Voorwoord

Ruim een maand later, toen de zomer woedde, en de West-Europese moesson was losgebroken, liep ik op een avond afgepeigerd met mijn zeis over mijn schouder naar huis. Tussen twee hoosbuien door had ik korte metten gemaakt met de manshoge brandnetels in mijn hoogstamfruitboomgaard. Ondertussen joeg Anders rosse woelmuizen op. Met mijn hondje op mijn hielen sjokte ik langs mijn bonenstaken. Anders sloeg aan, de kiezels op het grindpad knarsten. Ik was amper in staat mijn hoofd op te heffen, zag alleen maar dat achter de donkere sleedoorns en judasbomen de rode gloed schemerde van een damesjasje.

‘Roodkapje,’ mompelde ik tegen Anders.

Aan haar blaf hoorde ik dat het geen vreemdeling was. Dus keek ik beter. Toch herkende ik de tengere, vuurrode verschijning niet. Het was net alsof het wezentje dat daar aan kwam lopen, zomaar opdook uit Schumanns Märchenerzählungen. Zoveel zwart, zwierig dansend, krullend lang haar – er was toch niemand in mijn kennissenkring met zo’n overvloedige haargroei? Pas toen het kwiek voorstappende Roodkapje dichterbij kwam, herkende ik haar.

‘Wat heb jij een schitterend rood jakje aan,’ zei ik, ‘dat staat je vorstelijk.’

‘Mij staat alles,’ zei ze bits en afwerend. Het leek alsof ze van zich afbeet na een opmerking die haar gekrenkt had.

Verbouwereerd mompelde ik: ‘Echt, ’t staat je fan...’

‘Maak ’t niet nog erger,’ beet ze me toe, en toen zei ze, terwijl ze me een grote envelop toestak: ‘Hier, de foto’s van je Somaliër. Heb je een smoes om bij hem binnen te stappen.’

‘Hou toch op,’ zei ik, ‘ik smijt ze wel bij haar in de bus.’

‘Ook een idee, en dan doe je er een vrijbriefje bij en als je dan toch een pen vasthoudt, kun je in één moeite door ’t voorwoord voor mijn boek schrijven. Als ’t af is, stuur ’t dan naar m’n e-mailadres: [email protected].

‘Is er haast bij?’

‘Als ik ’t eind september binnen heb, is ’t goed. Volgend voorjaar moet ’t boek uitkomen.’

Ze wilde zich alweer omdraaien.

‘Kopje thee, Roodkapje?’ vroeg ik.

‘Bij de boze wolf zeker.’ Ze stak ver haar tong uit, draaide zich om en begon weg te lopen. Anders en ik stonden een poosje al dat gewoonlijk in een vlecht gekanaliseerde, maar nu springerig loshangende haar na te kijken. Aan de boomtakken hingen reusachtige druppels waarop de lage avondzon scheen, zodat het leek alsof ze wegliep tussen glinsterend diamantgruis.

Nog diezelfde avond probeerde ik, mijn adagium ‘Moet je iets doen waar je geen gat in ziet, doe ’t dan meteen, anders wordt de last elk uur zwaarder’ indachtig, dat voorwoord te schrijven. Dat viel niet mee. Na veel geploeter wist ik niet veel anders te produceren dan een kort stukje over ’t dorpje Monward. Erboven zette ik: ‘Het gehucht met de januskop’.

Strikt genomen is Monward niets meer dan één lange straatweg. Akkoord, die straat, de Kruisherenweg, splitst zich na het spoorwegviaduct in twee straten, die bij het bejaardentehuis Klein Lourdes weer bij elkaar komen, en verderop loopt, parallel daaraan, in de richting van de Parousieplassen en het bos van Monstrans, nog de Kazuifelstraat, en er zijn vele zijstraatjes en slopjes. Maar een echt dorp? Kunnen we daarvan spreken? Is het niet veeleer een minilustoord? Marcheer je vanuit de naburige protestantse metropool via de Papenlaan Monward binnen, dan is het alsof je een machtig oerbos betreedt. Hoe nietig voel je je opeens onder die kolossale woudreuzen!

Rijd je er in de trein langs, dan lijkt Monward overigens net een statig Drents dorp met een brink en een kruiskerk. Kom je ’s zomers vanuit Papenveer aanvaren over de Parousieplassen, dan oogt Monward als een Friese fata morgana aan een binnenzee. En in ’t bos van Monstrans waan je je, als je opeens oog in oog komt te staan met het Kasteel, en je de fotogenieke zwart-witte zwanen in de slotgracht ziet dobberen en slobberen, ‘in England’s green and pleasant land’ om met William Blake te spreken.

Pas op eilandje Eeuwenleed zie je dat je in Zuid-Holland bent. Waarom dat eilandje, in een dorp waar vrijwel alle straten katholiek vernoemd zijn, overigens Eeuwenleed heet, weet niemand. Wordt daarmee de rijke geschiedenis van het katholicisme kernachtig samengevat? Op Eeuwenleed laten de Monwarders hun kippen los die van de leg zijn. Over de brug marcheren ze het dorp weer in. Derhalve scharrelen op al die katholieke lanen tientallen haveloze hoenders.

In Monward gebeurt nooit iets, behalve ’s morgens tussen acht en negen uur. Dan perst sluipverkeer zich over de Kruisherenweg. Net als ’s avonds tussen vijf en zes uur. Na zessen is het zo stil in het dorp dat het lijkt alsof iedereen op het kerkhof ligt. Dat er desondanks in dit ogenschijnlijk uitgestorven dorp mensen wonen, blijkt uit dit fotoboek, waarin ruim tweehonderd portretten zijn opgenomen van de markantste bewoners van Monward.

Als attachment stuurde ik mijn voorwoord naar het e-mailadres van Lotte. Een dag later mailde ze mij: ‘Misschien is deze ontboezeming bruikbaar als voorwoord voor de Monwardse vvv-folder, maar er is geen denken aan dat ik hiermee mijn boek zou willen bevuilen. Van de auteur van De roekeloze buiteling had ik iets beters verwacht. Probeer ’t doodgewoon nog een keer.’

‘Val dood,’ riep ik kwaad tegen het scherm, en toen dacht ik: wacht, ik zal je krijgen en schreef vervolgens:

‘Fotografen’, heeft de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor gezegd, ‘zijn het laagste gedierte des velds.’ Dat gedierte komt, meestal gehuld in spijkerpak, voorrijden in stationcars – vroeger overigens bij voorkeur in een Citroen ds, omdat die met zijn luchtkussenvering de apparatuur schokbestendig vervoerde – zet je tegen de muur en schiet dan razendsnel twee tot drie filmrolletjes vol. Meestal weten ze amper wie je bent en het resultaat is derhalve doorgaans miserabel. Is zo’n fotograaf kleiner dan ik, dan boekt hij, omdat hij mij van onderop fotografeert, een miezerig resultaat. Vrouwelijke fotografen zijn vrijwel altijd kleiner dan de mannen die zij fotograferen, daarom is bij voorbaat veel van hun arbeid tot mislukken gedoemd. Dat ik mij er desondanks toe heb geleend een voorwoord te schrijven bij het boek van Lotte Weeda, is slechts te danken aan het feit dat ik in het eerste fotoboek dat zij publiceerde een aangrijpend portret tegenkwam van een vrouw die op het punt staat het hoekje om te gaan.

Zonder er zelfs maar een nachtje over te slapen, stuurde ik mijn tweede voorwoord naar [email protected]. Waarna ik, één dag later, een e-mailtje terugkreeg waar ik een tijdje vol verbazing en schuldgevoel naar zat te turen: ‘Precies wat ik voor ogen had! Na zo’n voorwoord kunnen mijn foto’s alleen maar meevallen. Dank je wel, Lotte.’

Vervolgens hoorde ik niets meer. Het leek alsof Lotte van de aardbodem was verdwenen. Af en toe dacht ik aan mijn voorwoord. Moest ik niet proberen iets totaal anders te schrijven? Soms ging ik er zelfs voor zitten, maar dan staarde ik machteloos naar het lege scherm van mijn monitor. Zelfs als ik die prachtige foto’s van Sirena uit de envelop haalde en stuk voor stuk bekeek, wist ik niets te bedenken dat mijn valse voorwoord zou kunnen vervangen. Ik moest die foto’s trouwens naar Sirena brengen. Van dag tot dag stelde ik het uit. Ik overwoog ze op een avond bij haar in de bus te doen, maar toen ik een keer met Anders in de duisternis langs de beautysalon kuierde, zag ik dat een gleuf in de deur van haar salon ontbrak. Steels die foto’s bezorgen, ging dus niet. En daarom hield ik ze zolang zelf maar. Eén foto prikte ik boven mijn computer aan de muur. Omdat daar die blauwgrijze kater zo beeldschoon op stond. Met zijn leigrijze pootjes als hallelujahandjes naar de hemel geheven stond hij pal achter Sirena; het leek alsof hij grijnsde. Hoe spijtig dat je slecht kunt schatten wat er in dieren omgaat. Wat denkt een kat die achter zijn bazinnetje staat dat zich uitslooft om zo voordelig mogelijk op de foto te komen? Dat zou ik dolgraag weten. Net als het antwoord op de vraag of er elders in het heelal leven is.