Uitvaartorganist

Taeke Gras leek na de schamele opkomst bij zijn verontrustenconclaaf voorgoed geknakt. Kwam ik hem tegen, dan deinsde hij zelfs aan de overkant van de straat terug. Als hij mij daarmee ontwijken kon, sloeg hij snel af naar een van de Paus-slopjes. Vroeger had hij jaloers makend kaarsrecht gelopen, maar van zijn eens zo fiere gang was weinig over. Mijn vader zei: ‘Als ze schuifelen en hun benen niet meer optillen, is ’t meest snel afgelopen.’ Je kon niet zeggen dat hij over straat schuifelde, maar terwijl hij voorheen schreed, sjokte hij nu als een straatveger.

Wat mij iedere keer verdroot, als hij mij niet meer ontwijken kon, was dat hij mij zo schichtig groette. Was ik dan zo’n grote boosdoener? Als hij angstvallig zijn hand opstak, wilde ik hem toeroepen: ‘Hou toch op, Gras, ik heb alleen maar ’t voorwoord geschreven. Als je verhaal wilt halen, moet je bij Lotte zijn.’

Ik werd meestal kort na een ontmoeting met Gras opgemonterd omdat ik dan de aspirant-verspieder tegenkwam. Het leek alsof Gras en dat bedeesde knulletje op dezelfde tijdstippen door het dorp kuierden. Misschien leefden ze, zonder dat ze dat van elkaar wisten, dankzij hun Friese voorouders in een vergelijkbaar ritme.

‘En, Djoeke,’ vroeg ik dan, ‘wil je nog steeds spion worden?’

‘Ja, meneer,’ kwam het beleefde antwoord.

Daarna liepen we verder. We keken allebei even naar elkaar om, waarbij ik mijn hand opstak en het joch bemoedigend en conspiratief toegrijnsde.

Op een wondermooie, zonovergoten bladstille septemberdag kwam ik ze vlak bij de hervormde kerk zo kort na elkaar tegen dat het jongetje zag hoe Gras voor mij terugdeinsde. Djoeke schrok, en daardoor was ik op mijn beurt van slag. Ik overwoog hem precies uit te leggen wat er aan de hand was, maar vroeg mij af of het schaap daar iets van zou begrijpen.

Een minuut of vijf nadat ik mijn bijkeuken was binnengestapt, sjirpte de telefoon. Ik nam op, en zei mijn naam.

‘Met Ria. Stoor ik?’

‘Jij stoort nooit.’

‘Ik heb hier Taeke Gras. We overleggen over z’n begrafenis.’

‘Nu al? Die man is kerngezond.’

‘Dat staat te bezien. Los daarvan kan het, zeker als je bejaard bent, nooit kwaad om alvast eens te overleggen. Wat ik wil vragen is: heb je misschien tijd? Zou ’t je schikken om even hierheen te komen voor overleg over de muziek bij zijn rouwdienst?’

‘Mij best, maar ik weet haast zeker dat Gras mij niet als organist wil.’

‘Ik heb hem zonet gezegd dat onze eerste en tweede organist een baan hebben en door de week niet beschikbaar zijn en dat wij daarom vaak een beroep op jou doen bij trouw- en rouwdiensten.’

‘En dat slikte hij?’

‘Hij heeft niet gezegd dat hij jou niet wilde.’

‘Goed, ik kom eraan.’

Toen ik de tuinkamer van de pastorie binnenstapte, stond Gras op, neeg het hoofd en stak zijn hand naar mij uit. Ik begreep er niets van. Zou Maria hem bewerkt hebben? Gras ging zitten, keek mij aan met zijn ijsvogelblauwe spookdierogen en vroeg: ‘Mag ik zelf de muziek uitkiezen?’

‘Uiteraard,’ zei ik. ‘Met de beperking dat ik niet alles kan spelen. Laatst wilde iemand “Dieu parmi nous” uit La nativité du Seigneur van Messiaen. Grandioze muziek, maar ja, allemachtig moeilijk. En slecht te realiseren op ’t Holman-orgel, al is ’t een wondermooi instrument.’

‘O, maar zo’n zwaar stuk, daar taal ik volstrekt niet naar,’ zei Gras, ‘Nee, nee, echt niet van die loodzware stukken, geen Bach of zoiets ysliks. Nee, doe maar wat koralen, psalmen. ’t Liefst die psalm van ’t toegenegen oor.’

‘Welke psalm is dat ook weer? Maria, welke psalm is de psalm van ’t toegenegen oor? Dat moet jij weten.’

Daar kwam die betoverende glimlach waarmee ze elk plagerijtje pareerde.

‘Het is verschrikkelijk,’ zei ik tegen Gras, ‘dat is dominee, maar mevrouw weet niet in welke psalm je ’t toegenegen oor kunt vinden. Weet je wel wie in de woestijn de twee verspieders waren die ’t oneens bleken met hun tien collega’s?’

‘Hij is onuitstaanbaar, wil me altijd overhoren,’ zei Maria tegen Gras. ‘Hij wil altijd laten merken dat hij de bijbel beter kent dan ik.’

‘Die twee verspieders,’ zei Gras nadenkend, ‘waren dat niet Kaleb en Jozua?’

‘Da’s goed,’ zei ik. Gras en ik keken elkaar aan en ik dacht opgelucht: goddank, ’t ergste is voorbij.

‘Kaleb en Jozua,’ herhaalde Gras trots, ‘maar hoe vinden we die psalm van het toegenegen oor?’

‘Die spoor ik wel op maar wat zal ik verder nog spelen? Drie stukken heb je meestal nodig, een wat langer stuk wanneer de mensen de kerk binnendruppelen, een stuk halverwege tussen de toespraken door... dat zou een eenvoudige improvisatie op die psalm van ’t toegenegen oor kunnen zijn... en een stuk aan ’t eind als de familie en andere belangstellenden achter de kist aan de kerk uit lopen. Dat duurt altijd bijzonder lang, dus daar moet je...’

‘Geen zwaar stuk alsjeblieft,’ zei Gras. Doe iets luchtigs. Ik heb eens een keer die Mattheüs gehoord. Wat was dat pounich! Ik heb alleen van de koralen genoten.’

‘Ja, maar als Bach niet mag, wat dan?’

‘Een gezang.’

‘Dat duurt te kort.’

‘Een psalm dan.’

‘Een psalm duurt niet langer dan een gezang.’

‘Wel als je een psalm neemt met veel coupletten, psalm 119 bijvoorbeeld.’

‘Hallo! En dan 119 keer dezelfde melodie spelen? Of maar weer improviseren. Goed, dat kan. Psalm 119? “Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest! Mocht die mij op mijn paân ten leidsman strekken!” ’

Waarom raak ik altijd een beetje van slag als ik zo’n psalmtekst citeer? Maria en Gras keken mij verbaasd aan en ik praatte er snel overheen:

‘Vooral aan ’t eind moet je iets spelen wat de mensen opmontert. Al te droevige muziek bij een begrafenis, dat is bepaald onverstandig. De mensen zijn toch al aangeslagen en aangedaan. Beethoven is geweldig voor begrafenissen, maar ja, die heeft niks voor orgel gecomponeerd. Dus de stoere Bach, die nooit sentimenteel is, blijkt ’t geschiktst. Het koraalvoorspel “Von Gott will ich nicht lassen” – dat is m’n favoriete openingsstuk voor een rouwdienst. Bovendien klinkt dat met de Prestant beeldschoon op ’t Holman-orgel.’

‘Nee, nee,’ zei Gras, ‘nee, alsjeblieft niet, geen Bach en ook geen Beethoven. Niks van dat soort jongens, van ene Mozart of ene Chopin, of hoe die makkers allemaal heten mogen. Dat wil ik echt niet horen bij m’n útfeart. Eetze en Tjerk en Sietze ook niet, die zijn daar ook bunzig van, dat weet ik zeker.’

‘Dan Reger misschien. ’t Koraalvoorspel “Ach bleib mit deiner Gnade”.’

‘Da’s vast ook bar leadich,’ zei Gras.

‘Als we binnendoor naar de kerk lopen, kan ik ’t even laten horen.’

Een minuut of vijf later speelde ik ‘Ach bleib mit deiner Gnade’, en Gras zei: ‘Dat dijt my yn ’e hân. Dat is minder pounich dan ik gedacht had.’

‘Ik kan ’t een keer of drie, vier achter elkaar spelen. Steeds anders geregistreerd, eerst fluisterzacht, dan wat steviger en ten slotte met het volle werk.’

‘Laat horen.’

Nadat het laatste es-dur-akkoord verklonken was, zei Gras: ‘Dat kon nog best eens een mooie útfeart worden. Mits ook ’t weer een beetje meewerkt...’

‘Zo’n dag als deze,’ zei Maria, ‘na een mooie, warme, droge zomer, als de aarde voor de grafdelver rul en los is om te scheppen en ’t licht bijna goudkleurig is... ja, dat willen we allemaal wel.’

‘Och, ja,’ zei Gras, ‘misschien is ’t al met al niet zo erg om dood te gaan.’

‘Nee, want wat is het alternatief? Eeuwig leven? Dan verveel je je dood,’ zei ik. ‘Ik weet nog dat onze dominee op de vraag van een catechisant wat we toch in alle eeuwigheid daar in de hemel zouden moeten doen, zei: “Vissen.” “Vissen?” vroeg de catechisant verbaasd. “Ja,” zei de dominee, “vissen, dat is zo geestdodend dat ’t je nooit kan gaan vervelen.” ’

Later die dag, toen ik met behulp van de concordantie op zoek was naar het toegenegen oor, belde Maria nog een keer.

‘Ik wou je even bedanken dat je vanmorgen gekomen bent, en ik wou ook even met je napraten. Wat denk jij van Gras? Het is een goed teken als gemeenteleden hun uitvaart willen bespreken. Als ze weten of vermoeden dat ze gaan sterven, zijn ze begrijpelijkerwijs angstig en opstandig, en vaak ook enorm verbitterd – “Waarom ik, waarom moet ik, terwijl al die anderen die al zoveel ouder zijn maar mogen voortleven” – maar daarna komt de berusting. En dan, soms, zelfs de aanvaarding. Als ze over de uitvaart beginnen, heb je ’t ergste meestal gehad. Maar bij Gras, en daarom bel ik je, ben ik er niet gerust op. Hij houdt zich groot, is mijn indruk.’

‘Ik vond hem juist nogal aanspreekbaar. Geen woord over ’t boek. En daar is toch alles mee begonnen?’

‘Ja, maar dat boek heeft, anders dan bij jou of bij mij, iets bij hem losgemaakt wat denk ik al een poosje sluimerde. Dat boek is alleen maar... kom, hoe noem je dat ook alweer, dat moet jij weten als bioloog... Als er een reactie plaatsvindt in je lichaam, dan helpen van die stofjes...’

‘Enzymen? Katalysatoren?’

‘Ja, die bedoel ik, voor hem was dat boek zoiets.’

Vergezocht, wilde ik zeggen, maar ik hield me in, dacht: wat is ze toch leuk, en dat ze me hierover opbelt, zou dat zijn omdat ze wil napraten? Ik hoorde haar zachte ademhaling aan de telefoon en zei: ‘Ik zoek me suf naar dat toegenegen oor.’

‘Zal ik ook eens zoeken? Ik heb de bijbel op cd-rom.’

‘Dat is maar goed ook, want...’ en toen schrok ik. Pas op, een plagerijtje is goed, maar voor je het weet heb je haar gekrenkt. Weer hoorde ik die zachte ademhaling.

‘Want...’

‘Nee, niks,’ zei ik.

‘Kom, zeg op: want...’

‘Want de bijbel is veel te dik om ’m van kaft tot kaft uit het hoofd te kennen. Ik weet niet eens waar je ’t toegenegen oor vinden kunt.’

‘Je wou zeggen: want al ben jij dominee, jij kent de bijbel niet.’

‘Dat lag niet op m’n tong.’

‘Het is waar, ik ken de bijbel slecht, maar ergens staat: “Heer, red mij van de leugenlippen, van de bedrieglijke tong.” ’

‘Psalm 120 vers 2,’ zei ik, en ik dacht: steeds zegt ze Heer of de Heer. Waarom stoort mij dat? Het is toch absurd dat ik, terwijl ik allang tot de slotsom gekomen ben dat het allemaal onbedaarlijke apekool is, horen wil: ‘Here, red mij van de leugenlippen.’ Ik dacht aan wat mijn vader, als een ‘Heer’-zegger bij ons preekte, altijd toornig had gezegd: ‘De Heer is een chocolademerk.’

Ik kon die avond niet in slaap komen. Ik lag maar aan haar te denken, en het leek of ik die zachte, geduldige, gestadige telefoonademhaling hoorde. Dat je, zelfs als je de zestig naderde, vatbaar bleef voor zulke hemeltergend primitieve aandoeningen. Oprispingen van je chromosomen. Terwijl sinds jaar en dag mijn lijfrijm luidde: ‘Nooit meer wenen als galeislaaf van de genen.’ Eerst die Lotte, die zomaar met wapperende jaspanden bij het atelier van Molly was komen aanwaaien, toen als homeopathisch middel tegen Lotte de gravin, bij wie ik het blijkbaar verbruid had, en nu weer, omdat Lotte en Leonora elkaar geneutraliseerd hadden, dit domineetje. Of was het veeleer een susceptibiliteit in jezelf die zich richten kon op elke geschikte Eva? Je hoefde maar zo’n wezentje bij een bushalte te zien staan en je genen begonnen hun liedje van verlangen te neuriën. Zoveel was zeker: die susceptibiliteit kon je tijdelijk uitwissen door met zo’n supranormale stimulus als Sirena te vrijen. ‘Sirena, kom hier!’ riep ik, maar ze kwam niet en ik viel in slaap.

Veel later die nacht werd ik wakker omdat ik nodig moest. Toen ik op het toilet zat en de urine in de pot klaterde, merkte ik dat ik zachtjes zong:

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal, in ’t zalig oord

Van Sion, haast voor God verschijnen.

Let, Heer, der legerscharen, let

Op mijn ootmoedig smeekgebed.

Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;

Leen mij een toegenegen oor,

O, Jakobs God, geef mij gehoor.