17 Verwoesting

 

Erik vloekte.

'Ja, kapitein,' beaamde sergeant Harper, 'zo zou ik het ook hebben gezegd.'

Het bericht kwam van Grijslok, en nu begreep Erik waarom hij in de afgelopen twee dagen zo weinig was aangevallen. De indringers waren door de bossen getrokken en vielen nu Grijsloks positie aan, een halve dagrit oostwaarts. Grijsloks boodschap was kalm van toon. Hij liet weten weinig problemen met de aanvallers te hebben, maar gaf uiting aan zijn zorg over de vluchtelingen, die waarschijnlijk langs de hele route van hun aftocht ten prooi vielen aan plunderaars. Toen de boodschap arriveerde, waren Eriks mannen ondergebracht in een eenvoudig kamp. Nog maar af en toe kwamen er mensen voorbij die de stad ontvluchtten. Een paar maal had Erik met een van hen gesproken, maar niemand wist hem iets zinnigs te vertellen. Ze waren bang, hadden geen idee van wat ze hadden gezien, en het enige wat hen interesseerde was het wegvluchten uit een stad die op het punt stond te vallen. Eén man was nog nat na het zwemmen door een ondergronds kanaal dat hij zich herinnerde uit zijn jeugd. Hij droeg zijn armzalige bezittingen in een bundel op zijn rug en wist alleen maar te vertellen dat het grootste deel van de stad in brand stond.  

Dat had de man hem niet hoeven vertellen, want Erik kon de rook in het westen zien opstijgen. Hij had de stad Khaipur zien branden, van een afstand van meer dan honderd mijl: een zuil van zwarte rook die honderden ellen de lucht in rees alvorens uit te waaieren als een grijze paraplu. Dagenlang had de wind de stank van verbranding meegevoerd en tot honderden mijlen in de omtrek was roet neergedaald. Erik twijfelde er geen moment aan dat Krondor eenzelfde lot zou ondergaan als de stad eenmaal was gevallen.  

Hij gaf bevelen en de mannen gehoorzaamden terstond. Hij detacheerde de helft van zijn compagnie, de zware lansiers, om achter de burgers aan te gaan, ondersteund door een sectie boogschutters die bij Erik terecht waren gekomen nadat ze van hun eigen onderdeel waren afgesneden. De lichte cavalerie en bereden schutters nam Erik mee naar Grijsloks positie. Zoals hij al vreesde, stuitte hij nog geen mijl verder op de eerste sporen van plundering. Rond twee afgebrande wagens lag de grond bezaaid met doden. Verscheidene vrouwen waren ontkleed en verkracht alvorens te zijn vermoord en er was nog geen paar fatsoenlijke laarzen of kleinood van enige waarde achtergelaten.

Erik onderzocht de wagens en zag een graanspoor dat van een ervan wegliep. 'Ze hebben honger,' zei hij tegen sergeant Harper.

'Gaan we ze achterna, kapitein?'

'Nee,' zei Erik. 'Hoe graag ik ook zou willen. Maar Grijslok heeft onze steun nodig. Als ze in het noorden de heuvels in gaan, slaan ze af naar het oosten en dan komen we die zwijnen vroeg genoeg tegen.'

'Begrepen, kapitein,' zei Harper.

Ze reden zo snel mogelijk, de paarden alleen rust gunnend wanneer dat niet anders kon, want Erik was vastbesloten tegen zonsondergang al bij Grijslok te zijn als dat enigszins haalbaar was. Verscheidene paarden zouden aan het einde van de rit kreupel zijn, maar voor de uitvoer van de plannen voor de verdediging van het Koninkrijk was het noodzakelijk dat de vijand bij het eerste verdedigings-bolwerk zo lang mogelijk werd opgehouden.  

Krondor ging vallen en het had nog geen drie dagen geduurd. Erik was tot de conclusie gekomen dat de Smaragden Koningin en haar magiërs zo spoedig mogelijk en koste wat het kost aan land wilden komen. Dat duidde erop dat hun voorraden waren uitgeput. Het gebruik van magie om de verdediging van de buitenhaven op te blazen was een schok voor Erik geweest. De enige keer dat de Pantathiërs van de Smaragden Koningin hun toevlucht tot magie hadden genomen, was met de lichtbrug over de rivier de Vedra, en die was door Puc verwoest, wat hen duizenden doden en gewonden had gekost.  

Onderweg vroeg Erik zich af hoe het Ru verging. Zou hij veilig op zijn landgoed zijn aangekomen?

 

Ru liet zich langzaam zakken op de stoel, met in zijn handen een beker koud water, pas uit de put gepompt. 'Dank je wel, Helen,' zei hij.

Helen Jacoby en de kinderen zaten te wachten in de voorkamer van het landhuis. Ru was net aan komen rijden, na een wanhopige nacht lang zijn best te hebben gedaan om plunderaars te ontlopen en zijn wagens bijeen te houden, vechtend wanneer het niet anders kon. De vorige dag was hij op zijn landgoed aangekomen en, nadat hij gezien had dat alles in orde was, teruggereden om Luis te helpen de wagens veilig thuis te brengen. De regelmaat waarmee hij vijandelijke soldaten had gezien op een volle dagrit ten oosten van de stad zei hem meer dan hij wilde weten over de slag om Krondor. Met zijn eigen ogen had hij de Smaragden Koningin een stad zien aanvallen en hij had helemaal geen zin die ervaring opnieuw te beleven.  

Twee dagen geleden had hij drie extra wagens vooruitgestuurd en nu waren de bedienden druk in de weer om ze vol te laden met huishoudelijke spullen voor de reis naar het oosten. Gezien de snelheid waarmee de vijand oprukte, wilde Ru ze met zonsopgang laten vertrekken, ongeacht wat er dan achter moest blijven. Inmiddels had hij besloten dat de hele wagen-karavaan meteen door zou gaan naar Zwartheide in plaats van te stoppen in Ravensburg. Hij zou lang genoeg halt houden om Eriks moeder en Nathan en misschien ook Milo en Rosalyn en haar gezin de gelegenheid te bieden mee te gaan. Dat was hij Erik op zijn minst verschuldigd. Maar stoppen zou hij er niet. De vijand naderde veel te snel en Krondor had niet zo lang stand gehouden als hij had gehoopt.

Nog één dag, dacht hij, een flinke teug nemend van het koele, verse water. Als de indringers nog één dag langer waren opgehouden, zou hij zich geen zorgen hebben hoeven maken. Toen bedacht hij dat hij er vanavond nog op uit moest naar huize Esterbeek om aan te dringen op een onmiddellijk vertrek van Sylvia en haar vader. Ze zouden onmogelijk kunnen weten dat de vijand al zo dichtbij was. In zijn herbergen te Zwartheide en Malachskruis kon hij hun onderdak bieden zonder dat Karli achterdochtig werd. Per slot van rekening was de halve bevolking van Krondor op weg naar het oosten.  

'Waar is Karli?' vroeg hij terwijl hij de lege beker neerzette.

'Boven, met je neef Duncan.'

Ru glimlachte. 'Ik vroeg me al af waar hij zat.' Hij stond op. 'Laat ik maar eens gaan kijken wat ze aan het doen zijn.'

'Hij zei dat hij haar ging helpen sjouwen,' zei Helen met een bezorgd gezicht.

Hij keek haar aan. 'We hebben nog tijd genoeg om hier vandaan te komen. Maak je geen zorgen.'

Ze glimlachte en zei: 'Ik zal het proberen.'

Ru ging naar boven en trof hen in de slaapkamer, waar Duncan zich net bukte om een houten krat met Karli's goede kleren op te tillen.

'Ik loop al twee dagen naar jou te zoeken!' zei Ru tegen zijn neef. Duncan glimlachte. 'Het was een beetje rommelig in Krondor. Ik ben je gaan zoeken bij Barrets, maar daar was je niet. Op het kantoor zei Luis dat je net naar Barrets was gegaan en toen ik terugging naar het koffiehuis en je daar weer niet trof, ging ik terug naar ons kantoor. Tegen die tijd was het al een zooitje op straat en toen ik eindelijk het kantoor bereikte, waren jouw wagens al vertrokken. Toen ik het gedrang bij de noordpoort zag, ben ik teruggereden naar de zuidpoort en ben hierheen gegaan. Ik dacht dat je hier wel een betrouwbaar zwaard kon gebruiken om je gezin te beschermen.' Grijnzend pakte hij de kist op, liep ermee langs Ru en ging de trap af.

'Geloof jij hem?' vroeg Karli.

'Nee,' zei Ru kortaf. 'Hij zal wel bij een hoer hebben gezeten toen de paniek uitbrak en als een haas hiernaartoe zijn gekomen. Maar hij had in ieder geval wel gelijk met zijn opmerking dat ik bescherming voor jullie wilde.'

Karli liep naar hem toe en sloeg haar armen om hem heen. 'Ik ben bang, Ru.'

Hij maakte geruststellende geluiden en klopte haar op de schouders. 'Maak je geen zorgen. Alles komt goed.'

'Ik heb mijn hele leven in Krondor gewoond.'

'We komen terug als alles voorbij is. Ik heb al een keer een fortuin gemaakt, dat kan ik best nog een keer. We bouwen alles weer op. Maar eerst moeten we de kinderen in veiligheid brengen.'

Zodra de kinderen ter sprake kwamen, zette ze haar angst van zich af. 'Wanneer vertrekken we?'

'Bij het eerste licht. Luis komt met de laatste wagens, met zo veel gehuurde bewakers als hij bij elkaar kan scharrelen, en we rijden in een stoet naar Zwartheide. Daar heb ik paarden en spullen om de wagens te repareren. En als we zijn uitgerust gaan we verder naar Malachskruis.'

'Waarom daarheen?'

Even overwoog Ru haar te vertellen wat hij wist, maar hij besloot dat ze dan alleen nog maar banger en verwarder zou worden. 'Omdat de vijand bij Zwartheide wordt tegengehouden,' zei hij. 'Malachskruis is veiliger voor ons allemaal.'

Karli geloofde wat Ru zei en ging vlug naar beneden om het pakken te regelen. Helen lette op de kinderen. Ru was onder de indruk van de kalmte waarmee ze hen geruststelde, afleidde en bezighield. Hij bracht een paar minuten met hen door, luisterend naar hun gebabbel - over dingen die kinderen belangrijk vonden, nam hij aan, aangezien hij er maar weinig van snapte. Tegen het einde van de dag werd er een koude maaltijd bereid waar iedereen van at. Duncans aanwezigheid kwam Ru vreemd voor, aangezien Duncan vrijwel nooit belangstelling voor Ru's gezin had getoond, ondanks zijn pogingen Karli in te palmen. Ru vond hem zelfs een beetje afwezig.

Aan het einde van de maaltijd zei Ru: 'Duncan, hou jij de wacht bij de stallen en laat me weten wanneer Luis met de laatste wagen komt.'

Duncan knikte vriendelijk. 'Als hij er is, neem ik wat mannen mee om een ronde over het terrein te maken. Je weet nooit of er wat van die plunderaars de heuvels uit komen of dat bandieten uit de buurt van de verwarring gebruik willen maken.'

Ru keek naar de twee vrouwen en de vier kinderen en wierp Duncan een vuile blik toe.

Vlug herstelde Duncan zich. 'Er is zo goed als zeker niemand, maar het kan nooit kwaad om voorzichtig te zijn.'

Toen hij weg was, vroeg Helen: 'Rupert, is het gevaarlijk?'

Door haar kalme en openhartige houding merkten de kinderen niets van de onrust en Ru dankte de goden dat ze er was. 'Oorlog is altijd gevaarlijk,' zei hij, 'vooral wanneer de vijand ver van huis is en honger heeft. Daarom nemen we alles mee wat hem van nut kan zijn. En wat we niet meenemen slaan we kapot'

'Kapot?' zei Karli, geschrokken opkijkend. 'Toch zeker niet mijn meubels en zo?'  

Ru achtte het maar beter haar niet te vertellen dat de indringers uit frustratie de boel kort en klein zouden slaan en het huis in brand zouden steken. 'Nee,' zei hij, 'we verbranden alleen maar het eten dat we niet mee kunnen nemen en zorgen ervoor dat er geen wapens of gereedschap worden achtergelaten. Als we een wagen niet mee kunnen nemen, slaan we de spaken stuk en breken het juk. Als er een paard kreupel raakt, maken we het af en vergiftigen het vlees. En vanavond graven we de moestuin uit om ervoor te zorgen dat er niets overblijft waar de vijand iets aan heeft.'

Karli leek erg van streek bij het horen dat haar moestuin verloren ging, maar ze zei niets.

'Papa, waar gaan we heen?' vroeg Abigail.

Ru glimlachte. 'Je gaat morgen een ritje maken op een wagen, schatje. Het wordt een lange reis en je zult je keurig moeten gedragen. We gaan naar het stadje waar je papa is geboren en zullen later naar nog andere interessante dingen kijken. Lijkt je dat niet leuk?'

'Nee,' zei Abigail. 'Ik wil niet weg.'

Glimlachend zei Helen: 'Dat zegt ze steeds, de afgelopen dagen.'

Ru keek naar Karli, die zei: 'Ze weet niet wat er aan de hand is.'

'Kinderen,' zei Ru, 'we gaan op reis en het wordt een groot avontuur.' Grijnzend en kwijlend keek Helmut hem aan en Helens zoontje Willem vroeg: 'Net als in de sagen?'  

'Ja, net als in de sagen,' zei Ru met een grijns. 'We gaan op avontuur, dus je moet heel dapper zijn en precies doen wat je moeder en Karli zeggen. Want overal zijn mannen met zwaarden, en je zult nieuwe plaatsen en mooie dingen zien.'  

'Wordt er ook gevochten?' vroeg het jochie met grote ogen.

Ru leunde achterover. 'Als de goden vriendelijk zijn niet. Maar zo ja, dan zullen we jullie beschermen.' Hij keek van de een naar de ander, van de fijne gezichtjes van de kinderen via de nerveuze glimlach van zijn vrouw naar Helens vastberaden trekken, en zei: 'We zullen jullie allemaal heel goed beschermen.'

 

Tegen het vallen van de avond bereikte Erik Grijsloks positie. Onderweg had hij verscheidene malen slag geleverd met Novindische troepen, en hij was getuige geweest van de slachting die ze hadden aangericht. Overal langs de weg lagen lijken en het was duidelijk dat hun voornaamste zorg voedsel was. Hier en daar lagen wat waardevolle voorwerpen, munten of juwelen, maar nergens was iets eetbaars te vinden.

Na het wachtwoord te hebben uitgewisseld reden Erik en zijn compagnie naar binnen. Owen kwam Erik begroeten. 'Hoe staan we ervoor?' vroeg hij. 'Is het zo erg als we dachten?'  

'Erger,' zei Erik, afstijgend.

Een van Grijsloks mannen nam zijn paard mee om het te verzorgen en hij volgde de vroegere zwaardmeester van Zwartheide naar een kampvuur op enige afstand achter de barricade die ze over de weg hadden opgeworpen. Enk liet het aan zijn eigen officieren en sergeants over om de paarden te verzorgen en de manschappen te eten te geven. Grijslok wees naar een kookpot vol dampende, dikke maaltijdsoep en zei: 'Bedien jezelf.'  

Pas toen Erik een houten nap en een lepel in zijn handen hield, bemerkte hij hoeveel honger hij had. Terwijl hij zijn nap volschepte, pakte Grijslok voor hem een stuk brood en een wijnzak. 'Vertel me wat je weet,' zei hij nadat Erik een paar flinke happen van de smakelijke soep en een slok wijn had genomen.  

'Als Krondor vandaag nog niet is gevallen, dan gebeurt dat zeker morgen. Het paleis is er niet meer.'

Beide mannen wisten daarmee vrijwel zeker dat Ridder-Maarschalk Wiliam dood was. Er bestond nog een kans dat hertog Robert was ontsnapt. De prins en de rest van zijn hof, de edellieden die niet in het veld waren, bevonden zich nu veilig in Zwartheide als alles volgens plan was verlopen.  

'Het is hier vrij rustig geweest. Er zijn wat verkenners van de vijand in de buurt gekomen, maar die hebben we weggejaagd, en als ze onze verschansingen zien, trekken ze liever verder.'

Erik knikte, kauwend op een mondvol stoofpot. Toen hij zijn mond leeg had, zei hij: 'Als onze plannen slagen, verspillen ze een hoop tijd met dwalen naar het noorden en zuiden voordat ze beseffen dat ze terug hierheen moeten. Misschien kunnen we wat tijd inhalen die we in Krondor zijn verloren.'  

Grijslok wreef met een hand over zijn gezicht en Erik zag dat de oudere man even moe was als hij. 'Ik hoop het. Er is nog zoveel te doen.'

Nadat Erik zijn lege kom had neergezet, nam hij nog een teug uit de wijnzak. 'In ieder geval zijn er geen vluchtelingen meer achter ons, dus we hoeven ons geen zorgen meer te maken over een achterhoede.'

Owen knikte. 'Nu hoeven we ons alleen nog maar te verdedigen en die bastaards te laten betalen voor iedere duim grond.' Toen grijnsde hij naar Erik. 'Sorry,' zei hij, zich Eriks afkomst herinnerend.

'Geeft niet,' zei Erik. 'Ik ben als bastaard gebóren; deze indringers doen hun best om het te wórden.' Hij zuchtte. 'Ik ben wel eens vermoeider geweest, maar ik weet niet meer wanneer.'  

'Dat is de spanning,' zei Owen. 'Voortdurend op je hoede moeten zijn. Maar goed, als jij en je jongens de boel hier overnemen terwijl ik morgen terugtrek, nemen wij vanavond wel de wacht. Dan kunnen jullie tenminste één nacht fatsoenlijk slapen.'  

'Bedankt, Owen.'

Grijslok glimlachte en in het licht van het kampvuur zag zijn smalle gezicht er bijna dreigend uit. je kunt het maar beter meteen weten: prins Patrick heeft me tot Ridder-Generaal benoemd.'

'Gefeliciteerd, denk ik,' zei Erik, 'generaal.'

'Gecondoleerd zal je bedoelen. Ik heb nu Caelis' taak om de hele bergketen van het Schemerwoud tot aan Dorgin te verdedigen, en voordat ik daarmee klaar ben, zal ik er wel spijt van hebben dat jij die klus niet hebt gekregen.'  

'Ik zit er al middenin,' zei Erik. 'En ik moet er ook nog achter zien te komen wat er verder van me wordt verwacht.'

'Je bent gewoon moe. Ga slapen, dan ziet de wereld er morgen veel beter uit. Het enige wat je je voor de geest dient te houden, is dat je die schoften zo veel mogelijk oponthoud bezorgt. We moeten hen de komende drie maanden in de bergen houden.'  

Erik zuchtte. 'Tot de winter.'

'Als ze nog steeds aan de westkant van de bergen zitten wanneer het gaat sneeuwen, hebben we gewonnen. Ze zullen verrekken van de honger terwijl wij wachten tot het lente wordt. Dan kunnen we ze terugjagen naar waar ze vandaan zijn gekomen.'  

Erik knikte, maar zijn oogleden werden zwaar en denken ging hem steeds moeilijker af. 'Ik ga kijken waar die soldaat mijn paard heeft gelaten, mijn deken pakken en slapen.'  

'Niet nodig,' zei Owen, wijzend naar een bedrol die iets verderop lag. 'Die is voor jou. Je mannen hebben al te horen gekregen dat ze kunnen gaan slapen. Vergeet vannacht je zorgen maar even, Erik.'

'Mij zul je niet horen tegensputteren,' zei Erik terwijl hij naar de bedrol liep. Hij gespte zijn zwaard af, trok zijn laarzen uit en kon zich later niet eens meer herinneren dat hij zich in de deken rolde en meteen diep in slaap viel.

 

Ru gaf Karli een kus op haar wang.

'Ik heb het liever niet, Rupert,' zei ze, bijna in tranen.

'Ik weet het, maar ik moet ervoor zorgen dat alles in orde is. Blijf niet op voor me en zorg voor Helen en de kinderen. Voor zonsopgang ben ik weer terug.'

Nadat Ru zijn vrouw nogmaals op de wang had gezoend, stapte hij de deur van hun landhuis uit en sloot hem achter zich. Vlug liep hij naar het bediendengebouw en de schuur, waar twaalf van zijn wagens waren gestald toen die na zonsondergang waren gearriveerd.

Luis de Savona, een van zijn oude kameraden uit Caelis' leger en nu een van zijn grootste vertrouwelingen, lette op de herstelwerkzaamheden. Luis had maar weinig gesproken over het leven dat hij had geleid, voorafgaande aan de dag dat Ru hem in de gevangenis had ontmoet, behalve dan dat hij een functie had vervuld aan het hof van Rodez, het op één na meest oostelijk gelegen hertogdom van het Koninkrijk. Ru vroeg hem er nooit naar. Evenals de anderen die hun leven in dienst van de Kroon hadden teruggekregen, vergat Luis liever wat er voordien was gebeurd en Ru respecteerde dat.  

Er school altijd iets duisters in Luis' houding, een woede die op de vreemdste momenten dreigde los te barsten, maar Ru vertrouwde hem, als één van de zeer weinigen. En Ru had op dat moment behoefte aan iemand op wie hij kon vertrouwen.

Driemaal hadden de gehuurde bewakers en Ruperts menners zich moeten verweren tegen overvallers. Twee menners waren gewond geraakt en een paar huurlingen waren gedeserteerd toen het ernaar uitzag dat het gevecht verkeerd af zou lopen, maar ondanks zijn beschadigde rechterhand had Luis bewezen nog steeds een geduchte tegenstander te zijn. Met zijn mes in zijn linkerhand had hij in zijn eentje drie overvallers gedood, waarna de anderen hun plannen om zijn wagen te plunderen lieten varen.  

'Luis, is alles klaar voor zonsopgang?' vroeg Ru.

'Ja. Maar misschien moesten we maar een uur eerder vertrekken om iedereen voor te zijn die over de heerbaan komt.'

'Over de heerbaan maak ik me geen zorgen,' zei Ru. 'Die wordt beschermd door Erik en het leger van de koning. Maar de plunderaars uit de heuvels is een heel ander verhaal.'  

Evenals de meeste buitenverblijven ten oosten van de stad stond Ru's landgoed zo ver van de heerbaan dat ze niet konden weten hoede omstandigheden daar waren. 'Ik moet even naar Jacob Esterbeek,' zei hij, gebarend om een vers paard. 'Ik kom terug via de heerbaan om te zien of die nog steeds vrij is of dat we een andere route moeten nemen.' 

'Een andere route?'

Ru knikte. 'Ja, ik weet een andere weg.'

'Waarom vertel je me dat niet nu meteen, voor het geval dat?' vroeg Luis.

Wat "voor het geval dat" inhield, stond Ru niet bepaald aan, maar hij stemde met het voorstel in. jaren geleden hebben Erik en ik een andere weg gebruikt om in Krondor te komen. Eigenlijk is het niet meer dan een smal pad, maar het is net breed genoeg voor wagens. Ze kunnen alleen niet naast elkaar rijden.' Hij legde uit hoe ze bij het pad konden komen. Het was op sommige plekken weinig meer dan een geitenpaadje, maar hij was er meermaals met een wagen overheen geweest. 'Als je in het voorgebergte komt, vertakt het pad zich. Neem de zuidoostelijke weg, dan kom je vanzelf bij de boerderijen en wijngaarden ten noorden van Ravensburg. Neem daar weer de Koningsheerbaan als je kunt.'

Luis knikte. 'Wanneer ben je terug?'

'Als ik niet op problemen stuit, voor zonsondergang. Als ik er nog niet ben, vertrek dan vast zonder mij. Zeg Karli dat ik jullie wel weer inhaal.'

Luis keek rond. 'En Duncan?'

'Die heeft gezegd dat hij een ronde over het landgoed maakt om ervoor te zorgen dat we voorlopig niet worden lastiggevallen.'

'Goed,' zei Luis. Duncan en hij hadden bijna een jaar een kamer gedeeld en in die tijd een duurzame antipathie voor elkaar opgevat Luis vertrouwde Duncan niet en duldde hem alleen maar om Ru een plezier te doen.

Het paard werd gebracht en Ru steeg op. 'Ik zie je morgen wel weer.' Luis zwaaide gedag toen Ru naar buiten reed en wist heel goed wat er niet was gezegd. Als hij Ru morgen niet zag, was Ru dood.

 

'Het staat me helemaal niet aan,' zei Miranda.

Ze waren bijeengekomen in de grot van het Orakel van Aäl, nadat Macros en Miranda waren teruggekeerd op Midkemia om de anderen te ontbieden.

'Wie wel?' zei Puc. 'Maar we zullen op twee plaatsen tegelijk moeten zijn.'

Hanam gromde en zei: 'De tijd dringt. Mijn vermogen om de razernij van dit wezen te bedwingen zonder te eten, heeft zijn grens bereikt.' De Saaurse magiër in demonen-gedaante wendde zich tot Puc. 'U weet wat er moet gebeuren, wat er moet worden gezegd.'

Caelis had zwijgend naar het gesprek zitten luisteren, onderwijl de anderen observerend. 'De kans bestaat dat geen van jullie terugkomt,' zei hij uiteindelijk. Hij sprak tot hen allen, maar zijn blik was gericht op Miranda.

Ze knikte. 'We kennen het gevaar.'

Hij zuchtte. 'Ik hoor in Zwartheide te zijn.'

'Nee,' zei Puc. 'Maar ik kan je niet vertellen waarom.' Hij wierp een blik op Macros en Miranda. 'Er worden dingen voor ons verborgen gehouden en we voelen dat die dingen verborgen moeten blijven, voor onze eigen veiligheid en die van anderen, maar ik weet tot in het diepst van mijn wezen dat je hier moet blijven.'

Miranda en haar vader hadden de deur in de Galerij gevonden. Vanuit de grot op Shïla hadden ze gekeken naar de demonen van uiteenlopend formaat die door de lucht vlogen, voornamelijk vanuit de richting waar Ahsart zou moeten liggen. Aangezien ze veel meer demonen hadden gezien dan ze mogelijkerwijs konden verslaan, waren ze via de Galerij teruggegaan naar Midkemia om Puc te zoeken.

Twee dagen lang hadden ze gesproken om een plan te ontwikkelen, en inmiddels was er bepaald dat Macros en Miranda zouden terugkeren naar de tunnels onder de Ratn'gari terwijl Puc en Hanam naar Shïla zouden gaan. In demonenvorm zou Hanam geen aandacht trekken, terwijl Puc zich beter onzichtbaar kon houden dan Macros zichzelf en Miranda.  

Miranda en haar vader zouden trachten de scheuring naar Midkemia voorgoed te verzegelen, zoals Macros eens had gedaan met de scheuring tussen Midkemia en Kelewan, terwijl Puc en Hanam de ingang naar het demonenrijk zouden sluiten.

Miranda keek naar haar vader, toen naar Puc, en zei: 'Ik wil even onder vier ogen met Caelis praten.' Ze stond op en liep naar de halfelfse krijger, hem beduidend met haar mee te gaan. Ze liepen langs de reusachtige gedaante van het slapende orakel, een immense draak die in regeneratieslaap was gegaan. Om haar heen stonden mannen, jonge en oude, de begeleiders, die tevens hun kennis doorgaven. De Orakels van Aäl en hun begeleiders stierven wanneer het hun tijd was, maar hun kennis bleef bestaan zolang er nieuwe lichamen gevonden werden die hun geesten konden bevatten.  

Toen ze ver genoeg bij de anderen vandaan waren om niet te worden gehoord, vroeg Miranda: 'Wat zit je dwars?'

Caelis produceerde een scheef lachje. 'Alles.' Hij zweeg even. 'Ik ben bang dat ik je nooit meer terugzie.'

Ze zuchtte en raakte zijn wang aan. 'Als dat ons lot is, zullen we dat moeten aanvaarden. Zo niet, dan zien we elkaar terug.'

Met de elfse neiging tot relativeren trok hij een wenkbrauw ietwat op en zei: 'Puc?'

Ze knikte. 'Sommige dingen zijn nu eenmaal zo.' Ze legde haar hoofd op zijn borst. 'Mettertijd zw je zo veel meer weten dan nu en dan zw je hetgeen wij samen hadden zien als een dierbaar en prachtig geschenk, maar zw je ook beseffen dat het een les was, voor ons allebei, opdat we konden leren wat we werkelijk nodig hadden.'

Hij nam haar in zijn armen en drukte haar een tijdlang stevig tegen zich aan voordat hij haar langzaam losliet. Toen zijn armen weer langs zijn lichaam hingen, zei hij: 'Ik zal niet zeggen dat ik het begrijp, maar ik zal van je aannemen dat het waar is wat je zegt.'

Ze raakte zijn gezicht nogmaals aan en keek hem in de ogen. 'Lieve Caelis. Altijd bereid te dienen. Altijd bereid te geven. Maar je vraagt niemand ooit iets voor jezelf. Hoe komt dat?'

Glimlachend haalde hij zijn schouders op. 'Zo ben ik nu eenmaal. Ik heb nog veel te leren. Zoals jij me altijd zo graag in herinnering brengt: ik ben nog erg jong. Door te dienen kan ik leren, en door te leren kan ik ontdekken wie ik ben.'

'Een fantastisch en uniek persoon,' zei ze zacht, hem op de wang kussend.

Hij knikte. 'Kan je me in ieder geval enig idee geven wat ik moet doen terwijl ik hier in deze grot zit te wachten?'

'Ik weet alleen wat Puc me heeft verteld,' zei Miranda.

'Dan zal ik het hem nog maar een keer vragen.' Hij stapte langs haar heen en liep naar Puc, die met Macros en Hanam stond te wachten. Hij zei tegen Puc: 'Als je dan niet weet waarom ik hier ben, kan je me dan in ieder geval vertellen wat je vermoedens daarover zijn?'

Puc draaide zich om en wees naar een enorme verhoging op de stenen vloer, een paar voet bij de sluimerende draak vandaan. 'Dat is de reden,' zei hij, en iedereen in de grot voelde iets veranderen, alsof ze allemaal een stukje werden verschoven, al bleef iedereen staan waar hij stond. Maar op de voorheen lege verhoging stond nu een reusachtig fonkelend groen juweel, waaruit een gouden zwaard stak. Vanuit het juweel zelf scheen een pulserend licht te komen. Caelis voelde zich er onmiddellijk toe aangetrokken en liep ernaar toe. 'De Levenssteen,' zei hij zacht.

'Je moet een klein stukje in de tijd worden verplaatst om hem te kunnen zien,' legde Puc uit.

Caelis keek naar het gouden wapen. 'Mijn vaders zwaard.'

'Het deel van de Valheru dat dit trachtte te veroveren, belichaamd in de gedaante van Dreeken-Korin, wierp zich op de steen, en je vader stak dat zwaard er diep in. Hoe weet ik niet, maar daarmee maakte hij een einde aan de Oorlog van de Grote Scheuring. De Valheru werden diep in het juweel gezogen en je vader wilde het risico niet nemen zijn zwaard eruit te trekken.'

Caelis knikte, zonder zijn ogen van de glinsterende facetten af te wenden. 'Ik zal dit bestuderen.'

'We kunnen niet langer wachten,' zei Miranda tegen Puc.

Samen met Macros en Hanam kwam Puc naar haar toe en Puc ging naast de demon staan. Hij riep in gedachten een beeld op van het embleem boven de deur naar Shila, het symbool dat aangaf welke deur in de Galerij ze moesten hebben. Miranda had het uit het hoofd geleerd en die herinnering aan Puc doorgegeven, zodat het was alsof hij er zelf voor had gestaan. Hij knikte eenmaal met zijn hoofd en verdween samen met de demon uit het zicht.  

Na een laatste blik op Caelis knikte Miranda naar haar vader, pakte zijn hand en bracht zichzelf en Macros over naar de tunnels onder de bergen overzee.

 

'Bericht van kapitein Breyer, kapitein.'

Erik wreef in zijn ogen en knipperde een paar keer. Na de gevechten had hij een uurtje kunnen slapen. Sinds de vorige dag, toen Grijslok naar het Oosten was vertrokken, waren ze driemaal aangevallen, de laatste keer tegen zonsondergang. Zonder moeite hadden ze de op hen afgestuurde troepen kunnen verslaan, gedeeltelijk dankzij de compagnie van vijftig boogschutters, infanteristen met langbogen, die Grijslok had achtergelaten. Een volle dag voordat hij zich terugtrok, zou hij hen vooruit moeten sturen, want ze zouden de cavalerie nooit bij kunnen houden, maar hij was nu erg blij met hun aanwezigheid. Het was zijn opdracht stand te houden bij de weg tot duidelijk werd dat de druk langs het front overal gelijk was, en dan terugtrekken om een zwakke plek in de verdedigingslinie achter te laten. Het was de bedoeling van prins Patrick en heer Wiliam de vijand tussen Krondor en Zwartheide terrein te laten winnen, maar alleen waar het Koninkrijk dat wilde.  

Erik las het bericht. 'Tot nog toe gaat alles goed,' was zijn commentaar.

Hij liet de soldaat inrukken en keek naar de boodschapper, een Hadati uit de heuvels van Yabon. 'Ga wat eten, duik in je bedrol en vertrek bij het eerste licht.'

De heuvelman knikte en vertrok, en Erik draaide zich om, zijn deken over zich heen trekkend om de slaap weer te vatten. Een tijdlang bleef hij liggen denken aan Kitty, zich afvragend of het goed met haar ging. Hij was er vrijwel zeker van dat ze vroeg genoeg was vertrokken om geen last te hebben van de gevaren op de weg waar de reizigers nu mee te kampen hadden. Toen richtten zijn gedachten zich op Ru en hij vroeg zich af of hij en zijn gezin in veiligheid waren.

 

Jacob Esterbeek zat achter zijn schrijftafel, met onbewogen gezicht luisterend naar Ru, die er bij hem op aandrong zijn boeltje te pakken en weg te gaan. 'Ik begrijp de gevaren, jongeman,' zei hij uiteindelijk. Hij stond op, liep rond de schrijftafel en wees naar de landkaart van het Koninkrijk dat tussen twee grote boekenkasten aan de muur hing. 'Ik deed al zaken met het Keizerrijk Groot Kesh toen jij nog niet eens was geboren. Ik heb zaken gedaan met Queg. Als de politiek in het gebied verandert, zal ik ook wel zaken kunnen doen met de nieuwe machthebbers, wanneer het stof weer is neergedaald.'  

Ru's ogen werden groot van verbazing. Hij had urenlang in het donker gereden, met gevaar voor eigen leven, om Esterbeek te waarschuwen, en nu vertelde oude man hem doodleuk dat hij geen noodzaak zag om zijn boeltje te pakken. 'Jacob, met alle respect voor je zakeninstinct, maar ik probeer je duidelijk te maken dat er een heel leger van moordlustige vechtersbazen deze kant op komt. Ik ken dat leger. Ik heb er zelf een tijdje in gediend.'

Op dat punt trok Jacob geïnteresseerd een wenkbrauw op. 'Werkelijk?'  

'Ja, en ik heb geen tijd om je de bijzonderheden te vertellen, maar geloof me nou maar als ik zeg dat die lui geen enkele interesse hebben in het sluiten van handelscontracten. Ze komen dit huis tot de grond toe platbranden nadat ze er alles uit hebben geroofd wat maar een koperstuk waard is.'

Jacob glimlachte, en Ru was niet blij met wat hij zag. 'Je bent een talentrijke jongen, Rupert, en ik vermoed dat je het uiteindelijk ver zou hebben geschopt, ook zonder de hulp van hertog Robert. Ik weet natuurlijk wel dat je zonder mij veel transacties niet had kunnen afsluiten, maar die zaak met dat graantekort in de Vrijsteden, dat was briljant.' Hij nam weer plaats achter zijn tafel, trok een la open, haalde er een perkament uit en legde dat op tafel. 'Had je Roberts steun niet genoten, dan zou ik je natuurlijk uit de weg hebben laten ruimen zodra je me tot last werd, maar zoals de zaken zich nu hebben ontwikkeld, heb ik geen klachten.' Hij slaakte een zucht. 'Voor alle duidelijkheid,' zei hij, wijzend op het perkament, 'dit is een machtiging om te onderhandelen met de indringers en het opstarten van gesprekken met het oog op het beëindigen van de vijandelijkheden.'  

'Nadat ze Krondor hebben platgebrand?' zei Ru.

Jacobs glimlach werd breder. 'Wat kan Groot Kesh de verwoesting van een Koninkrijkse stad nou schelen?'

'Groot Kesh?'

'Rupert, doe niet zo dom,' zei Jacob. 'Je moet allang tot de conclusie zijn gekomen dat ik wat betreft de handel met het zuiden over meer beschikte dan alleen mijn niet onaanzienlijke bekwaamheden op het zakelijke vlak. Ik heb hooggeplaatste vrienden aan het keizerlijk hof en die hebben het me gemakkelijk gemaakt om jou van de Keshische handelsroutes te houden. En nu willen ze tot een snelle overeenkomst komen met de indringers, deze Smaragden Koningin, en een nieuwe grens vaststellen.'  

Ru was verbluft. 'Een nieuwe grens?'

'Prins Erland heeft een niet-aanvalsverdrag gesloten met Groot Kesh in ruil voor de overdracht van het gebied in het Dromendal.' Hij wees naar Ru. 'Wat jij volgens mij wist, aangezien je mij je eigendommen in Shamata hebt verkocht. Je besefte alleen niet dat de nieuwe gouverneur van Shamata meer dan bereid is mijn aanspraak op die bedrijven te erkennen. Maar het punt met dat verdrag is dat we weliswaar hebben gezworen het Koninkrijk niet binnen te vallen, maar er is niets afgesproken dat ons ervan weerhoudt tot een vergelijk te komen met de nieuwe heersers in het land ten noorden van het keizerrijk. Met dat doel is er op dit moment al een tamelijk groot leger op mars om alle gebieden in het Dal te bezetten, niet alleen die welke in het verdrag aan ons zijn toegewezen. En als deze narigheid voorbij is, houden we die gebieden ook in handen.'  

'Je bent een Keshiër,' zei Ru zacht.

Jacob spreidde zijn handen en haalde zijn schouders op. 'Niet van geboorte, beste Rupert, maar van beroep.'

'Je bent een spion!'

'Ik zie mezelf meer als handelaar in de breedste zin van het woord, iemand die de handel tussen het Koninkrijk en Groot Kesh regelt in goederen, diensten... en informatie.'

Ru stond op. 'Nou, wat mij betreft mag je branden in de hel, Jacob. Maar ik laat Sylvia niet hier met jou doodgaan.'

'Het staat mijn dochter vrij te vertrekken als ze dat wil,' zei Jacob. 'Ik heb al heel lang geleden de hoop opgegeven dat ze naar me luistert. Als ze met je mee wil, dan mag dat.'

Zonder een nader woord liet Ru de oude man achter in diens werkkamer. Hij liep snel de trap op naar Sylvia's kamer en maakte de deur open zonder te kloppen. Sylvia zat op het bed en Duncan stond over haar heen gebogen, met één voet op het bed en met een hand in een vertrouwelijk gebaar op haar schouder, en hij schonk haar zijn meest charmante glimlach. Sylvia scheen boos om iets wat Duncan had gezegd en ze waren zo verdiept in hun discussie dat ze Ru niet opmerkten.  

'Nee!' zei Sylvia. 'Ga terug. Je moet het vannacht nog doen, idioot. Als hij het landgoed heeft verlaten, is het te laat!'

'Is wat te laat?' vroeg Ru.

Sylvia sprong op van het bed en Duncan deed een stap achteruit. 'Nee maar, neef,' zei Duncan, 'ik was juffrouw Esterbeek juist aan het vertellen dat ze moet evacueren.'

Ru nam het tafereel in ogenschouw en trok toen langzaam zijn zwaard. 'Nu zie ik wat een sukkel ik ben geweest.'

'Ru!' zei Sylvia. 'Je denkt toch niet... niet Duncan en ik?'

In een verzoenend gebaar hief Duncan zijn handen op. 'Neef, wat doe je nou?'

'Vanaf het begin heb ik nooit begrepen waarom ik Jacob nooit te vlug af kon zijn. Nu ben ik erachter dat hij een spion voor Groot Kesh is en dat mijn eigen neef mijn minnares van informatie heeft voorzien.'

Duncan keek alsof hij iets wilde zeggen, maar plots veranderde zijn glimlach in een valse grijns en rukte hij zijn zwaard uit de schede. 'Ik heb genoeg van deze vertoning, verdomme.' Hij haalde uit. Ru pareerde en riposteerde. Moeiteloos wist Duncan de kling te ontwijken.

'Dan zijn we met zijn tweeën,' zei Ru.

Weer grijnsde Duncan, zijn gezicht vol haat en kwaadaardigheid. 'Je hebt geen idee hoe ik heb uitgezien naar dit moment, neefje. Jouw kliekjes eten en jouw boodschappen doen terwijl jij die invalide Rodezische hond de hele tijd voortrekt. Nou, hiermee maak ik een einde aan die belediging en dan hoef ik Sylvia ook niet meer met je te delen.'

'Dus zo staan de zaken ervoor?'

'Natuurlijk, idioot!' schreeuwde Sylvia. Ze liet zich van het bed af rollen toen een reeks zwaardslagen gevaarlijk dicht bij haar in de buurt kwam.

'Ik hoef die dikke koe niet eens te vermoorden, mijn schat. Ik maak nu een einde aan Rupert en dan trouw ik met Karli. Als er genoeg tijd is verstreken, ruimen we haar uit de weg en kan je met mij trouwen.'

Rupert haalde uit met een slag die gericht was op Duncans hoofd, en toen Duncans zwaard parerend omhoog kwam, bracht Ru de kling razendsnel omlaag voor een aanval van opzij. Maar Duncan draaide slechts met zijn pols, zijn zwaard omlaag brengend om er Ru's kling mee op te vangen. 'Leuk geprobeerd, neefje,' zei Duncan, 'maar met het zwaard kon je nooit tegen me op en dat weet je heel goed. Uiteindelijk bega je een fout en dan maak ik je af.'  

Ru zei niets. Zijn ogen vulden zich met haat toen hij besefte hoe hij zich had laten beetnemen. Hij veinsde een aanval naar links en draaide toen bij met een flitsende slag vanaf rechts waarmee hij bijna Duncans linkerarm afhakte, maar de langere zwaardvechter huppelde behendig achteruit. 'Karli zou nooit met je trouwen, zwijn dat je bent. Ze haat je.'

'Ze kent me gewoon niet,' zei Duncan glimlachend. 'Ze weet mijn betere kwaliteiten niet op prijs te stellen.' Hij stak toe, zich helemaal uitstrekkend, en trof Ru bijna in de schouder. Ru bukte iets en sloeg het wapen van zijn neef opzij en stak op zijn beurt toe, Duncan achteruit drijvend.

Sylvia stond achter het bed, in de hoek, de handen in de gordijnen geslagen. 'Dood hem, Duncan!' schreeuwde ze. 'Speel niet met hem.'

'Met genoegen,' zei Duncan en viel ineens aan met grotere snelheid dan Ru voor mogelijk had gehouden.

Ru deed zijn best zich te verdedigen en merkte dat hij net zo snel was als zijn neef, maar Duncan had de meeste ervaring van hen beiden. Eén voordeel had Ru: hij had nog maar een jaar geleden een duel op leven en dood uitgevochten, terwijl Duncan in geen tijden meer een serieuze tegenstander had gehad. Duncan begon zijn aanvallen te improviseren en Ru zag zijn voordeel. Als hij zijn meer bedreven neef kon afmatten tot hij moe was, kon hij dit duel uiteindelijk winnen. Daarom richtte Ru zich op overleven, terwijl Duncan het gevecht trachtte te beslissen.  

Heen en weer gingen ze, hakkend en stekend, blokkerend en parerend. Een paar kandelaars wierpen dansende schaduwen door de kamer, de vlammen flakkerend en sidderend door de drukke bewegingen. Het gegalm van staal op staal bracht bedienden naar de deur van Sylvia's kamer, en toen een dienstmeisje met grote schrikogen naar binnen keek, gilde Sylvia: 'Ga Samuel halen!'  

Ru kende Samuel, de koetsier, een breedgeschouderde kerel met een stierennek, en nu hij wist dat Jacob werkte namens Groot Kesh vermoedde hij dat Samuel een van Jacobs assistenten was. Als Samuel de kamer in kwam, zou Ru mogelijk zodanig worden afgeleid dat Duncan hem kon doden.  

Hij probeerde aarzelend te kijken en toen Duncan erin trapte en zich bij zijn aanval te ver naar voren strekte, begon Ru aan een furieus tegenoffensief om zijn neef terug naar de muur te drijven. Daarop draaide hij zich razendsnel om, rende naar de deur en smeet hem dicht, hem vergrendelend voordat Duncan zich kon herstellen. 'Voorlopig krijg je nog geen hulp, Duncan,' zei hij, hijgend van de inspanning.  

'Heb ik niet nodig,' zei Duncan en kwam langzaam door de kamer op hem af. Ru dook ineen en wachtte af.

Sylvia stond in de hoek roerloos te kijken naar de twee om elkaar heen cirkelende mannen, haar gezicht een masker van onverholen haat.

Telkens werden er slagen uitgewisseld, maar niemand raakte gewond. Beide mannen wisten wat ze aan de ander hadden. Ze hadden lang genoeg met elkaar geoefend. Duncan mocht dan een betere zwaardvechter zijn, maar Ru had zoveel tijd schermend met hem doorgebracht dat ze aan elkaar gewaagd waren. Het zweet liep bij hen allebei over het gezicht en in hun hemd. Op deze warme zomeravond waren ze in de afgesloten ruimte van de kamer al snel buiten adem. Heen en weer gingen ze door de kamer, zonder dat een van hen de overhand kon krijgen. Ondertussen lette Ru op of Duncan van stijl veranderde of vermoeid raakte. Duncans frustratie liep op, want al had hij Ru bij het oefenen met grote regelmaat verslagen, ditmaal hield de kleine man goed stand en leek zelfs scherper dan hij van hem gewend was.  

Gebons op de deur kondigde de komst aan van Samuel, de koetsier. 'Juffrouw!' riep hij door de deur.

'Ik word aangevallen!' gilde ze. 'Rupert Avery wil me vermoorden. Zijn neef Duncan verdedigt me. Trap de deur in!'

Een ogenblik later luidde de eerste dreun de aanval op de deur in. Vermoedelijk trachtte de koetsier samen met een andere man de deur met de schouder in te beuken. Ru wist hoe dik het eikenhout en de ijzeren grendel waren, hij had de deur zelf vaak genoeg op slot gedaan. Straks zouden ze iets moeten zoeken om als ram te gebruiken, want hun schouders zouden het veel eerder begeven dan de zware deur.  

Plots ving Ru uit zijn ooghoek een beweging op en zag dat Sylvia over het bed langs hem heen probeerde te komen om de grendel van de deur te halen. Hij sprong achteruit en zwaaide met zijn zwaard in haar richting, waarop ze gillend terugdeinsde. 'Niet zo snel, mijn lief,' zei hij. 'Wij hebben ook nog een rekening te vereffenen.'

Met een kreet van pure frustratie dook Duncan naar voren en dreef Ru terug naar de kant van het bed tegenover Sylvia. Even ging zijn blik naar de deur, alsof hij inschatte of hij een kans had die open te maken. Toen zijn ogen opzij flitsten, volgde Ru's zwaard en er verscheen een rode vlek op Duncans witzijden hemd: een snee in de rechterschouder.

Ru glimlachte. Het was maar een onbeduidende wond, maar de klap voor Duncans ijdelheid was immens. Ru had hem als eerste getroffen en nu zou Duncan nog gevaarlijker en roekelozer worden.

Vloekend opende Duncan zo snel als hij kon een nieuwe aanval op Ru, de deur negerend. Hij dreef Ru terug naar de hoek en dook toen op hem af met een stoot, bedoeld om de kleinere man te doorboren. Maar Ru had zijn manoeuvre aan zien komen, aangezien hij wist dat Duncan zijn gebruikelijke stijl bezigde en Ru naar rechts zou volgen. In de jaren van oefening was gebleken dat Ru de neiging had naar rechts te gaan wanneer hij een zwaardstoot ontweek. Ru wist dat Duncan dat wist en aangezien het de meest waarschijnlijke beweging was die hij zou maken, deed Ru iets onverwachts. Hij sprong links van hem op het bed en aan de andere kant er weer af, als een acrobaat. Ondertussen hoorde hij Duncans zwaard tegen de muur slaan. Hij kwam naast Sylvia terecht, draaide zich om en zag Duncan zijn zwaard omhoog brengen en op het bed springen.  

Krijsend haalde Sylvia een dolk onder haar kussen vandaan en stak in op Ru. Ru's aandacht was gericht op Duncan, maar hij zag de beweging vanuit zijn ooghoek en dook iets naar voren. Een vlammende pijn schoot door zijn schouder toen de dolk, gericht op zijn hals, miste en de punt omlaag gleed over zijn rechter schouderblad, afketsend op het bot.

Duncan bracht zijn zwaard weer naar achteren om Ru te doorboren, zoals hij de vorige keer al van plan was geweest. Zonder erbij na te denken sprong Ru achteruit en kwam daarbij tegen Sylvia aan, die in het pad van Duncans aanval struikelde.

Beide mannen bleven een ogenblik als versteend staan toen Duncans zwaardpunt zich diep in Sylvia Esterbeeks zij boorde. De mooie jonge vrouw, haar gezicht verwrongen van haat en razernij, verstijfde en haar ogen werden groot van verbazing. Ze keek omlaag, alsof ze niet kon begrijpen wat er zojuist was gebeurd, en werd toen slap. Heel even werd Duncans zwaard naar voren getrokken, en nog terwijl hij het uit Sylvia's stervende lichaam probeerde te rukken, viel Ru aan. Hij mikte slecht en zijn arm was zwak door zijn verwonding, maar Duncan was uit evenwicht en ongedekt, en de punt van Ru's zwaard trof hem midden in de keel.

Ineens werden Duncans ogen groot, even verbaasd als die van Sylvia. Hij struikelde achteruit en viel op het bed, met zijn hoofd op een van de kussens van zijn minnares. Zijn handen gingen naar zijn keel. Het bloed liep uit zijn hals, mond en neus, en gorgelend trachtte hij de stroom met zijn handen te stelpen.

Ru bleef staan, bloedend en buiten adem kijkend naar zijn neef op Sylvia's bed terwijl diens bloed op de satijnen lakens en kussens droop. Even later vielen Duncans handen slap van zijn keel en rolde zijn hoofd naar rechts, alsof hij nog een laatste keer keek naar Ru en Sylvia terwijl het leven uit hem wegvloeide.

Ru keek omlaag naar Sylvia, liggend aan zijn voeten, omhoog starend met een even lege blik als die van Duncan. Het bonken op de deur werd

harder en regelmatiger en Ru begreep dat ze hun toevlucht hadden genomen tot een tafelpoot of een ander zwaar voorwerp.  

Op wankele benen liep hij naar de deur en schreeuwde: 'Achteruit!' Hij schoof de zware ijzeren grendel terug en trof drie mannelijke bedienden: Samuel, een stalknecht wiens naam hij zich niet kon herinneren, en de kok, alle drie met een wapen in de hand. De kok had een keukenhakmes, maar de andere twee mannen beschikten over een zwaard. Woest staarde hij het drietal aan en zei: 'Ga opzij of sterf.'

De drie bedienden keken naar de met bloed bedekte lichamen achter de kleine man met het zwaard en stapten toen achteruit. Ru liep de gang in.

Achter de drie mannen stonden de andere bedienden, dienstmeisjes, koks, tuiniers en de rest. 'Sylvia is dood,' zei Ru.

Een van de dienstmeisjes snakte naar adem, maar een andere glimlachte tevreden.  

'Er komt een leger deze kant op,' zei Ru. 'In de loop van morgen zijn ze hier. Grijp wat je kunt en vlucht naar het oosten. Zo niet, dan ben je morgen rond deze tijd dood en verkracht of weggevoerd als slaaf. En nu opzij!'

Niemand aarzelde. Iedereen draaide zich om en vluchtte de trap af. Ru strompelde naar beneden en zag onder aan de trap dat de bedienden al bezig waren alle vervoerbare voorwerpen het huis uit te dragen. Even overwoog hij terug te gaan naar Jacobs werkkamer en de verrader te doden, maar hij was te moe. Het zou hem al zijn krachten kosten om terug naar huis te gaan. Zijn wond was niet levens bedreigend, maar kon wel ernstig worden als hij niet werd verzorgd.  

Naar buiten strompelend trof hij zijn paard waar hij het had vastgebonden. Hij stak zijn zwaard in de schede en klom op pure wilskracht in het zadel. Het paard naar de poort wendend, gaf hij het de sporen en het dier vertrok in galop, op weg naar huis. 

 

Luis verbond Ru's schouder terwijl Karli zenuwachtig rondliep met een kom water in haar handen. 'Zo erg is het niet,' zei Luis. 'Het bot ligt bloot, maar alleen maar op het schouderblad.' Hij was de wond aan het hechten met een zijden draad en een naald uit Karli's naaidoos. 'Erg bloederig, maar niets van blijvende schade.' Toen Ru ineenkromp, voegde hij eraan toe: 'Al zal het verrekte pijn doen.'

'Doet het ook,' zei Ru, bleek van het bloedverlies en de pijn.

'Nou, als er een slagader was geraakt, was je al dood geweest, dus goed beschouwd heb je geluk gehad.' Hij trok de laatste hechting dicht en wenkte om een doek, waarmee hij de wond schoon veegde. 'We zullen het verband tweemaal per dag verwisselen en de wond goed bijhouden. Als het gaat etteren word je doodziek.'

Beide mannen hadden geleerd hoe ze wonden moesten verzorgen, dus Ru wist dat hij in goede handen was.

'Het spijt me van Duncan,' zei Helen.

Ru had hun verteld dat Duncan en hij waren overvallen door bandieten die op de vlucht waren voor het invasieleger. Kijkend naar Karli besloot hij haar de waarheid te vertellen als alles voorbij was, als zijn gezin in veiligheid was en hij haar om vergeving kon vragen. Wellicht zou hij nooit echt van zijn vrouw houden, maar wat hij met haar had, was stukken degelijker dan de illusie van liefde die hij voor Sylvia had gevoeld, wist hij nu.  

De hele weg naar huis, zijn wond kloppend met iedere hartslag, had hij zichzelf uitgemaakt voor imbeciel. Hoe had hij kunnen denken dat ze van hem hield? Er had nog nooit iemand van hem gehouden, behalve dan misschien Erik en de andere mannen die met hem overzee hadden gediend, en dat was de liefde van kameraden. De liefde van een vrouw had hij nooit gekend, alleen hun omhelzing.

Tweemaal hadden de tranen hem over de wangen gelopen toen hij dacht aan de talloze keren dat hij ervan had gedroomd dat die moorddadige teef de moeder van zijn kinderen was, en hij was steeds kwader op zichzelf geworden.  

En zijn vertrouwen in Duncan... Hoe had hij zo blind kunnen zijn?

Misleid door hun familieband en Duncans ongedwongen charme had hij de ware aard van de man geweigerd te onderkennen. Hij was lui, egoïstisch en verraderlijk. Hij was een echte Avery, besloot Ru.  

Drinkend van de beker water die Helen hem gaf, zei Ru: 'Luis, als er iets met mij gebeurt, wil ik dat jij Avery & Zoon voor Karli bestuurt.' Karli's ogen werden groot en liepen vol tranen. 'Nee!' Ze knielde voor haar man neer en zei: 'Er gebeurt niets met jou!' Ze leek welhaast radeloos bij de gedachte om Ru te verliezen.  

Ru glimlachte. 'Vanavond anders bijna wel. Ik ben niet van plan om binnenkort deze wereld te verlaten, maar ik heb genoeg oorlog gezien om

te weten dat je niet wordt geraadpleegd over het tijdstip van je verscheiden.' Hij zette zijn beker neer en pakte haar handen. 'Ik zeg het alleen maar voor het geval dat, meer niet.'  

'Ik begrijp het.'

Toen keek hij naar Helen. 'Ik zou het op prijs stellen als jullie nog een tijdje bij ons bleven. Als dit voorbij is, bedoel ik. We moeten allemaal opnieuw beginnen en dan hebben we alle vrienden nodig die we maar kunnen vinden.'

'Natuurlijk,' zei ze glimlachend. je bent erg goed geweest voor mij en de kinderen. Ze zien je als een tweede vader en ik kan je niet genoeg bedanken voor alle zorg die je in het bestuur van mijn bedrijf steekt.' Ru stond op. 'Ik ben bang dat er van al onze bedrijven weinig over is als deze oorlog is afgelopen.'

Helen schudde haar hoofd. 'Maar we overleven het wel,' zei ze. 'En we beginnen gewoon opnieuw:'

Ru glimlachte en wierp een blik op zijn vrouw, die nog steeds bang keek. 'Gaan jullie maar wat slapen. We vertrekken over een paar uur. Luis en ik hebben voor die tijd nog wat dingen te bespreken.'

je wond,' zei Karli. je hebt rust nodig.'

'Ik krijg genoeg rust in de koets, wees maar niet bang. De komende dagen rijd ik niet zelf.'

'Goed dan,' zei ze, wenkte Helen en liep met haar naar boven.

Bij Ru's terugkomst waren beide vrouwen wakker geworden en in hun nachthemd naar beneden gekomen. Terwijl ze de trap weer op liepen, volgden Luis' ogen Helen tot ze uit het zicht was verdwenen. 'Een bijzondere vrouw,' zei Ru's oude kameraad.  

Ook Ru had bewonderend gekeken naar de ronding van haar heupen onder de dunne stof van haar nachtjapon en zei: 'Dat heb ik ook altijd gevonden.'

Wat is er nu echt gebeurd?' vroeg Luis. Ru keek hem aan. 'Hoe bedoel je?'

'Ik weet toch zeker wel hoe een dolkwond eruitziet. Ik heb er zelf genoeg veroorzaakt en je bent schuin van achteren gestoken. Als die bandiet had geweten wat hij deed, dan was je allang dood geweest.' Hij nam plaats op een stoel tegenover Ru. 'En bandieten bespringen geen gewapende mannen die geen waardevolle spullen bij zich hebben.'

'Ik ben naar huize Esterbeek geweest.'

Luis knikte. 'En daar heb je Duncan met Sylvia betrapt.'

'Wist je daarvan?'

De oudere strijder knikte weer. 'Natuurlijk wist ik daarvan. Ik zou een blinde gek zijn geweest als ik het niet wist.'

'Nou, dan ben ik dus een blinde gek.'  

'Dat zijn de meeste mannen als ze daarmee denken,' zei hij, wijzend naar Ru's kruis. 'Duncan ging al meer dan een jaar met dat wicht naar bed.'

'En je hebt niets gezegd. Waarom niet?'

Luis slaakte een zucht. 'De reden waarom ik het hof van Rodez in schande heb verlaten, was om een vrouw: Ik werd erin geluisd door de vrouw van een edelman. In het gevecht dat daarop volgde, heb ik hem verwond. Tegen de tijd dat ik in Krondor gevangen werd genomen, was hij dood, zodat ik zou worden opgehangen wegens moord. Toen kwam ik jou in de cel tegen.' Hij knikte. 'Ik weet wat het is om te denken dat je van iemand houdt, verblind als je bent door schoonheid en wezenloos van die zachte huid en warme geur. De dame die mij in het verderf heeft gestort was een berekenende teef, die me nadat ik uit haar bed was gestapt net zo min een blik waardig keurde als de bediende die haar schoenen poetste, maar zelfs nu kan de gedachte aan hoe ze eruitzag in het zachte kaarslicht mijn lust opwekken.' Hij deed zijn ogen dicht bij de herinnering. 'En als ze nu aan de deur stond om mij uit te nodigen nog eenmaal het bed met haar te delen, kan ik niet eens zeggen of ik wel zo verstandig zou zijn om te weigeren. Sommige mannen leren het nooit en anderen pas als het te laat is. Wat voor man ben jij?'  

'Ik wil nooit meer zo'n grote idioot zijn,' zei Ru.

'En toch staar je naar Helen Jacoby en vraag je je af hoe het zou zijn om in die zachte armen te liggen, met je hoofd op die volle boezem en haar benen om je heen geslagen.'

Ru kneep zijn ogen tot spleetjes. Wat wil je daarmee zeggen?'

Luis haalde zijn schouders op. 'Daar wil ik onder andere mee zeggen dat het iets is wat iedere gezonde man zou doen, want Helen is een mooie vrouw met een zacht en vriendelijk karakter. Zelf heb ik het net zo goed bij dergelijke vrouwen, al hou ik die gedachten voor mezelf. Alle mannen hebben dat. Maar ik wil er ook nog iets anders mee zeggen: Rupert Avery is op zoek naar iets wat hij niet heeft.'

'En wat is dat?'

'Dat weet ik niet, mijn vriend,' zei Luis, overeind komend. 'Maar je zult het niet vinden in de armen van een andere vrouw, net zo min als je het hebt gevonden in de armen van je echtgenote of van Sylvia Esterbeek.' Hij legde een vinger op Ru's hoofd. 'Dat vind je hier.' Toen drukte hij hem op de borst. 'En hier.'

Ru zuchtte. 'Misschien heb je gelijk.'

'Ik weet zeker dat ik gelijk heb,' zei Luis. 'Trouwens, Helen is op haar eigen manier even gevaarlijk als Sylvia was.'

'Hoe dan?' vroeg Ru. 'Sylvia verraadde me en wilde Duncan gebruiken om Karli te vermoorden, zodat ze met mij kon trouwen en mij later kon vermoorden om mijn fortuin te krijgen.' Met strakke blik keek hij Luis aan. 'Je denkt toch zeker niet dat Helen zo is?'  

'Nee,' zei Luis met een zucht. 'Zij is op een heel andere manier gevaarlijk. Zij houdt echt van je.' Hij draaide zich om naar de deur. 'Als dit voorbij is, zou je er goed aan doen haar weg te sturen. Zorg voor haar welzijn als je moet, maar laat haar gaan, Ru. En nu moet ik naar de wagens gaan kijken. Rust jij maar uit. Dat heb je nodig.'  

Alleen achtergebleven, bleef Ru zitten in de stoel en voelde alle kracht uit hem wegvloeien. Hij was nog net in staat op te staan om een paar stappen naar een bank te doen en daarop te gaan liggen, op zijn buik om zijn schouder te ontzien. Helen verliefd op hem? Dat was onmogelijk. Ze mocht hem graag, ja, dat wel. En ze was hem dankbaar voor zijn zorg om haar en de kinderen. Maar van hem houden? Dat kon niet.

Toen voelde Ru alle woede, pijn en eenzaamheid uit heel zijn leven naar boven komen. Nog nooit had hij zich zo stom, onbekwaam en misbruikt gevoeld. Twee mensen van wie hij had gedacht dat ze van hem hielden, hadden samen een plan gesmeed om hem te vermoorden en waren nu dood. En nu vertelde Luis hem dat de vrouw die hij het meest bewonderde echt van hem hield en dat hij haar weg moest sturen. Onbedoeld welden er tranen op van zelfmedelijden en woede over zijn eigen tekortkomingen.  

De slaap kwam echter snel toen de uitputting het van de woede won, en het leek dat hij maar een paar momenten rust voor zichzelf had gehad toen Luis hem kwam wekken met de mededeling dat het tijd was om zijn huis te verlaten.

Op beverige benen en knipperend met zijn ogen kwam Ru overeind.

Hij liet zich door Luis naar de wagens helpen en zag dat Karli, Helen en de kinderen al in de koets zaten, klaar voor vertrek.

'Ik heb je tot het laatste moment laten slapen,' zei Luis, beduidend dat Ru kon instappen.

Ru keek naar de horizon en zag de zon opkomen. 'We hadden al een uur op weg moeten zijn,' zei hij.

Luis haalde zijn schouders op. 'We hadden veel te doen en maar weinig tijd. Met één uur extra wordt het er toch niet veiliger op.' Hij wees naar het westen.

In het grijze ochtendlicht zag Ru torens van rook in de verte. Brandende huizen. In het noordwesten waren vage flikkeringen van vuur te zien. 'Ze zijn al heel dichtbij,' zei hij.  

'J a,' zei Luis. 'Laten we maar gaan.'

Ru stapte de koets in en wurmde zich neer naast Karli. Helmut, zijn zoon, zat aan haar andere kant en aan de overkant zat Helen tussen haar twee kinderen in. Abigail speelde op de vloer van het rijtuig met een pop, tussen Karli's voeten, ondertussen een liedje zingend. Ru liet zijn hoofd zakken op de schouder van zijn vrouwen deed zijn ogen dicht.

Het was een hobbelige rit en van slapen zou er waarschijnlijk niet veel komen, maar in ieder geval kregen zijn ogen dan wat rust. Terwijl hij weer indutte, vroeg hij zich af hoe het Jacob Esterbeek verging, onderhandelend met de indringers. 

 

Jacob Esterbeek zat rustig achter zijn schrijftafel. De eerste ogenblikken van zijn confrontatie met deze nieuwe indringers waren van vitaal belang. Als hij sporen van angst of paniek of een zweem van onzekerheid of vijandigheid vertoonde, zouden ze verkeerd reageren. Maar als hij kalm bleef en slechts vroeg naar iemand met gezag die zijn boodschap van de sleutelfiguren aan het Keshische hof kon overbrengen naar deze Smaragden Koningin, wist hij zeker dat zijn positie veilig was.  

Bij de ontdekking dat zijn dochter dood was had hij een verrassende droefheid ervaren. Hij had het meisje nooit echt gemogen, maar ze was nuttig geweest, evenals haar moeder destijds.

Jacob vroeg zich af waarom mannen zich soms zo'n zorgen maakten over het grootbrengen van kinderen. Voor hem waren ze altijd een raadsel gebleven.  

Het geluid van naderende paarden kondigde de komst aan van de indringers. Jacob sprak zichzelf kalmte in. Hij had al nagedacht over hetgeen hij zou zeggen. In de gang klonken voetstappen en de deur werd opengesmeten. Twee vreemd geklede mannen kwamen binnen, de ene uitgerust met een zwaard en schild en de andere met een boog. Beiden hadden hun haar ingevet en droegen het in lange vlechten in een halve cirkel onder hun hoofd. De littekens in hun beider wangen waren eerder de overblijfselen van een ritueel, meende Jacob, dan van de strijd.

Jacob hield beide handen omhoog om te laten zien dat hij ongewapend was, de geloofsbrief in zijn linkerhand. Uit zijn informatie over het verre continent wist hij dat de bewoners van dat land een variant spraken van het Keshisch dat jaren geleden aan de Bitterzee werd gesproken en verwant was aan de dialecten van Queg en Yabon.  

'Gegroet,' sprak Jacob langzaam. 'Ik wil graag iemand spreken met gezag. Ik heb een boodschap van de Keizer van Groot Kesh.'

De twee krijgers keken elkaar aan. De boogschutter vroeg iets aan de ander in een taal die Jacob nog nooit had gehoord en de man met het schild knikte naar hem. De schutter hief zijn wapen en de pijl die hij afschoot, prikte Jacob vast aan de rugleuning van zijn stoel.

Terwijl het licht in zijn ogen doofde, zag hij de twee mannen met getrokken messen op hem af komen.

Later die ochtend kwam de kapitein van een van de vele huurlingen-korpsen in het leger van de Smaragden Koningin aangereden met een groep van twintig man, die zich verspreidde. Tien omsingelden het landhuis en acht stegen af om naar binnen te gaan, terwijl de andere twee de paarden vasthielden. Alle mannen uit het korps stierven van de honger en voorlopig werd er uitsluitend acht geslagen op eetbare dingen.  

Korte tijd later kwam een van de strijders het huis uit met een uitdrukking van grote afkeer op zijn gezicht. 'Wat is er?' vroeg de kapitein.

'Die vervloekte Jikanji-kannibalen. Ze zitten iemand op te eten.'

De kapitein schudde zijn hoofd. 'Op dit moment kom ik haast in de verleiding om bij hen aan te schuiven.' Hij keek rond. 'Waar is Kanhtuk? Die spreekt dat gebrabbel van hen. Ze moeten verder de weg af om iets anders te eten te zoeken dan tweebenig varken.'

De mannen kwamen terug en een van hen zei: 'Achterin is nog vee. Kippen, een hond en wat paarden!' Een van de andere ruiters kwam aangereden en zei: 'Er staan koeien in de wei, kapitein!'

Met een lach steeg de kapitein af. 'Neem de paarden mee als verversing. En die kippen gaan we slachten. Stook maar een vuurtje op.'  

Haastig gaven de mannen gehoor geven aan de bevelen. Het rundvlees moest naar de kwartiermeester van de koningin, wist de kapitein, maar eerst kregen de mannen en hij wat kip. Bij de gedachte aan gebraden kip kreeg hij kramp in zijn maag. Nog nooit van zijn leven had hij zo'n honger gehad.  

Terwijl de mannen aan de kippen begonnen, riep de kapitein: 'En slacht die hond!'

Hij was opgelucht dat ze eten hadden gevonden. Dat er in een welig land als dit zo weinig eetbaars te vinden viel, was hem een raadsel. Goud, edelstenen, mooie kleren en voorwerpen van zeldzame schoonheid, alles wat gewoonlijk verborgen was, hadden ze overal kunnen vinden, maar nergens eten. In zijn hele leven als soldaat had iedereen die vluchtte altijd goud, juwelen en andere kostbaarheden meegenomen, maar nooit graan, meel, groenten en gevogelte. Zelfs wild was hier schaars, alsof het was verjaagd. Het was alsof de vijand zich terugtrok en alles wat eetbaar was meenam. Het sloeg nergens op.

De huurlingen-kapitein ging zitten en keek op toen een van zijn mannen het huis uit kwam met een aantal flessen wijn. Hij ontkurkte er een en dronk gretig, zich ondertussen afvragend hoelang hij zich nog had kunnen beheersen voor hij zich bij de maaltijd van de Jikanji's zou hebben gevoegd.  

Met de rug van zijn hand zijn mond afvegend, bedacht hij dat hij zich daarover de komende dagen geen zorgen meer hoefde te maken. Verderop hoorde hij het blaffen van de hond, dat plotseling na een kort gejank werd afgekapt, gelijktijdig met het gekakel van kippen wier nekken werden omgedraaid.