23

“Het is hoogstwaarschijnlijk snel gegaan.” Ken stond over de hond gebogen en wreef met zijn handen over zijn gezicht.

“Zeker omdat zijn keel is doorgesneden.”

“Ja. Klopt. Jezus, wat voor gestoorde rotzak doet zoiets met een hond? Je zei, eh, je zei dat er bij de borstwond weinig bloed was. Hij was dood toen degene die dit heeft gedaan het mes in de borst ramde. Als je de hals zo doorsnijdt bij de halsslagader, is het gebeurd.”

“Het moet bloederig geweest zijn.”

“Ja. Inderdaad.”

“De regen heeft veel weggespoeld, maar niet alles. En hij was nog vrij warm toen we hem vonden. Wat schat je, was hij een uur dood, misschien nog niet eens?”

“Nate.” Hoofdschuddend zette Ken zijn bril af en hij wreef hem op met de punt van zijn overhemd. “Dit is ver buiten mijn vakgebied. Jouw kennis op dat punt is waarschijnlijk net zo goed, zo niet beter, als de mijne. Maar, ja, een uur klopt ongeveer wel.”

“De pauze was ongeveer een uur voorbij. De hond lag er niet toen we na de eerste film naar buiten gingen. En er lag nog zoveel bloed dat hij niet ergens anders kan zijn vermoord en daar gedumpt. Kende je deze hond?”

“Zeker. Het is oude Yukon.” De tranen sprongen hem in de ogen en hij wreef ze droog. “Zeker.”

“Was hij agressief tegen mensen? Gromde hij wel eens naar iemand? Beet hij?”

“Yukon? Hij had nauwelijks nog tanden genoeg om zijn eten te kauwen. Het was een zachtaardig beest. Totaal ongevaarlijk. Misschien vind ik het daarom zo moeilijk.” Hij draaide zich om en vermande zich. “Max…dat van Max was vreselijk. Een mens, verdomme. Maar deze hond…Deze hond was óüd en lief. En hij kon zich niet verweren.”

“Ga even zitten als je wilt.” Nate bleef staan en keek naar de hond. Naar de vacht met het aangekleefde bloed die nog droop van de regen.

“Sorry, Nate. Je zou denken dat een dokter zichzelf in de hand heeft.”

Hij ademde diep in en blies uit. “Wat moet ik doen?”

“Joe en Lara zullen hier zo zijn. Ik wil dat je hen hier weghoudt tot ik klaar ben.”

“Wat ga je doen?”

“Mijn werk. Zorg dat ze wegblijven tot ik klaar ben.”

Hij pakte zijn camera en nam nog meer foto’s. Hij was geen lijkschouwer, maar had genoeg lijken en secties gezien om te veronderstellen dat het mes over de kop heen, van achteren, in de keel was gestoken. Een haal van links naar rechts had gemaakt. De moordenaar had zijn kop opgetild en de keel doorgesneden.

Bloed spuit eruit, over de handschoenen, misschien de mouwen, misschien zelfs nog verder. De hond sterft. Steek het mes in zijn borst. Laat de handschoenen achter en loop weg.

Alles in een paar minuten, met de regen als dekmantel en een paar honderd man, misschien zelfs meer, wier aandacht op Jimmy Stewart is gericht.

Riskant, dacht hij terwijl hij het heft van het mes bestoof voor vingerafdrukken, maar berekenend. Kil.

Er was niets anders dan bloed op het mes te vinden. Hij stopte het in een zakje voor bewijsmateriaal, en pakte een grotere zak. Daar deed hij het mes en de foto’s in. Toen ging hij de kamer uit om met Joe en Lara Wise te spreken.

De regen was overgegaan in dunne natte sneeuw toen Nate Bing had opgespoord. Hij was in zijn enorme garage bij zijn houten huis. Hij had de weerradio aanstaan en was bezig onder de motorkap van zijn truck.

Er stonden nog wat andere voertuigen binnen en een kleine machine of motor op blokken. Een van de laden van een enorme geroeste rode gereedschapskist was open. Boven een lang werkblok hing een rek met nog meer gereedschap, en ernaast een kalender met een vrijwel naakte blondine met enorme borsten.

Op een houten tafel in een hoek stond een industriële naaimachine…naaimachine? En daarboven hing de kop van een eland.

Het rook er naar bier vermengd met rook en olie.

Bing keek met half dichtgeknepen ogen naar Nate, één oog bijna dicht tegen de rook die opsteeg van de sigaret die tussen zijn lippen hing. “We krijgen nog meer regen morgen, de rivier zal tot Lunatic Street rijzen. We zullen de zandzakken nodig hebben die achter in de truck liggen.”

Zandzakken dus, dacht Nate met een blik op de naaimachine. Hij kon zich Bing niet echt achter de naaimachine voorstellen om zandzakken te stikken, maar de wonderen waren de wereld nog niet uit.

“Je bent vroeg weggegaan bij de film.”

“Ik had het wel gezien. Morgen heb ik het druk. Wat kan jou dat schelen?”

Nate stapte naar voren en hield het zakje met het mes omhoog. “Is dit van jou?”

Bing haalde de sigaret uit zijn mond toen hij zich omdraaide. Hij had wel blind moeten zijn om het bloed op het heft en lemmet niet te zien.

“Zo te zien wel.” Hij gooide de sigaret op de grond en maalde hem met zijn hak tot pulp op het met olie bevlekte beton. “Ja, dat is mijn mes. En flink gebruikt, zo te zien. Waar heb je het gevonden?”

“In de hond van Joe en Lara, Yukon.”

Bing stapte achteruit. Nate zag de geschokte reactie van de man, alsof hij een klap in zijn gezicht had gekregen. “Waar heb je het in godsnaam over?”

“Iemand heeft dit mes gebruikt om die hond de keel door te snijden en het in zijn borst geramd, zodat ik het zonder moeite kon vinden. Hoe laat ben je uit het stadhuis vertrokken, Bing?”

“Heeft iemand die hond vermoord? Echt waar?” Na de schok kwam het besef. “Wil jij zeggen dat ik die hond heb vermoord?” Zijn vuist klemde zich om de moersleutel die hij vasthield. “Wil je dat zeggen?”

“Als je me daarmee aanvalt sla ik je knock-out. Bespaar jezelf die vernedering, want geloof me, ik kan het. Leg die sleutel neer. Nu.”

Bings gezicht trilde van woede en zijn hele lichaam sidderde. “Je bent een echte driftkikker, hè, Bing?” zei Nate zacht. “Zo erg dat je een paar keer achter de tralies bent beland voor geweldpleging. En nu zou je het liefst mijn schedel als een ei opensplijten met die sleutel. Kom op, probeer het maar.”

Bing wierp de sleutel door de garage tegen de muur van B-2-blokken waar een splinter van afvloog. Hij hijgde als een stoommachine en zijn gezicht was knalrood.

“Teringlijer. Tuurlijk heb ik wel eens iemand een dreun verkocht, of met hun koppen tegen elkaar geslagen, maar ik vermoord verdomme geen honden. En als je zegt dat ik dat wel doe heb ik geen moersleutel nodig om je kop in elkaar te slaan.”

“Ik vroeg hoe laat je het stadhuis verliet.”

“In de pauze ben ik naar buiten gegaan om te roken. Je hebt me gezien. Je zei dat we ons moesten voorbereiden voor als het zou overstromen. Toen ben ik hier naartoe gegaan. Om die zandzakken in te laden.” Hij wees met een duim naar de laadruimte van zijn truck, waar minstens honderd zandzakken lagen opgestapeld. “Ik heb meteen de motor maar bijgesteld. Ik ben al die tijd hier geweest. Als iemand naar Joe is gegaan om die hond af te maken, dan was ik het niet. Ik gaf om die hond.”

Nate haalde het zakje met de handschoenen tevoorschijn. “Zijn deze van jou?”

Bing staarde ernaar en wreef met de rug van zijn hand over zijn mond. Zijn rode kleur zakte weg en hij trok klam en wit weg. “Wat is hier gaande, verdomme?”

“Betekent dat ja?”

“Ja, ze zijn van mij. Dat ontken ik niet. Ik heb je verteld dat iemand ze gestolen had, mijn extra paar handschoenen en mijn jachtmes. Dat heb ik aangegeven.”

“Vanmorgen, ja. Een cynisch iemand zou zich af kunnen vragen of je jezelf probeerde in te dekken.”

“Waarom zou ik een hond vermoorden? Een stom oud beest?” Bing wreef over zijn gezicht en nam weer een sigaret uit het pakje in zijn borstzak. Zijn handen trilden zichtbaar.

“Jij hebt geen hond, hè, Bing?”

“O, dus daarom haat ik ze zeker? Christus. Ik heb een hond gehad. Aanstaande juni is hij twee jaar dood. Kanker.” Bing zoog rook naar binnen. “Hij had kanker.”

“Als iemand een hond vermoordt moet je je afvragen of hij iets tegen de hond had of zijn eigenaars.”

“Ik had helemaal niets tegen die hond. En ook niet tegen Joe of Lara of dat studentenzoontje van ze. Vraag het maar aan ze. Vraag hun maar of we niet met elkaar overweg konden. Maar er is wel iemand die iets tegen mij heeft, dat is verdomd zeker.”

“Enig idee waarom?”

Hij haalde schokkerig zijn schouders op. “Het enige dat ik weet is dat ik die hond niet heb vermoord.”

“Blijf in de buurt, Bing. Als je om wat voor reden dan ook de stad uit wilt, wil ik het weten.”

“Ik laat me niet nawijzen door mensen.”

“Blijf in de buurt,” zei Nate weer, en hij ging weg.

Meg zat met een biertje in de hand kwaad te zijn. Ze hield niet van wachten en dat zou ze Nate wel laten weten als hij terugkwam. Hij had haar bevelen toegesnauwd alsof ze een of andere rekruut was en hij de generaal.

Ze hield er niet van gecommandeerd te worden, en dat zou hij ook te horen krijgen.

Hij zou het voor zijn kiezen krijgen als hij terug was.

Waar was hij trouwens?

Ze was doodongerust over haar honden, hoe haar gezond verstand ook zei dat er niets met ze aan de hand was en dat Nate zich aan zijn belofte zou houden en ze voor haar zou halen. Hij had haar zelf moeten laten gaan in plaats van haar onder een soort huisarrest te plaatsen.

Ze wilde hier helemaal niet zijn, ongerust, hulpeloos, bier drinken en pokeren met Otto, Magere Jim en de Professor om de tijd te doden.

Ze stond ruim twintig dollar voor en het liet haar volkomen koud.

Waar was hij verdomme?

En wie dacht hij wel dat hij was om haar te vertellen wat ze moest doen en te dreigen haar op te sluiten? Dat zou hij ook hebben gedaan, dacht ze terwijl ze schoppen acht trok wat een pracht van een full house maakte.

Hij was allesbehalve de lieve Nate met zijn droeve ogen toen hij in de regen naast die hond had gestaan. Naast die arme dode Yukon. Hij was anders geweest, iemand anders. Zoals ze zich voorstelde dat hij in Baltimore was geweest vóór de omstandigheden hem de pas afsneden. Zijn hart hadden gebroken.

Dat liet haar ook koud. Het kon haar niets schelen.

“Jij twee dollar,” zei ze tegen Jim. “Ik doe er twee bovenop.” Ze wierp haar geld in de pot.

Haar moeder had Jim een uur pauze gegeven en stond achter de bar. Niet dat er veel te doen was, dacht Meg toen de Professor en Otto nog twee dollar boven op de hare inzetten. Behalve hun tafel was er een tafel van vier bezet met lieden van buiten. Bergbeklimmers die wachtten tot het weer zou opklaren. De twee oude zakken Hans en Dex zaten op een ander bankje de regenachtige avond weg te drinken en te dammen.

En te wachten, zo wist ze, op welke roddel er nu weer zou opduiken.

Er zouden meer mensen in en uit lopen als de rivier steeg. Mensen die een paar minuten droog en warm wilden worden en een kop koffie namen voor ze weer naar buiten gingen om zandzakken te plaatsen. Als dat gedaan was, kwamen er nog meer. Allemaal tegelijk, nat, moe en hongerig, maar nog niet eraan toe om naar huis te gaan of de camaraderie van het gevecht tegen de natuur te doorbreken.

Ze zouden koffie willen en alcohol en een warme maaltijd, wat dan ook. Charlene zou zorgen dat ze bediend werden; ze zou werken tot de laatste man vertrokken was. Meg had het allemaal eerder meegemaakt.

Ze deed er nog twee dollar bovenop toen Jim zijn kaarten neerlegde. “Pas.”

“Twee paar,” zei Otto. “Heren.”

“louw heren zullen voor mijn vrouwen moeten buigen.” Ze legde twee vrouwen neer. “Vooral omdat ze er drie achten bij hebben.”

“Verdomme!” Otto keek naar het stapeltje biljetten en munten dat Meg naar zich toe schoof. Toen hief hij zijn hoofd op en schoof zijn stoel achteruit omdat Nate binnenkwam. “Sheriff?”

Meg draaide zich om. Ze had met haar gezicht naar de voordeur gezeten, klaar om toe te springen zodra hij die opende. In plaats daarvan, dacht ze zuur, was hij achter haar binnengekomen.

“Ik zou wel een kop koffie lusten, Charlene.”

“Ik heb net verse gezet.” Ze schonk een grote beker voor hem in. “Wil je ook iets eten?”

“Nee, dank je.”

“Waar zijn mijn honden?” vroeg Meg.

“In de receptie. Otto, ik liep Hopp en nog een paar mensen buiten tegen het lijf. De consensus is dat het ernaar uitziet dat de rivier stabiel blijft, maar we moeten het in de gaten houden. Nu valt er alleen wat lichte sneeuw. Volgens de weerberichten drijft de depressie naar het westen, dus waarschijnlijk hebben we geluk.”

Hij dronk zijn beker halfleeg en stak hem uit naar Charlene om hem bij te laten schenken. “Bij Lake Shore is het overstroomd. Peter en ik hebben daar en aan de oostelijke rand van Rancor Woods waarschuwingsborden neergezet.”

“Die twee plekken stromen over als er te veel mensen aan de kant van de weg pissen,” zei Otto. “Als het weer naar het westen overwaait, hebben we hier in de stad geen probleem.”

“Toch houden we het in de gaten,” zei Nate en hij draaide zich om naar de trap.

“Wacht eens even, sheriff.” Meg stond in de deuropening, geflankeerd door haar honden. “Ik heb je iets te zeggen.”

“Ik ga douchen. Je kunt je zegje doen terwijl ik me afspoel, of je kunt wachten.”

Ze trok haar lippen in een snier toen hij met de beker koffie de trap op liep. “Wachten, ik? Mooi niet.”

Met de honden in haar kielzog liep ze bonkend achter hem aan de trap op.

“Wie denk je eigenlijk dat je bent?”

“Volgens mij de sheriff van deze stad.”

“Al was je de sheriff van de kosmos, ik laat me door jou niet commanderen, afsnauwen en bedreigen.”

“Ik had geen van dat alles hoeven doen als je gewoon had gedaan wat ik zei.”

“Gedaan wat je zei?” Ze liep achter hem aan de kamer binnen. “Jij hoeft mij helemaal niet te zeggen wat ik moet doen. Je bent mijn baas niet, of mijn vader. Omdat ik met je naar bed ben geweest, geeft dat jou niet het recht om mij te commanderen!”

Hij trok zijn doorweekte jas uit en tikte op de ster op zijn overhemd. “Nee, maar dit wel.” Op weg naar de badkamer pelde hij zijn overhemd af.

Hij was nog steeds iemand anders, dacht ze. Die ander die achter die droeve ogen leefde en alleen maar wachtte op een gelegenheid om naar buiten te komen. Die ander was hard en kil. Gevaarlijk.

Ze hoorde dat de douche werd aangezet. De honden bleven staan en keken met schuin gehouden kop naar haar op. “Liggen,” zei ze zacht.

Ze beende de badkamer in. Nate zat op de bril van de wc zijn natte schoenen uit te trekken.

“Je zet Otto op me als een soort waakhond en laat me verdomme bijna drie uur wachten. Drie uur, terwijl ik geen idee heb wat er allemaal gebeurt.”

Hij keek haar aan, strak gezicht, fonkelende ogen. “Ik had het te druk om jou op de hoogte te houden. Wil je het nieuws weten?” Hij zette de schoenen opxij en stond op om xijnhïoek uit te treden. “Zet dan de radio aan.”

“Praat niet tegen me alsof ik een zeurderig irritant wijf ben.” Hij ging onder de douche staan en trok het gordijn dicht. “Gedraag je dan niet zo.”

Hij legde zijn handen op de tegels, boog zijn hoofd en liet het hete water over zich heen stromen. Een uur of twee, schatte hij, om zijn vermoeide ijskoude botten te verwarmen. Een paar potten aspirine om de pijn te verlichten. Drie of vier dagen slaap na de uitputting van het waden door ijskoud overgestroomd water en zandzakken op de oevers slepen en een volwassen man en vrouw om hun vermoorde hond zien huilen.

Hij wilde het liefst rust, rust en duisternis om in weg te zinken, waar niets er werkelijk toe deed. Maar hij was ook bang dat hij zijn weg daar maar al te makkelijk zou terugvinden.

Toen hij het douchegordijn hoorde terugschuiven bleef hij staan waar hij stond, hoofd naar beneden, ogen gesloten. “Je kunt nu beter geen ruzie met me maken, Meg. Je verliest toch.”

“Hoor eens, Burke. Ik hou er niet van om afgeschud te worden als een lastige vlieg. Ik hou er niet van om genegeerd te worden. Gecommandeerd. Ik weet niet of het me bevalt hoe je er vanavond buiten het stadhuis uitzag. Dat ik niets kerkenbaars op je gezicht zag, of in je ogen. Het maakt me nijdig. En…”

Ze sloeg haar armen om hem heen en drukte haar naakte lichaam tegen het zijne zodat hij met een schok rechtop ging staan. “Het windt me op.”

“Niet doen.” Hij klemde zijn handen om de hare en trok ze van elkaar en hield haar op armslengte afstand. “Niet doen.”

Opzettelijk keek ze omlaag. Met een veelbetekenende glimlach keek ze weer op. “Kennelijk spreek je jezelf tegen.”

“Ik wil je geen pijn doen, dus daag me niet uit, zoals ik me voel.”

“Ik ben niet bang voor je. Ik was helemaal toe aan ruzie en plotseling ben ik toe aan iets anders. Geef me iets anders.” Ze liet haar hand over zijn borst glijden. “Dan kunnen we daarna doorgaan met ruzie-maken.”

“Ik ben niet in een aardige bui.”

“Ik ook niet. Nate, soms heb je gewoon iets anders nodig. Gewoon je gedachten verzetten en alles even vergeten. Iets van de woede, pijn en angst opbranden. Pak me,” mompelde ze. Ze greep zijn heupen beet.

Hij had haar weg moeten duwen. In plaats daarvan trok hij haar warme natte lichaam tegen het zijne en zocht haar mond om die te verslinden.

Ze drapeerde zich om hem heen en sloeg haar armen om hem heen met haar vingers op zijn schouders. Met haar nagels drukte ze in zijn vlees. De hitte die ze uitstraalde drong door tot in zijn botten, schroeide door hem heen en verteerde zijn uitputting en kille woede.

Haar natte handen gleden over zijn natte lijf en ze gooide haar hoofd uitnodigend achterover en hij zoende haar hals en haar schouders, overal waar hij haar zachte warme huid vond.

Haar hete adem gleed over zijn lippen terwijl ze zachte, kreunende geluidjes maakte.

“Hier.” Ze pakte de zeep uit het bakje. “Ik zal je schoonwrijven en je heerlijke mannenrug onder mijn handen voelen. Lekker nat en glibberig.”

Ze lokte hem als een sirene. Hij liet haar begaan, liet haar handen over hem heen gaan, liet haar denken dat ze hem in haar ban had. Toen hij haar tegen de muur drukte veranderde de lome blik in haar ogen in verbazing.

Ze glimlachte en hij bedekte gulzig haar mond met de zijne.

Ze had gelijk gehad, dacht hij vaag. Hij was iemand anders, iemand die meedogenloos en dominant was, die haar geen keus liet en tot overgave dwong.

Met zijn lippen op de hare wrong hij de zeep uit haar hand. Hij zeepte haar borsten in en liet het schuim over haar tepels lopen die meteen rechtop gingen staan. Ze zuchtte diep en sidderend.

De scheuten van begeerte in haar onderbuik werden bijna ondraaglijk. Ze wilde hem. En wel meteen. Haar lippen gleden langs zijn hals en ze fluisterde: “Ik wil je. Kom in me. Je bent zo heerlijk. Je bent zalig. Kom in me. Kom…”

“Eerst smeken.”

Ze lachte en beet fel in zijn hals. “Nooit.”

“Jawel.” Hij trok haar armen over haar hoofd en pakte met één hand haar polsen in een ijzeren greep. “O, jawel.”

Toen pakte hij de zeep en liet die langs haar benen tussen haar dijen glijden, dieper en dieper tot ze sidderend klaarkwam.

“Nate.”

“Ik had je gewaarschuwd.”

Ze werd overvallen door een lichte paniek, toen door bijna ondraaglijk genot toen zijn vingers in haar gleden. Ze kronkelde en raakte in vervoering en hij ging door tot ze nauwelijks nog wist waar ze was, tot ze dacht dat ze het niet langer uithield. Ze kreunde en hijgde terwijl het hete water over haar heen stroomde en de stoom haar het zicht benam.

Toen ze explodeerde en dacht dat ze boven de aarde zweefde dempte hij haar kreten met zijn mond.

“Zeg mijn naam.” Hij moest het horen, moest weten dat ze hem in haar wilde. “Zeg mijn naam,” beval hij toen hij haar omhooghees en in haar stootte.

“Nate.”

“Nog een keer. Zeg het nog een keer.” Zijn adem raspte in zijn keel. “Kijk me aan en zeg mijn naam.”

“Nate.” Ze woelde in zijn haar en klauwde haar nagels in zijn schouders. Ze keek naar zijn gezicht, in zijn ogen. En zag hem, en zichzelf. “Nate.”

Hij stootte, nam haar, stootte tot hij klaarkwam en ze haar hoofd slap op zijn schouder liet vallen.

Hij leunde met zijn hand tegen de natte muur om op adem te komen, om zich te hervinden. Blindelings vonden zijn vingers de kraan om die uit te draaien.

“Ik moet zitten,” bracht ze uit. “Ik moet echt even zitten.”

“Wacht heel even.” Waar hij de kracht vandaan haalde wist hij niet, maar hij tilde haar over zijn schouder en wankelde met haar uit de douche.

Hij pakte een paar badlakens, hoewel het hem verbaasde dat het water niet sissend van hun hete lichamen verdampte.

Toen hij zo met haar de slaapkamer in liep sprongen de honden meteen op. “Vertel je beschermers dat het oké is.”

“Wat?”

“De honden, Meg. Stel ze gerust voor ze denken dat ik je bewusteloos heb geslagen.”

“Rock, Buil, niks aan de hand.” Ze droop zowat uit zijn armen toen hij haar op bed legde. “Ik ben helemaal wazig.”

“Probeer je af te drogen.” Hij gaf haar een badlaken. “Ik zal een hemd of zoiets voor je pakken.”

Ze nam niet de moeite zich af te drogen, maar bleef loom liggen nagenieten. “Je zag er moe uit toen je binnenkwam. Moe en gemeen, alsof je bedekt was onder een dun laagje ijs. Net als toen je bij Yukon stond. Zo heb ik je nog een paar keer gezien, in een glimp. Met je politiegezicht.”

Hij zei niets, trok een oud sweatshirt aan en wierp haar een flanellen overhemd toe.

“En het windt me nog op, ook. Best eng.”

“De weg naar jouw huis is onbegaanbaar. Je zult hier moeten blijven.”

Ze wachtte even, probeerde tot zichzelf te komen. “Je hebt me wéggewuifd. Toen we buiten waren.” Weer zag ze het beeld van Yukon met zijn doorgesneden keel voor zich, het mes tot aan het heft in zijn borst. “Je wuifde me weg en commandeerde me, een soort verbaal geweld. Dat vond ik walgelijk.”

Weer zei hij niets, maar pakte het badlaken om zijn haar droog te wrijven.

“Je zegt niet eens sorry.”

“Nee.”

Ze ging rechtop zitten om zijn overhemd aan te trekken. “Ik kende die hond vanaf dat hij een pup was.” Omdat ze bang was dat haar stem zou breken, kneep ze haar lippen op elkaar en hervond haar zelfbeheersing. “Ik vind dat ik best van streek mocht zijn.”

“Dat ontken ik niet.” Hij liep naar het raam. Er viel zo goed als geen sneeuw meer. Misschien klopte de weersvoorspelling.

“En het was logisch dat ik me zorgen maakte om mijn eigen honden, Nate. En ik had het recht om er zelf naartoe te gaan.”

“In zekere zin.” Hij liep weg bij het raam maar liet de gordijnen open. “Natuurlijk maakte je je zorgen, maar dat was niet nodig.”

“Wie weet wat hen had kunnen overkomen.”

“Ben ik het niet mee eens. Degene die het gedaan heeft, zocht één enkele, oude hond uit. Die van jou zijn jong en sterk, met een goed stel tanden. Bovendien lijkt het wel een Siamese tweeling.”

“Wat maakt dat nou…”

“Denk eens even na in plaats van zo fel te reageren.” Het ongeduld klonk door in zijn stem toen hij het badlaken op de grond wierp. “Stel dat iemand hen iets aan wilde doen. Stel dat iemand, zelfs iemand die ze kennen en toelaten, een van hen zou proberen iets aan te doen. Als dat al zou lukken, zou de ander hem aan stukken scheuren. En iedereen die ze goed genoeg kent, weet dat.”

Ze trok haar knieën tegen haar borst, liet haar hoofd hangen en barstte in snikken uit. Zonder op te kijken gebaarde ze met haar hand dat hij op afstand moest blijven toen ze hoorde dat hij naar haar toe liep.

“Niet doen. Toe. Geef me even de tijd. Ik kan het beeld niet uit mijn hoofd zetten. Het was makkelijker toen ik kwaad op je was, en ook toen ik mijn woede in seks liet omslaan. Ik vond het vreselijk om daar te moeten zitten wachten zonder dat ik iets wist. En diep vanbinnen was ik bang dat er iets met jou was gebeurd. Daar was ik bezorgd om. En daardoor werd ik pas echt kwaad.”

Ze hief haar hoofd op. Door een floers van tranen zag ze zijn gezicht, dat zich weer had afgesloten. “Ik wil nog iets zeggen.”

“Ga je gang.”

“Ik…ik moet een manier vinden om het te zeggen zonder dat het lullig klinkt.” Met de muis van haar handen wreef ze haar wangen droog. “Zelfs al was ik kwaad en bang en ook al kon ik je wel een schop onder je kont geven om hoe je tegen me deed, heb ik bewondering voor wat je doet. Hoe je het doet. Wie je bent als je het doet. Ik heb bewondering voor je kracht.”

Hij ging zitten. Niet naast haar, niet op bed, maar op de stoel, zodat er afstand tussen hen was. “Niemand om wie ik ooit heb gegeven, niemand buiten mijn werk, heeft ooit zoiets tegen me gezegd.”

“Dan gaf je volgens mij om de verkeerde mensen.” Ze stond op en liep naar de badkamer om haar neus te snuiten. Toen ze terugkwam, bleef ze tegen de deurpost geleund naar hem kijken.

“Je bent mijn honden voor me gaan halen. In al die consternatie ben je ze gaan halen en heb je ze naar mij gebracht. Je had iemand anders kunnen sturen, of het kunnen afblazen. De weg was overstroomd, ze hadden kunnen wachten. Maar dat deed je niet. Ik heb vrienden die hetzelfde voor me gedaan zouden hebben en andersom. Maar ik ken geen enkele man met wie ik iets gehad heb, naar bed ben geweest, die hetzelfde gedaan zou hebben.”

Er verscheen een zwak glimlachje op zijn lippen. “Dan ben je volgens mij met de verkeerde mannen naar bed geweest.”

“Waarschijnlijk wel.” Ze liep de kamer in en raapte het overhemd op dat hij had uitgetrokken toen ze naar binnen waren gegaan. Voorzichtig maakte ze de ster los en gaf die aan hem. “Die staat je goed, trouwens. Sexy.”

Hij pakte haar hand voor ze achteruit kon lopen. Met haar hand in de zijne stond hij op. “Ik heb je ontzettend nodig. Meer dan ik ooit iemand nodig heb gehad en misschien meer dan je wilt.”

“Daar zullen we wel achter komen.”

“Een jaar geleden zou je geen bewondering voor me gehad hebben. En een halfjaar geleden ook niet. En je moet weten dat er nog steeds dagen zijn dat het me bijna te veel is om uit bed te komen.”

“Waarom doe je het dan toch?”

Hij opende zijn hand en keek naar de ster. “Waarschijnlijk omdat ik deze penning ook ontzettend nodig heb. Daar is niets heldhaftigs aan.”

“Dat heb je helemaal mis.” Ze had haar hart verloren. Op dat moment viel het aan zijn voeten. “Het is heldhaftig om meer te doen dan je wilt of denkt dat je kunt. En soms houdt dat gewoon in dat je de nare dingen doet, de rotzooi van anderen opknapt.”

Ze stapte dichterbij en nam zijn hoofd tussen haar handen. “Het is echt niet alleen heldhaftig om op drieduizend kilometer hoogte uit een vliegtuig op een gletsjer te springen omdat niemand anders dat durft te doen. Het is heldhaftig om ‘s-morgens op te staan als je dat eigenlijk helemaal niet wilt.”

Allerlei emoties streden om voorrang in zijn ogen. En hij legde zijn wang op haar haren.

“Ik ben zo verliefd op je, Meg.” Toen drukte hij een kus op haar kruin en ging staan. “Ik moet weg. Ik wil kijken hoe het met de rivier staat en op patrouille voor ik naar het bureau ga.”

“Kunnen een burger en haar honden een lift krijgen?”

“Ja.” Hij woelde door haar vochtige haar. “Droog je haar eerst even.”

“Wil je me vertellen wat je over Yukon weet?”

“Ik zal je vertellen wat ik kan.”