Ster van Bethlehem

Achter mijn ouderlijk huis was een plaatsje van zes bij vier meter waar zelfs ganzenvoet niet wilde groeien. Mijn moeder, van huis uit gewend aan de kwekerij van twee hectare waar mijn grootvader zijn groenten teelde, kon niet wennen aan dat betegelde domeintje. Regelmatig verzuchtte ze dat ze in haar jeugd ‘zomaar de tuin in kon lopen’.

Dat wij geen tuin hadden, vond ik doodnormaal. In mijn geboorteplaats had bijna niemand er een. De steile grashelling van een hoge zeedijk vormde in ons van parken en plantsoenen gespeende havenstadje de groenvoorziening. De enige bloem die in de beroete wijkjes ontlook, was de haagwinde. ’s Zomers klom zij omhoog in de afrasteringen van schamele fabriekjes. Voor de wufte dotterbloem moest je in het vroege voorjaar de stad uit.

Al ontbreken tuinen, je hebt altijd vensterbanken. Daarop kweekte mijn moeder kolossale begonia’s en geraniums en petunia’s. Zodra die vensterbankplanten groot genoeg waren, werden zorgvuldig scheutstekjes gewonnen, die als ruilobject dienden. Het hele jaar door wisselden vrouwelijke vensterbankspecialisten stekjes uit. Lang voor het woord ‘klonen’ een huivering langs de ruggenwervels zou jagen, werd er oerdegelijk, vakkundig en adembenemend zorgvuldig het hele jaar door een netwerk van huisvrouwen volop gekloond. Vaak marcotteerden ze ficussen en sansevieria’s als gediplomeerde kwekers. Terwijl nu de sos-Oweekerken in een herderlijk schrijven krachtig voor klonen waarschuwen, werd er toen van de kansel, hoe alert men ook was ten aanzien van de zonde, nimmer over deze alomtegenwoordige vorm van vegetatieve vermenigvuldiging gesproken.

Om de van buitengroen verstoken kinderen een vleugje bloemengeur te verschaffen kregen wij op school elk jaar een piepklein stekje in een perspotje uitgereikt. Dat stekje moesten wij thuis, op de vensterbank, grootbrengen. Het resultaat van je inspanningen moest je mee naar school nemen. Wie de mooiste, grootste, rijkst bloeiende plant had gekweekt, kreeg de eerste prijs. Om gelijk begin te waarborgen kregen we allemaal een stekje van dezelfde plant.

Aan mij waren die stekjes niet besteed. Ik zette ze op de vensterbank tussen de begonia’s, erop vertrouwend dat mijn moeder ze water zou geven, en keek er niet naar om. Maar mijn moeder vertikte het om mijn stekjes te verzorgen. Binnen een week gingen ze dood.

Op een middag had ik een stekje van de Ster van Bethlehem uitgereikt gekregen. Mismoedig droeg ik het naar huis, wetend dat er niets van terecht zou komen. Toen ik de gang betrad die naar de woonkamer leidde, hoorde ik mijn grootmoeder ratelen. Ik opende de kamerdeur, zei: ‘Dag oma’, en liep met het stekje naar onze smalle vensterbank.

‘Wat heb je daar?’ vroeg mijn grootmoeder.

‘Een stekje,’ zei ik gemelijk, ‘op school gekregen. Moet ik opkweken. Kan ik een prijs mee winnen.’

‘Een prijs winnen!’ hoonde mijn vader. ‘Volgende week is dat plantje morsdood.’

‘Waarom?’ vroeg mijn grootmoeder.

‘Voor een plantje zorgen,’ zei mijn vader, ‘dat zit er bij dat jong absoluut niet in. Dat arme stakkertje van Bethlehem, dat haalt de nieuwe aardappels niet eens.’

‘Geef hem dan aan mij mee,’ zei mijn grootmoeder, ‘dan zal ik hem voor je opkweken.’

Ik duwde haar het stekje meteen in de handen. Teder drukte ze het tegen haar borst.

Negen maanden later torste ik een melkwegstelsel naar de school met de bijbel. Daar wilde men nauwelijks geloven dat het miezerige stekje dat men mij had meegegeven, getransformeerd was tot deze reusachtige bruidssluier. Er was geen uitweg, de eerste prijs was voor mij: een legpuzzel van een zeesleepboot.

Het jaar daarop transporteerde mijn zus haar stekje van Bethlehem naar mijn grootmoeder. De concurrentie liet zij mijlenver achter zich. Ook zij kwam met een zeesleepboot thuis.

Twee lessen kunnen we hieruit leren: met klonen zijn wij van kindsbeen af vertrouwd, en het is onzinnig om te beweren dat je als je kloont individuen krijgt die sprekend op elkaar lijken. Uit identieke stekjes werden zowel miezersterren als melkwegstelsels opgekweekt.

‘Het is iets langer dan een a-viertje,’ mompelde ik tegen Anders, ‘maar als ik deze column uitprint met een kleine letter, kan hij op één blaadje. Bovendien lees ik hem straks op de buis zo snel voor dat ’t niet opvalt dat hij iets te lang is. Ik ben benieuwd wat die angsthazen in dat tv-forum daarop te zeggen hebben.’

Ik printte mijn column uit en keek op de klok. ‘De taxi komt zo. Jammer genoeg kan ik je niet meenemen, het spijt me dat ik je een paar uur alleen moet laten, maar als ik straks terug ben gaan we rom, bom, bom, een poldertje om, dat beloof ik je.’

Mijn hondje wou gaan kwispelen, hoorde toen een auto aankomen en rende blaffend naar de voordeur.

Even later stoven we weg. Het is buitengewoon prettig dat die omroepen je, als je je laat ompraten iets voor ze te doen, laten halen en ook terugbrengen, maar het betekent wel dat je een uur lang naast een wildvreemde in een taxi zit met wie je wanhopig keuvelt over de files, het weer, de regering of ons bizarre omroepbestel. Meestal staat in zo’n taxi de autoradio aan, en daaruit komt onveranderlijk de tinnef die aangeduid wordt met de term ‘popmuziek’.

Spoedig nadat we op weg waren gegaan, werd duidelijk dat ik geen chauffeur had getroffen die verzot was op gibbongekrijs met back vocals. Het was een wat oudere man die mij voor de verandering niet inpeperde dat de doodstraf onverwijld ingevoerd moest worden. Zacht neuriënd zat hij naast me, af en toe met zijn linkerhand op het stuur de maat slaand van wat hij zo bescheiden ten gehore bracht. Ik luisterde oplettend. Wat zoemde deze chauffeur toch? Ter hoogte van Abbenes wist ik het vrijwel zeker: hij neuriede ‘Addio del passato’ uit La Traviata. Die herenboer uit Roncole! Een van de grote mirakels uit de muziekgeschiedenis. Zijn beste werken heeft hij gecomponeerd op een leeftijd die geen van de andere grote componisten ooit gehaald heeft.

Net toen ik de chauffeur wilde vragen: ‘Houdt u van Verdi?’, zei hij: ‘We gaan hier afslaan.’

‘Hoezo?’ vroeg ik. ‘Is dat handiger?’

‘Ja, bij Schiphol staat ’t steevast vol; die tunnel daar is een ramp. Ik weet een sluipweg achter Schiphol om, kun je piekfijn bij Amstelveen de a9 weer oppiepen. Doe ik altijd.’

Hij sloeg af, richting Aalsmeer. Even later stonden we voor een rood stoplicht.

‘Kijk,’ zei hij, ‘wij moeten nu meteen linksaf, daar dat weggetje in. Officieel kan en mag dat niet. Als ’t licht op groen springt, komt ’t verkeer van de andere kant dadelijk op gang en kun je dus alleen maar rechtdoor rijden. De kunst is nu om vlak voordat ’t licht groen wordt, en voor ’t tegemoetkomende verkeer gaat rijden, links af te slaan en de weg over te steken. Het is een beetje een waagstuk, het luistert tamelijk nauw, maar ik heb ’t al vaak gedaan, ik weet precies wanneer ’t licht groen wordt, dus twee seconden daarvóór geef ik flink gas en schieten wij dat weggetje in.’

Of hij nu iets te laat gas gaf, dan wel het tijdstip waarop het licht op groen sprong niet zo exact voorvoelde als hij voorgaf, zal ik nooit weten, maar toen hij gas gaf, kwam het tegemoetkomende verkeer op gang.

‘Net een piezeltje te laat,’ hoorde ik hem onbekommerd mompelen. Een reusachtige vrachtwagen kwam op ons af en daarnaast stoof een bmw onze richting uit. De lucht was vervuld van claxongeluiden. De chauffeur van de bmw gooide op het laatste moment zijn stuur om en schoot rakelings langs ons heen. Er dook een Mercedes op, die ons wist te ontwijken, maar met een eigenaardig doffe bekkenslag de reusachtige vrachtwagen schampte.

Op dat moment schoten wij de smalle zijweg in.

‘Die Mercedes...’ zei ik geschrokken.

‘Zo’n Mercedesje kan wel wat hebben,’ zei de chauffeur sussend.

‘Het lijkt me toch...’

‘Ach kom, wat kan ons ’t schelen? Moeten ze maar niet zo walgelijk snel wegschieten als ’t licht op groen springt. Waar is dat goed voor? Meteen maar diep gas! Nooit houden ze rekening met andere weggebruikers.’

Hij neuriede weer even enkele maten uit de aria van Violetta.

‘Ik snap niet dat ’t hier altijd doodstil is,’ zei hij. ‘Nooit tegenliggers. Je zou denken dat iedereen zo langzamerhand weet wat een magnifieke sluipweg hier slingert.’

Over die magnifieke sluipweg scheurden wij met ruim honderd kilometer per uur achter Schiphol om. Wij naderden snel een zwarte vrachtwagen die kalm voor ons uit reed.

‘God, man, geef eens gas,’ zei de chauffeur wrokkig, ‘je rijdt amper zestig.’

In een flauwe bocht van de weg remde de vrachtwagen af.

‘We gaan erlangs,’ zei de chauffeur, ‘hier raak ik gestoord van.’

‘Nu?’ vroeg ik verbaasd. ‘Maar u kunt nu toch niet zien of er een tegenligger aankomt?’

‘Er komt hier nooit niks aan, het is hier altijd doodstil, je kunt blind inhalen.’

Hij gaf gas. Er kwam inderdaad geen tegenligger aan. Niettemin voelde ik hoe mijn systolische bloeddruk omhoogschoot.

‘Ik heb hier al zo vaak gereden,’ zei de taxichauffeur, ‘en ook al zo vaak ingehaald. Je komt hier namelijk altijd achter slome vrachtwagens terecht en ik verzeker u, nog nooit is ’t misgegaan. Dat wil zeggen, één keertje moest ik links ’t gras in schieten.’

Er reed weer een slome vrachtwagen voor ons. Op een recht stuk, we konden er gemakkelijk langs. De taxichauffeur maakte geen aanstalten in te halen. In plaats daarvan zuchtte hij: ‘Schiphol, ik kom er altijd maar weer langs. Altijd maar weer die startbanen en die vertrekhal en die aankomsthal en al die andere rommelig neergesmeten gebouwen. Zo lukt ’t me toch nooit om te vergeten. Wat je zegt, ik moet ook niet vergeten... maar zo... dit... elke dag heb ik ’t bij me, ’t gaat nooit meer over.’

‘Wat niet?’ vroeg ik rustig.

‘Ik was verloofd. Mooi blond meisje. Wacht, ik pak even haar foto, kunt u zelf zien...’

Hij deed een greep in de binnenzak van zijn colbert, haalde daar een vrij grote foto uit, en vlijde die op mijn schoot neer. Ik pakte de foto op. Inderdaad, een mooie, stevige blondine van het rondborstige slag, met bolle wangen, waar er zoveel van rondlopen en die helaas snel verouderen. Ze droeg een flatteus blauw klm-mantelpakje.

‘Knappe meid,’ zei ik.

‘En niet alleen knap, maar ook lief, echt erg lief.’

‘Stewardess dus.’

‘Ja,’ zuchtte hij. ‘Zat in die mudvolle klm-Boeing die op Tenerife als een spookrijder tegen dat Pan Am-toestel opbotste. Ik hoop maar dat ze meteen dood was. We zouden de week daarop trouwen. Alles was rond, de kaarten waren verstuurd, de huwelijksreis was geboekt... m’n leven was in één klap voorbij. Daarna heeft nooit iets me nog de moeite waard geschenen... nooit meer. Oui, c’était fini.

Hij zweeg even, vroeg toen: ‘Wat denk je? Zou ze geleden hebben?’

Mijn eerste impuls was om te antwoorden: ‘Vast niet’, maar wat wist een mens daarvan? Nooit immers had iemand die zoiets meemaakte het kunnen navertellen. Dus ik zei: ‘Daar is geen zinnig woord over te zeggen. Mij lijkt dat je hoe dan ook even beseft dat ’t einde daar is, en dat besef, of liever die adembenemende paniek, die opperste wanhoop vlaagt door je heen en lijkt eeuwig te duren.’

‘Wat gek, ik vraag dit altijd aan m’n passagiers en altijd krijg ik ’t antwoord: “Nee, natuurlijk niet, ze was meteen dood.” Stuk voor stuk hebben ze me belazerd, want natuurlijk heeft ze geleden. Waarom nou... waarom hebben al die lui me voorgelogen?’

‘Om u gerust te stellen, om u te sparen.’

‘Ik wil niet gespaard worden,’ siste hij tussen z’n tanden door.

Hij gaf gas en schoot langs de vrachtwagen. Ik dacht: waarom haalt hij uitgerekend hier in, waar de weg zo bochtig is, en toen besefte ik: dit is opzet. Het is een vorm van Russische roulette. En terwijl het leek alsof ik dwars door de bodem van de taxi naar het middelpunt der aarde tuimelde, schoot door me heen: we zijn niet op weg naar Hilversum, we zijn op weg naar de hemel.

‘Ze hebben me indertijd vaak gezegd: “De tijd heelt alle wonden.” Ik kan u verzekeren: da’s de grootste leugen uit ’t heelal. ’t Doet vandaag aan de dag nog net zoveel pijn als toen ’t net gebeurd was. Je gaat ermee naar bed en je staat ermee op. Ze hebben me gezegd: “Er zijn zat andere meiden, d’r is geen hand vol, maar een land vol.” Alsof ik ooit tegen iemand zou kunnen aanlopen die haar zou kunnen vervangen. ’t Schrijnt maar, ’t steekt maar en altijd weer kom je langs Schiphol en zie je die verdomde vliegtuigen... Nee, gevlogen heb ik nooit meer, mij veel te gevaarlijk. Je snapt die mensen niet, ze stappen maar in die vliegtuigen alsof ’t niks is... en d’r sodemieteren d’r wat omlaag. Ik hou ’t precies bij, ik heb d’r een knipselarchief van. Een tijdje terug nog één, zo’n airbus, bij Kathmandu. En als d’r weer eentje gaat, neem ik een borreltje en ga ik ’s avonds laat de weg op. Dan rij ik naar de een of andere afrit van een snelweg en zet ik m’n grote lichten aan en rij kalmpjes die afrit op. Dan speel ik spookrijdertje; ik vind dat ik dat verplicht ben aan die stakkers die omlaag zijn gekomen. Als hij per ongeluk tegen ’t verkeer in rijdt, denkt een spookrijder: wat is er in vredesnaam aan de hand, d’r komt me een hele horde spookrijders tegemoet. Daarom gaat ’t meestal mis; maar als je, zoals ik, bewust spookrijdt, loop je weinig risico. Je weet immers dat je zo rechts mogelijk moet rijden, en in geval van nood meteen ’t gras in moet duiken. ’t Is enig hoor, spookrijden; och, och, wat schrikken al die tegenliggers ervan, wat een blinde paniek. Ze gaan zowat met hun reet op hun claxon zitten en met hun grote lichten seinen ze als vuurtorens. ’t Is zoiets prachtigs, d’r is niks waar ik meer van geniet. Radio wijdopen en doorscheuren tot ze melden dat er een spookrijder gesignaleerd is. Wat een triomf! Maar ik doe ’t alleen als d’r weer eentje omlaag is gekomen. Ik vind dat ik dan permissie heb.’

‘Nooit een ongeluk gehad?’ vroeg ik schor.

‘Zo’n troeteldel op de kermis heeft m’n hand eens gelezen. D’r staat in mijn palmlijnen dat ik nooit een ongeluk krijg. Nooit. ’t Wordt me gewoonweg niet gegund, een ongeluk. Ik bedoel, ’t zou toch fantastisch zijn als ik... net als zij... in torenhoge vlammen... dan staan we quitte, dan kan ik haar daarboven tenminste onder ogen komen.’

‘Dus daarom haalt u hier zo onverantwoord in? Maar ik zou toch graag veilig in Hilversum aankomen.’

‘Komt u ook. Heus, u loopt geen enkel risico. Hier zijn nooit tegenliggers, hier kun je blind inhalen.’

En hij stoof langs de volgende slome vrachtwagen. Juist op dat moment verscheen er een tegenligger. Hij drukte het gaspedaal nog wat dieper in en zei jolig: ‘Ik heb eens een passagier gehad die onderweg van angst een hele zakdoek heeft opgevreten.’

Met gierende banden schoten we tussen tegenligger en vrachtwagen de rechterweghelft weer op.

‘Kijk eens aan. Zie je dat ’t altijd goed gaat,’ riep hij opgetogen.

Nog tweemaal haalde hij in, juist wanneer het het gevaarlijkst leek. Goddank zagen we de a9 in de verte hoog boven het maaiveld uitsteken.

‘Moet je dat zien,’ zei hij, ‘ook daar warempel nog file. File, wat heet. ’t Staat muurvast. Dat heb je daar overdag anders nooit. Nou ja, dan blijven we toch mooi op de parallelweg. Slalommen we langs de file door Amstelveen, kruipen wij pas bij de Amstel de a9 op.’

Wat volgde bleek een grotere beproeving dan de bizarre inhaalmanoeuvres op de tweebaansweg achter Schiphol om. Steeds doemden kruispunten op, veelal met rood gloeiende stoplichten, die volstrekt genegeerd werden. En ook als er geen stoplichten gloeiden, en je niet goed kon zien of er van links of rechts iets naderde, stoven wij vol gas zo’n kruispunt over.

‘Zij woonde hier toen ik haar leerde kennen, dus ik ken dit stukje Amstelveen alsof ik er opgegroeid ben,’ zei de taxichauffeur. ‘Het is zo’n wonderlijk stadsdeel, je ziet hier nooit iemand... Eén keer heb ik meegemaakt dat er op ’t moment dat ik voorbijkwam, twee boven op mekaar vlogen. ’t Is altijd weer apart, zo’n botsing achter je rug, ’t is zo’n mooi, dof geluid.’

Hij blies zijn wangen op en probeerde, daarbij zijn mond onverhoeds wagenwijd opensperrend, het geluid van een botsing na te bootsen.

‘Jammer dat de klap zelf verklonken is voor je er erg in hebt. Ik vraag me altijd af hoe dat op Tenerife is geweest. Twee van die kolossale Boeings. Boven op mekaar. Ook zo’n dof, kort geluid? Die Amerikaan taxiede alleen maar, haar toestel was al aan de spurt bezig... ach, jongens, jongens, ach... ach...’

Vanuit een aardedonker laantje schoot een mountainbike het kruispunt op dat ook wij wilden oversteken. De taxi schampte de velg van het voorwiel. De bike zwiepte door de lucht alsof hij ontplofte. Met nutteloos ronddraaiend voorwiel daalde hij boven op de fietsster neer, die al tegen de grond was gesmakt. Ze had lang zwart krulhaar, ze droeg een rood jakje. Lotte, dacht ik even, het is Lotte.

‘Moeten we niet stoppen?’ vroeg ik.

‘Ach, kom,’ zei de chauffeur, ‘we zijn toch geen ambulance? Zonder te kijken stak die troela het kruispunt over. Eigen schuld, dikke bult.’

Toen we eenmaal heelhuids op de a9 reden, zei hij: ‘U bent uit ’t goeie hout gesneden. Vaak genoeg tref ik passagiers die mijn rijstijl niet waarderen en beginnen te schelden. Of ze gaan gillen, dat maak ik ook regelmatig mee. Meest met vrouwen. Maar u... ’t is jammer dat m’n dienst zo meteen is afgelopen. Ik had u graag ook teruggebracht. Hebt u zin om, als d’r weer eentje omlaagkomt, met me mee te gaan? Daar bij u is zo’n mooie, lange, heerlijk smalle afrit, daar zou je super-de-luxe spookrijdertje kunnen spelen. Toe, ga een keertje mee... ’t is vast nog veel leuker als je met z’n tweeën bent.’

Hij keek me aan. Op zijn oude, verweerde gezicht verscheen een betoverende glimlach.

‘Soms denk ik: zal ik naar de verkeerspolitie stappen en zeggen: “Heren, ’t zou goed zijn als de weggebruikers eraan wennen af en toe een nepspookrijdertje tegen te komen. Raken ze niet zo in paniek als d’r een echte op ze afstormt. Zet mij maar in.” Jammer hè, dat je hun antwoord al weet... ’t Zou toch fantastisch zijn, en leerzaam ook... Enfin, dus u gaat mee?’

Ik zweeg, maar dat leek hem niet te deren. Hij zei: ‘We ijlen allemaal voort als spookrijders. Bijna niemand beseft dat. Lang gaat ’t goed, maar opeens is daar het verblindende licht van de tegenligger. Laatst dregden ze een nachtvisser op. Was overboord geslagen met z’n zaklamp nog in z’n hand. Ze vonden hem omdat de lamp onder water recht in z’n gezicht scheen!’

Eenmaal aangekomen bij de studio begeleidde hij me door de catacomben naar, zoals hij ’t noemde, de verfplek. Hij wachtte tot ik in een stoel zat. In de spiegel zwaaide hij naar me.

‘Wat een aardige man,’ zei het meisje van de make-up. Ze zette een roze sponsje op mijn voorhoofd, zei verbaasd: ‘Bent u ziek? Koorts?’

‘Nee,’ zei ik.

‘U beeft zo.’