19 Catastrofe
Ru grimaste.
Zijn schouder deed zeer als die werd aangeraakt, maar Luis verzekerde hem dat hij niet was geïnfecteerd. Nadat het verband was vervangen, zei Luis: 'Dat houdt het wel even. Als we morgenavond in Wilhelmsburg zijn maken we hem weer schoon.'
'Een bed!' zei Ru. Hij grijnsde naar Karli, Helen en de kinderen. Tijdens de eerste paar dagen onderweg hadden de kinderen de reis nog beschouwd als een avontuur, maar sinds vanmorgen was Abigail gaan vragen wanneer ze weer naar huis gingen. Karli had getracht uit te leggen dat dat nog een hele tijd zou duren, maar 'een hele tijd' van meer dan vijf minuten kon het driejarige meisje niet bevatten.
Krondor was gevallen. Dat was duidelijk geworden aan de hand van de ongelooflijke zuil van zwarte rook die twee dagen na hun vertrek in het westen was verschenen, en het was ook te merken aan het toenemende verkeer op de weg naar het oosten. Het was nu vrij rustig in het kamp, al keken de bewakers die Ru had ingehuurd met het verstrijken van de dagen steeds zenuwachtiger. Deze mannen waren onmiskenbaar gewend dat louter hun aanwezigheid genoeg was om bandieten af te schrikken en ze hadden hoogstwaarschijnlijk zelden een zwaard of handboog moeten trekken. Ru en Luis hadden genoeg tijd met soldaten doorgebracht om dat te kunnen zien. Steeds vaker zag Ru de huurlingen stilletjes met elkaar praten en hij vermoedde dat ze er bij de eerste tekenen van ernstige problemen vandoor zouden gaan. Ru had Luis apart genomen om hem zijn twijfels over de betrouwbaarheid van de huurlingen mee te delen en Luis was het daarmee eens geweest. Luis zorgde ervoor dat hij genoeg tijd met hen doorbracht om zowel hun moreel wat op te krikken als duidelijk te maken dat hij geen pardon zou kennen voor iedereen die zijn gage niet verdiende. Eenmaal in Wilhelmsburg zouden de kansen om zijn kleine karavaan intact te houden beter worden, wist Ru. Daar zouden ze een nacht uitrusten in een van de herbergen die Ru bezat alvorens op weg te gaan naar Ravensburg. Ru had de mannen een deelbetaling van hun loon beloofd en met een beetje goud in hun zak zouden ze wel in het gareel blijven.
Als Eriks familie en die van Milo nog steeds in Ravensburg waren, zou Ru ze mee naar Zwartheide nemen. Uiteindelijk zou Erik daar ook heen komen. Ru had erover nagedacht waarheen hij in het afgelopen jaar wapens en voorraden had vervoerd en waarheen zijn wagens gereedschap en uitrusting hadden gebracht, en dat gecombineerd met het enige wat Erik erover had losgelaten: de Nachtmerriekam.
Hij wist dat de Koninklijke Genie langs de andere kant van de heuvels oude wegen had opgeknapt of nieuwe aangelegd, over een afstand van honderden mijlen, helemaal langs de oostzijde van de Calastiusbergen. Die keten liep als een toegeknepen omgekeerde Y met een lange en een korte poot. De lange poot liep van vlak ten oosten van Krondor tot de Tanden van de Wereld, de uitgestrekte bergketen langs de noordgrens van het Koninkrijk. De korte, oostelijk gelegen poot liep van Zwartheide tot ergens ten noorden van het plaatsje Tannerus, waar de poten samenkwamen. Als Sethanon het uiteindelijke doel van de indringers was, zou de oversteek van de bergen bij Tannerus hen ver van hun bestemming brengen, had Ru geconcludeerd. Ergens ten zuiden van dat punt moesten ze over de Nachtmerriekam, en als het grootste deel van het Koninkrijkse leger inderdaad langs die granieten muur op wacht lag, was er een kans dat de strijd kon worden gewonnen. Als ze de vijand aan deze kant van de heuvels wisten te houden tot het ging sneeuwen, zou het Koninkrijk zegevieren.
Maar de Midzomerdag lag pas drie weken achter hen en op deze zachte zomeravond leek de winterse sneeuw nog eeuwen op zich te laten wachten. Uit zijn jeugd in Ravensburg wist Ru dat de eerste sneeuw vrij vroeg in het jaar kon vallen, maar soms ook pas laat, en alleen een orakel kon weten wat dit jaar het geval zou zijn. In ieder geval zou het op zijn allervroegst pas over zes weken gaan sneeuwen, maar over tien tot twaalf weken was waarschijnlijker. De kans op zware regenbuien was groter, want die waren niet ongewoon, maar sneeuw hoefden ze de eerste maanden niet te verwachten.
Ru ging naar het vuur om te babbelen met Karli en Helen en met de kinderen te praten. Kinderen waren voor hem nog steeds een raadsel, al riep hun aanwezigheid niet meer dat grote ongemak van vroeger op. Zelfs Helmuts nimmer aflatende pogingen om alles in zijn mond te stoppen was hij amusant gaan vinden, al scheen het Kadi op de zenuwen te werken. Jason was vaak bij hen om hen af te leiden, een talent waarvoor Ru hem zeer dankbaar was.
Helens kinderen Nataly en Willem waren ouder en met hen kon hij redelijk overweg, al begreep hij niets van de dingen waar hun interesse naar uitging. Helen was een kalme rots in een zee van chaos, haar vlugge glimlach en zachte stem een geruststelling voor iedereen. In het licht van het vuur besefte Ru met een schok dat hij naar haar staarde terwijl de kinderen brabbelden, en hij wendde zijn blik af. Hij zag dat Karli naar hem zat te kijken en glimlachte naar haar. Aarzelend glimlachte ze terug en knipogend vormde hij met zijn mond de woorden: 'Alles komt goed.'
Hij leunde achterover, waarbij hij zijn gewonde schouder probeerde te ontzien, en liet zijn blik weer naar Helen dwalen. Hij geeuwde, sloot zijn ogen en zag haar als op zijn netvlies gebrand. Mooi was ze niet echt, al was ze zeker geen wandelend skelet, zoals die teef van een Sylvia haar had genoemd. Ze was wat je elegant zou kunnen noemen. Maar haar twee aantrekkelijkste kenmerken waren haar grote bruine ogen en haar brede, altijd parate glimlach. En ze had een stevig en nog slank lichaam.
Plots vroeg Ru zich af of Luis er misschien helemaal naast zat. Hoe kon deze vrouw, deze fantastische, zorgzame moeder, houden van een straatrat als hij? Met een zucht liet Ru zich wegzakken, doezelend terwijl het gebabbel in het kamp verstierf, in slaap gewiegd door de strelende warmte van de avond en het geluid van Helens stem.
Ineens schrok hij wakker toen geschreeuw in de verte het kamp in rep en roer bracht. De mannen renden rond en even knipperde Ru gedesoriënteerd met zijn ogen om de situatie in zich op te nemen. De kinderen lagen onder dekens, dus er moest wat tijd zijn verstreken sinds hij was ingedut.
Een paar tellen later had Ru de situatie gepeild en deed zijn krijgsopleiding zich gelden. Rustig, om de kinderen niet te laten schrikken, zei hij: 'Karli, Helen, opstaan!'
Helen werd wakker. 'Wat is er?'
'Breng de kinderen naar die wagen!' Hij wees naar een ervan. 'De koets houdt het niet op deze wegen als we moeten vluchten.'
Luis kwam aangerend. 'Ruiters, deze kant op, in galop.' In zijn hand hield hij een dolk. Sinds zijn rechterhand onherstelbaar gewond was geraakt, droeg Luis geen zwaard meer, maar met een mes in zijn linkerhand was hij nog steeds een levensgevaarlijke tegenstander.
Vlug doofden Ru en Luis het zachtjes brandende vuur in de hoop dat de ruiters de zwakke vlammen in de verte nog niet hadden gezien. Waren ze enkele uren eerder gekomen, dan hadden ze het kamp zonder moeite kunnen vinden.
Een paar huurlingen renden naar hun rijdieren en Ru riep: 'Span de paarden in!' Het was nog twee uur voor zonsopgang, maar de dieren hadden het grootste deel van de nacht kunnen rusten. Met een beetje geluk waren ze al weg voordat ze door de naderende ruiters werden gezien. Haastig brachten de menners hun wagens in gereedheid en Ru hielp waar hij kon zonder acht te slaan op de pijn in zijn gewonde schouder. Jason had geen verstand van wapens of wagens, maar hij droeg wat hem gezegd werd te pakken, en Luis was als een rots. De huurlingen waren Ru's grootste zorg, nu hun werd gevraagd stand te houden tegenover harde, meedogenloze mannen die al jaren hadden gestreden.
De wagens kwamen in beweging en voor het eerst sprong Ru weer in het zadel. Zijn rechterschouder voelde stijf aan toen hij zijn zwaard bewoog, maar in ieder geval was het een zwaard waarop hij kon vertrouwen.
Achter de karavaan aan rijdend hield Ru één oog op het westen gericht om de ruiters te kunnen zien aankomen. Terwijl de wagens naar de heerbaan hobbelden, kreeg Ru ze in zicht, donkere silhouetten tegen het zwart van de nacht. Hij hoopte maar dat ze op hun hoede waren, in de veronderstelling dat ze een eenheid van het Koninkrijkse leger naderden in plaats van een groepje wanhopig voor hen wegvluchtende burgers.
Enkele lange, doodsbenauwde minuten reden ze over het gras, tot ze terug waren op de heerbaan en de met metalen banden versterkte wielen knersend over de steenslag van de weg rolden. Ru voelde zijn spanning verminderen. Hoe dichter ze bij Wilhelmsburg kwamen, des te groter werd hun kans het te overleven.
Een half uur later hoorden ze voor zich uit een man schreeuwen, gevolgd door een gil. Kreten van de zuidzijde van de weg vertelden Ru dat de ruiters die hij had gezien de heerbaan waren overgestoken, een tijdlang parallel hadden gereden tot ze zeker wisten dat dit geen legercolonne was, en toen vooruit waren gegaan om in hinderlaag te gaan liggen.
'Naar het noorden!' schreeuwde Ru en hij trok zijn zwaard. De pijn in zijn arm negerend, stuurde hij zijn paard naar voren, op zoek naar de eerste vijand die hij kon vinden.
Het duurde niet lang of hij zag een haveloze ruiter inhakken op de bewaker op de zesde wagen van achteren. De huurling weerde zich goed, maar in hoog tempo naderden er andere ruiters.
Ru hield het simpel. Hij schopte met zijn hielen stevig tegen de flanken van zijn paard om het dier te dwingen iets te doen wat het niet wilde: tegen het andere paard opbotsen. De ruiter van het Novindische leger werd op de grond geworpen toen zijn rijdier onverwachts steigerde. 'Dood hem!' riep Ru naar zijn bewaker en spoorde zijn paard aan naar voren te gaan, in de richting van de ruiters, die nog maar een wagenlengte verwijderd waren. Plots was Luis naast hem, de teugels rond zijn rechterpols gebonden, een dolk in de linkerhand. Ru wilde hem zeggen terug te gaan om de vrouwen te verdedigen, maar hij had het te druk met overleven.
Al gauw had hij een man gedood en een ander weggejaagd, en toen hij zijn paard keerde, zag hij Luis met het bebloede mes in zijn linkerhand een snee in zijn rechterarm vasthouden. 1e lijkt wel niet goed bij je hoofd!' zei Ru. 'De volgende keer blijf jij bij de vrouwen. Als je zo nodig iemands strot wil afsnijden, dan doe je dat maar ergens anders.'
Met een grijns zei Luis: 'Ik zal wel moeten, denk ik. Een goede ruiter ben ik nooit geweest.' Met zijn kin wees hij op zijn wond. 'Te voet zou ik het er beter van afbrengen.'
Ru verbaasde zich over zijn kalmte. 'Laat je door Karli verzorgen. Ik ga kijken wat de schade is.'
Verder rijdend naar de kop van de kleine stoet kwam hij tot de ontdekking dat twee van zijn bewakers dood waren en twee anderen de vroege ochtendschemering in waren gevlucht. Samen met Jason, Luis, hijzelf en de resterende huurlingen waren ze nu met z'n negenen; nauwelijks genoeg om twee wagens te verdedigen, laat staan twaalf. Ru aarzelde geen moment en zei tegen de huurlingen: 'Ga terug naar de achterste wagen.' Terwijl ze naar het einde van de rij wagens reden, wendde Ru zich tot de menners die nog op hun bokken zaten. 'Rijden, jullie! Recht naar Wilhelmsburg, naar herberg De Ochtendnevel. Wie er in heel aankomt, krijgt van mij een jaarloon als bonus.' .
Dat lieten de menners zich geen tweemaal zeggen en met een kreet zetten ze hun trekdieren in beweging. Ondertussen reed Ru terug naar de overgebleven zes huurlingen en zei: 'We verdedigen de achterste wagen. De eerste die ervandoor probeert te gaan, dood ik hoogstpersoonlijk.'
'Denk je dat ze terugkomen?' vroeg Luis.
'Gegarandeerd. Ik denk dat ze gewoon verrast waren toen we het op een vechten zetten.'
'Hoeveel waren het er?' vroeg Jason. De grootste uitbarsting van geweld die de tot boekhouder omgeschoolde ober tot nu toe had meegemaakt was een knokpartij in een bierhuis en hij deed zijn uiterste best niet bang te kijken en een kalmerende invloed op de kinderen te zijn.
'Veel te veel,' zei Ru. Hij klom uit het zadel, bracht zijn paard naar de achterkant van de wagen en bond de teugels vast aan de laadklep. Toen liep hij naar voren, klom op de bok en pakte de teugels van de wagenmenner, die nog steeds zat te bibberen. 'Hou je vast,' zei hij, keerde de wagen noordwaarts en riep: 'Achter mij aan!'
De zes bewakers, Luis, Jason en de wagen met daarin zijn gezin en de Jacoby's verlieten de weg. Het was een wanhopige gok, maar als hij ver genoeg bij de heerbaan vandaan was wanneer de overvallers terugkwamen, zouden ze de ene wagen niet missen, die op weg was naar het kleine, weinig gebruikte weggetje oostwaarts, terwijl zij de overige wagens plunderden.
'Ze halen het nooit,' zei Luis.
'Waarschijnlijk niet, maar als een van hen er toch door komt, doe ik mijn woord gestand en krijgt hij ter plekke een jaarloon aan goud.'
Luis maakte het zich gemakkelijk in de wagenbak. Het was er druk, aangezien Jason en hij er samen met de kinderen en de twee vrouwen in zaten, maar in ieder geval waren ze voorlopig veilig.
Hun geluk duurde niet lang. Ru had een klein wildspoor gevonden dat naar een klein bos voerde, maar het spoor kwam uit in een geul die uiteindelijk te smal voor de wagen werd. Ze reden terug tot ze een andere route noordwaarts vonden en zochten opnieuw naar een weg die hen naar het oosten kon voeren.
Rond het middaguur hoorden ze ruiters over een heuveltop rijden, en enkele gespannen minuten wachtten Ru, Luis en de huurlingen in stilte af, de wapens getrokken, terwijl Karli, Helen en Jason de kinderen rustig hielden. Toen de laatste ruiter was gepasseerd, op nog geen twintig el afstand, doch buiten zicht, gaf Ru het teken oostwaarts af te slaan om te zien of ze een andere route konden vinden.
Tegen zonsondergang waren ze volkomen verdwaald in de bossen. Ze sloegen kamp op en bespraken de mogelijkheden. Een van de huurlingen zei: 'Wat mij betreft laten we de wagen gewoon staan en trekken in oostelijke richting, meneer Avery.'
'Hoe goed ken je deze heuvels?' vroeg Ru.
'Niet zo goed, maar onze jongens zitten in het oosten, zoals u al zei, en alle wegen die de naam waard zijn zullen wemelen van de vijandelijke cavalerie, dus als we in de bossen blijven hebben we meer kans om langs hen heen te sluipen.'
'Tussen hier en de provincie Zwartheide liggen een stuk of twaalf dorpjes waar we hen per ongeluk tegen het lijf kunnen lopen,' zei Ru. 'Bovendien hebben we geen gids, en de heuvels hier zijn hoog en steil.' Hij keek rond in het vlug donker wordende bos. 'Als je hier de weg niet kent, verdwaal je voor je het weet en loop je uren in een kringetje rond. Je kunt zomaar een vijandelijk kamp binnenwandelen als je niet weet wat je doet.'
De stemming in het kamp was zo somber dat de kinderen er stil van waren. Met grote ogen staarden ze naar Ru en de andere volwassenen. Karli en Helen deden wat ze konden om hen gerust te stellen.
'Maar misschien heb je toch gelijk,' zei Ru na een tijdje. 'Ga de wagen maar lossen en pak dekens en eten. De rest laten we liggen als we morgen gaan lopen.'
De huurlingen keken elkaar aan, maar geen van hen scheen een betere oplossing te hebben, dus ze deden wat hun was gezegd. In het tanende licht bleef Ru zwijgend zitten kijken naar zijn kinderen, de Jacoby's en de anderen.
Helen had zijn zoon op schoot en zong hem zachtjes toe, en Karli hield Abigail in haar armen. Willem leunde tegen zijn moeders schouder, vechtend tegen de slaap, vastberaden wakker te blijven, terwijl Nataly al sliep op een deken tussen Helen en Karli. Jason maakte zich nuttig met het opnieuw inpakken van het eten zodat het kon worden gedragen, en Luis bleef dicht bij de huurlingen, hen kalm houdend met de belofte van een bonus wanneer ze in Wilhelmsburg waren.
Toen de kinderen allemaal sliepen, kwarri Karli naast Ru zitten. 'Hoe is het met je schouder?' vroeg ze.
Pas toen besefte Ru dat hij er sinds de aanval van de ruiters niet meer aan had gedacht. Hij bewoog hem. 'Een beetje stijf, maar verder goed.'
'Ik ben bang,' fluisterde ze, tegen hem aan leunend.
Hij sloeg zijn linkerarm om haar heen. 'Ik weet het. Maar met een beetje geluk zijn we morgen in veiligheid.'
Ze zei niets maar bleef zitten, troost puttend uit zijn aanwezigheid. De hele nacht bleven ze stil zitten, dommelend zonder echt te slapen, steeds opschrikkend van de geluiden in het bos.
Toen een paar uur voor zonsopgang de hemel lichter werd, zei Ru zachtjes: 'Maak de kinderen wakker.'
Terwijl Karli dat deed, liep Ru naar Luis. 'We moeten nog voordat het licht wordt op weg.'
'Welke kant op?'
'Oost en noord. Als we in de ene richting obstakels tegenkomen, nemen we de andere. We gaan alleen in zuidelijke of westelijke richting als het niet anders kan. Als het goed is komen we uit op die weg waar ik je over heb verteld, of bij de boerderijen buiten Wilhelmsburg.'
Luis knikte. 'De huurlingen zijn niet te vertrouwen.'
'Ik weet het, maar als we hun duidelijk kunnen maken dat we als groep een betere kans maken dan wanneer -'
Op dat moment hoorden ze het geluid van paardenhoeven. Ze keken allebei om en zagen de zes huurlingen de ochtendschemering in rijden.
'Verdomme!' zei Luis.
'We hebben geen tijd meer om te eten,' zei Ru tegen Jason en Helen, die nu wakker waren. 'Pak wat je kunt en wegwezen. Als er andere ruiters in de buurt zijn, horen ze dat geklepper en komen ze kijken.'
De kinderen begonnen te klagen, maar hun moeders legden hun vlug het zwijgen op en gaven hun een stuk brood om op te kauwen tijdens het lopen. De vorige avond had Ru de omgeving verkend en een droge kreek bedding gevonden die in noordoostelijke richting liep. Die zou naar alle waarschijnlijkheid omhoog de heuvels in voeren, dus zouden ze hem volgen tot ze een betere weg naar het oosten of noorden tegenkwamen.
Het ging traag. De kinderen konden niet zo snel lopen en werden gauw moe, maar ze wisten het een heel uur vol te houden. Toen moesten ze uitrusten.
Er waren geen tekenen van achtervolging. Na een kwartier rust pakte Jason Helmut op, Karli bevrijdend van de last om de jongste van de vier kinderen te dragen. Ze liepen door, zich moeizaam een weg zoekend tussen omgevallen bomen en steenbrokken, die lastige obstakels vormden. Toen het bijna middag was, hoorden ze in de verte geluiden van gevechten tussen de bomen weergalmen. Ze konden niet zeggen uit welke richting het kwam.
Ze trokken verder.
'We hebben het lang niet slecht gedaan,' zei Erik.
'En gezien de totale ondergang van Krondor zeker niet,' was Grijsloks commentaar. Lezend in de verslagen die van de posities ten noorden en zuiden van hen waren gebracht, zei hij: 'Er is wel één vervelende verrassing.'
'Wat dan?'
'Groot Kesh is bezig het hele Dromendal te bezetten.'
'Ik dacht dat prins Erland een verdrag met hen had gesloten,' zei Erik.
'Kennelijk hebben de Keshiërs zich bedacht.'
Erik haalde zijn schouders op. Samen met Grijslok zat hij aan zijn middagmaal. Als ze klaar waren met eten zou Owens onderdeel beginnen met de aftocht, nu Eriks mannen de door Grijsloks eenheid opgezette positie hadden overgenomen. Eriks mannen waren blij dat ze zelf de barricaden niet hoefden op te werpen en konden blijven zitten tot de vij and verscheen.
'Voor zover ik kan bepalen,' zei Grijslok, 'moet je hen hier vijf dagen zien tegen te houden in plaats van vier.'
'Ik zal mikken op zes,' zei Erik.
Grijslok knikte. 'Goed nieuws uit het noorden. Kapitein Subai en de Padvinders hebben weinig problemen gehad om hun mannen door de bergen te loodsen.'
Erik begon te lachen. 'Wacht maar tot de vijand daar in volle sterkte aanwezig is.'
'Dat is nou juist de opzet van het hele plan.' Owen slaakte een zucht. 'Volgens de berichten wordt er in het noorden het felst gevochten. Bij een van onze eenheden zit een compagnie Hadati's en die hebben zich verschanst bij een kleine pas ten zuidoosten van Queesters Panorama.'
Erik riep de landkaarten die hij had bestudeerd in zijn herinnering op en knikte. Die positie moest in Koninkrijkse handen blijven. Als de vijand daar in groten getale doorheen trok, hadden ze een vrije weg langs de oostkant van de bergen, langs Zwartheide, recht op Sethanon af.
'Maar de vijand beschikt daar over te weinig manschappen om hen te verdrijven.'
'Ik ben te moe om na te denken,' zei Erik. 'Zodra we ons hebben ingegraven, ga ik slapen.'
Lachend stond Owen op. 'Dat betwijfel ik. Volgens mij ga je eerst alles tweemaal controleren voordat je besluit dat jullie voldoende zijn ingegraven, dus voor het donker doe jij geen oog dicht.'
Erik trok zijn schouders even op. 'Hoeveel tijd hebben we gewonnen?'
'Twee dagen. We moeten nog drie weken zien terug te pakken.'
'Ik vraag me af of dat lukt,' zei Erik.
'Zo niet, dan komen er massale veldslagen in Zwartheide en langs de bergen.'
'En de Legers van het Oosten?'
'Die zitten achter de bergen te wachten,' zei Owen.
'Ik had ze liever daar.' Erik wees naar de mannen die wapens en voorraden in gereedheid brachten.
Owen legde een hand op Eriks schouder. 'Dat snap ik. Het is moeilijk om je mannen stukje bij beetje ingemaakt te zien worden. Maar het kan niet anders.'
'Dat heeft prins Patrick me al duidelijk gemaakt, evenals Ridder- Maarschalk Wiliam,' zei Erik. 'Maar niemand heeft gezegd dat ik het leuk moet vinden.'
'Begrepen,' zei Owen. Hij draaide zich om naar een sergeant uit zijn onderdeel. 'Sergeant Curtis!'
'Ja, generaal?'
'Zeg de mannen klaar te staan voor de mars.'
'Meteen, generaal!' Bevelen schreeuwend rende de sergeant weg.
'Generaal,' zei Erik met een grijns. 'Denk je dat Manfred er spijt van heeft dat hij zijn zwaardmeester heeft ontslagen?'
'Vraag het hem maar als je in Zwartheide bent,' zei Owen terwijl hij op zijn paard klom. 'Trouwens, hij had er zelf niets over te zeggen. Het was Mathilda die me de zak gaf.'
Bij het horen noemen van de weduwe van zijn vader zei Erik: 'Ik denk dat ik binnenkort ook nog met haar te maken zal krijgen.'
'Alleen als je blijft leven, mijn vriend,' zei Owen. Hij wendde zijn paard en reed stapvoets weg. Over zijn schouder zei hij: 'Dus zorg daar maar voor.'
'Het ga je goed, Owen.' Erik verliet het kampvuur en begon de posities van zijn mannen te inspecteren. Owen kreeg gelijk, want het was al uren na zonsondergang voordat Erik de tijd vond om te gaan slapen.
Ru, Jason en Luis stonden met de wapens in de aanslag terwijl de twee vrouwen met de kinderen zich de oever op repten in de richting van een grot. Ze hadden twee dagen zonder problemen gelopen over begroeide paden die in de richting van hun doel leidden. De vorige avond hadden ze een houthakkershut gevonden, verlaten maar onaangeroerd, waar ze de nacht hadden doorgebracht bij een klein vuurtje, al was Ru bang geweest dat de rookgeur hun positie zou prijsgeven.
Die ochtend hadden ze de relatieve luxe van de hut verlaten, en nu ze zich op nog geen dagmars afstand van de weg die Ru bedoelde bevonden, hoorden ze ruiters met de minuut dichterbij komen. Ru wist niet of de ruiters hun spoor volgden of gewoon toevallig hun kant op kwamen, maar hoe dan ook, ze naderden snel.
Zo te horen was het een kleine groep, misschien een handvol ruiters, maar met Ru's gewonde schouder, Luis' ene goede hand, en Jas ons totale gebrek aan ervaring met wapens, waren zelfs twee ervaren huurlingen al levensbedreigend. En als de ruiters over bogen beschikten, waren ze hoe dan ook verloren. De vrouwen en kinderen hadden de grootste kans te overleven als ze zich uit het zicht verborgen hielden, daarom had Ru ze weggestuurd. Hij en de twee andere mannen waren vastbesloten iedereen die hun kant op kwam lang genoeg bezig te houden om hen te laten ontsnappen.
Over zijn schouder kijkend zag Ru nog net dat Helen de kinderen de grot in duwde, en hij meende haar naar hem te zien glimlachen. Vanaf deze afstand kon hij dat niet zeker weten.
Kort daarop kwamen er vier ruiters in zicht, aan de andere kant van de kreek bedding die Ru's groep had gevolgd. Jason, als het erom gaat spannen, hang dan niet de held uit,' zei Ru. 'Probeer de paarden kreupel te maken, maar zorg dat je zelf niet wordt geraakt. Luis en ik zorgen wel voor de strijders.'
Bij het zien van de drie mannen op hun pad gingen de ruiters stapvoets rijden.
'Als ze achter elkaar blijven rijden komen ze praten,' zei Luis. 'Als ze zich verspreiden wordt het vechten.'
De vier ruiters bleven in een rij. Toen ze tot op tien passen afstand waren genaderd, hield de voorste zijn hand omhoog en keek de drie mannen onderzoekend aan. 'Wie zijn jullie?' vroeg hij na een tijdje.
Ru realiseerde zich dat ze de taal van Novindus spraken, maar met een accent, waaruit hij opmaakte dat ze van een ander deel van het continent afkomstig waren dan hij had bezocht. Hij waagde een gok. 'Mijn naam is Amra.'
Bij het horen van hun eigen taal leken de vier ruiters zich enigszins te ontspannen. De leider wees naar Luis. 'En jij?'
'Hadji, uit Maharta,' antwoordde hij zonder aarzelen.
'En jij?' vroeg hij aan Jason.
Voordat Jason zijn mond kon opendoen zei Ru: 'Hij kan niet praten. Zijn naam is Jason.'
Jason kon geen woord van het vreemde dialect verstaan, maar op het horen van zijn naam knikte hij.
'Van welk korps?' vroeg de leider terwijl de ruiter achter hem de rij verliet en naast hem kwam staan. Beide mannen hadden hun wapens nog steeds in de hand, klaar om tot handelen over te gaan als het antwoord hen niet aanstond.
Koortsachtig dacht Ru na. Hij wist dat de verhoudingen in het leger van de koningin drastisch waren veranderd sinds Caelis' Vlammende Adelaars er hadden gediend. Hij kende de namen van verscheidene korpsen, maar had geen idee of ze nog steeds bestonden of waar ze gestationeerd konden zijn. Maar geen antwoord was voor hen even gevaarlijk als een verkeerd antwoord.
'Na de slag om Maharta zijn we ingedeeld bij Shinga's Zwarte Zwaarden,' zei Ru zacht.
'Deserteurs?' vroeg de tweede ruiter aan de eerste.
'Nee,' zei Ru, 'we zijn Koninkrijkse lansiers tegengekomen en die hebben ons opgesplitst.'
Luis liet zijn dolk een stukje zakken, alsof hij zich ontspande. 'We werden van de anderen afgesneden en zijn gevlucht,' zei hij. 'Ergens onderweg zijn we hopeloos de weg kwijtgeraakt. We dwalen al een week door deze bossen. We hebben wat te eten gevonden, maar we hebben flinke honger. We proberen bij onze kant terug te komen.'
'Kunnen jullie ons daar niet bij helpen?' vroeg Ru. 'We zijn echt geen deserteurs.'
De andere twee ruiters stuurden hun paarden naar voren en namen flankposities in. 'Echt geen deserteurs?' zei de leider van de vier. 'Dat is jammer. Wij wel.'
Ineens vielen ze aan, en Luis en Ru doken uit de weg. Ru sloeg tegen de grond, rolde door en kwam gehurkt overeind, net op tijd om te zien dat Jason in doodsangst was blijven staan en omver werd gereden door de tweede ruiter, die met zijn zwaard naar de klerk sloeg. Jason dook weg en haalde zelf ook uit, maar toen hij op de grond viel werd het zwaard uit zijn handen gerukt en zijn schouder getroffen door een paardenhoef. Het gegil van het dier gaf aan dat hij het had geraakt met zijn zwaard, maar verblind van de pijn bleef hij liggen, niet tot lopen in staat.
Het paard dat hij had verwond struikelde. Het bloed liep langs het rechtervoorbeen uit de wond die Jasons zwaardstoot had veroorzaakt. De ruiter werd afgeworpen. Inmiddels stond Ru al klaar voor de volgende aanval. Luis wierp zijn dolk, die terechtkwam in de hals van een van de mannen, die al dood was voordat hij de grond raakte.
De afgeworpen ruiter bleef kreunend liggen, zodat Luis en Ru tegenover een gelijk aantal tegenstanders stonden. Luis trok een tweede dolk uit zijn laars en dook ineen. De twee mannen spraken zachtjes met elkaar, zich er duidelijk van bewust dat Luis, met zijn vaardigheid als messenwerper, een gevaarlijke tegenstander was.
Schreeuwend zetten ze hun paarden aan tot galop en ze schenen beide mannen aan te vallen, maar op het laatste moment week de ruiter die op Ru afging uit en cirkelde rond om Luis van achteren aan te vallen. Luis wierp zijn dolk naar de op hem afstormende ruiter, die zich tegen de hals van zijn paard drukte om een zo klein mogelijk doelwit te vormen. Luis had een dergelijke manoeuvre echter voorzien en laag geworpen, mikkend op het onbeschutte dijbeen van de man. Het mes trof de man diep in de rechterdij, en jankend van pijn schoot hij overeind om bij Luis vandaan te rijden terwijl zijn metgezel hem aanviel.
Maar Luis had nog een dolk, in zijn hemd, en wierp al op het moment dat de man overeind kwam. Hij kreeg het mes in de keel en viel achterover van zijn paard.
Zodra de andere ruiter Ru voorbij was gereden, viel hij aan op Luis, die zich al omdraaide en ondertussen een vierde dolk uit zijn sjerp aan het vissen was. Ru hief zijn zwaard boven zijn hoofd en viel op zijn beurt de ruiter aan. Deze hakte in op Luis, die opzij trachtte te duiken, maar de ruiter paste zijn slag aan en zijn zwaard sneed diep in Luis' rechterschouder. Op dat moment raakte Ru's zwaard de ruiter van achteren, zo diep in het been dat het bot bloot kwam te liggen. Krijsend van pijn probeerde de ruiter te keren, maar zeeg toen bewusteloos in het zadel neer.
Vlug doodde Ru hem. Hij liep naar Luis en zag dat de man nog maar amper bij bewustzijn was. Hij wilde net iets tegen hem zeggen toen hij achter zich een gil hoorde. Met een ruk draaide hij zich om en zag de ruiter die was afgeworpen bij Jason staan. De jeugdige klerk kwam op één elleboog overeind, zijn gezicht onder het bloed uit een hoofdwond, terwijl de soldaat zijn zwaard ophief voor de genadeslag.
'Nee!' schreeuwde Ru en begon te rennen. Zijn benen leken van lood, iedere stap onmogelijk traag en zwaar. Hij liep zo snel hij kon, maar in een flits ging het zwaard van de soldaat omlaag en Jason gilde van pijn. Hij had zich opzij gerold, en de slag die hem voor altijd het zwijgen had moeten opleggen deed hem gillend kronkelen van pijn.
Ru hief zijn zwaard en zwaaide uit alle macht. Hij miste het lichaam van de soldaat, maar hakte dwars door de pols van de man. Het zwaard tuimelde door de lucht, de hand nog steeds aan het gevest. Ongelovig staarde de man naar de bloedige stomp en hij zag de volgende slag, die hem achter in zijn onbeschermde nek trof, niet eens aankomen. Dood zakte hij ter aarde.
Ru knielde neer naast Jason, wiens ogen groot waren van doodsangst en pijn. 'Meneer Avery,' zei hij, zich vastklampend aan Ru's hemd.
'Hier ben ik,' zei Ru, Jasons hoofd wiegend.
Jasons blik was leeg, alsof hij niets kon zien, en Ru zag dat de wond hem fataal ging worden. De hoofdwond was veroorzaakt door de hoef van het paard, maar uit de wond in zijn buik gutste het bloed in een gestadig ritme, zodat Ru wist dat er diep in het lichaam een slagader was doorgesneden. Jasons leven stroomde weg over de grond.
'Het spijt me, meneer Avery,' zei Jason. Je hebt het goed gedaan,' zei Ru.
'Het spijt me dat ik u heb verraden.'
'Hoe bedoel je?' vroeg Ru.
'Ik was het die Sylvia Esterbeek de informatie gaf die ze doorspeelde aan haar vader.' Hij begon bloed op te hoesten.
'Dat snap ik niet,' zei Ru. 'Hoe kende je haar dan?'
'Toen u pas bij Barrets was, heb ik u van haar verteld en gezegd hoe mooi ze was.'
Ru's hoofd tolde. Het gevecht, zijn wond en nu dit. 'Jason, hoe hebben jij en Sylvia dat gedaan?'
'Ik stuurde haar briefjes,' zei Jason. 'En zij schreef me terug. Ze had beloofd dat ze op een dag, als ik rijk was, haar vader over mij zou vertellen.'
Ru was verbluft. Sylvia had hem, Duncan en nu ook Jason voor de gek gehouden.
'Meneer Avery,' zei Jason na een tijdje, 'vergeef me alstublieft.'
Rondkijkend door de bossen, waar Luis bewusteloos of misschien wel dood op de grond lag en de vrouwen en kinderen zich verborgen hielden in een grot, wist Ru slechts te zeggen: 'Het maakt niet uit, Jason. Het maakt allemaal niets uit.'
'Ze heeft me een keer gezoend, meneer Avery,' zei Jason zacht. 'Toen ze een keer in haar koets stapte en niemand keek, boog ze zich naar me toe en gaf me een zoen op mijn wang.' Zijn ogen rolden omhoog in de kassen en hij stierf.
Roerloos bleef Ru zitten, zonder dat hij wist of hij nu moest huilen of lachen. De jongen was gestorven in de overtuiging dat die moordzuchtige teef zijn volmaakte engel was. Behalve aan Luis had Ru niemand in het kamp verteld dat Sylvia dood was. In stilte feliciteerde hij haar, want ze had precies geweten hoe ze elk van de mannen kon laten doen wat ze van hem wilde. Bij Duncan was het de belofte van macht en geld; bij Jason een kinderlijk verhaal over een prinses en een gewone man die bij elkaar de ware liefde vonden - een zoen op de wang en liefdes briefjes. En bij Ru? Hij lachte een bittere lach en liet Jasons hoofd naar de vochtige aarde zakken. Overeind komend bedacht hij dat het bij hem de belofte was geweest van een volmaakte liefde die niet bestond.
Voordat hij Sylvia had ontmoet, had Ru altijd gedacht dat liefde een sprookje was voor mensen die minder intelligent waren dan hij, of anders een bruikbare leugen om een dorpsmeisje zover te krijgen dat ze haar benen voor je spreidde, maar nog nooit had hij de leugen van de liefde zo monsterlijk gevonden als nu. Zelfs vanuit het graf beheerste Sylvia zijn gedachten.
Hij liep naar Luis toe terwijl hij bedacht hoe onvoorstelbaar het was dat drie mannen konden kijken naar dezelfde vrouwen ieder drie verschillende vrouwen zagen - en dat ze stuk voor stuk haar leugens zo makkelijk slikten. En hij kon al helemaal niet begrijpen dat hij nog steeds naar haar kon verlangen terwijl hij haar toch zo diep verafschuwde.
Luis ademde oppervlakkig en zijn gezicht was wasachtig bleek. Hij kreunde toen Ru hem op wilde tillen, en hij probeerde te helpen toen Ru hem overeind hees, met zijn gezonde schouder onder Luis' goede arm. Strompelend nam Ru zijn vriend mee naar de grot, hem half voortslepend.
Toen hij vlakbij was, keek Helen Jacoby naar buiten, zag Ru worstelen om Luis bij de grotopening te krijgen en rende naar hen toe om de uitgeputte Ru te helpen.
Samen brachten ze Luis naar binnen, waar Ru ontdekte dat de grot vrij groot, maar niet zo diep was. Van buiten viel genoeg licht naar binnen om alles duidelijk te kunnen zien. Karli snakte naar adem toen ze de grot in kwamen en de tranen welden op in haar ogen toen ze vroeg: 'Jason?'
Ru schudde zijn hoofd.
Helen begon Luis te verzorgen terwijl Karli haar best deed haar eigen ontsteltenis te verbergen om de kinderen niet verder van streek te brengen. 'Wie waren het?' vroeg ze.
'Deserteurs uit het leger van de koningin.'
'Komen er meer?' vroeg Helen.
'Ongetwijfeld,' antwoordde Ru, uitpuffend op de vloer van de grot. 'Ik weet niet of ze allemaal deze kant op komen, maar we zullen op onze hoede moeten zijn voor alle ruiters en mannen te voet tot we zeker weten dat het Koninkrijkse soldaten zijn.' Met een zucht stond hij op. 'Ik ga die paarden zoeken om te zien of ze iets nuttigs bij zich hebben.' Ook moest hij J ason en de vier dode mannen begraven, maar hij vond het maar beter daar niets over te zeggen.
De heuvel af strompelend zag Ru het gewonde paard al een paar el verderop, maar de andere drie waren verder de heuvel op gedwaald om te grazen van de plukjes gras die op een kleine open plek groeiden. Ru had niet de expertise van Erik als het op paarden aankwam, maar één blik op de diepe wond in de flank van het dier zei hem dat het paard het zonder een genezer niet zou redden. Het bot was zichtbaar en het paard hinkte alsof het mank was.
Zo rustig mogelijk liep hij naar de drie grazende paarden, onderwijl klakkend met zijn tong en zachtjes pratend. Twee van de dieren bleven bij hem uit de buurt, maar een liet hem zo dicht naderen dat hij de teugel kon pakken. Ru controleerde de bedrol en vond er wat dingen van waarde in: een zilveren kandelaar en wat munten.
Nadat hij het paard met de teugels aan de takken van een omgevallen boom had vastgebonden, liep hij naar het tweede. Ook daar trof hij wat waardevolle dingen aan, maar verder niets van enig nut.
Het derde paard was meer geïnteresseerd in veilige afstand dan in eten, en nadat Ru hem zo'n vijftig el achterna had gezeten, gooide hij met stenen om hem weg te jagen, zodat iemand die voorbij kwam niet door het ronddolende paard naar de grot zou worden geleid.
In een van de dode mannen vond Ru een dolk van Luis, die hij lostrok. Vlug maakte hij het kreupele paard af, welks gehinnik de andere twee paarden schichtig maakte. Hij had ze echter stevig vastgebonden en ze bleven staan waar hij ze had achtergelaten. Toen richtte hij zich op de akelige taak om de lijken te doorzoeken.
Als voormalige soldaat vond hij het idee om een dode te beroven weerzinwekkend, maar hij wist dat ze alles van werkelijke waarde op hun lichaam droegen. Hij vond drie buidels met goud en een met edelstenen. Nadat hij de kostbaarheden in de zadeltas van een van de twee paarden had gestopt, ging hij de wapens verzamelen. Hij had nu vijf dolken, een lang mes en zes zwaarden. Hij nam ze mee naar de grot en legde ze binnen neer.
'Hoe is het met Luis?' vroeg hij aan Helen.
'Niet best,' zei ze zacht. Ze keek Ru aan en schudde even haar hoofd.
Ru had genoeg wonden gezien om te weten dat Luis de volgende ochtend waarschijnlijk niet zou halen. Hij draaide zich om en ging de heuvel weer af.
Hij had geen spade, dus het delven van een graf was uitgesloten, tenzij hij het wilde proberen met een van de zwaarden. Midden in de droge bedding vond hij een kleine geul, waar hij de doden naar toe rolde. Hij vond het verschrikkelijk om Jason samen met de vier deserteurs te begraven, maar de veiligheid van zijn gezin stond voorop.
Met de slechtste van de zes zwaarden maakte hij een ondiepe kuil, waarna hij de lijken erin rolde. Toen ging hij stenen halen om het graf mee te bedekken. Na een uur zwaar werk was hij bijna uitgeput. Op zijn knieën stapelde hij de stenen op zo goed als hij kon. Hij probeerde ze onder de rand van de geul te houden, zodat het graf niet op zou vallen wanneer hij er takken en bladeren overheen had gestrooid.
Hij legde net de laatste steen op het graf toen hij een duw in zijn rug kreeg.
Hij greep naar zijn zwaard, draaide zich om en stond oog in oog met een nieuwsgierig paard. Het dier dat hij had weggejaagd was uit verveling teruggekomen om te kijken wat hij aan het doen was, en omdat het werk niet bijster interessant was, had hij Ru's aandacht opgeëist.
Met een snelle beweging greep Ru naar de teugels. Het paard schrok en deinsde terug, Ru met een schok overeind trekkend. Hij gaf een ruk, riep: 'Huu!' en liet de teugels vieren zodat het paard niet in paniek zou raken.
Het dier reageerde en bleef staan. Ru nam hem mee naar de andere twee en bond hem aan de boom. Toen hij de dekenrol achter het zadel controleerde vond hij nog wat goud en een edelsteen.
Ru keek rond, zoekend naar een betere plek om de paarden te verbergen, maar zag er geen. Als ze de dieren wilden gebruiken, moest hij het risico nemen dat ze zouden worden ontdekt.
Doodop van vermoeidheid sjokte hij de heuvel weer op. Het zou een extreem staaltje van ironie zijn als hij al die moeite had genomen om de vijf lijken te begraven om daarna door de paarden te worden verraden, maar daar viel nu niets aan te doen. Kijkend naar het dode paard besefte hij dat hij het kadaver met takken moest afdekken voordat ze verder gingen, maar hij besloot daarmee te wachten tot de volgende dag. Het had geen zin het dode dier te verbergen tot hij in staat was was de levende paarden weg te voeren.
Bij de ingang van de grot zag hij dat Karli wat brood en stukjes kaas had uitgedeeld aan de kinderen. Hij nam een homp van beide toen ze hem werden aangereikt en ging zitten. Nog nooit van zijn leven had hij zich zo moe gevoeld.
'Hij ademt al wat beter, geloof ik,' zei Helen.
Ru keek naar Luis, maar kon geen verschil zien. 'Ik geloof het ook,' loog hij en kauwde op het brood, dat met het verstrijken van de dagen droog was geworden. Niettemin was het goed te eten, evenals de harde kaas, en hij verwelkomde de smaak ervan.
'We hebben een zak wijn,' zei Karli en gaf hem aan Ru.
Hij bedankte haar en nam een slok. De wijn smaakte buitengewoon scherp in combinatie met de gele kaas, maar Ru was er blij mee.
'Wat doen we nu?' vroeg Helen.
'Er zijn drie paarden. Als we Luis op de ene kunnen krijgen en de kinderen verdelen over de andere twee, kunnen we morgen verder.'
Met een twijfelachtige blik keek Helen naar Luis, maar ze zei niets. Karli trachtte een dappere glimlach op haar gezicht te toveren, maar haar poging mislukte.
Ru kauwde en slikte, en liet zijn lichaam zo goed als het ging tot rust komen tegen de rotsen. Nadat hij zijn eten op had, strompelde hij de grot uit, de heuvel af, en kwam terug met de vier dekenrollen van de deserteurs. Het kon hem niet schelen hoe vies ze waren, want in de bossen was het 's nachts soms bitter koud en ze konden het niet wagen een vuurtje te stoken.
Nadat de dekens waren uitgespreid en iedereen voor de nacht was ingestopt, ging hij zitten, de duisternis in starend. Ondanks zijn uitputting kon hij het zich niet veroorloven in slaap te vallen.
Ergens halverwege de nacht kwam Helen Jacoby naast hem zitten. Zachtjes, om de anderen niet wakker te maken, zei ze: 'Ik denk dat hij het gaat redden.'
'Je hebt nog nooit een gewonde gezien die al een paar dagen op de rug van een paard is vastgebonden,' fluisterde Ru. 'Het kan alsnog zijn dood worden als we met hem gaan lopen.'
'Kunnen we niet nog een dag blijven?'
'Nee,' zei Ru. 'En Luis zou de eerste zijn om tegen me te zeggen dat ik jullie in veiligheid moest brengen. Met iedere dag komen er meer soldaten naar deze streek, van beide kanten, en bovendien meer deserteurs.'
Helen liet een arm door de zijne glijden en legde haar hoofd op zijn schouder alsof dat de normaalste zaak van de wereld was. Ze drukte zijn arm tegen zich aan en hij was zich scherp bewust van haar volle borst tegen zijn lichaam en de geur van haar haren. Uiteindelijk zei ze: 'Bedankt, Ru.'
'Waarvoor?' vroeg hij.
'Dat je zo'n vriendelijke, zorgzame man bent. Je hebt alles voor mijn kinderen gedaan wat een vader zou doen. Je hebt ons beschermd, waar andere mannen ons geruïneerd en zonder middelen van bestaan zouden hebben achtergelaten.'
Geruime tijd bleven ze stil zitten, tot Ru zijn schouder warm voelde worden van de tranen die de stof van zijn hemd doorweekten. Hij klopte haar op de hand, maar wist niets te zeggen.
Na een tijd kwam haar hand omhoog en draaide ze zijn gezicht naar zich toe. Voorzichtig drukte ze een kus op zijn lippen en zei toen zachtjes: 'Je bent een goed mens, Ru. De kinderen zijn dol op je.' Na een korte stilte voegde ze eraan toe: 'En ik hou van je.'
Even was Ru stil, tot hij zei: 'Je bent de beste vrouw die ik ken, Helen. Ik heb bewondering voor je.' Hij liet zijn hoofd zakken, alsof hij haar niet in de ogen kon kijken, al was het twijfelachtig of Ze veel kon zien in het donker. 'En ik zou liegen als ik zei dat ik niet over jou heb gedacht zoals mannen over vrouwen denken, maar om je de waarheid te zeggen kan ik mezelf er niet toe brengen om in liefde te geloven.'
Lange tijd zei ze niets, tot ze zachtjes opstond en terugging naar de kinderen. De rest van de nacht bleef Ru alleen zitten.