast voor zolang de oorlog duurde, en wie probeerde te vertrekken was de vijand. Ik moet zeggen dat het voor een tijdje niet eens zo erg was. Er was genoeg buit. Vrouwen ook, bereid of niet. Maar na een tijdje word je het zat, weet je wel?'  

Erik knikte. 'Ik weet het.'

'Sommige jongens -' Hij zweeg even en zei toen: 'Jongens zijn het allang niet meer. Geen man in mijn korps die nog onder de dertig is, Erik.'

'Ik weet niet wat ik je kan toezeggen,' zei Erik. 'Dit is heel anders dan je ooit hebt meegemaakt. Dit is een land in oorlog, maar of je nu overloopt naar ons of gewoon uit de buurt blijft, ik denk dat we wel een manier kunnen vinden om jullie thuis te krijgen als dit eenmaal achter de rug is.'  

'Thuis?' vroeg Duga alsof hij het woord niet kende. 'Heb je enig idee hoe het daar is?'

Erik schudde zijn hoofd.

'De boerderijen afgebrand, het vee geslacht, het fruit rottend aan de takken omdat er niemand meer is om in de boomgaarden te werken. De akkers overwoekerd omdat de boeren ofwel dood zijn, of in het leger zitten. We hebben alles opgegeten.'

'Hoe bedoel je?' vroeg Erik.

'We hebben al meer dan tien jaar oorlog gevoerd, van het Westland door het Rivierenland tot in het Oostland, en we hebben niets heel achtergelaten. Wie daar nu nog woont, moet schrapen. Misschien dat er nog steeds mensen wonen in de platgebrande steden. Ik heb gehoord dat er ergens in de Ratn'gari een stad vol dwergen is waar de koningin zich verstandig genoeg niet mee heeft bemoeid, maar als er mensen hadden gewoond, was ook die tot de grond toe afgebrand.'

Erik kon zijn oren nauwelijks geloven. 'Is er niets meer over?'

'Er zijn nog wat mensen die zich hebben verstopt, en anderen waren gewoon te ver weg voor de moeite die het zou kosten, dus er woont nog wel iemand. Maar de meesten die we achterlieten waren dood, Erik. Er zijn geen steden meer, en nagenoeg geen dorpen waar nog een gebouw overeind staat. Een boer die ver genoeg weg woont kan misschien nog oogsten, als de mensen die de steden zijn ontvlucht zijn akkers tenminste niet kaal hebben gegeten. En de ziektes...' Hij slaakte een zucht. 'Dat kon ook niet anders, met zoveel doden. Sommige van onze eigen mannen kregen zo'n vreselijke buikloop dat ze eraan bezweken. Ze konden niet eens een slok water binnenhouden. Anderen kregen de zwarte pokken. Of koorts, terwijl er geen kruiden of tempelpriesters waren om hen te genezen. Het is thuis één grote ellende, dat is het.'

Kijkend naar het gezicht van de man zag Erik iets in zijn ogen wat hij nog nooit in een soldaat had bespeurd: een diepe afschuw die al zo lang werd onderdrukt dat de man het zelf niet eens meer in de gaten had. Wat er zou gebeuren wanneer die uiteindelijk boven kwam, kon niemand voorspellen. Hij legde een hand op Duga's schouder. 'Hier zijn nog genoeg mensen die wel leven.' Op iets luidere toon vervolgde hij: 'En ik ben van plan ervoor te zorgen dat dat ook zo blijft.' Met een glimlach voegde hij eraan toe: 'Ook al zijn het een stelletje haveloze huurlingen die veel verder van huis zijn dan goed voor hen is.'  

Duga's ogen werden een weinig groter en onderzoekend keek hij Erik aan. Toen knikte hij eenmaal en wendde zich vlug af om te voorkomen dat Erik het vocht zag dat in zijn ogen liep. 'Een beetje kwieker dus,' riep hij naar zijn eigen mannen. 'We moeten die Koninkrijkse jongens laten zien dat we fatsoenlijke haveloze huurlingen zijn.'  

Dat ontlokte een lach aan sommige mannen, al konden de meeste Koninkrijkse soldaten het dialect dat hij sprak niet verstaan.

Het kamp zag er nu ongeveer net zo uit als toen Erik het had aangetroffen alleen bestond de helft van de mannen uit Koninkrijkse soldaten en zat er net buiten zicht een ploeg van dertig boogschutters verscholen in de bomen om steun te kunnen bieden.

Op de derde dag na de overgave maakte een schildwacht melding van ruiters, naderend vanuit het zuiden.

'Mannen paraat,' beval Erik.

Uit de bewegingen van Duga's huurlingen sprak het trage zelfvertrouwen van verveelde soldaten, terwijl Eriks mannen zwaard en schild dicht binnen handbereik hielden. In de bomen maakten de boogschutters zich gereed. Een paar minuten later reden er drie ruiters de open plek op, allen gekleed in een reismantel. De leider wierp zijn kap naar achteren en onthulde het gezicht van een man van middelbare leeftijd, met grijs in zijn zwarte haar. 'Wie heeft de leiding?'  

'Ik,' zei Erik.

'Welk korps?' vroeg een van de andere twee. 'Duga's Krijgshonden,' antwoordde Erik.

'Jij bent Duga niet!' zei de eerste man.

'Nee, Kimo, dat ben ik.' Duga stapte naar voren.

'Hij zegt dat hij de leiding heeft,' zei de man die met Kimo was aangesproken.  

Duga haalde zijn schouders op. 'Het werd knap saai om hier maar een beetje te zitten en op jullie te wachten. Hij heeft me uitgedaagd en gewonnen.' Hij wreef uitvoerig over zijn onderkaak. 'Moet je kijken hoe groot die vent is. Hij heeft verdomme bijna mijn schedel gekraakt. Dus hij is de baas.'

'Hoe is je naam, "kapitein"?' vroeg Kimo.

Zonder precies te weten waarom antwoordde Erik: 'Bobby.'

'Nou dan, Bobby,' zei Kimo, 'je dient je mannen westwaarts te brengen. Na drie mars dagen kom je uit in een kleine vallei met een dorpje. Dat dorpje laat je met rust. Laat ze daar niet eens weten dat jullie er zijn. Trek er 's nachts langs en ga verder de bergen in. Zoek de rivier die dat dorpje van water voorziet en volg die omhoog tot je bij een vertakking komt. Volg de noordelijke tak, dan beland je vanzelf in een mooi valleitje met wild. We hebben daar voorraden aangelegd. Wacht daar tot iemand jullie komt halen. Als dat gebeurt, moeten jullie langs de rivier terug en dat dorpje innemen.'  

Een verward gezicht trekkend vroeg Erik: 'Waarom wachten? Waarom nemen we dat dorpje niet meteen in?'  

De man die tot dan toe stil was geweest sprak, en de haartjes op Eriks armen en achter in zijn nek gingen recht overeind staan, want de stem was niet die van een mens. 'Je wordt niet betaald om vragen te stellen, knul.' Hij wendde zich tot Kimo: 'Kunnen we hem niet doden en het bevel weer overdragen aan hem?' Hij wees naar Duga, en Erik zag een hand met groene schubben en lange zwarte nagels. Hij had wel vaker Pantathiërs gezien, er zelfs een aantal gedood, maar hij voelde zich alleen maar op zijn gemak in het bijzijn van dode exemplaren.

'Nee, daar hebben we geen tijd voor. We moeten nog op zoek naar andere korpsen.' De tweede man haalde een landkaart te voorschijn om die te raadplegen.

Erik aarzelde geen moment. 'Schieten!'

De pijlen zoefden door de lucht en voordat Kimo en zijn metgezellen konden reageren, werden ze letterlijk uit het zadel getild door de pijlen die hen troffen.

Duga's ogen werden groot. 'Waarom deed je dat?'

Erik liep eerst naar de Pantathiër en gaf hem een schop om te kijken of hij echt dood was. Vervolgens ging hij naar de tweede man en knielde naast hem neer. 'Omdat ik die kaart moet hebben.' Hij bestudeerde hem een tijdje en zette grote ogen op. 'Nelson!' riep hij.

Een van zijn mannen rende naar hem toe en zei:. 'Ja, sergeant-majoor?'  

'Neem twee extra paarden mee en ga onze mannen zoeken. Breng ze zo snel als je kunt terug. We ontmoeten elkaar...' Nog even bekeek hij de kaart. 'We ontmoeten elkaar aan de noordelijke oever van de rivier de Tamyth, bij de stroomversnelling. Drie dagen ten oosten van de weg naar Haviksholte.'

'Ja, sergeant-majoor!' zei Nelson. Hij salueerde en draaide zich om. 'En Nelson,' zei Erik.

'Ja, sergeant-majoor?'

'Trek je uniform weer aan, anders Garret schiet je neer als een bandiet voordat hij je herkent.'

Nelson knikte en rende weg.

'Wat heeft dit dan allemaal te betekenen?' vroeg Duga.

Erik hield de kaart omhoog. 'Er zitten nog eens twintig korpsen als dat van jou verspreid door deze heuvels. En als ik het juist zie, moeten ze allemaal een sleutelpositie veroveren om de weg vrij te maken zodat het leger van de koningin de bergen over kan.'

'Dat snap ik niet,' zei Duga.

'Nee,' zei Erik, 'maar ik wel. Jack!' Er kwam een andere soldaat aangerend. 'Ik ga een boodschap schrijven aan Ridder-Maarschalk Wiliam. Jij gaat met zes man als de bliksem naar Krondor.'  

De soldaat rende weg om zich gereed te maken, terwijl Duga met Erik meeliep naar zijn paard, waar Erik perkament, pen en inkt uit zijn zadeltas haalde.

'Wat is dat met die sleutelposities in de heuvels?' vroeg Duga.

Erik keek hem aan en zei: 'Als je de omgeving een beetje had verkend, zou je in het westen een bergketen hebben gezien.' Met zijn kin wees hij in zuidoostelijke richting. 'Sethanon, de stad waar je over sprak, is die kant op. Marmer, goud of zijde is daar niet te vinden, maar het is wel een belangrijke plaats. Waarom weet ik niet precies, maar als we je voormalige kameraden toestaan daar te komen, zo heb ik uit goede bron gehoord, zijn we er allemaal geweest, het hele leger van de koningin inbegrepen.'

'Dat verbaast me niets,' zei Duga. 'Ze vermoordt er zelf iedere nacht wel een paar.'

'Daar mag je me straks over vertellen,' zei Erik al schrijvend, en Duga zweeg. Toen Erik klaar was, gaf hij het perkament aan de soldaat genaamd Jack en zei: 'Met je leven!'  

De soldaat salueerde. 'Begrepen, sergeant-majoor.' Toen rende hij weg naar de zes ruiters die al op hem stonden te wachten.

Erik draaide zich om naar Duga. 'Het ziet ernaar uit dat je op het punt staat dienst te nemen in het leger van onze koning. Uiteindelijk ga je toch nog voor goud vechten - alleen aan de andere kant.'

Duga haalde zijn schouders op. 'Heb ik wel vaker gedaan.'

'Zoals ik al zei, ligt Sethanon die kant op en de bergen daar. En het leger van de koningin komt over die bergen om erheen te gaan.'

'Aha,' zei Duga, 'nu snap ik waarom ze zoveel moeite hebben gedaan om ons hierheen te krijgen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Sommige Pantathiërs gingen door hun hoeven toen ze de jongens vóór ons wegzonden, dus het zal wel behoorlijk krachtige magie zijn geweest. Een paar legden zelfs het loodje.'  

'Daar kan ik niet mee zitten,' zei Erik en hij begon bevelen uit te vaardigen om het kamp op te breken.

'Wat ik bedoel,' zei Duga, 'is dat ze niet nog meer soldaten hierheen kunnen sturen met die magie, want anders zouden ze dat wel doen, snap je?'

Erik keek hem aan. 'Daar kon je wel eens gelijk in hebben. Waarom zouden ze jullie anders hier allemaal verborgen houden?'

Duga krabde in zijn baard. 'Rare toestanden, als je het mij vraagt. Waarom hebben ze ons niet gewoon in die stad Sethanon neergezet?'

'Omdat jullie dan allemaal dood zouden zijn geweest voordat je om je heen had kunnen kijken,' antwoordde Erik. Hij vond het beter daar niet verder over uit te weiden. In werkelijkheid wist hij ook niet waarom het zo was, maar hertog Robert en Ridder-Maarschalk Wiliam hadden allebei gezegd dat het voor de Pantathiërs niet mogelijk was mannen direct naar Sethanon te zenden. Erik vermoedde dat het iets te maken had met een van die magiërs waar Robert het over had, Puc, of die vrouw Miranda. Maar hij had geen tijd meer om er langer bij stil te staan. Hij had te veel aan zijn hoofd. 'Duga?'

'Ja?'

'Die andere korpsen, ken je die?'

'Een paar, Taligars Leeuwen gingen als eerste. Die gooien niet zo makkelijk hun zwaarden neer. Taligar kan verschrikkelijk uit zijn slof schieten en hij kan erg slecht tegen zijn verlies. Nanfree's Ijzeren Broeders zijn misschien wel bereid te luisteren als ik met ze kan praten voordat er bloed heeft gevloeid.' Hij grinnikte. 'Nanfree is een sluwe ouwe vos die het liefst zo weinig mogelijk werkt voor zo veel mogelijk goud.'

'Mooi,' zei Erik. 'Dan gaan we eerst kijken of er met hen te praten valt, maar als het tot vechten komt, verwacht ik wel dat je weet aan welke kant je staat.'

Duga haalde weer zijn schouders op. 'Ik ben al jaren geleden vergeten aan welke kant ik stond.' Hij keek rond door de bossen. 'Dit lijkt me een mooi land. Ik heb mijn buik vol van moorden en platbranden. Het lijkt me niet verkeerd om dit land als mijn thuis te beschouwen en ervoor te sterven. Waar we vandaan komen is niet veel meer over wat dat waard zou kunnen zijn.'

Erik knikte. 'Een beter antwoord had ik niet kunnen verwachten.'

Duga draaide zich om en riep naar zijn mannen: 'In de benen, jongens. Het wordt tijd dat we wat gaan doen voor de kost.' Na een korte blik op Erik voegde hij er met een grijns aan toe: 'En jullie zijn nu allemaal soldaten van de koning, dus gedraag je een beetje!'

 

'Wachten!' beval Erik zachtjes.

De verdedigers hadden zich verschanst achter wat rotsen en Erik had boogschutters de heuvels in gestuurd om voor dekking te zorgen. Al een maand lang trok hij door het Schemerwoud, gebruikmakend van de landkaart om de korpsen van de Smaragden Koningin die zich daar verborgen hielden· op te zoeken en te omsingelen.

Van de eerste twaalf korpsen die Erik en zijn mannen hadden overvallen, hadden er acht zich overgegeven en vier gevochten. Erik had wat van zijn mannen moeten aanwijzen om de gevangengenomen soldaten die weigerden over te lopen naar een veilige plaats te brengen.  

Zijn compagnie telde nu elfhonderd man, verdeeld over vijf secties. Het coördineren van de manoeuvres was moeilijk en hij betreurde de vele paarden die kreupel werden gereden om de boodschappen tussen de verschillende secties over te brengen, maar alle verslagen wezen erop dat het schoonvegen van het Schemerwoud goed verliep. Menigmaal had hij zich afgevraagd in hoeverre Caelis dit allemaal had verwacht, want het kwam hem wel heel erg wonderbaarlijk voor dat hij toevallig met zeshonderd keursoldaten langs de plek was gekomen waar ineens de vooruitgeschoven troepen van de Smaragden Koningin opdoken. Hij zou er toch eens aan moeten denken te vragen hoe Caelis aan al die goede informatie kwam.  

Er rende een verkenner naar hem toe en een van de vijandelijke soldaten achter de rotsen schoot een pijl af die de man op een haar na miste. Erik greep hem bij de tuniek. 'Wat is er?'  

De soldaat was een van Duga's huurlingen. Buiten adem wist hij maar één woord uit te brengen: 'Saaurs!'

'Waar?' vroeg Erik meteen.

'Die kant,' zei de soldaat, over zijn schouder het bos in kijkend.

'Hoeveel?' vroeg Erik terwijl het donderende geraas van hun reusachtige paarden al tussen de bomen weergalmde.

'Vijftig!'

Een pijlschot riskerend, stond Erik op en schreeuwde: 'Terugtrekken!'

De boogschutters die verderop een heuvelkam beklommen keken op om te zien waarom er werd geschreeuwd en zagen Erik gebaren dat ze naar de bomen terug moesten gaan. Ze wuifden ter bevestiging en gingen terug naar beneden.

Erik dook weg voor twee pijlen die vanuit de verdedigingspositie naar hem werden afgevuurd. 'Schutters! Schiet op alles wat tussen de bomen door komt.' Hij had al eens eerder tegen de Saaurs gevochten en koesterde niet de illusie dat dit een simpel gevecht ging worden, ook al had hij tweehonderd man bij zich. Vijftig Saaurs waren minstens even sterk, en er waren nog minstens honderd huurlingen die op ieder moment een uitval konden doen, zodat Erik tussen twee gewapende vijandelijke machten zat ingeklemd.  

Hij rende terug naar de plek waar de paarden waren vastgezet en klom in het zadel. 'Rijd naar het noorden,' riep hij naar een van de vlakbij staande soldaten. 'Daar zit James van Hoogstein met zijn mannen. Zeg hem zo snel mogelijk te komen.'

Zelfs wanneer de soldaat de korporaal uit Hoogstein en zijn mannen meteen vond en ze onmiddellijk terugreden, zou het al te laat kunnen zijn. Het geluid van de oprukkende Saaurs was nu als een donderend onweer dat op het punt stond los te barsten. Koortsachtig keek Erik rond, zoekend naar een verdedigbare stelling. De Saaurs waren gemiddeld negen voet lang en hun paarden hadden een schofthoogte van vijfentwintig handen. 'De bossen in!' riep Erik.  

Toen raasden de Saaurs in zicht. Bekleed met helmen, borstplaten, beenplaten en armbeschermers zagen ze eruit als monsters uit de ergste nachtmerrie van iedere soldaat. Hun reptielgezichten vertoonden meer emotie dan Erik zich had voorgesteld en de woede droop er vanaf. Een Saaur met de wapperende paardenstaartpluim van een officier leidde de aanval. 'Sterf, verraders!' schreeuwde hij toen hij zag dat Eriks mannen zich terugtrokken.

De strijd werd als een waas. Tussen bomen door rijdend trachtte Erik te slaan naar de hakken van de grotere dieren, ondertussen de machtige klappen van de Saaurs ontwijkend. Eén keer in het verleden had Erik het rechtstreeks tegen een Saaurse ruiter opgenomen, dus hij wist hoe sterk ze konden zijn. Uit het geschreeuw en gevloek om hem heen maakte hij op dat zijn mannen kwaadschiks van dat feit op de hoogte werden gebracht.  

Ieder besef van tijd verliezend liet Erik de strijd zijn loop hebben. Door zijn mannen de kans te geven tussen de bomen weg te vluchten, had hij alle hoop op een georganiseerd gevecht verloren. Geschreeuw van verderop deed hem vermoeden dat de sectie die hij had laten waarschuwen zich in het strijdgewoel had gemengd.  

Van achteren stormde een Saaur op hem af. Erik voelde het meer dan dat hij het hoorde. Vlak voordat hij onder de voet zou worden gelopen, wist hij zijn paard rond een boom te sturen. Op het moment dat de reptielachtige ruiter voorbij scheerde, gaf Erik zijn paard de sporen en reed achter een andere Saaur aan die in tegengestelde richting reed. Het was Erik zonneklaar dat de beste tactiek was deze reusachtige wezens van achteren aan te vallen.

Overal gonsden pijlen door de lucht en Erik hoopte maar dat ze afkomstig waren van zijn boogschutters die Saaur-ruiters uit het zadel lichtten en niet van de andere kant, op zijn mannen gericht. Hij haalde de Saaur die hij achtervolgde in toen die de teugels inhield om zich te oriënteren. Het wezen had zich nog maar half omgedraaid in het zadel toen Erik hem trof met zijn zwaardpunt, zo diep mogelijk tussen de ribben stekend. Verbazing vloog over het gezicht van de Saaur terwijl hij neerkeek op de kleinere mens. Toen viel hij achterover van zijn rijdier, waarbij hij bijna het zwaard uit Eriks hand rukte.  

De hele middag reden ze tussen de bomen door in een waanzinnige zigzag dodendans waarbij aan beide kanten meer slachtoffers vielen door eigen blunders dan vanwege de tactieken van de andere partij. Toen klonk er hoorngeschal en zag Erik nog meer ruiters de bossen in komen rijden. Hij verwachtte zijn mannen uit het noorden te zien naderen, maar deze ruiters naderden vanuit het zuiden, voor zover hij kon beoordelen. 'Wat nou weer?' mompelde hij in zichzelf, zijn stem weinig meer dan een gekraak.

Ineens reed Caelis in zicht en diens bereden boogschutters schoten op Saaurs die in gevecht waren gewikkeld met Eriks mannen. Erik zag zijn kapitein naar hem wijzen en iets roepen, maar kon hem in het rumoer van de strijd niet verstaan.

Toen was het alsof zijn hoofd ontplofte en hij zag de grond in vliegende vaart op zich af komen. Alle lucht werd uit zijn longen geslagen. Zijn paard viel gillend op een van Eriks benen en bijna raakte hij in paniek. Vrijwel zonder erbij na te denken maakte hij zich los van het schoppende dier terwijl het bloed uit een wond in de flank van het paard spoot.  

Een Saaur-ruiter keerde zijn rijdier om Caelis het hoofd te bieden. Erik kwam moeizaam overeind. Hij bracht een hand naar zijn hoofd en merkte dat zijn helm weg was. Zijn hand zat onder het bloed toen hij hem weer weghaalde, maar hij wist niet of het van hem of van zijn paard was.

Zonder nog acht te slaan op Erik stormde de Saaur-ruiter op Caelis af. Met zijn hand leunend tegen een boomstam knielde Erik neer om zijn zwaard op te rapen. Zijn maag draaide zich om van misselijkheid en hij werd duizelig van de inspanning, maar hij bleef bij bewustzijn. Vlug maakte hij zijn stervende paard af en keek naar Caelis, die in gevecht was met de Saaur.

De Saaur die door Erik was gedood mocht dan verbaasd hebben gekeken, maar dat was nog niets vergeleken met het gezicht van deze, toen de eerste klap van Caelis neerkwam op zijn schild. Niet voorbereid op zo'n verschrikkelijke slag van iemand met Caelis' postuur viel hij uit het zadel.

Toen werd het stil. Erik deed zijn ogen open en merkte dat hij op de grond zat, met zijn rug tegen de boom. Iemand had een tuniek over zijn benen gelegd en een opgerold hemd achter zijn hoofd gestopt.

'Je hebt een lelijke dreun op je kop gehad,' zei een bekende stem.

Opkijkend zag Erik Caelis vlakbij staan. 'Ik denk dat ik er wel ergere heb gehad,' zei hij.

'Zal best. De kling is afgeketst op je helm en die keienkop van je, en trof je paard achter het zadel. Ruggengraat gebroken. Je bent een geluksvogel, von Zwartheide. Een paar duim verder naar voren en hij had je in tweeën gespleten.'  

Het suisde en bonsde in Eriks hoofd. 'Zo'n geluksvogel voel ik me anders helemaal niet.' Hij nam een slok uit een waterzak die hem werd voorgehouden en vroeg: 'Wat brengt u naar dit donkere, eenzame oord?'

'Ik heb je boodschap ontvangen,' zei Caelis. 'Maar in de eerste plaats omdat ik je het bevel had gegeven over twee maanden terug in Krondor te zijn.'

Erik glimlachte en de pijn in zijn hoofd werd er erger van. 'Ik zei toch dat ik er drie nodig had.'

'Bevel is bevel.'

'Scheelt het dat ik tweeduizend man voor u heb meegebracht in plaats van zeshonderd en dat ik er nog eens duizend uit het leger van de koningin heb gedood of gevangengenomen?'  

Daar dacht Caelis even over na. 'Iets. Maar niet veel.' Toen glimlachte hij.